Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ3975

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
229288 - KG ZA 11-255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorlopige bepaling van de verblijfplaats van de minderjarigen in afwijking van de beslissing van de bodemrechter in afwachting van de uitspraak daarover in appel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 229288 / KG ZA 11-255

Vonnis in kort geding van 15 april 2011

in de zaak van

[partij A],

wonende te [adres],

eiser,

advocaat mr. [W],

tegen

[partij B],

wonende te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. [S].

Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Na dagvaarding is een mondelinge behandeling gevolgd op 13 april 2011. Daar hebben de beide advocaten het standpunt van hun cliënt toegelicht, waarbij zij het woord hebben gevoerd aan de hand van pleitnota’s. Tevens hebben partijen zelf gesproken.

1.2. De Raad voor de Kinderbescherming is ambtshalve ter zitting aanwezig geweest en heeft mondeling advies uitgebracht.

1.3. Ten slotte is de uispraak bepaald op heden.

2. De feitelijke achtergrond

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren, te weten:

- [kind C];

- [kind D].

Vader heeft de kinderen erkend.

2.2. Vader is afkomstig uit [Aa], moeder is afkomstig uit [Bb]. Zij hebben elkaar leren kennen in 1997 in [E]. De relatie is in 2004 verbroken. Partijen hebben in afwachting van een verblijfstitel in Nederland in diverse asielzoekerscentra gewoond.

2.3. In 2007 hebben zij een verblijfsvergunning gekregen. Om het aan het gezamenlijk ouderschap ondanks het feit dat de relatie verbroken was zo goed mogelijk uitvoering te kunnen geven, zijn partijen vervolgens, in 2008, in goed overleg gezamenlijk in [adres] gaan wonen op korte afstand van elkaar.

2.4. In februari 2010 heeft vader een melding gedaan bij het AMK ter zake vermeende mishandeling van de kinderen door moeder; ook door anderen zijn dergelijke meldingen gedaan. De verhoudingen tussen partijen zijn daardoor bemoeilijkt. Moeder heeft de gezamenlijke ouderschapsregeling eenzijdig verbroken en een omgangsregeling opgesteld waarin vader de kinderen nog slechts één weekend in de veertien dagen mocht zien.

2.5. Op 16 april 2010 is moeder zonder overleg met vader en terwijl zij de kinderen daarvan pas op het laatste moment in kennis had gesteld verhuisd naar [adres] en is daar bij haar zus en diens gezin gaan inwonen. Moeder en de kinderen slapen aldaar in één kamer.

2.6. Bij verzoekschrift van 3 juni 2010 heeft vader de rechtbank in 's-Hertogenbosch verzocht hem gezamenlijk met moeder te belasten met het gezag over de kinderen en te bepalen dat de gewone woon- en verblijfplaats van de kinderen bij hem zal zijn. Het verzoek is behandeld door de kinderrechter op 18 oktober 2010. De behandeling is geschorst een aangehouden in afwachting van het resultaat van een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming.

2.7. De Raad voor de Kinderbescherming is dat onderzoek aangevangen en heeft ernstige negatieve signalen heeft gekregen met betrekking tot het welbevinden van de kinderen, hetgeen tot zorgen leidde over de veiligheid van de kinderen gezien het fysieke optreden van moeder jegens de kinderen. Veder constateerde men dat de kinderen zijn ontworteld door de overplaatsing van [adres] naar [adres]. Om die reden heeft de Raad reeds tijdens voor het uitbrengen van het definitieve rapport op januari 2011 verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoeduithuisplaatsing met verblijf bij vader.

2.8. Bij beschikking van 7 januari 2011 van de kinderrechter te 's-Hertogenbosch is de voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen en de machtiging plaatsing van de kinderen in een andere verblijfplaats, te weten bij vader, uitgesproken. Deze beslissingen zijn bekrachtigd door de rechtbank bij beschikking van 19 januari 2011, nadat op 14 januari 2011 het definitieve rapport van de Raad voor de Kinderbescherming was uitgebracht en de mondelinge behandeling had plaatsgevonden.

