Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ5050

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
586037
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

effectenlease, Dexia, Profit Effect overeenkomst, Dexia Aanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector Kanton, locatie Breda

Zaaknummer : 586037

Rolnummer : 946/10

Uitspraak : 18 mei 2011

in de zaak van:

de buitenlandse vennootschap Varde Investments (Ireland) Limited,

gevestigd te Dublin I (Harbourmaster Place) Ierland,

eiseres in conventie;

verweerster in reconventie;

gemachtigden: mr. G.J. Schras en Maas-Delta Deurwaarders GGN B.V.,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaatsnaam en adres],

gedaagde in conventie;

eiser in reconventie;

procederende in persoon.

Partijen zullen verder worden aangeduid als "Varde" en "[gedaagde]".

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar en volhardt bij hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 28 april 2010 waarbij de zaak is verwezen naar de rolzitting van woensdag 26 mei 2010 te 11.00 uur voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde]. [gedaagde] heeft zich bij conclusie van antwoord tegen toewijzing van de vordering verzet waarbij hij tevens een voorwaardelijke tegenvordering (eis in reconventie) heeft ingediend. Varde heeft daarop gerepliceerd in conventie en geantwoord in reconventie, waarbij zij tevens haar eis heeft verminderd. [gedaagde] heeft vervolgens gedupliceerd in conventie en gerepliceerd in reconventie. Tenslotte heeft Varde een conclusie van dupliek in reconventie ingediend.

Het vonnis is daarop nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.1. [gedaagde] heeft op 14 december 2000 met een rechtsvoorganger van Dexia Bank Nederland N.V. (hierna: Dexia) een zogenoemde "Profit Effect Maandbetaling" leaseovereenkomst gesloten, geregistreerd onder het contractnummer 56182431. De overeenkomst is aangegaan voor een periode van 120 maanden, te rekenen vanaf de aankoopdatum van de aandelen. Voornoemde overeenkomst zal hierna worden aangeduid als 'de Leaseovereenkomst'.

De Leaseovereenkomst had betrekking op het door [gedaagde] leasen van aandelen tot een totale aankoopsom van € 11.049,66. Gedurende de looptijd van de overeenkomst was rente verschuldigd ten bedrage van € 13.701,60. Beide bedragen samen vormden de leasesom van € 24.751,26. Gedurende 36 maanden diende [gedaagde] maandelijks een bedrag van € 114,18 aan Dexia te voldoen. Na 36 maanden werd het termijnbedrag van de overige 84 maanden bepaald aan de hand van een percentage van 12,4% per jaar over het aankoopbedrag van de waarden op welk percentage een korting werd gegeven op basis van de gemiddelde procentuele stijging van de waarde van het aandelenpakket over de eerste drie jaren na de aankoopdatum van de aandelen. Na 119 maanden was [gedaagde] nog een termijnbedrag van

€ 45,38 verschuldigd en aan het einde van de Leaseovereenkomst een restantbedrag van

€ 11.004,28 welk bedrag verrekend zou worden met de verkoopopbrengst van de aandelen.

Op de Leaseovereenkomst zijn de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van toepassing.

2.1.2. Op 26 maart 2003 heeft [gedaagde] het zogenaamde Dexia Aanbod ondertekend; het betreffende formulier is als productie 3 bij dagvaarding door Varde overgelegd.

2.1.3. Bij aangetekende brief van 23 maart 2005 heeft [gedaagde] aan Dexia geschreven:

'Bij brief van 1 maart 2005, (..) verzocht ik u mij voor 24 maart 2005 te antwoorden. Dat antwoord heb ik niet ontvangen. Overigens heb ik nimmer een inhoudelijke reactie van u ontvangen, ook niet op mijn aan u gerichte brieven van 6 en 20 januari 2004.

Derhalve rest mij niets anders dan mijn hiervoor genoemde Profit-Effect effectenlease-overeenkomst te beëindigen, en wel per 1 april 2005.

(...)

Op 1 april 2005 zal ik aan u overmaken het bedrag van de lening ad € 11.049,66 te verminderen met de slotwaarde van de aandelen d.d. 31 maart 2005, alsmede te verminderen met de schade die ik sinds 1 januari 2004 heb geleden, zoals vermeld in de brief aan de klachtencommissie DSI d.d. 10 februari 2004 (...).

Indien u van mening bent dat ik een rekenfout in uw nadeel heb gemaakt, verneem ik dat graag van u zodat ik het verschil kan aanzuiveren'.

2.1.4. Bij brief van 1 april 2005 heeft [gedaagde] aan Dexia een berekening toegezonden en heeft hij aan Dexia geschreven dat de aan haar te betalen hoofdsom € 5.729,61 bedraagt.

2.1.5. Op of omstreeks 4 april 2005 heeft Dexia een bedrag van € 5.729.61 van [gedaagde] ontvangen.

2.1.6. Bij brief van 16 november 2006 (prod. 7 bij repliek in conventie) heeft Dexia aan [gedaagde] geschreven:

'(...) Op basis van uw schriftelijke verzoek van 23 maart 2005 tot beëindiging van bovengenoemde overeenkomst hebben wij u een Berekening Tussentijdse Beëindiging (BTB) toegezonden. Deze berekening gaf u een indicatie van de te verwachten gevolgen van een beëindiging en was voorzien van een verzoek tot getekend retourneren om de beëindiging in gang te zetten.

U heeft hier echter geen gehoor aan gegeven, waardoor de overeenkomst tot op heden nog van kracht is en u uit hoofde daarvan een maandelijkse betalingsverplichting heeft.

(...)

Tot slot delen wij u mee dat wij het door u op 4 april overgemaakte bedrag van € 5.729,61 hebben verrekend met de betalingsachterstanden tot en met termijn 69. Het restantbedrag van € 3.788,50 hebben wij op 27 april 2006 overgemaakt naar het bij ons bekende rekeningnummer'.

2.1.7. Bij brief van 22 juni 2010 (productie 8 bij conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie) heeft Dexia aan [gedaagde] geschreven:

'Betreft: gedwongen verkoop Profit Effect, contractnummer 56182431.

Geachte heer [gedaagde],

Meerdere malen heeft Dexia Bank Nederland N.V. (Dexia) u geattendeerd op een betalingsachterstand op bovengenoemde effectenlease-overeenkomst. Aangezien wij het totale openstaande bedrag ook na aanmaningen niet ontvingen, waren wij genoodzaakt uw overeenkomst, conform de contractvoorwaarden, te beëindigen. Hierbij ontvangt u de eindafrekening.

Het bedrag dat op de eindafrekening is vermeld, hoeft u niet te voldoen c.q. wordt niet aan u uitbetaald aangezien u in aanmerking komt voor de Duisenberg-regeling. U ontvangt binnenkort het Duisenbergoverzicht. In dit overzicht is de vergoeding van de Duisenberg-regeling opgenomen.

(...)

Het totaalbedrag op het Duisenbergoverzicht is het bedrag dat uiteindelijk aan u wordt uitbetaald of dat u nog aan Dexia dient te betalen'.

2.1.8. De hoogte van voormelde eindafrekening bedraagt € 9.540,58.

3. Het geschil

3.1.1. Varde vordert, na vermindering van eis, betaling door [gedaagde] van een bedrag van

€ 7.560,04 aan hoofdsom, € 1.086,99 aan wettelijke rente en € 1.134,00 aan buiten-gerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2010 tot de dag der voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de gemachtigde en de nakosten.

3.1.2. Varde heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Dexia de Leaseovereenkomst tussentijds heeft beëindigd vanwege een betalingsachterstand van [gedaagde]. Na beëindiging van de overeenkomst heeft zij aan [gedaagde] een eindafrekening van € 9.540,58 verzonden die onbetaald is gebleven. Na aftrek van de Duisenbergvergoeding van € 1.960,60 en het 'dividend KPN' ad € 19,94 resteert er aan hoofdsom een bedrag van € 7.560,04. Dexia heeft de vordering overgedragen aan Varde.

3.2. [gedaagde] heeft de vordering van Varde bestreden op gronden die, voor zover van belang, hierna aan de orde zullen komen. Voorts heeft [gedaagde] een voorwaardelijke tegenvordering ("vordering in reconventie") ingesteld. Onder de voorwaarde dat de vordering van Varde wordt toegewezen, vordert [gedaagde] veroordeling van Varde om aan hem te betalen een bedrag gelijk aan het bedrag dat in conventie aan Varde wordt toegewezen met veroordeling van Varde in de kosten van de procedure.

3.3. Varde heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagde].

4. De verdere beoordeling van het geschil

in conventie:

Het Dexia Aanbod

4.1. Op 26 maart 2003 heeft [gedaagde] een zogenaamd Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod ondertekend. Op dit Aanmeldingsformulier is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"Door ondertekening van dit formulier (...) ga ik met Dexia Bank Nederland N.V. de Overeenkomst Dexia Aanbod aan. De volledige tekst van de Overeenkomst Dexia Aanbod als opgenomen bij de Juridische Documenten Dexia Aanbod moet, voor zoveel nodig, geacht worden volledig in dit aanmeldingsformulier te zijn ingelast en herhaald".

Tussen partijen staat vast, dat [gedaagde] dit formulier heeft ondertekend en dat Dexia het ondertekende formulier heeft ontvangen en geaccepteerd. Aldus is sprake van een aanbod (door Dexia) en aanvaarding daarvan (door [gedaagde]) en is een overeenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst zal hierna worden aangeduid als "de Vaststellingsovereenkomst".

4.2. In algemene zin geldt, zoals Varde terecht heeft betoogd, dat een vaststellingsovereenkomst een nieuwe rechtsverhouding tussen partijen tot stand brengt teneinde geschillen en/of meningsverschillen en/of (toekomstige) onzekerheden over de (rechtsgevolgen van de) voordien tussen partijen bestaan hebbende rechtsverhouding te beëindigen of te voorkomen. Voor het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst is niet vereist dat er op het moment van de totstandkoming daadwerkelijk al van een geschil sprake is. De nieuwe rechtsverhouding prevaleert boven de rechtsverhouding die voordien heeft bestaan.

Het is echter heel goed mogelijk, zoals [gedaagde] kennelijk bedoelt te stellen, dat in een vaststellingsovereenkomst verwijzingen zijn opgenomen naar en/of wordt "voortgeborduurd" op rechten en/of verplichtingen uit de "oude", voordien bestaan hebbende rechtsverhouding. Anders gezegd: het is heel goed mogelijk, dat een vaststellingsovereenkomst reeds bestaande rechten en/of verplichtingen uit de "oude" overeenkomst (deels) onverlet laat of daaraan een andere inhoud geeft; een en ander hangt -uiteraard- af van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst.

4.3. De hierboven besproken kwestie vormt de kern van het in deze procedure aan de orde zijnde geschil tussen partijen. Het gaat in dit geding vooral om de vraag of en in hoeverre onder het regime van de Vaststellingsovereenkomst nog eventuele rechten en/of verplichtingen uit de Leaseovereenkomst in stand zijn gebleven. Vanzelfsprekend moet daarbij het uitgangspunt zijn, dat de Vaststellingsovereenkomst prevaleert boven de Leaseovereenkomst.

4.4.1. [gedaagde] heeft allereerst aangevoerd dat de Vaststellingsovereenkomst geen betrekking heeft op de Leaseovereenkomst maar uitsluitend betrekking heeft op een ander product van Dexia, te weten de WinstVerdrieDubbelaar, waarvan [gedaagde] ook in het bezit was. Volgens [gedaagde] stond op het door hem ondertekende Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod niet vermeld voor welk product het Dexia Aanbod gold (op het ondertekende formulier stond niet vermeld 'Profit Effect'). Volgens [gedaagde] ontdekte hij pas achteraf, na de ondertekening en inzending van het formulier, dat op de achterkant daarvan, bij de passage over de "overeenkomsten die onder voorwaarden in aanmerking komen voor het Dexia Aanbod", ook de 'Profit Effect'-overeenkomst werd genoemd. Niet duidelijk was echter onder welke voorwaarden deze overeenkomst in aanmerking kwam voor het Dexia Aanbod, aldus [gedaagde].

4.4.2. In beginsel oordeelt de kantonrechter de Vaststellingsovereenkomst van toepassing op de Leaseovereenkomst en wordt in zoverre het verweer van [gedaagde] verworpen. [gedaagde] heeft erkend, dat op de achterkant van het "Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod" ook de 'Profit Effect'-overeenkomst werd genoemd als één van de soorten effectenleaseovereenkomsten waarop het Dexia Aanbod -al dan niet onder bepaalde voorwaarden- van toepassing was. [gedaagde] kan er zich niet op beroepen dat hij daar pas achter is gekomen, nadat hij het aanmeldingsformulier had ondertekend en opgestuurd. Bij het kruisje, waar [gedaagde] heeft aangegeven akkoord te gaan met het Dexia Aanbod, is op het formulier uitdrukkelijk de passage opgenomen dat de volledige tekst van de Vaststellingsovereenkomst geacht wordt herhaald en ingelast te zijn (dus ook de achterkant van het formulier), dat [gedaagde] de volledige overeenkomst ontvangen, gelezen en begrepen heeft en dat de Vaststellingsovereenkomst van toepassing kan zijn op meerdere op naam van betrokkene staande effectenleaseovereenkomsten. Indien [gedaagde] wenste, dat de Vaststellingsovereenkomst niet van toepassing zou zijn op de Leaseovereenkomst maar wel op de WinstVerdrieDubbelaar had [gedaagde] dat expliciet moeten aangeven. Nu hij een dergelijk voorbehoud niet heeft gemaakt, gelden in beginsel de bepalingen van de Vaststellingsovereenkomst en niet die van de Leaseovereenkomst.

4.5. Daarmee is echter nog niet geheel duidelijk of aan alle in de Vaststellingsovereenkomst gestelde voorwaarden voor toepasselijkheid daarvan is voldaan en of, en in hoeverre, eventuele rechten en/of verplichtingen uit de Leaseovereenkomst ook onder het regime van de Vaststellingsovereenkomst (onverminderd of deels) in stand zijn gebleven. Partijen twisten in dit verband met name over de vraag door wie, op welke wijze en per welke datum de Leaseovereenkomst, uitgaande van toepasselijkheid van het regime van de Vaststellingsovereenkomst, is beëindigd, alsmede over de aan die beëindiging verbonden gevolgen.

Daarbij lijkt het er voorshands op, dat Varde in dit opzicht niet geheel consistent is in haar standpunten. Enerzijds hamert zij er in de processtukken voortdurend op dat [gedaagde] volledig is gebonden aan de Vaststellingsovereenkomst en zich niet (meer) kan beroepen op de Leaseovereenkomst. Anderzijds merkt zij bij repliek (punt 7) op, dat [gedaagde] de "Berekening Tussentijdse Beëindiging" niet voor akkoord getekend retour heeft gestuurd, waardoor er geen beëindiging heeft plaatsgevonden "en de aandelenleaseovereenkomst gewoon van kracht is gebleven." (!) (cursivering kantonrechter). Uit de brief van Varde d.d. 22 juni 2010 (zie hierboven punt 2.1.7.) lijkt echter weer te moeten worden afgeleid, dat Varde haar vordering (mede?) baseert op de zogeheten 'Duisenbergregeling'. Het kan echter niet zo zijn, dat Varde zich naar believen ofwel op de Vaststellingsovereenkomst ofwel op de Leaseovereenkomst ofwel op de 'Duisenbergregeling' beroept al naar gelang haar dat uitkomt.

4.6. De kantonrechter stelt vast, dat de achterzijde van het "Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod" door partijen niet is overgelegd. De eigenlijke Vaststellingsovereenkomst (d.w.z. de volledige 'Overeenkomst Dexia Aanbod' waarnaar op het Aanmeldingsformulier wordt verwezen, met alle daarbij behorende bijlagen), is evenmin door partijen overgelegd. De kantonrechter acht het noodzakelijk dat deze stukken alsnog volledig door Varde in het geding worden gebracht. De zaak zal daartoe naar de rolzitting worden verwezen.

De (datum van) beëindiging van de Leaseovereenkomst

4.7. Uit andere gerechtelijke procedures is de kantonrechter ambtshalve bekend met de tekst van de Overeenkomst Dexia Aanbod. Om proceseconomische redenen zal de kantonrechter er vooralsnog veronderstellenderwijs van uitgaan, dat de tekst van de Vaststellingsovereenkomst zoals die tussen partijen geldt, gelijkluidend is aan de tekst zoals die de kantonrechter ambtshalve bekend is.

De kantonrechter gaat er vooralsnog tevens van uit, dat de 'Profit-Effect-overeenkomst' valt onder de categorie effectenleaseovereenkomsten waarop de Vaststellingsovereenkomst onverkort van toepassing is.

Indien en voorzover partijen van mening zijn, dat de tekst van de tussen hen geldende Vaststellingsovereenkomst afwijkt van hetgeen hierna met betrekking tot die tekst zal worden overwogen, wordt partijen verzocht dat uitdrukkelijk en gemotiveerd aan te geven in een akte, waarvoor hen de gelegenheid wordt gegeven als hierna in de beslissing is vermeld.

4.8.1. Krachtens artikel 1.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst wordt onder 'afloopdatum' verstaan "de dag waarop de reguliere looptijd van de DA-Effectenlease-overeenkomst verstrijkt, of, indien die dag geen Beursdag is, de eerstvolgende Beursdag na die dag".

Ingevolge artikel 1.2.6. van de Vaststellingsovereenkomst komt [gedaagde] niet voor één van de in artikel 1.2.2. of 1.2.3. genoemde keuzemogelijkheden van het Dexia Aanbod in aanmerking indien hij de Leaseovereenkomst vóór de afloopdatum heeft beëindigd.

4.8.2. Waar de Leaseovereenkomst dateert van 14 december 2000 en is aangegaan voor een periode van 120 maanden, te rekenen vanaf de aankoopdatum van de aandelen, en de kantonrechter er voorshands van uitgaat dat de aandelen op of kort na genoemde datum zijn gekocht, moet 14 december 2010 worden aangemerkt als de datum waarop de "reguliere looptijd" van de Leaseovereenkomst was verstreken.

Nu partijen het erover eens zijn, dat de Leaseovereenkomst (tussentijds) is geëindigd vóór 14 december 2010, leidt een en ander ertoe, dat [gedaagde] geen aanspraak kon maken op de keuzemogelijkheden van de Vaststellingsovereenkomst (het Dexia Aanbod).

4.9.1. De kantonrechter heeft in de Vaststellingsovereenkomst geen bepalingen aangetroffen die in de weg staan aan de in artikel 2 van de Leaseovereenkomst aan [gedaagde] gegeven bevoegdheid om de Leaseovereenkomst dagelijks te beëindigen middels een schriftelijke mededeling aan (de rechtsvoorgangster van) Dexia. Kennelijk is ook Dexia hiervan uitgegaan, nu zij blijkens haar brief van 16 november 2006 het verzoek van [gedaagde] om tussentijdse beëindiging van de Leaseovereenkomst gewoon in behandeling heeft genomen.

4.9.2. Varde beroept zich in dit verband nog op het bepaalde in artikel 5.1.2. van de Vaststellingsovereenkomst. Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"5.1.2. Deelnemer verklaart dat hij terzake van de DA-Effectenlease-overeenkomst(en).... afstand doet van alle door ... hem ... gepretendeerde rechten (met inbegrip van maar niet beperkt tot enig recht op schadevergoeding of vernietiging) uit hoofde van of verband houdende met die effectenlease-overeenkomst(en) [ ].

4.9.3. Het verweer van [gedaagde] dat hij gebruik heeft gemaakt van een contractueel voorziene tussentijdse beëindigingsmogelijkheid betreft naar het oordeel van de kantonrechter echter geen beroep op een gepretendeerd recht (zoals bijvoorbeeld een recht op schadevergoeding of vernietiging van de Leaseovereenkomst op grond van bijvoorbeeld dwaling of misbruik van omstandigheden). De Vaststellingsovereenkomst staat dus aan voornoemd verweer van [gedaagde] niet in de weg.

4.10. [gedaagde] stelt zich op het standpunt, dat hij de Leaseovereenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd; hij heeft bij aangetekende brief van 23 maart 2005 de Leaseovereenkomst schriftelijk opgezegd per 1 april 2005. Het recht van de lessee (in casu: [gedaagde]), om de Leaseovereenkomst dagelijks middels een schriftelijke mededeling aan de Bank te beëindigen, is in artikel 2 van de overeenkomst expliciet vermeld. In de Leaseovereenkomst zelf worden aan de beëindiging door de lessee, behoudens voornoemd schriftelijkheidsvereiste, geen verdere eisen gesteld. Uit de brief van 16 november 2006 van Dexia blijkt, dat de schriftelijke mededeling van [gedaagde] door Dexia is ontvangen. De opzegging van een overeenkomst is een eenzijdige rechtshandeling waarvoor de instemming van de wederpartij niet is vereist. Het standpunt van Varde, dat [gedaagde] de beëindiging van de Leaseovereenkomst eerst in gang kon zetten door het ondertekend retourneren van de door Dexia toegezonden Berekening Tussentijdse Beëindiging (BTB), onderschrijft de kantonrechter dan ook niet. Overigens heeft Varde in het geheel niet toegelicht op welke contractsbepaling (uit de Leaseovereenkomst?, uit de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease?, uit de Vaststellingsovereenkomst?, uit de 'Duisenbergregeling'?) zij voormeld standpunt baseert.

4.11. Met de brief van 23 maart 2005 kan [gedaagde] geacht worden de overeenkomst rechtsgeldig te hebben beëindigd per 1 april 2005. Hieraan staat niet in de weg dat [gedaagde] zich kennelijk niet kon verenigen met een betaling van 50% van de resterende maandtermijnen na beëindiging van de overeenkomst. De mogelijke gevolgen van de beëindiging per 1 april 2005 althans de wijze waarop tussen Dexia en [gedaagde] nog afgerekend diende te worden na beëindiging van de overeenkomst, staa(n)(t) immers los van de eigenlijke beëindigingshandeling zelf en de vraag per welke datum de overeenkomst (tussentijds) is beëindigd.

Afwikkeling per 1 april 2005

4.12. Het voorgaande leidt tot de slotsom, dat de Leaseovereenkomst is beëindigd per 1 april 2005 en dat de verdere afwikkeling daarvan diende te geschieden overeenkomstig de inhoud van de Leaseovereenkomst en de krachtens artikel 6 van die overeenkomst daarvan deel uitmakende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease (hierna: de Bijzondere Voorwaarden genoemd). De kantonrechter merkt in dit verband op, dat het door Varde overgelegde exemplaar van deze Bijzondere Voorwaarden (prod. 9 bij repliek) vanwege de slechte kopieëerkwaliteit niet leesbaar is. Varde dient alsnog een goed leesbaar exemplaar over te leggen.

4.13. Krachtens artikel 2 van de Leaseovereenkomst wordt bij beëindiging een korting van 50% verleend op de dan nog resterende maandbedragen.

[gedaagde] heeft betwist dat hij in geval van beëindiging 50% van de resterende maandtermijnen is verschuldigd. Hij beroept zich daarbij op de brief van Spaar Select d.d. 1 december 2000 en de reclamefolder die betrekking heeft op de Leaseovereenkomst (prod. 1 en 2 bij antwoord).

De kantonrechter verwerpt dit verweer. De bepalingen van de Leaseovereenkomst, die één A4-pagina beslaan, zijn duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar en [gedaagde] heeft deze voor akkoord ondertekend. Aan de Leaseovereenkomst dient meer gewicht te worden toegekend dan aan het reclamemateriaal. Bovendien valt de door [gedaagde] bepleite uitleg van de kortingsregeling, zoals door hem verwoord in punt 4 van de Conclusie van Antwoord, in het reclamemateriaal niet te lezen. In de reclamefolder is uitdrukkelijk vermeld, dat indien de koersstijging gedurende de eerste drie jaar gemiddeld tenminste 6,2 % per jaar is geweest, over de daaropvolgende zeven jaren geen inleg meer verschuldigd is. Indien de gemiddelde koersstijging lager is geweest dan 6,2% per jaar, dan wordt, afhankelijk van de hoogte van de koersstijging, een bepaalde korting gegeven op de inleg. In het licht van het reclamemateriaal is de tekst van de Leaseovereenkomst dus niet misleidend. [gedaagde] heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken, dat de koersstijging over de eerste drie jaren gemiddeld 6,2% per jaar is geweest, zodat niet valt in te zien hoe [gedaagde] kon en mocht menen over de resterende looptijd van de overeenkomst in het geheel geen inleg meer verschuldigd te zijn.

4.14. Het verweer van [gedaagde], dat Dexia haar rechten niet meer geldend zou kunnen maken doordat zij pas bij brief van 16 november 2006 op het beëindigingsverzoek van [gedaagde] heeft gereageerd, snijdt evenmin hout. Allereerst geldt, dat Dexia bij brieven d.d. 29 april 2005 en 6 juni 2005 (door [gedaagde] overgelegd bij conclusie van antwoord in het incident) [gedaagde] heeft geïnformeerd over de landelijke ontwikkelingen inzake de effectenleaseovereenkomsten, waarbij [gedaagde] in de brief van laatstgenoemde datum wordt verzocht deze landelijke ontwikkelingen af te wachten. Mede in het licht hiervan is de terugstorting door Dexia op 27 april 2006 van een bedrag van € 3.788,50 op de bankrekening van [gedaagde] niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat Dexia haar recht op correcte afwikkeling van de Leaseovereenkomst had prijsgegeven. De omstandigheid dat Dexia zich op het (onjuiste) standpunt stelde dat de Leaseovereenkomst onverkort voortduurde en vanuit dat gezichtspunt handelde, terwijl [gedaagde] zich op het (juiste) standpunt stelde dat de Leaseovereenkomst per 1 april 2005 was geëindigd en er uitsluitend nog een eindafrekening diende te worden opgemaakt, maakt niet, dat aan de zijde van Dexia/Varde sprake is van rechtsverwerking.

4.15. Nu de eindafrekening van Dexia, zoals overgelegd als productie 8 bij repliek, is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten (aandelenkoersen per 24 april 2007 in plaats van per 1 april 2005; afkoopwaarde resterende contractstermijnen), zal Varde in de gelegenheid worden gesteld een nieuwe eindafrekening op te maken met inachtneming van dit vonnis.

Varde kan deze eindafrekening, voorzien van een korte toelichting, bij akte in het geding brengen op de rolzitting zoals hierna in de beslissing is bepaald. Vervolgens kan [gedaagde] daarop bij antwoord-akte reageren. Partijen kunnen desgewenst alsnog de mogelijkheden bezien voor een onderlinge minnelijke regeling.

in voorwaardelijke reconventie:

4.16. Hoewel in dit stadium van de procedure nog niet duidelijk is of de voorwaarde waaronder [gedaagde] zijn tegenvordering heeft ingesteld is vervuld, overweegt de kantonrechter thans reeds als volgt.

4.17. Uit de hierboven in 4.9.2. geciteerde passage uit de Vastellingsovereenkomst blijkt, dat [gedaagde] niet alleen afstand heeft gedaan van alle door hem gepretendeerde rechten die voortspruiten uit de Leaseovereenkomst, maar ook van alle rechten die verband houden met die overeenkomst. [gedaagde] heeft zijn voorwaardelijke tegenvordering gegrond op een beweerdelijke door (de rechtsvoorgangers van) Dexia gepleegde onrechtmatige daad, doch alle feiten en omstandigheden die [gedaagde] daartoe aanvoert houden direct verband met de Leaseovereenkomst, althans met de wijze waarop deze overeenkomst tot stand is gekomen en (door Dexia) is uitgevoerd. Door ondertekening van de Vaststellingsovereenkomst heeft [gedaagde] derhalve afstand gedaan van een eventueel recht op schadevergoeding wegens de door hem gestelde onrechtmatige daad. Reeds op deze grond moet de tegenvordering, voorzover de voorwaarde waaronder deze is ingesteld is vervuld, worden afgewezen. Om proceseconomische redenen zal de einduitspraak echter worden aangehouden tot de einduitspraak op de vordering van Varde.

in conventie en in voorwaardelijke reconventie:

4.18. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 15 juni 2011 te 09.30 uur teneinde Varde in de gelegenheid te stellen bij akte de stukken in het geding te brengen als hierboven in de punten 4.6., 4.12. en 4.15 bedoeld en zich uit te laten als in punt 4.7. bedoeld;

bepaalt dat [gedaagde] vervolgens de gelegenheid zal worden geboden daarop bij antwoord-akte te reageren, waarbij hij zich eveneens kan uitlaten als in punt 4.7. bedoeld;

in conventie en in voorwaardelijke reconventie:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter te's-Hertogenbosch, tevens kantonrechter-plaatsvervanger te Breda, ter openbare terechtzitting van woensdag 18 mei 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 586037 blad 9

vonnis