Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ3098

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
Awb 11 / 766
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeker medegedeeld dat zijn aanstelling bij het interregionaal arrestatieteam van rechtswege zal eindigen met ingang van 1 februari 2011. De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog van uit dat het hier een besluit betreft in de zin van de Awb en dat dit besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. De voorzieningenrechter acht het vooralsnog voldoende aannemelijk dat sprake is van zodanig verstoorde verhoudingen tussen verzoeker enerzijds en de sectiecommandanten, de teamchef en de divisiechef anderzijds dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten verzoekers aanstelling met ingang van 1 februari 2011 niet te verlengen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/766

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2011

inzake

[verzoeker],

te Eindhoven,

verzoeker,

gemachtigde mr. R.R. Ismail,

tegen

de korpsbeheerder van de politie Brabant Zuid-Oost,

te Eindhoven,

verweerder,

gemachtigde S.C.M.A. Gommans, mr. W.H. Janssen en W.J.P. van Pelt.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2010 heeft verweerder verzoeker met ingang van 11 oktober 2010 ontheven uit de functie van Senior Arrestatieteam DR bij het interregionaal arrestatieteam Zuid-Nederland (IAT-ZN). Per gelijke datum is verzoeker vooralsnog benoemd tot Brigadier Basis Politie Zorg bij de afdeling Eindhoven Tongelre.

Bij besluit van 31 januari 2011, verzonden op 3 februari 2011, heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat zijn aanstelling als Senior Arrestatieteam DR bij het IAT-ZN van rechtswege zal eindigen met ingang van 1 februari 2011. Voorts heeft verweerder besloten de benoeming van verzoeker tot Brigadier Basis Politie Zorg bij de afdeling Eindhoven-Tongelre vooralsnog te handhaven.

Verzoeker heeft op 2 maart 2011 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 januari 2011 (bestreden besluit).

Tevens heeft verzoeker bij brief van eveneens 2 maart 2011 de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen om:

- de besluiten van 29 september 2010 en van 31 januari 2011 te schorsen totdat onherroepelijk is geoordeeld over deze besluiten;

- verweerder te veroordelen om verzoeker met onmiddellijke ingang tewerk te stellen in de functie van Senior Arrestatieteam DR met behoud van gebruikelijke werkzaamheden, taken en bevoegdheden op straffe van een dadelijk opeisbare dwangsom van € 5.000,00 per dag, zolang verweerder geen uitvoering geeft aan de uitspraak tot aan het moment van de algehele voldoening aan de uitspraak;

- verweerder te veroordelen het aan verzoeker toekomende salaris van € 3.266,03 bruto per maand inclusief emolumenten (waaronder een gemiddeld IAT-OT- toelage van

€ 1.347,61 bruto per maand) aan hem uit te betalen vanaf 1 februari 2011 tot aan het moment waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig zal eindigen, vermeerderd met de tussentijdse verhogingen waarop verzoeker op grond van zijn aanstelling en de hierop van toepassing zijnde rechtspositie recht verkrijgt.

De zaak is gevoegd behandeld met AWB 11/763 op de zitting van 22 april 2011. Verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Na het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien het bestreden besluit in de bodemprocedure naar voorlopig oordeel geen stand zal kunnen houden, terwijl tevens voldoende spoedeisend belang aanwezig is. In het feit dat de aanstelling is geëindigd op 1 februari 2011, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding voor het aannemen van spoedeisendheid.

3. Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

4. Aangezien tegen het besluit van 31 januari 2011 tijdig bezwaar is gemaakt, deze rechtbank in een eventuele bodemprocedure bevoegd zal zijn en ook overigens geen beletselen bestaan, kan verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.

5. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

6. Verzoeker is per 1 februari 2005 aangesteld bij het IAT-ZN voor de periode van zes jaar. Deze periode eindigt op 1 februari 2011.

