Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ8539

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
202998 - HA ZA 09-2714
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft klachtplicht art. 7:23 lid 1 BW en verjaring ex artikel 7:23 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 22 juni 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 202998 / HA ZA 09-2714 van

1. vennootschap onder firma

[T] V.O.F.,

gevestigd te [adres], en haar vennoten:

- [XX],

wonende te [adres],

- [DD],

wonende te [adres],

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[T] B.V.,

gevestigd te [adres],

2. vennootschap onder firma

[H] V.O.F.,

gevestigd te [adres], en haar vennoten:

- [XX],

wonende te [adres],

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[YY] B.V.,

gevestigd te [adres],

eiseressen,

advocaat mr. M.M.J. Arts te Groningen,

tegen

[B],

wonende te [adres],

handelende onder de naam Dierenartsen combinatie AADAL,

kantoorhoudende te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. B.M. Paijmans te Utrecht,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 209837 / HA ZA 10-860 van

[C],

wonende te [adres],

eiser,

advocaat mr. B.M. Paijmans te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[M] B.V.,

gevestigd te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [T] c.s., [B] en [M] genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 oktober 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 21 april 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 oktober 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 21 april 2011.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. Het geschil

in de hoofdzaak

3.1. [T] c.s. vordert samengevat - veroordeling van [B] tot betaling van

EUR 49.990,94 aan eiseres sub 1, [T] V.O.F., en van EUR 46.992,87 aan eiseres sub 2, [H] V.O.F., vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [B] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

3.4. [B] vordert - samengevat - :

primair:

voor recht te verklaren dat [M] gehouden is [B] te vrijwaren en dat [M] wordt veroordeeld om aan [B] te betalen al hetgeen waartoe [B] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [M] in de kosten van de vrijwaring

subsidiair:

vast te stellen dat en voor welk (overgrote) deel [M] gehouden is [B] te vrijwaren, voor recht te verklaren dat [M] gehouden is [B] voor dat deel te vrijwaren en [M] te veroordelen om aan [B] te betalen het aldus vastgestelde deel van hetgeen waartoe [B] in de hoofdzaak jegens [T] c.s. mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [M] in de kosten van de vrijwaring.

Daarnaast vorderde [B] zowel primair als subsidiair bij incidentele vordering ex artikel 843a Rv, [M] te veroordelen om aan [B] de bevindingen te verstrekken van [XXX] B.V.. Deze vordering is bij vonnis in het incident van 2 juni 2010 afgewezen.

3.5. [M] voert verweer.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in de hoofdzaak

4.1. [T] c.s. vordert vergoeding van schade die zij heeft geleden doordat er op haar bedrijf abortus blauw is uitgebroken. Zij stelt dat [B] voor die schade aansprakelijk is aangezien [B] uit hoofde van een met [T] c.s. gesloten overeenkomst de vaccins geleverd heeft die zouden moeten beschermen tegen de uitbraak van abortus blauw en deze vaccins ondeugdelijk waren.

4.2. Het meest verstrekkende verweer van [B] is dat de vorderingen van [T] c.s. zijn verjaard. Voor de beoordeling van dat verweer is het navolgende van belang.

4.2.1. [T] c.s. baseert haar vorderingen op artikel 7:17 BW. Artikel 7:23 lid 2 BW bepaalt dat rechtsvorderingen, gegrond op feiten die de stelling zouden kunnen rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van twee jaren nadat de koper er van kennis gegeven heeft aan de verkoper dat de afgeleverde zaak (volgens de koper) niet aan de overeenkomst beantwoordt.

De uitbraak van abortus blauw vond plaats in december 2006. [B] is gedagvaard door [T] c.s. bij dagvaarding van 23 oktober 2009.

4.2.2. [B] stelt dat [T] c.s. eerst op 11 juni 2007 -door toezending van een aansprakelijkstelling- heeft geklaagd, zodat [T] c.s. niet binnen bekwame tijd -als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW- heeft geklaagd alsmede dat, ook indien de klacht op 11 juni 2007 wel als zodanig wordt aangemerkt, de vordering verjaard is nu [B] eerst op 23 oktober 2009 door [T] c.s. ter zake van die vorderingen is gedagvaard.

4.2.3. [T] c.s. stelt zich op het standpunt dat zij reeds in december 2006/januari 2007 heeft geklaagd nu [B] van het begin van de uitbraak van abortus blauw daarvan op de hoogte is geweest en betrokken is geweest bij de in het kader daarvan genomen stappen.

Ter comparitie is door de advocaat van [T] c.s. verklaard dat er stuitingshandelingen zijn verricht waarvan de belangrijkste het toezenden van een conceptdagvaarding is, op 9 februari 2009 aan de dierenartsencombinatie Aadal. Tevens heeft de advocaat verklaard dat van de zijde van mr. Blok, de toenmalig raadsman van [B], bij brief is bevestigd dat de conceptdagvaarding op 25 februari 2009 is ontvangen. Ter zake is uitdrukkelijk bewijs aangeboden.