2.9. De verdere beslissingen zijn aangehouden en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. De kinderen zijn vervolgens door de Raad voor de Kinderbescherming bij moeder weggehaald en aan vader afgegeven. Vanaf dat tijdstip wonen de kinderen weer in [adres] en gaar daar weer naar hun vertrouwde school. Aan de door de rechter bepaalde omgang met de kinderen heeft moeder aanvankelijk geen uitvoering willen geven; zij heeft zelfs geen contact met de kinderen willen opnemen. Op 10 februari 2011 heeft onder leiding van de gezinsvoogd begeleide omgang tussen moeder en de kinderen plaatsgevonden. De kinderen hebben aangegeven in [adres] te willen blijven wonen.

2.10. De verdere behandeling heeft plaatsgevonden op [.......] 2011. De Raad voor de Kinderbescherming heeft nader advies uitgebracht. Tevens is toen het verzoek behandeld van vader om met het gezamenlijk gezag te worden belast en de wijziging van de verblijfplaats van de kinderen.

2.11. Bij beschikking van 1 april 2011 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verzoeken van vader afgewezen en bij beschikking van dezelfde datum heeft zij de kinderen onder toezicht gesteld en het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen. Moeder heeft derhalve nog steeds als enige het gezag over de kinderen.

2.12. Moeder heeft aangegeven dat de kinderen aan haar moeten worden afgegeven nu zij zelf woonplaats heeft in [adres] en de kinderen haar woonplaats volgen, zoals is bepaald in artikel 1:12 lid 1 BW. Op 6 april 2011 is moeder de kinderen gaan opeisen in [adres], hetgeen tot hectische toestanden bij de woning van vader heeft geleid. De kinderen wilden niet met moeder meegaan en wilden per se bij vader blijven. De ingeschakelde politie heeft geweigerd de kinderen met geweld uit huis te halen en tegen hun zin aan moeder mee te geven.

2.13. Moeder heeft aangegeven aangifte tegen vader te gaan doen ter zake onttrekking van de kinderen aan het ouderlijk gezag (art. 279 Wetboek van Strafrecht).

2.14. Vader heeft op 13 april 2011 (de dag van de behandeling van dit kort geding) hoger beroep tegen de beschikking van 1 april 2011 ingesteld.

3. Het geschil

3.1. Vader vordert thans

(i) dat moeder wordt verboden gebruik te maken

- van haar recht tot afgifte van de kinderen aan haar, alsmede

- van haar recht om de kinderen hun gewone verblijfplaats bij haar te laten hebben,

een en ander onder verbeurte van een dwangsom van €500,00 per dag van overtreding,

(ii) machtiging van hem om dit vonnis met behulp van de sterke arm van justitie en politie ter uitvoer te leggen, indien moeder mocht weigeren de kinderen aan hem af te geven, en wel binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis;

(iii) dat de voorzieningenrechter zal bepalen bij wijze van voorlopige voorziening dat de kinderen hun verblijfplaats bij vader zullen hebben,

(iv) althans een zodanige voorziening die de voorzieningenrechter het meest in het belang van de kinderen acht, zulks onder verbeurte van een dwangsom,

(v) kosten rechtens.

3.2. Moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

4. De beoordeling

4.1. Partijen hebben gedebatteerd over de vraag of de beschikkingen van 1 april 2011 van de rechtbank 's-Hertogenbosch juist zijn of niet en of die rechterlijke beslissingen berusten op kennelijke fouten waardoor een noodtoestand zou zijn of kunnen ontstaan. Zij hebben daarin in zoverre gelijk omdat in het algemeen sedert het arrest HR 19 mei 2000, NJ 2001, 407 geldt dat de voorzieningenrechter in kort geding zijn uitspraak moet afstemmen op hetgeen de bodemrechter heeft beslist, ongeacht of dat oordeel van de bodemrechter is neergelegd in een dictum of in de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid. En uiteraard is er meer ruimte voor de voorzieningenrechter om van dat oordeel in de bodemzaak af te wijken indien dat oordeel berust op een kennelijk misslag of geen rekening houdt met een later pas bekend geworden feit waardoor een noodtoestand ontstaat (HR 22 april 1983, 1984, 145). En inderdaad is het in het algemeen niet aan de voorzieningenrechter om in een executiegeschil een prognose te maken over de uitslag van een hoger beroep tegen de beslissing waarvan de ten uitvoerlegging ter discussie wordt gesteld.

