Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ2901

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
385563 / FA RK 11-511
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder niet aangetoond dat de minderjarige bij terugkeer in Noorwegen zou worden blootgesteld aan enig geestelijk of lichamelijk gevaar dan wel dat zij in een ondragelijke situatie zou komen te verkeren. De rechtbank overweegt hiertoe dat de minderjarige in Noorwegen weliswaar gedragsproblemen heeft ontwikkeld als gevolg van het uiteengaan van partijen, maar dat zij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt vanaf het moment dat haar hoofdverblijfplaats in Noorwegen bij de vader is bepaald. De minderjarige is begeleid door haar school en deze heeft doorlopend beoordeeld of externe hulp geïndiceerd was, hetgeen niet nodig bleek te zijn.

Voor zover de minderjarige sinds haar achterhouding in Nederland wederom gedragsproblemen heeft ontwikkeld, overweegt de rechtbank dat dit niet aan terugkeer van de minderjarige naar Noorwegen in de weg staat. Weliswaar zal een terugkeer een ingrijpende gebeurtenis voor de minderjarige zijn, doch niet is gebleken dat de minderjarige in Noorwegen niet de benodigde begeleiding kan worden geboden. De vader heeft zich bovendien bereid verklaard om externe adequate hulp in te schakelen indien de minderjarige dat nodig heeft.

De rechtbank volgt de moeder voorts niet in haar stelling dat de vader naar verwachting niet zal meewerken aan contact tussen haar en de minderjarige, nu hij tot aan de achterhouding van de minderjarige in Nederland uitvoering heeft gegeven aan de vastgestelde omgangsregeling. Het staat de moeder overigens vrij om met de minderjarige naar Noorwegen terug te keren, hetgeen omgang tussen beiden zou vergemakkelijken.

Daargelaten de vraag of de minderjarige zich verzet tegen haar terugkeer naar Noorwegen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de minderjarige niet die leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit verband een raadsonderzoek te gelasten.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van weigeringsgronden en dat de terugkeer van de minderjarige zal worden gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 11-511

Zaaknummer: 385563

Datum beschikking: 28 maart 2011

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 17 januari 2011 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats A] te Noorwegen,

advocaat: mr. H.A. Schipper.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats B],

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.

Procedure

Op 17 januari 2011 heeft de vader onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank

's-Gravenhage ingediend. Bij beschikking van 18 januari 2011 heeft de rechtbank

's-Gravenhage zich onbevoegd verklaard om van het verzoekschrift kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevond ter verdere behandeling naar de rechtbank

's-Hertogenbosch verwezen.

Bij beschikking d.d. 18 januari 2011 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het faxbericht d.d. 26 januari 2011 van de zijde van de moeder;

- de brief d.d. 1 februari 2011, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 3 februari 2011 van de zijde van de moeder;

- de faxberichten d.d. 3 en 4 februari 2011, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 4 februari 2011, met bijlagen, van de zijde van de moeder, waaronder de voorlopige pleitnotities;

- het faxbericht d.d. 7 februari 2011 van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 7 februari 2011 van de zijde van de moeder;

- de faxberichten d.d. 7 februari 2011, met bijlagen - met uitzondering van de pagina's 25 tot en met 31 en de pagina's 36 en 37 van het eerste faxbericht met bijlagen van die datum - van de zijde van de Centrale Autoriteit.

De minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2003 te [geboorteplaats minderjarige], heeft zich op 7 februari 2011 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 7 februari 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en mr. J.A. Krab van de Centrale Autoriteit, de moeder met haar advocaat.

Op 11 februari 2011 is bij deze rechtbank namens de moeder een verzoek strekkende tot wraking van de meervoudige kamer ingediend. Bij beschikking van 14 maart 2011 heeft de meervoudige wrakingskamer van deze rechtbank het wrakingsverzoek afgewezen.

Feiten

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2002 met elkaar gehuwd in Nederland.

Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2003 te [geboorteplaats minderjarige].

In november 2006 is het gezin naar Noorwegen verhuisd. In augustus 2008 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan. Op [uitspraakdatum echtscheiding] 2009 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

Op 10 juli 2009 heeft de arrondissementsrechtbank te Sunnmore in Noorwegen vonnis gewezen, inhoudende dat [de minderjarige] haar vaste woon- en verblijfplaats bij de vader zal hebben en dat zij voorts een omgangsregeling zal hebben met de moeder. Dit vonnis is bekrachtigd door het Noorse gerechtshof bij arrest van 10 juli 2009. Het vervolgens door de moeder ingestelde beroep in cassatie is door de cassatiecommissie van het hooggerechtshof van Noorwegen op 7 april 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Ingevolge de vastgestelde omgangsregeling is [de minderjarige] op 3 oktober 2010 naar de moeder in Nederland gegaan tijdens de herfstvakantie. Op 10 oktober 2010 zou zij terugkeren naar Noorwegen. Dit is niet gebeurd. [de minderjarige] verblijft sindsdien bij haar moeder in Nederland.