4.3. Voor de aanvang van de verjaringstermijn is derhalve van belang op welk moment [T] c.s. geacht moet worden te hebben voldaan aan zijn klachtplicht als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW. Indien [T] c.s. aan zijn klachtplicht heeft voldaan in december 2006/januari 2007 zoals zij stelt, zijn de vorderingen in ieder geval per 1 februari 2009 verjaard. Gesteld noch gebleken is immers dat er voor 1 februari 2009 stuitingshandelingen zijn verricht.

4.4. [B] betwist dat [T] c.s. aan zijn klachtplicht heeft voldaan in december 2006/januari 2007 zoals door [T] c.s. is gesteld. [B] heeft niet betwist dat hij direct van de uitbraak van abortus blauw op het bedrijf van [T] c.s. -derhalve in december 2006- door [T] c.s. op de hoogte is gesteld. [T] c.s. stelt dat die uitbraak het gevolg was van de ondeugdelijkheid van het door [B] geleverde vaccin. Gesteld noch gebleken is dat [T] c.s. dat aan [B] heeft medegedeeld op een eerder tijdstip dan bij de aansprakelijkstellingsbrief van 11 juni 2007. [B] stelt dat hij niet weet of sprake is van een ondeugdelijk vaccin en dat die vraag door “de wetenschap” beantwoord dient te worden.

Bij de beantwoording van de vraag of [T] c.s. tijdig heeft geklaagd indien zij eerst bij brief van 11 juni 2007 heeft geklaagd en [B] aansprakelijk heeft gesteld voor de schade geleden, dienen alle betrokken belangen en alle relevante omstandigheden in acht genomen te worden, waarbij in belangrijke mate bepalend is of de belangen van [B] al dan niet zijn geschaad.

De rechtbank stelt vast dat [B] blijkens productie 7 bij dagvaarding, de door [B] opgestelde “chronologische beschrijving van de kliniek en de uitgevoerde onderzoeken en maatregelen”, in december 2006 op de hoogte was van de uitbraak van abortus blauw op het bedrijf van [T] c.s.. Uit voormeld overzicht blijkt tevens dat [B] het ziekteproces heeft gevolgd en begeleid mede door het laten nemen van bloedmonsters en het laten verrichten van sectie op diverse biggen. Nu juist het door [B] geleverde vaccin tot doel had bescherming van de zeugen, opfokgelten en biggen tegen abortus blauw en daarnaast gesteld noch gebleken is dat [B] in zijn belangen is geschaad doordat [T] c.s. eerst bij brief van 11 juni 2007 [B] heeft geklaagd respectievelijk aansprakelijk heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel, voormelde omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, dat [T] c.s. in casu binnen bekwame tijd aan zijn klachtplicht heeft voldaan.

(zie LJN: BP8991)

4.5. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtsvordering gebaseerd op de non-conformiteitsklacht in beginsel is verjaard op 11 juni 2009.

De thans ingestelde vordering is ingesteld bij dagvaarding van 23 oktober 2009.

4.6. Voor stuiting van de verjaring is een schriftelijke mededeling vereist waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt. Het toezenden van een conceptdagvaarding is niet zonder meer te beschouwen als een stuitingshandeling, te meer niet indien niet vast staat wat daarvan de inhoud is en dat deze door de schuldenaar is ontvangen. Ter comparitie is door de advocaat van [B] verklaard dat zij niet weet of een conceptdagvaarding is ontvangen en zo ja wanneer. Hoewel het verjaringsverweer zijdens [B] reeds bij conclusie van antwoord naar voren is gebracht, heeft [T] c.s. haar stelling dat er stuitingshandelingen zijn verricht en met name dat een conceptdagvaarding is toegezonden en ontvangen niet met bewijzen gestaafd doch wel uitdrukkelijk bewijs ter zake aangeboden. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een stuitingshandeling, is het, naast een bewijs van ontvangst daarvan door [B], van belang kennis te nemen van de inhoud van de conceptdagvaarding en de (eventueel) daarbij gevoegde begeleidende aanbiedingsbrief.

De rechtbank zal dan ook, alvorens verder te beslissen, [T] c.s. in de gelegenheid stellen de conceptdagvaarding, de daarbij behorende aanbiedingsbrief en de brief waarbij de ontvangst van die stukken wordt bevestigd bij akte in het geding te brengen. [B] zal vervolgens de gelegenheid krijgen daarop bij antwoordakte te reageren.

5. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

4.7. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 juli 2011 voor het nemen van een akte door [T] c.s. waarbij de in r.o. 4.5. vermelde stukken in het geding kunnen worden gebracht, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

4.8. houdt iedere verdere beslissing aan,

in de zaak in vrijwaring

4.9. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.A.J.M. Lavrijssen en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.