4.2. In deze zaak gaat het evenwel niet om de ten uitvoerlegging van uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke beslissingen maar om beslissingen die de staat van personen bepalen. Inzet van deze procedure is de kwestie waar de kinderen gedurende de tijd die gemoeid is met het hoger beroep van de beschikkingen van 1 april 2011 zullen verblijven.

4.3. Bij het beslissen over die kwestie is op zich niet van doorslaggevend belang dat vader en de Raad voor de Kinderbescherming zich hogelijk over de beschikkingen van 1 april 2011 hebben verbaasd en of de rechtbank in die beschikkingen ten onrechte een bepaalde uitleg aan de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en of de uitingen van de zittingsvertegenwoordiger heeft gegeven. En evenmin is de vraag relevant of de rechtbank ten onrechte niet heeft aangenomen dat moeder thans nog slaat en of ooit met een mes heeft gedreigd.

4.4. Het gaat er om wat de belangen van de kinderen met betrekking tot hun feitelijke verblijfplaats meebrengen voor de tijd totdat definitief over hun staat (en verblijfplaats) zal zijn beslist. Daarbij neemt de voorzieningenrechter aan dat het heen en weer schuiven de kinderen, zeker op hun huidige leeftijd, in hoge mate schadelijke en belastend en dus ongewenst is. Dat heen en weer schuiven moet daarom zo veel mogelijk worden voorkomen en wijst in de richting van het voorlopig laten van de kinderen in de verblijfplaats die zij thans hebben, te weten in [adres]. Wanneer de wens van moeder wordt gevolgd dan moeten de kinderen nu weer naar [adres] verhuizen en straks – wanneer vader door het hof wordt gevolgd – weer naar [adres]. Dit lijkt inderdaad voor de kinderen op een noodtoestand uit te lopen.

4.5. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat de feitelijke status quo in dat opzicht zo veel mogelijk moet worden gehandhaafd. Dat zou anders zijn indien er – buiten de beschikkingen van de rechtbank – andere zwaarwegende indicaties zijn die zich tegen het handhaven van de status quo zouden verzetten. Dergelijke indicaties zijn er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet. Het tegendeel is eerder aannemelijk. Zo hebben de kinderen zelf nadrukkelijk aangegeven in Zwijndracht te willen blijven wonen en daar op school te willen blijven gaan. Van de kant van de Raad voor de Kinderbescherming is juist aangegeven dat zijn advies daarop ook neer komt.

4.6. Om bovengenoemde redenen zal thans als volgt worden beslist. Gelet op de relatie tussen partijen – beide zijn ouder van de kinderen – en de aard van de onderhavige kwestie zullen de kosten van deze procedure tussen hen worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. bepaalt dat de feitelijke verblijfplaats van

- [kind C], en

- [kind D],

voor de tijd tot de uitspraak van het hof in het thans lopende hoger beroep kracht van gewijsde zal hebben gekregen of tot het tijdstip dat het hof over de status quo anders zal hebben beslist of wanneer nieuwe een rechterlijke uitspraak op grond van gewijzigde omstandigheden anders inhoudt,

zal zijn bij vader in [adres];

5.2. bepaalt dat de omgangsregeling tussen moeder en de kinderen zal zijn zoals die in de beschikking van de rechtbank van1 april 2011 is bepaald met dien verstande dat “vader” daarin zal zijn vervangen door “moeder”;

5.3. veroordeelt moeder in alle opzichten mee te werken aan het effectief zijn van deze beslissing (uiteraard onverlet haar recht om tegen deze beslissing hoger beroep in te stellen);

5.4. bepaalt dat moeder een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag dat zij in gebreke is met de nakoming van de onder 5.2. gegeven veroordeling;

5.5. bepaalt dat deze dwangsom vatbaar is matiging door de rechter, wanneer onverkorte handhaving gelet op de omvang van de overtreding en de omstandigheden waaronder die mocht hebben plaatsgevonden, in strijd met de redelijkheid en billijkheid moet worden geacht;

5.6. compenseert de kosten tussen partijen aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

5.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.8. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2011.