7. Bij verzoekschrift van 16 november 2010 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder nummer AWB 10/3710. Bij uitspraak van 27 januari 2011 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen in dier voege dat het overplaatsingsbesluit van 29 september 2010 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar, dat verzoeker binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak weer wordt toegelaten tot het verrichten van zijn werkzaamheden als Senior Arrestatieteam bij het IAT en dat het aan die functie verbonden salaris, inclusief emolumenten, vanaf 17 november 2010 vooralsnog aan verzoeker wordt uitbetaald.

8. Voor de onderbouwing van zijn besluit heeft verweerder verwezen naar artikel 4 van de Regeling aanhoudings- en ondersteuningseenheid en samenwerking speciale eenheden (Staatscourant 3 januari 2007; hierna: de Regeling). Volgens verweerder is op 1 januari 2011 de maximale periode van 6 jaar bereikt gedurende welke een ambtenaar onafgebroken deel uit mag maken van het IAT-ZN. De aanstelling van verzoeker is daarmee op 1 januari 2011 van rechtswege geëindigd. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat de divisiechef, de teamchef en de sectiecommandanten het vertrouwen in verzoeker hebben opgezegd. Verweerder heeft een ondertekende verklaring van die strekking overgelegd.

9. Verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit evident in strijd is met de uitspraak van 27 januari 2011 van de voorzieningenrechter. Verweerder heeft het nieuwe besluit genomen om dezelfde redenen als die stonden vermeld in het overplaatsingsbesluit van 29 september 2010. Aangezien de voorzieningenrechter reeds heeft geoordeeld dat het overplaatsingsbesluit in een bodemprocedure niet in stand zal blijven, kan eveneens worden gesteld dat het nieuwe besluit van 31 januari 2011 niet in stand zal blijven. Op geen enkele wijze is gemotiveerd waarom de aanstelling per 1 februari 2011 is geëindigd en niet zoals te doen gebruikelijk is, is verlengd. Verzoekers functioneren kan in ieder geval niet de reden zijn dat verweerder de aanstelling niet heeft verlengd, want de voorzieningenrechter heeft al geoordeeld dat verzoeker een uitstekende staat van dienst heeft. [Le[leidinggevende] heeft verzoeker medegedeeld dat zijn aanstelling geldt voor de maximale duur van de aanstelling van twaalf jaar. Verzoeker heeft erop gewezen dat verweerder het beleid dat de bindingstermijn acht jaar is, met tweemaal een verlenging van twee jaar, op 9 februari 2011 heeft vastgesteld.

10. Artikel 4 van de Regeling luidt als volgt:

De korpsbeheerder van het centrumkorps stelt de termijn vast gedurende welke een ambtenaar van politie ononderbroken deel uit maakt van een aanhoudings- en ondersteuningseenheid, tot een maximum van zes jaar.

11. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

12. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat het hier bestreden besluit een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen verzoeker bezwaar kan maken. De voorzieningenrechter komt tot dat oordeel omdat het bestreden besluit waarbij verzoeker is medegedeeld dat zijn aanstelling als Senior Arrestatieteam van rechtswege zal eindigen tevens behelst de weigering de aanstelling op enigerlei wijze te verlengen.

13. De opvattingen van verzoeker en verweerder over de duur van de huidige aanstelling van verzoeker bij het IAT-ZN lopen uiteen. Volgens verweerder eindigt de aanstelling van rechtswege op 1 februari 2011 terwijl verzoeker heeft gesteld dat hem door de [leidinggevende] is toegezegd dat hij de maximale bindingstermijn van twaalf jaar mag blijven. Verweerder heeft op zitting daaraan toegevoegd dat, zo al zou moeten worden uitgegaan van een toezegging door de [leidinggevende] dat verzoekers aanstelling de maximale bindingstermijn zou duren, deze toezegging onbevoegd is gedaan. Het is immers alleen verweerder die een dergelijk besluit kan nemen.

14. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld CRvB 18 december 2008, LJN: BG9703) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel (slechts) slagen indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan. Daarvan is de voorlopige voorzieningenrechter niet gebleken. De verklaring van [een collega] dat zijn bindingstermijn begin 2011 mondeling met twee jaar verlengd is, is daartoe volstrekt onvoldoende. Overigens valt uit de verklaring eerder op te maken dat verweerder gewoon was een aanstelling steeds met twee jaar te verlengen, in plaats van voor de maximale bindingstermijn.

