Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ5703

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
26-05-2011
Zaaknummer
206647 - HA ZA 10-314
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9612, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling pensioenrechten onder het Boon/Van Loon-regime. In beginsel heeft de vrouw ook recht op indexering (met verwijzing naar HR 6 oktober 2006, LJN AW6163). In het onderhavige geval slaagt echter het beroep van de man op rechtsverwerking. Naast tijdsverloop is er sprake van bijzondere omstandigheden. De vrouw heeft in 1994 een vordering met betrekking tot de indexering bij de voorzieningenrechter aanhangig gemaakt, die vervolgens is afgewezen. De vrouw heeft geen appel ingesteld en evenmin een procedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Eerst meer dan veertien jaar later laat zij de man weten alsnog aanspraak te willen maken op indexering. De vrouw heeft door haar handelen bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij voor wat betreft de indexering in het vonnis van de voorzieningenrechter heeft berust. Ook is de man door het stilzitten van de vrouw onredelijk benadeeld. De vrouw heeft immers door haar stilzitten de man mogelijkheden ontnomen om gedegen voorzieningen te treffen ter financiering van de indexeringsbedragen waar zij thans aanspraak op maakt. De vordering wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/109 met annotatie van B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206647 / HA ZA 10-314

Vonnis van 25 mei 2011

in de zaak van

[Partij A],

wonende te [adres],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. [I],

tegen

[Partij B],

wonende te [adres],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. [K].

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van [xxx];

- het proces-verbaal van comparitie van [xxx];

- de akte van de vrouw van [xxx].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op [XXXX] gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij vonnis van deze rechtbank van [xxxxxx] is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Dit vonnis is op [xxxxxx] ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

2.2. Op [xxxxxx] heeft de vrouw de man gedagvaard in kort geding in verband met - kort gezegd - aanspraken van de vrouw op het pensioen van de man voor zover dat tijdens de huwelijkse periode is opgebouwd. Bij mondeling vonnis van [xxx] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering tot betaling van een achterstallig bedrag van fl. 13.264,15 toegewezen en de man voorts veroordeeld tot betaling van fl. 1.170,74 per maand per [xxx]. De vordering van de vrouw om voormeld maandelijks te betalen bedrag per 1 april van elk jaar te indexeren, heeft de voorzieningenrechter afgewezen. Partijen beschikken niet over een schriftelijke weergave van deze mondelinge uitspraak.

2.3. De man heeft voormeld achterstallig bedrag aan de vrouw betaald. Ook de maandelijkse betalingen zijn aan de vrouw voldaan.

2.4. Bij brief van [xxx] heeft de vrouw jegens de man aanspraak gemaakt op betaling van EUR 16.326,90 wegens achterstallige pensioenuitkeringen in verband met de indexering van dat pensioen.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

3.1. De vrouw vordert - samengevat - zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat de vrouw recht heeft op de helft van het ouderdomspensioen van de man, te vermeerderen met de jaarlijkse wettelijke indexering;

2. veroordeling van de man tot betaling van EUR 20.092,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 1995;

3. met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in conventie.

3.2. De man voert verweer tegen de vorderingen in conventie en vordert in reconventie - samengevat - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht te verklaren dat de man recht heeft op de helft van het ouderdomspensioen van de vrouw, telkens jaarlijks te verhogen met de door het pensioenfonds c.q. de pensioenfondsen toe te passen indexering;

b. veroordeling van de vrouw om over te gaan tot verdeling van de door haar opgebouwde pensioenaanspraken, telkens jaarlijks te verhogen met de door het pensioenfonds toe te passen indexering;

c. met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in reconventie.

3.3. De vrouw voert verweer tegen de vorderingen in reconventie.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie]

4.1. Met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981 (NJ 1982, 503; bekend onder de naam Boon/Van Loon), stelt de vrouw dat zij recht heeft op indexering van de maandelijkse pensioenuitkeringen die zij van de man krijgt en in de toekomst nog zal krijgen.

De man voert in eerste instantie als primair verweer, dat uit het arrest Boon/Van Loon niet voortvloeit dat er een recht is op indexering.

4.2. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Partijen zijn het erover eens dat op hun geschil het Boon/Van Loon-arrest van toepassing is. Voorts heeft de vrouw bij haar akte van [xxx], ter nadere onderbouwing van haar stellingen omtrent de indexering, uitdrukkelijk een beroep gedaan op de uitspraak van de Hoge Raad van 6 oktober 2006 (LJN AW6163), waarin de Hoge Raad ten aanzien van het daar aan hem voorgelegde geschil onder meer heeft overwogen: dat het oordeel van het Hof - dat de aanspraak op indexering van de pensioenuitkering deel uitmaakt van het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde pensioen en dat de man, die het volledige geïndexeerde ouderdomspensioen ontvangt, inclusief dat deel dat voor de vrouw bestemd is, derhalve de indexering over het deel dat krachtens de overeenkomst aan de vrouw toekomt, aan de vrouw moet afdragen - geheel in lijn is met het arrest Boon/Van Loon.

De man heeft vervolgens niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om hierop (bij antwoordakte) te reageren en zijn verweer aan te vullen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man de vrouw volgt in haar standpunt dat ook dit arrest op hun feitelijke situatie van toepassing is en dat de man dus zijn eerdere primaire verweer, dat uit Boon/Van Loon niet voortvloeit dat de vrouw recht heeft op indexering, laat varen.

De rechtbank concludeert dat de vrouw in beginsel recht heeft op de indexeringen, die door het pensioenfonds van de man daadwerkelijk zijn en nog zullen worden toegepast. Voor zover de vrouw met haar vordering om de “jaarlijkse wettelijke indexering” toe te passen een verdergaande en/of hogere indexering beoogt, moet die vordering worden afgewezen. Noch in meergenoemd arrest van 6 oktober 2006 noch in de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval is een grondslag te vinden voor een indexering die qua frequentie en/of qua hoogte uitstijgt boven de daadwerkelijk door het pensioenfonds van de man toegepaste en nog toe te passen indexeringen.

4.3. De man heeft subsidiair een beroep gedaan op rechtsverwerking. Daarbij heeft de man erop gewezen dat de vrouw geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het (mondelinge) vonnis van de voorzieningenrechter van [xxx] en dat zij ook geen bodemprocedure heeft opgestart. De vrouw heeft volgens de man dus kennelijk berust in het oordeel van de voorzieningenrechter.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van de man op rechtsverwerking. Als uitgangspunt heeft te gelden dat slechts sprake kan zijn van rechtsverwerking indien de schuldeiser - in casu de vrouw - zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Volgens vaste rechtspraak levert enkel tijdsverloop geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. In dit geval is echter sprake van bijzondere omstandigheden, als gevolg waarvan bij de schuldenaar - de man - het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw haar aanspraak niet (meer) geldend zal maken en is de man in zijn positie van de schuldenaar onredelijk benadeeld doordat de vrouw haar aanspraak alsnog geldend wil maken.

De vrouw heeft immers reeds in september 1994 een vordering met betrekking tot de indexering bij de voorzieningenrechter aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter heeft die vordering afgewezen en de vrouw heeft daar toen geen vervolg aan gegeven. Zij is niet in hoger beroep gekomen van dat vonnis. Evenmin heeft zij een procedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt om alsnog haar aanspraak op indexering geldend te maken en tot een verdeling van die indexering te komen. Er is gesteld noch gebleken dat de vrouw in de ruim veertien jaar durende periode tussen meergenoemd kort-gedingvonnis en haar brief aan de man van [xxx], de man heeft laten weten dat zij op de indexering terug zou komen.

Door aldus te handelen, heeft de vrouw bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij voor wat betreft de indexering in het vonnis van de voorzieningenrechter had berust. Verder is de rechtbank met de man van oordeel dat hij door het stilzitten van de vrouw onredelijk is benadeeld. De man heeft onbetwist gesteld dat hij nu onvoldoende liquide middelen heeft om het gevorderde bedrag te voldoen, aangezien hij slechts een pensioenuitkering geniet en dat hij bij een eventueel toewijzend vonnis zijn huis moet verkopen. De vrouw heeft door haar stilzitten de man mogelijkheden ontnomen om gedegen voorzieningen te treffen ter financiering van de indexeringsbedragen waar de vrouw thans aanspraak op maakt.

Bij het voorgaande acht de rechtbank voorts van belang dat de vrouw geen, althans geen valide reden heeft gegeven voor het feit dat zij al die tijd heeft verzuimd de man te wijzen op haar aanhoudende aanspraak op indexering.

4.5. Hieruit volgt dat de vorderingen van de vrouw moeten worden afgewezen. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in reconventie

4.6. De man heeft aan zijn vorderingen in reconventie ten grondslag gelegd, dat tot op heden geen verevening/verdeling heeft plaatsgevonden van de pensioenaanspraken die door de vrouw zijn opgebouwd.

De vrouw heeft ter comparitie gesteld dat zij tijdens de huwelijkse periode heeft gewerkt en dat in dat kader opgebouwde pensioenrechten nog niet tot uitkering zijn gekomen. In haar akte van [xxx] heeft de vrouw, onderbouwd met documenten, hieromtrent aanvullend gesteld dat zij tijdens het huwelijk geen pensioen heeft opgebouwd. De man heeft hierop vervolgens niet gereageerd.

4.7. Gezien het voorgaande neemt de rechtbank als tussen partijen vaststaand aan dat de vrouw gedurende de huwelijkse periode geen pensioenrechten heeft opgebouwd. Van een aanspraak van de man op verevening/verdeling van pensioenrechten van de vrouw kan dan geen sprake zijn. De vorderingen in reconventie zullen daarom worden afgewezen.

4.8. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank,

in conventie:

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in reconventie:

5.3. wijst de vorderingen af;

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.