De vader heeft zich in oktober 2010 tot de Noorse Centrale Autoriteit gewend. Deze heeft een verzoek tot teruggeleiding ingediend bij de Nederlandse Centrale Autoriteit. De Nederlandse Centrale Autoriteit heeft tot op heden geen verzoek tot teruggeleiding bij deze rechtbank ingediend.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:

1. met toepassing van artikel 13 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen (trb. 1987, 139, hierna: het Haagse Verdrag) te bevelen dat [de minderjarige] onmiddellijk, dan wel uiterlijk op een door de rechtbank vast te stellen datum, zal worden afgegeven aan de vader;

2. de moeder te veroordelen tot betaling aan de vader van alle door de vader in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van [de minderjarige] gemaakte kosten.

De moeder voert verweer tegen het verzochte, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Indien een verzoek of verweer gedeeltelijk of geheel is ingetrokken of aangepast, wordt in de beschikking uitsluitend melding gemaakt van het verzoek of verweer zoals dat thans luidt.

Daartoe is opgenomen de tekst 'zoals dat thans luidt' of 'thans nog'.

Beoordeling

Het Haagse Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Haagse Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

De rechtbank verstaat het verzoek van de vader aldus dat hij verzoekt de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] naar Noorwegen te bevelen en indien de moeder weigert [de minderjarige] terug te brengen naar Noorwegen, te bepalen dat [de minderjarige] met haar paspoort aan hem wordt afgegeven, zodat de vader haar zelf mee terug kan nemen naar Noorwegen.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Haagse Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Haagse Verdrag).

Ongeoorloofd achterhouden in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag

Niet in geschil is dat [de minderjarige] ten tijde van haar achterhouding in Nederland haar gewone verblijfplaats in Noorwegen had.

Nu [de minderjarige] ten tijde van haar achterhouding in Nederland haar gewone verblijfplaats in Noorwegen had, was ten tijde van die achterhouding het Noorse recht van toepassing op het gezag. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de achterhouding al dan niet heeft plaatsgevonden in strijd met het Noorse gezagsrecht.

De vader stelt zich op het standpunt dat hij ten tijde van de achterhouding mede het gezag over [de minderjarige] had. Hij verwijst in dit verband naar paragraaf 42 van het vonnis van 10 juli 2009 van de arrondissementsrechtbank te Sunnmore. Volgens de vader schrijft de Noorse wet voor dat ouders met gezamenlijk gezag beiden dienen in te stemmen met een overbrenging van een kind naar het buitenland. De vader stelt geen toestemming te hebben gegeven voor de achterhouding van [de minderjarige] in Nederland.

De moeder betwist dat ten tijde van de achterhouding sprake was van een definitieve echtscheiding tussen partijen en van gezamenlijk gezag. Zij stelt dat de vader eerst op 7 februari 2011 de originele Noorse uitspraken in het geding heeft gebracht. De moeder is aldus niet in staat om te controleren of de eerder door de vader overgelegde vertalingen betrekking hebben op die uitspraken en of deze op juiste wijze zijn vertaald.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de door de vader overgelegde en door een beëdigde vertaler vertaalde Noorse uitspraken. Daar komt bij dat de moeder ter terechtzitting heeft erkend dat er in Noorwegen een gerechtelijke beslissing is genomen over de vaste woon- en verblijfplaats van [de minderjarige].

De rechtbank stelt vast dat de arrondissementsrechtbank te Sunnmore in voormeld vonnis van 10 juli 2009 heeft overwogen dat partijen gezamenlijk de ouderlijke verantwoordelijkheid voor [de minderjarige] dragen. In datzelfde vonnis is de vaste woon- en verblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepaald, welke beslissing door het gerechtshof bij arrest van 29 januari 2010 is bekrachtigd. Gelet hierop en de onvoldoende weersproken stellingen van de vader dat partijen naar Noors recht ten tijde van de achterhouding gezamenlijk belast waren met het ouderlijk gezag over [de minderjarige], komt de rechtbank tot de conclusie dat de vader ten tijde van de achterhouding in ieder geval mede het gezag over [de minderjarige] uitoefende.

De omstandigheid dat er volgens de moeder ten tijde van de achterhouding geen sprake was van een definitieve echtscheiding, maakt het voorgaande niet anders, nu de vader onvoldoende weersproken naar voren heeft gebracht dat partijen naar Noors recht als gehuwden even zo goed gezamenlijk met het ouderlijk gezag belast zijn.

Nu de vader zijn gezag daadwerkelijk uitoefende en niet heeft ingestemd met de achterhouding van [de minderjarige] in Nederland, is de achterhouding naar het oordeel van de rechtbank geschied in strijd met diens gezagsrecht en dient deze als ongeoorloofd te worden beschouwd in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de achterhouding van [de minderjarige] in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Haagse Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Haagse Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het Haagse Verdrag

De moeder stelt dat er een ernstig risico bestaat dat [de minderjarige] bij haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel dat zij anderszins in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Zij voert hiertoe aan dat het niet goed gaat met [de minderjarige] en dat zij professionele hulp voor haar heeft moeten inschakelen. Zowel de Riagg als een speltherapeute zijn bij het welzijn van [de minderjarige] betrokken. Uit de zorgmelding van de Riagg van december 2010 blijkt dat [de minderjarige] kampt met duidelijke sociaal emotionele problematiek die niet los te zien is van de belastende gezinsgeschiedenis. De vader onderkent de problematiek van [de minderjarige] niet en is niet bereid om [de minderjarige] professionele hulp te geven. Daarnaast is het de verwachting dat de vader bij terugkeer van [de minderjarige] geen contacten tussen de moeder en [de minderjarige] zal toestaan.

De vader betwist de stellingen van de moeder. Hij verwijst in dit verband naar het verslag van PPT, het Noorse equivalent van Bureau Jeugdzorg, en het rapport van haar school in Noorwegen waaruit blijkt dat het goed ging met [de minderjarige] voordat zij door de moeder in Nederland werd achtergehouden. Indien de moeder [de minderjarige] niet had achtergehouden, zou het nog steeds goed gaan met [de minderjarige]. Mocht [de minderjarige] na terugkeer professionele hulp nodig hebben, dan zal de vader deze inschakelen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder niet aangetoond dat [de minderjarige] bij terugkeer in Noorwegen zou worden blootgesteld aan enig geestelijk of lichamelijk gevaar dan wel dat zij in een ondragelijke situatie zou komen te verkeren. De rechtbank overweegt hiertoe dat [de minderjarige] in Noorwegen weliswaar gedragsproblemen heeft ontwikkeld als gevolg van het uiteengaan van partijen, maar dat zij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt vanaf het moment dat haar hoofdverblijfplaats bij de vader is bepaald. [de minderjarige] is begeleid door haar school en deze heeft doorlopend beoordeeld of externe hulp geïndiceerd was. Uit de uitspraak van het Noorse gerechtshof van 29 januari 2010 blijkt dat dit ten tijde van het geven van die uitspraak niet nodig was. Uit het schoolrapport van 17 juni 2010 volgt dat [de minderjarige] zich vervolgens goed heeft ontplooid. Nadien is [de minderjarige] nog geobserveerd door PPT. Uit de overgelegde rapportage van PPT van 3 november 2010 blijkt dat er op dat moment geen aanleiding bestond om aanvullende hulp in te zetten.

Voor zover [de minderjarige] sinds haar achterhouding in Nederland wederom gedragsproblemen heeft ontwikkeld, overweegt de rechtbank dat dit niet aan terugkeer van [de minderjarige] naar Noorwegen in de weg staat. Weliswaar zal een terugkeer een ingrijpende gebeurtenis voor [de minderjarige] zijn, doch niet is gebleken dat [de minderjarige] in Noorwegen niet de benodigde begeleiding kan worden geboden. De vader heeft zich bovendien bereid verklaard om externe adequate hulp in te schakelen indien [de minderjarige] dat nodig heeft.

De rechtbank volgt de moeder voorts niet in haar stelling dat de vader naar verwachting niet zal meewerken aan contact tussen haar en [de minderjarige], nu hij tot aan de achterhouding van [de minderjarige] in Nederland uitvoering heeft gegeven aan de vastgestelde omgangsregeling. Het staat de moeder overigens vrij om met [de minderjarige] naar Noorwegen terug te keren, hetgeen omgang tussen beiden zou vergemakkelijken.

Gelet op het voorgaande gaat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het Haagse Verdrag niet op.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag

Op grond van artikel 13, tweede lid, van het Verdrag is de rechter niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien hij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze situatie zich voordoet, hetgeen de vader heeft bestreden.

De rechtbank stelt voorop dat het gerechtvaardigd is om met de mening van kinderen rekening te houden indien zij oud en rijp genoeg zijn om de gevolgen van hun wensen op korte en lange termijn te overzien. In zijn algemeenheid acht de rechtbank kinderen van zeven jaar hiertoe niet oud en rijp genoeg. De rechtbank overweegt dat zij ter zake een discretionaire bevoegdheid heeft en verwijst in dit verband mede naar punt 30 van het Explanatory Report van Elisa Pérez-Vera bij het Haagse Verdrag. Bijzondere omstandigheden kunnen evenwel tot het oordeel leiden dat een kind van deze leeftijd wel die mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn of haar mening rekening wordt gehouden. Uit de indrukken die de rechtbank tijdens het verhoor van [de minderjarige] heeft gekregen, is niet van zodanige bijzondere omstandigheden gebleken. Tijdens het kinderverhoor heeft [de minderjarige] zich gedragen als een meisje van haar eigen leeftijd.

Daargelaten de vraag of [de minderjarige] zich verzet tegen haar terugkeer naar Noorwegen, komt de rechtbank derhalve tot het oordeel dat [de minderjarige] niet die leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit verband een raadsonderzoek te gelasten.

Gelet op het voorgaande gaat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag evenmin op.

De rechtbank zal geen beslissing nemen op het verzoek van de moeder de door de vader bij faxbericht d.d. 3 februari 2011 ingediende e-mailberichten buiten beschouwing te laten, nu zij reeds gelet op het voorgaande tot de conclusie komt dat geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van het Haagse Verdrag. Voormelde

e-mailberichten zijn derhalve niet relevant voor de beoordeling van het onderhavige verzoek.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de terugkeer van [de minderjarige] zal worden gelast.

De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat de terugkeer naar Noorwegen eerst op 9 mei 2011 zal plaatsvinden, zodat [de minderjarige] op haar terugkeer kan worden voorbereid en een eventuele uitspraak in hoger beroep kan worden afgewacht. De rechtbank zal daarom de terugkeer gelasten op 9 mei 2011 en, indien de moeder [de minderjarige] niet zelf terugbrengt naar Noorwegen, de afgifte van [de minderjarige] met haar paspoort aan de vader op 9 mei 2011 bevelen, zodat de vader [de minderjarige] mee terug kan nemen naar Noorwegen.

(Proces)kostenveroordeling

Nu de moeder verantwoordelijk is voor de internationale ontvoering van [de minderjarige], kan zij ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet worden veroordeeld tot betaling van de door de vader in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van [de minderjarige] gemaakte kosten. De vader heeft de totale kosten van rechtsbijstand, vervoer en verblijf op een bedrag van € 16.244,- begroot.

De rechtbank overweegt dat de vader zich in het kader van een teruggeleidingsverzoek zowel in als buiten rechte door de Centrale Autoriteit kan laten vertegenwoordigen en dat hem voor deze rechtsbijstand geen kosten in rekening worden gebracht. Het staat de vader weliswaar vrij om een eigen advocaat in de arm te nemen, maar de kosten van rechtsbijstand die daarmee gepaard gaan, dienen naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening te blijven. Nu het verzoek van de vader wordt toegewezen, ziet de rechtbank niettemin aanleiding de moeder te veroordelen om de door de vader gemaakte noodzakelijke reiskosten om bij de zitting van 7 februari 2011 aanwezig te kunnen zijn, aan hem te vergoeden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vliegreis € 451,70 heeft gekost. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de moeder deze reiskosten, die zij niet bovenmatig acht, aan de vader dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2003 te [geboorteplaats minderjarige], naar Noorwegen op uiterlijk 9 mei 2011, indien de moeder weigert [de minderjarige] terug te brengen naar Noorwegen, de afgifte van [de minderjarige] met haar paspoort aan de vader op 9 mei 2011, zodat de vader [de minderjarige] mee terug kan nemen naar Noorwegen;

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van de door hem gemaakte kosten voor ten hoogste € 451,70;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. de Lange-Tegelaar, J.M. Ghrib en C.L. Strop, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. L.F.A. Bos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2011.

Van deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet verdragen internationale ontvoering van kinderen) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.