15. Ter zitting is voorts duidelijk geworden dat de notitie ”Loopbaanbeleid Stelsel van Speciale Eenheden” die aan de vergadering van het dagelijks bestuur van de Raad van Korpschefs op 9 februari 2011 is voorgelegd als hamerstuk, slechts een voorstel is van dit gremium aan (uiteindelijk) de minister van Veiligheid en Justitie. Dit voorstel moet uiteindelijk uitmonden in een wijziging van de Regeling. Daaraan kan verzoeker thans dus geen rechten ontlenen. Overigens gaat ook dit voorstel niet uit van een eenmalige aanstelling voor de duur van twaalf jaar, maar wordt in dit voorstel de mogelijkheid geboden van een verlenging na acht jaar met een termijn van twee jaar, waarna nogmaals een verlenging van twee jaar mogelijk is.

16. Aan verzoeker moet worden toegegeven dat verweerder zijn besluit om zijn aanstelling niet te verlengen, niet heeft gemotiveerd. Een motiveringsgebrek biedt evenwel op zich nog geen grond voor het oordeel dat het besluit verzoekers aanstelling niet te verlengen, in rechte geen stand kan houden. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven zijn besluit om de aanstelling van verzoeker niet te verlengen alsnog van een motivering te zullen voorzien in het besluit op bezwaar. Daarbij zal de door de sectiecommandant, de teamchef en de divisiechef ondertekende verklaring waarin het vertrouwen in verzoeker is opgezegd een rol spelen. Tegen deze achtergrond ziet de voorzieningenrechter zich geplaatst voor de vraag of er twijfels bestaan over de rechtmatigheid van verweerders besluit.

17. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat hier sprake is van buitenwettelijk (immers in afwijking van de duidelijke regel die is neergelegd in artikel 4 van de Regeling) begunstigend beleid, waarbij de rechterlijke toets is beperkt tot de vraag of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast. De voorzieningenrechter heeft enige twijfels of hier kan worden gesproken van buitenwettelijk begunstigend beleid. De verlenging van een aanstelling bij een aanhoudings- en ondersteuningseenheid is immers niet louter ten gunste van betrokkene wiens aanstelling wordt verlengd en in voorkomende gevallen wellicht vooral ten gunste van verweerder zelf. Dat neemt niet weg dat een besluit tot het niet verlengen van een aanstelling slechts marginaal kan worden getoetst door de rechtbank.

18. Rekeninghoudend met deze terughoudende toets is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt de rechterlijke toets kan doorstaan. Ter zitting heeft verweerder uitgelegd dat een verlenging van een aanstelling bij het IAT-ZN geen automatisme is. In het verleden is het verschillende malen gebeurd dat een aanstelling niet is verlengd, bijvoorbeeld omdat de betrokkene niet voldeed. De voorzieningenrechter acht het vooralsnog voldoende aannemelijk dat sprake is van zodanig verstoorde verhoudingen tussen verzoeker enerzijds en de sectiecommandanten, de teamchef en de divisiechef anderzijds dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten verzoekers aanstelling met ingang van 1 februari 2011 niet te verlengen.

19. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat onvoldoende twijfel dat het bestreden besluit niet in stand zal blijven.

20. Dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 27 januari 2011 bij wijze van voorziening heeft gelast dat verzoeker binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak weer wordt toegelaten tot het verrichten van zijn werkzaamheden als senior arrestatieteam bij het IAT-ZN doet aan het vorenstaande niet af. Het niet verlengen door verweerder van verzoekers aanstelling op grond van de Regeling staat los van de uitspraak van 27 januari 2011 van de voorzieningenrechter. Verweerder blijft immers bevoegd maatregelen ten aanzien van verzoeker te nemen, zoals bijvoorbeeld het niet verlengen van de aanstelling.

21. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

22. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een der partijen te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten of te bepalen dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2011.

De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: