Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ2544

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
01/849309-09 / vordering 05/900485-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek ‘Putter’. Massale vechtpartij met dodelijke afloop in de wijk Kruiskamp te ’s-Hertogenbosch.

Verwerping niet-ontvankelijkheidsverweren. O.a. niet gebleken dat door de griffiers inhoudelijke informatie over de strafzaak is gedeeld en/of naar buiten gebracht die van concrete invloed is geweest op het onderzoek in de zaak van verdachte en/of de medeverdachte(n) of die overigens van belang is geweest voor enige door de rechtbank te nemen beslissing in de zaak Putter.

Vrijspraak voorbedachten rade. Veroordeling doodslag, alsmede poging tot doodslag, meermalen gepleegd op omstanders, en vuurwapenbezit. Voorwaardelijk opzet op de levensberoving. 9 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849309-09

Parketnummer vordering: 05/900485-07

Datum uitspraak: 27 april 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (geboorteland) op [geboortedatum] 1986,

thans gedetineerd te [P.I.]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2009, 8 oktober 2009, 14 december 2009, 25 februari 2010, 22 april 2010, 14 juni 2010, 2 september 2010, 25, 26 en 28 oktober 2010, 5 november 2010, 13 januari 2011, 17 maart 2011 en 4, 5, 7, 8 en 13 april 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 juni 2009. Deze dagvaarding betreft een voorlopige tenlastelegging in de zin van artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlastelegging is op vorderingen van de officier van justitie ter terechtzitting van 25 februari 2010 en 25 oktober 2010 gewijzigd. Van deze vorderingen zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van de wijzigingen is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) in de richting van voornoemde [slachtoffer] afgevuurd, door welke kogel(s) die [slachtoffer] in het (achter)hoofd is getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 289/287 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade een of meer in de woning(en) en/of buiten in de Egbert Kortenaerstraat aanwezige perso(o)n(en)/omstander(s) van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) al dan niet in de richting van een of meer omstander(s) heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289/287 jo 47/45 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Egbert Kortenaerstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer aldaar aanwezige perso(o)n(en)/omstander(s), welk geweld bestond uit

- het zich in de Egbert Kortenaerstraat ophouden met (een) voor die perso(o)n(en)/omstander(s) zichtba(a)r(e) (vuur)wapen(s) en/of

- het met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) afvuren al dan niet in de richting van die perso(o)n(en)/omstander(s);

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer (buiten) in de Egbert Kortenaerstraat aanwezige perso(o)n(en)/omstander(s) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde perso(o)n(en)/omstander(s) dreigend een of meer (vuur)wapen(s) voorgehouden en/of een of meerdere kogel(s) afgevuurd al dan niet in de richting van die perso(o)n(en)/omstander(s);

(artikel 285 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch een of meer wapens van categorie II en/of categorie III, te weten een vuurwapen, en/of munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

(artikel 26 Wet Wapens en Munitie)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 05/900485-07 is aangebracht bij vordering van 24 februari 2010. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer te Arnhem d.d. 16 december 2008. Een kopie van de vordering is als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging op de grond dat bij het onderzoek sprake is geweest van een opeenstapeling van vormverzuimen en (daarmee) schending van artikel 6 van het EVRM en de daarin neergelegde beginselen van fair trial en equality of arms dan wel (overige) beginselen van een behoorlijke procesorde.

De verdediging benoemt in dit kader een viertal verzuimen, te weten:

1. verdachte is voorafgaand aan zijn (eerste) verhoor op 22 april 2009 te 8.46 uur niet in de gelegenheid gesteld zijn raadsman te consulteren (Salduz-verweer);

2. er is sprake geweest van tunnelvisie. Het onderzoeksteam is vanaf het begin met oogkleppen op te werk gegaan, alternatieve scenario's (het scenario van een derde schutter) zijn niet onderzocht. Het onderzoek is traag, ondoorzichtig en eenzijdig geweest. Het eindproces-verbaal is eerst begin 2010 aan de verdediging beschikbaar gesteld. Het opsporingsteam heeft zich laten leiden door 'lijstjes' opgesteld door buurtvaders uit de groep Kruiskamp en heeft dossierkennis met mensen uit die groep gedeeld. Door de handelwijze van het opsporingsteam zijn mensen uit de groep Kruiskamp in de gelegenheid gesteld hun verklaringen onderling af te stemmen waardoor het bewijsmateriaal besmet is geraakt;

3. niet kan worden uitgesloten dat in dit geval bewijsmateriaal 'dubbel' is gepresenteerd, te weten als CIE-informatie en als getuigenverklaring op naam;

4. er is sprake van schending van het raadkamergeheim door een griffier die betrokken was bij een strafraadkamer in deze zaak. Deze griffier had zich bovendien ten onrechte niet eerder teruggetrokken uit de raadkamer in verband met de betrokkenheid van familieleden als getuigen in de zaak dan wel het contact dat de griffier heeft met de schoonzus van twee medeverdachten in deze zaak. De officier van justitie is - in strijd met de beginselen van een goede procesorde - niet eenduidig en transparant geweest in de informatie die zij met betrekking tot de kwestie van de griffier naar voren heeft gebracht. Het openbaar ministerie heeft voorts gehandeld in strijd met de in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verbaliseringsplicht door niet ten spoedigste proces-verbaal in deze kwestie te (doen) opmaken.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat er geen gronden aanwezig zijn voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging. Ten aanzien van de door de verdediging afzonderlijk gestelde verzuimen, heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd:

1. er is geen sprake van schending van het consultatierecht. De raadsman is op de hoogte gesteld van de inverzekeringstelling van verdachte, maar was pas later op de dag beschikbaar;

2. betwist wordt dat sprake is van een traag en vooringenomen onderzoek; er is wel degelijk sprake van een uitgebreid onderzoek, waarin gebruik is gemaakt van diverse opsporingsmiddelen en veel getuigen zijn gehoord. Dit betrof niet slechts getuigen uit de zogenoemde Kruiskampgroep, maar bijvoorbeeld ook de buurtbewoners. Dat personen die tot de zogenoemde groep 'Oost' zouden behoren niet wilden meewerken aan het onderzoek, kan het openbaar ministerie niet worden aangerekend;

3. van dubbeltelling van bewijsmateriaal kan geen sprake zijn omdat de CIE-informatie niet bedoeld is als bewijsmateriaal;

4. uit het onderzoek dat is ingesteld naar het handelen van de betrokken griffier is niet gebleken van enige objectieve omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat op ongeoorloofde wijze inhoudelijke informatie over de strafzaak is gedeeld en/of naar buiten gebracht, laat staan dat daardoor verklaringen van getuigen in het dossier op enigerlei wijze zouden zijn beïnvloed. Gezien de situering in de tijd is een dergelijke beïnvloeding feitelijk ook onmogelijk geweest. Het gaat in casu om de raadkamerbehandeling van het bezwaar tegen de opgelegde beperkingen van medeverdachte [medeverdachte 1]op 22 juni 2009 waarbij betrokkene als griffier is opgetreden. De beperkingen van deze medeverdachte zijn de daaropvolgende dag (23 juni 2009) reeds opgeheven. De beperkingen van medeverdachte [medeverdachte 2] zijn opgeheven op 24 juni 2009. De beperkingen van verdachte zelf waren op 3 juni 2009 reeds opgeheven. In het uiterste geval kan derhalve slechts sprake zijn geweest van één dag waarop de griffier informatie uit de raadkamer heeft kunnen verstrekken die niet door of via de medeverdachte naar buiten kon worden gebracht. Feitelijk is daarvan echter niet gebleken, evenmin als van enige overige beïnvloeding van het onderzoek in onderhavige zaak.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ad 1. Het Salduz-verweer.

Vastgesteld moet worden dat verdachte voorafgaand aan zijn (eerste) verhoor van 22 april 2009 niet in de gelegenheid is gesteld om zijn raadsman te consulteren. In zoverre is gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM en de daarop gebaseerde Salduz-jurisprudentie. Volgens de, ook door de verdediging aangehaalde, vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie HR 30 juni 2009, LJN BH3079) dient, na een daartoe strekkend verweer, een dergelijk vormverzuim - in de regel en behoudens bijzondere omstandigheden - te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de betrokken verklaring van verdachte. Voor een verdergaande sanctie op het geconstateerde verzuim in de vorm van een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, ziet de rechtbank - noch in de omstandigheden van het geval noch in de jurisprudentie - aanknopingspunten. In zoverre wordt het verweer verworpen.

Ad 2. Het verloop van het onderzoek.

Bij de beoordeling van de vraag of het opsporingsonderzoek in de onderhavige zaak zodanig eenzijdig en traag is geweest dat de vervolging door het openbaar ministerie in strijd met een goede procesorde zou moeten worden geoordeeld, stelt de rechtbank - onder verwijzing naar de hierna vast te stellen feiten en omstandigheden - het volgende voorop.

Het betreft in casu een grootschalig onderzoek naar een drietal geweldsincidenten op 8 april 2009, waaronder het schietincident op de Egbert Kortenaerstraat in de wijk Kruiskamp, waarbij een groot aantal personen ter plaatse of in de directe nabijheid is geweest.

Uit het proces-verbaal 'Onderzoeksbevindingen m.b.t. groepsvorming' d.d. 9 december 2009 (pagina 445 e.v. eindproces-verbaal) blijkt dat de politie 47 (voornamelijk Marokkaanse) jongeren heeft geïdentificeerd die zich voor of ten tijde van het schieten ophielden op of in de directe omgeving van de Egbert Kortenaerstraat. Een deel daarvan is eerder op de avond van 8 april 2009 aanwezig geweest in of nabij het buurthuis [naam buurthuis]. Deze jongeren zijn afkomstig uit de wijken Kruiskamp en Zuid-Oost, maar daarnaast ook uit andere wijken in 's-Hertogenbosch of uit plaatsen daarbuiten. Uit genoemd proces-verbaal bevindingen blijkt voorts dat een vaste indeling van de aanwezigen in twee groepen (Kruiskamp en Zuid-Oost) noch op basis van geografische woongebieden noch op grond van onderlinge contacten of familiebanden kon worden gemaakt.

Blijkens de stukken heeft de politie de aanwezige jongeren één of meermalen gehoord. Dat identificatie van deze jongeren deels heeft plaatsgevonden aan de hand van een door buurtvader [getuige 1] op 9 april 2009 aan de politie overhandigde lijst van de bij het ziekenhuis, waar het slachtoffer [slachtoffer] verbleef, alstoen aanwezige jongeren (zie het proces-verbaal bevindingen 'Fotomap en getuigenlijsten' van 19 april 2010, waarin ook de reden van de tussenkomst van [getuige 1] wordt toegelicht) maakt nog niet dat sprake is geweest van sturing, maar duidt eerder op voortvarend politieonderzoek.

Aan de stelling van de verdediging dat de politie reeds op het moment van de ziekenhuisopname van [slachtoffer] in 's-Hertogenbosch cruciale informatie met leden van de zogenoemde groep Kruiskamp zou hebben gedeeld, naar zou moeten worden afgeleid uit de verklaring van getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris van 8 juni 2010, gaat de rechtbank voorbij. [getuige 2] verklaart dat hij bij het ziektebed van [slachtoffer], terwijl daarbij meerdere personen aanwezige waren, heeft gehoord dat deze een 6,35 mm kogel in zijn hoofd had. De aanwezigheid van deze kogel is echter eerst vastgesteld kunnen worden na de uit- en inwendige schouwing op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] door patholoog Van de Goot van het NFI in Den Haag, welke schouw blijkens de stukken is aangevangen op 10 april 2009 omstreeks 13.00 uur.

Afgezien de voor de politie kenbaar aanwezige jongeren zijn ook anderen als getuigen gehoord. Het betreft met name een groot aantal - ook door de verdediging als neutraal omschreven - omwonenden/buurtbewoners. Naast het horen van getuigen heeft voorts uitgebreid technisch en forensisch onderzoek plaatsgevonden. Dat dat laatste onderzoek niet voortvarend is verricht, volgt op geen enkele wijze uit de stukken of anderszins.

Het eindproces-verbaal in deze zaak is gesloten op 30 december 2009 en in januari 2010 aan de verdediging verstrekt. Gesteld noch gebleken is dat de verdediging voorafgaand aan de sluiting van het proces-verbaal onvoldoende over de voortgang en inhoud van het onderzoek zou zijn geïnformeerd. Op 14 december 2009 heeft de rechtbank - voorafgaand aan het eindproces-verbaal en vooruitlopend op de regiezitting van 25 februari 2010 - een deel van de door de verdediging ingediende getuigenverzoeken gehonoreerd. Ook in latere stadia zijn op verzoek van de verdediging diverse getuigen door de rechter-commissaris (opnieuw) gehoord. De rechtbank heeft voorts een aantal verzoeken van de verdediging om overige onderzoekshandelingen gehonoreerd, zoals het laten samenstellen van een 3D-scan van de situatie ter plaatse in de Egbert Kortenaerstraat en het doen uitvoeren van een contra-expertise door een wapendeskundige.

Gelet op het vorenstaande wordt de stelling van de verdediging dat sprake zou zijn van een - aan het openbaar ministerie toerekenbaar - traag en eenzijdig onderzoek, verworpen. De vraag of sprake is geweest van beïnvloeding - onderling dan wel van buitenaf - van verklaringen van getuigen uit een bepaalde groep is een vraag die bij de bewijswaardering aan de orde dient te komen. Van sturing van het openbaar ministerie op dit punt, is de rechtbank niet gebleken.

Voor zover de raadsman nog heeft gesteld dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het scenario van een onbekende derde schutter, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar hetgeen hierna op pagina's 20-22 wordt overwogen het volgende.

De door de raadsman in dit kader aangehaalde verklaringen zien niet [getuige 3]) dan wel niet via eigen waarneming [getuige 4]) op een derde schutter. Vervolgens resteren de aangehaalde verklaringen van [getuige 5] en [getuige 6], welke verklaringen echter in het licht van het vorenstaande onvoldoende zwaarwegend zijn voor de stelling dat de waarheidsvinding in het geding is geweest. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat het hierna nog te bespreken resultaat van het technisch en forensisch onderzoek evenals de verklaring van verdachte zelf, geen grondslag bieden voor de gestelde theorie. Ook in zoverre wordt het verweer van de verdediging verworpen.

Ad 3. Dubbeltelling van bewijsmateriaal.

In het dossier bevinden zich meerdere processen-verbaal, die door een verbalisant van de Criminele Inlichtingeneenheid (CIE) of een verbalisant van de Regionale Inlichtingendienst (RID) op ambtseed zijn opgemaakt. In 19 van de deze processen-verbaal wordt melding gemaakt van informanten die verklaren over personen die betrokken zouden zijn geweest bij het met een vuurwapen schieten op [slachtoffer].1 Hierbij bevinden zich niet alleen verklaringen die belastend voor verdachte zijn, maar ook verklaringen die ontlastend voor hem zijn. In elk van deze processen-verbaal wordt vermeld dat het niet als bewijsmiddel in de strafzaak dient. Voorts blijkt dat de processen-verbaal niet zijn gebruikt als startinformatie van het onderzoek, maar dat zij in de loop van het onderzoek aan het dossier zijn toegevoegd.

Op vragen van de rechtbank heeft [hoofd CIE], Hoofd CIE Regiopolitie Brabant-Noord, bij brief van 21 juli 2010 aangegeven dat de CIE nimmer zal bevestigen of ontkennen of in een concrete strafzaak sprake is van dubbeltellingen en dat hij daartoe ook de noodzaak niet aanwezig acht omdat de processen-verbaal van de CIE niet bestemd zijn om als bewijsmiddel te dienen, zodat er ook geen dubbeltelling kan plaatsvinden.

Met inachtneming van het vorenstaande zal de CIE-informatie door de rechtbank niet gebezigd worden voor het bewijs. Er kan daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van dubbeltelling van bewijsmateriaal. Hier doet niet aan af de mogelijkheid dat een anoniem gebleven CIE-informant tevens als getuige door de politie is gehoord. De rechtbank is ook niet gebleken dat de verbalisanten hier bewust op hebben aangestuurd. De raadsman heeft eveneens betoogd dat het opnemen van processen-verbaal van de CIE met anonieme informatie in het dossier automatisch tot gevolg heeft dat daar bewijskracht aan toekomt. De rechtbank kan de raadsman daarin niet volgen. De rechtbank gaat er vanuit dat deze processen-verbaal aan het dossier zijn toegevoegd om een volledig beeld van het onderzoek te geven. Ter terechtzitting van 7 april 2011 heeft de raadsman opnieuw verzocht om een CIE-informant als getuige te horen. De rechtbank overweegt dienaangaande dat de anonieme informatie in de hiervoor genoemde processen-verbaal van de CIE zowel belastend als ontlastend voor verdachte is. Voorts bevat het dossier meerdere bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten kan blijken. In het dossier bevinden zich ook bewijsmiddelen die ontlastend voor verdachte zijn. Gelet hierop acht de rechtbank het niet noodzakelijk om de CIE-informant nader te horen. Het verzoek van de raadsman wordt daarom afgewezen.

Ad 4. De griffier.

Naar aanleiding van een zich in het dossier bevindend tapverslag van een telefoongesprek op 6 juli 20092 tussen medeverdachte [medeverdachte 1]en een NN-vrouw is de raadkamergriffier/administratief medewerker van de rechtbank over wie het in dit gesprek zou gaan, op 28 januari 2011 in het kader van de zogenoemde Putterzaak door een rechter-commissaris gehoord.

Uit de stukken blijkt dat deze griffier alleen betrokken is geweest bij de behandeling van een bezwaarschrift van verdachte tegen zijn beperkingen op 13 mei 2009 en een bezwaarschrift beperkingen van medeverdachte [medeverdachte 1]op 22 juni 2009.

Vastgesteld moet worden dat - naar overigens door de verdediging niet is weersproken - het gesprek tussen de griffier en de vrouw op het schoolplein [naam vrouw], waarover wordt gerelateerd in het tapgesprek, moet hebben plaatsgevonden na de behandeling van het bezwaar beperkingen van medeverdachte [medeverdachte 1]op 22 juni 2009, wiens beperkingen op 23 juni 2009 zijn opgeheven. De beperkingen van verdachte zelf waren reeds eerder opgeheven, terwijl de laatste beperkingen in de zogenoemde Putterzaak, betreffende medeverdachte [medeverdachte 2], op 24 juni 2009 zijn beëindigd. Feitelijk gaat het derhalve om een zeer korte periode waarin van een eventuele beïnvloeding van het onderzoek door de raadkamergriffier - die overigens in het geheel van de behandeling van de strafzaak een beperkte rol heeft - sprake zou kunnen zijn geweest.

Met de officier van justitie moet voorts worden vastgesteld dat noch uit de taps noch uit de verhoren bij de rechter-commissaris van 28 januari 2011 is gebleken dat door deze of een andere griffier inhoudelijke informatie over de strafzaak is gedeeld en/of naar buiten gebracht die van concrete invloed is geweest op (de inhoud dan wel het verloop van) het onderzoek in de zaak van verdachte en/of zijn medeverdachte(n) of die overigens van belang is geweest voor enige door de rechtbank te nemen beslissing in de zaak Putter. De raadsman heeft daarvan ook geen voorbeeld gegeven. Ook blijkt uit niets dat het feit dat zich onder de vele gehoorde getuigen familieleden (achterneven; de broer van de griffier is slechts in het kader van het buurtonderzoek gehoord) van deze griffier zouden bevinden van enige invloed is geweest op het omvangrijk te noemen onderzoek in de onderhavige zaak.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat hetgeen blijkens de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de griffier op het schoolplein is besproken, niet van zodanige aard is dat de officier van justitie door het niet dan wel niet in een eerder stadium (doen) opmaken van proces-verbaal tegen de griffier, op - voor het onderzoek in de onderhavige strafzaak relevante - wijze heeft gehandeld in strijd met de verbaliseringsplicht van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering en/of dat (mede) daardoor sprake is van een zodanige inbreuk op beginselen van een behoorlijke strafvervolging dat het openbaar ministerie vanwege schending van het belang dat de gemeenschap heeft bij normhandhaving door berechting, niet ontvankelijk zou dienen te worden verklaard. De verweren op dit punt worden dan ook verworpen.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen - al dan niet in onderlinge samenhang bezien - van zodanige aard dat van een behandeling van de zaak die aan het recht en de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet, geen sprake zou zijn. Het beroep van de verdediging op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt dan ook verworpen.

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aan de vervolging in de weg zouden staan, kan de officier van justitie in de vervolging worden ontvangen.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen maken deel uit van een eindproces-verbaal onder de naam TGO Putter, afgesloten op 30 december 2009, in totaal 6.156 doorgenummerde pagina's (hierna te noemen: eindproces-verbaal).

Voorts heeft de rechtbank de navolgende bewijsmiddelen gebezigd:

- een deskundigenrapportage van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie te Brussel (België), opgemaakt en ondertekend d.d. 20 juli 2010 door dr. J. de Ceuster;

- een deskundigenrapportage van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt en ondertekend d.d. 27 augustus 2010 door ing. R. Hermsen;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 oktober 2010.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft op gronden in haar schriftelijke requisitoir verwoord, geconcludeerd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan kort gezegd moord (feit 1 impliciet primair), poging tot doodslag, meermalen gepleegd (feit 2 primair impliciet subsidiair) en het voorhanden hebben van een wapen en munitie (feit 3).

De verdediging heeft op gronden in haar schriftelijke pleitnota verwoord, vrijspraak bepleit.

De onderbouwing van de standpunten van de officier van justitie en de verdediging zal, voor zover van belang, hierna bij het oordeel van de rechtbank nader worden uiteengezet.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3.

De vastgestelde feiten en overige omstandigheden.

Melding schietincident.

Op 8 april 2009, omstreeks 23.00 uur, kwamen er bij het Gemeenschappelijk Meldkamer Centrum van de politie regio Brabant-Noord ongeveer 50 telefonische meldingen binnen dat er door een grote groep personen werd gevochten op de Churchilllaan in 's-Hertogenbosch. Daarbij zou ook zijn geschoten. Het schieten zou hebben plaatsgevonden in de Egbert Kortenaerstraat in 's-Hertogenbosch.3

Aantreffen slachtoffer en overlijden.

In de Egbert Kortenaerstraat trof de politie een op de grond liggende jongen aan. De ter plaatse aanwezige verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben onder meer het volgende gerelateerd, verkort en zakelijk weergegeven:

"Op 8 april 2009, omstreeks 23.04 uur, kregen wij de melding te gaan naar de Oranjemarkt aan de Churchilllaan in 's-Hertogenbosch, alwaar een grote groep jongeren aan het vechten zou zijn. Toen wij ter plaatse gingen, kregen wij via de Centrale Meldkamer van de regiopolitie Brabant-Noord te horen dat er diverse malen geschoten zou zijn en dat er iemand op straat zou liggen. Ter plaatse zagen wij in de Churchilllaan een grote groep mensen staan. Deze riepen dat wij naar een andere straat moesten gaan en dat er een ambulance moest komen. Vervolgens zijn wij in verschillende samenstellingen naar de Egbert Kortenaerstraat in 's-Hertogenbosch gereden. Aldaar zagen wij een grote groep jongeren staan. Wij hoorden dat er in de Egbert Kortenaerstraat iemand op straat zou liggen. Wij zagen dat mensen uit de groep de Egbert Kortenaerstraat in wezen. Ik, verbalisant [verbalisant 2], ben hierop in de richting van het slachtoffer gelopen. Ik zag dat het slachtoffer voor perceel Egbert Kortenaerstraat [huisnummer] lag. Ik zag dat het slachtoffer op zijn rug lag met zijn lichaam in een rechte lijn over het trottoir. Ik zag dat het hoofd in de richting van de Aert van Nesstraat lag en met zijn benen in de richting van de Pieter Florisstraat. Ik zag dat het slachtoffer moeite had met ademen en een hard snurkend geluid maakte. Ik zag dat het slachtoffer niet bij kennis was."4

Verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] hebben voorts nog het volgende gerelateerd, verkort en zakelijk weergegeven:

"Aangekomen omstreeks 23.11 uur op de Churchilllaan zagen wij op de hoek van de Pieter Florisstraat met de Egbert Kortenaerstraat een grote groep personen staan. Wij zagen en hoorden diverse personen uit deze groep luid roepen: 'daar ligt hij' en 'daar liggen allemaal hulzen'. De portieren van ons dienstvoertuig werden opengetrokken en omstanders riepen dat het slachtoffer verderop lag. Wij liepen in de richting waarnaar werd gewezen. Aangekomen voor perceel Egbert Kortenaerstraat [huisnummer] zagen wij een Marokkaanse jongen op de grond liggen. Het slachtoffer maakte een snurkend geluid en was niet aanspreekbaar. Ik, verbalisant [verbalisant 7], heb het hoofd van het slachtoffer opgetild. Ik zag dat hij op zijn achterhoofd een soort uitstulping had dat rood van het bloed was. Vervolgens heb ik zijn hoofd weer neergelegd."5

Op 8 april 2009 om 23.25 uur werd het slachtoffer door ambulancepersoneel naar het Groot Ziekengasthuis in 's-Hertogenbosch overgebracht.6

Op 9 april 2009 om 18.33 uur is het slachtoffer in genoemd ziekenhuis overleden.7

Identificatie slachtoffer en oorzaak overlijden.

Het slachtoffer werd door zijn broer en neef geïdentificeerd. Van deze identificatie is het volgende proces-verbaal opgemaakt.

"Op 10 april 2009 te 19.20 uur werd door mij, verbalisant [verbalisant 9], in het mortuarium van de uitvaartonderneming Sint Jan in 's-Hertogenbosch, het stoffelijk overschot van een man getoond aan [broer van het slachtoffer] en [neef van het slachtoffer]. [broer van het slachtoffer] en [neef van het slachtoffer] verklaarden tegenover mij, dat het lichaam dat ik hun toonde was van respectievelijk zijn broer en neef, zijnde:

[slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] (geboorteland)."8

Op 10 april 2009 heeft arts en patholoog F.R.W. van de Goot een uit- en inwendige schouwing op het lijk van [slachtoffer] verricht. Er werd een schotkanaal door de hersenen vastgesteld. De dood van [slachtoffer] bleek door de gevolgen van dit schotletsel in het hoofd te zijn ingetreden.

Het obductieverslag houdt dienaangaande het volgende in, verkort en zakelijk weergegeven:

"Resultaten.

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is het navolgende gebleken:

A. Uitwendig.

[...]

2. Er was links achter op het hoofd een rondrafelige huidperforatie van circa 0,5 cm.

[...]

B. Inwendig.

1. Onder Sub A2 was een ronde perforatie in het schedelbot die van buiten naar binnen breder verliep (inschot).

2. Er was een schotkanaal door de hersenen, van links achter, naar rechts voor. Het schedelbot rechts voor was niet geperforeerd. Er was een uitgebreide kneuzing en verscheuring van het hersenweefsel.

3. Los in de schedelholte lag een kogel.

4. Er was een bloeduitstorting onder de schedelhuid.

[...].

C. Algemeen.

1. Er waren geen aanwijzingen voor ziekelijke afwijkingen die een rol hebben gespeeld bij het intreden van de dood.

Interpretatie.

Bij sectie werd een schotkanaal door de hersenen vastgesteld. Het inschot was links achter aan het hoofd. Het schotkanaal verliep vrijwel horizontaal en wat naar rechts. Aan de rechtervoorzijde van de hersenen was geen perforatie van het schedelbot; de kogel werd los in de schedelholte teruggevonden. Het letsel was gezien het klinische beeld bij leven opgelopen en het verklaart het intreden van de dood zonder meer op basis van hersenfunctieverlies en verwikkelingen daarvan. Tevens was er een geringe huidbeschadiging rechts aan de borstwand. Dit was het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld kan optreden bij steken met, of vallen tegen een kantig voorwerp. Het heeft hoe dan ook geen rol gespeeld bij het intreden van de dood.

Conclusie.

Bij[slachtoffer], oud 25 jaren, waren hersenfunctieverlies en verwikkelingen daarvan t.g.v. schotletsel aan het hoofd de oorzaak van het intreden van de dood."9

Met betrekking tot de sectie van het slachtoffer heeft verbalisant [verbalisant] een proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal is door hem onder meer het volgende gerelateerd.

"Op 10 april 2009 te 13.00 uur heeft patholoog dr. v.d. Goot sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] (geboorteland). Bij de sectie werd door de patholoog in de schedelholte van het slachtoffer een kogel aangetroffen. Deze kogel werd veiliggesteld en voorzien van SIN AABO8515NL."10

Tussenconclusie van de rechtbank.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] op 9 april 2009 aan de gevolgen van - verwikkelingen van - hersenfunctieverlies ten gevolge van schotletsel aan het hoofd is komen te overlijden, welk letsel hem op 8 april 2009 in de Egbert Kortenaerstraat in 's-Hertogenbosch is toegebracht.

Opstarten politieonderzoek.

Naar aanleiding van het schietincident werd op 9 april 2009 onder leiding van officier van justitie mr. J.F. Le Fever een Team Grootschalige Opsporing (TGO) opgericht met de onderzoeksnaam 'Putter'. Uit het onderzoek is onder meer gebleken dat er zich op de avond van 8 april 2009 meerdere incidenten hebben voorgedaan die direct of indirect betrekking hebben gehad op het schietincident in de Egbert Kortenaerstraat ten gevolge waarvan [slachtoffer] om het leven is gekomen. Deze incidenten hebben betrekking op vechtpartijen bij buurthuis [naam buurthuis] aan de Kooikersweg in 's-Hertogenbosch, een vechtpartij op de Oranjemarkt in 's-Hertogenbosch en een steekpartij die heeft plaatsgehad kort voordat er in de Egbert Kortenaerstraat werd geschoten.

Kort na het schietincident is door de technische recherche een sporenonderzoek verricht in de Egbert Kortenaerstraat. Voorts zijn buurtbewoners, bij het schietincident betrokken personen, overige getuigen en verdachten gehoord.

Het technisch sporenonderzoek.

Onderzoek plaats delict.

Omschrijving Egbert Kortenaerstraat.

De Egbert Kortenaerstraat is gelegen in de woonwijk 'De Kruiskamp' tussen de Pieter Florisstraat en de Aert van Nesstraat te 's-Hertogenbosch. De Pieter Florisstraat is gelegen aan de noord/oostzijde en de Aert van Nesstraat aan de zuid/westzijde van de Egbert Kortenaerstraat.

Aan weerszijden van de Egbert Kortenaerstraat bevinden zich rijtjeswoningen met voortuinen. Voor de voortuinen is, aan weerszijden van de straat, een trottoir gelegen met een breedte van 1,50 meter. De rijbaan van de Egbert Kortenaerstraat heeft een breedte van 6,10 meter. Aan de rechterzijde van de Egbert Kortenaerstraat, gezien vanuit de Pieter Florisstraat, bevinden zich de percelen met oneven nummers, oplopend vanaf de zijde van de Pieter Florisstraat.

Gezien vanuit de Pieter Florisstraat is aan de rechterzijde van de Egbert Kortenaerstraat eerst een zevental parkeerplaatsen gelegen. Na deze parkeerplaatsen is een brandgang en daarna een blok van zes rijtjeswoningen (nrs. 1, 3, 5, 7, 9 en 11). Hierna zijn een brandgang en een tweede blok rijtjeswoningen gelegen. Gezien vanuit de Pieter Florisstraat is aan de linkerzijde van de Egbert Kortenaerstraat een vijftal garageboxen gelegen, genummerd 2, 4, 6, 8 en 10. Tussen de garageboxen en het trottoir is een uitrijstrook met een breedte van 5,25 meter. Na deze garageboxen zijn een elektrahuisje (nummer 10A), een brandgang en een blok van zes rijtjeswoningen (nrs. 12, 14, 16, 18, 20 en 22) gelegen. Daarnaast zijn een tweede brandgang en een tweede blok rijtjeswoningen (nrs. 24 t/m 38) gelegen.

Aan de rechterzijde van de Egbert Kortenaerstraat, gezien vanuit de Pieter Florisstraat, bevond zich openbare straatverlichting. Deze was in werking ten tijde van het onderzoek ter plaatse. Aan weerszijden van de Egbert Kortenaerstraat stonden voertuigen geparkeerd.11

Aantreffen munitiedelen.

In de Egbert Kortenaerstraat zijn in totaal 4 munitiedelen aangetroffen. Verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] hebben hierover onder meer het navolgende gerelateerd.

"Op 9 april 2009 te 00.15 uur werd door ons een forensisch onderzoek naar sporen verricht. Door de ter plaatse aanwezige plaatselijke politie was de plaats delict afgezet. Op de rijbaan aan het begin van de Egbert Kortenaerstraat, aan de zijde van de Pieter Florisstraat, tussen de garageboxen aan de linkerzijde en de parkeerplaatsen aan de rechterzijde, stond een viertal pylonen. Bij iedere pylon lag een munitiedeel. De pylonen werden door ons vervangen door nummerborden, genummerd 1 tot en met 4.

Bij bord met nummer 1 lag een huls van het kaliber 6,35 millimeter. Voornoemde huls lag op een afstand van 17,90 meter, vanaf het kruisingsvlak van de Egbert Kortenaerstraat met de Pieter Florisstraat en 10 centimeter vanaf het rechtertrottoir, gezien vanaf de Pieter Florisstraat. Deze huls werd veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AABJ2964NL.

Bij bord met nummer 2 lag een huls van het kaliber 9 millimeter van het merk S&B. Voornoemde huls lag op een afstand van 17,30 meter, vanaf het kruisingsvlak van de Egbert Kortenaerstraat met de Pieter Florisstraat en 1,85 meter vanaf het rechtertrottoir, gezien vanaf de Pieter Florisstraat. Deze huls werd veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AABJ2965NL.

Bij bord met nummer 3 lag een huls van het kaliber 6,35 millimeter van het merk S&B. Voornoemde huls lag op een afstand van 20,15 meter, vanaf het kruisingsvlak van de Egbert Kortenaerstraat met de Pieter Florisstraat en 5,25 meter vanaf het rechtertrottoir, gezien vanaf de Pieter Florisstraat. Deze huls werd veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AABJ2966NL.

Bij bord nummer 4 lag een complete patroon van het kaliber 6,35 millimeter, van het merk S&B. Voornoemde patroon lag op een afstand van 20,15 meter, vanaf het kruisingsvlak van de Egbert Kortenaerstraat met de Pieter Florisstraat en 5,10 meter vanaf het rechtertrottoir, gezien vanaf de Pieter Florisstraat. Deze patroon werd veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AABJ2967NL."12

Overig onderzoek plaats delict.

Door verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] werden op de afgezette plaats delict geen overige munitiedelen, (vuur)wapens, beschadigingen, sporen of overige goederen aangetroffen die in verband gebracht konden worden met het gepleegde feit. Tevens werden de straatkolken en de daken van de garages nrs. 2 t/m 10A in de Egbert Kortenaerstraat onderzocht op aanwezigheid van bovengenoemde goederen en sporen. Ook hierbij werd niets terzake dienende aangetroffen. Bij het onderzoek op de rijbaan, het trottoir en de voortuinen in de Egbert Kortenaerstraat werden evenmin overige relevante goederen of sporen aangetroffen.13

Munitieonderzoek.

Ing. R. Hermsen, als gerechtelijk deskundige verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), heeft een munitieonderzoek verricht naar aanleiding van het schietincident in 's-Hertogenbosch op 8 april 2009. Zijn bevindingen zijn opgenomen in een deskundigenrapportage van 24 november 2009. In deze rapportage is het navolgende gesteld, verkort en zakelijk weergegeven:

"De huls [AABJ2964NL] is voorzien van het bodemstempel 'G.F.L. 6.35'. De aanduiding 'G.F.L.' staat voor Giulio Fiocchi, Lecco, kortweg aangeduid als het munitiemerk Fiocchi.

Vraagstelling.

1. Onderzoek of de verschoten munitiedelen afkomstig zijn uit één of meerdere vuurwapen(s).

2. Bepaal het soort en merk van het (de) gebruikte vuurwapen(s).

[...].

4. Is de kogel [AABO8515NL] afkomstig van één van de aangeboden hulzen?

Conclusie.

1. De ontvangen munitiedelen zijn afkomstig uit (minstens) twee verschillende vuurwapens.

De twee hulzen [AABJ2964NL en AABJ2966NL] zijn waarschijnlijk verschoten met één en hetzelfde vuurwapen, kaliber 6,35mm Browning.

De patroon [AABJ2967NL] is waarschijnlijk doorgeladen geweest met dit vuurwapen.

De kogel [AAB08515NL] past bij het kaliber 6,35mm Browning.

[...].

De huls [AABJ2965NL] is verschoten met een vuurwapen in het kaliber 9mm Parabellum.

2. De twee hulzen [AABJ2964NL en AABJ2966NL] zijn verschoten met een semiautomatisch pistool. Dit betreft vermoedelijk een omgebouwd alarmpistool van het merk Tanfoglio model GT-28, waarbij de slede voorzien kan zijn van de inscriptie 'Star' of 'Astra'. De afvuursporen in de kogel [AAB08515NL] passen bij een omgebouwd alarmpistool van het merk Tanfoglio.

De huls [AABJ2965NL] is verschoten met een semi-automatisch pistool van vermoedelijk het merk Glock, kaliber 9mm Parabellum. Niet uitgesloten kan worden dat de huls is verschoten met een semi-automatisch pistool van het merk Smith & Wesson, model Sigma.

[...]

4. De kogel [AAB08515NL] past bij patronen van het merk Sellier & Bellot. Alleen huls [AABJ2966NL] is van dit merk. Of de kogel tezamen met deze huls één patroon heeft gevormd, kon door het ontbreken van relevante sporen, niet worden onderzocht."14

Contra-expertise.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 25 februari 2010 op verzoek van de verdediging een contra-expertise door een wapendeskundige / nader onderzoek naar de aangetroffen munitiedelen bevolen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat ing. Hermsen van het NFI voornoemd na het kennisnemen van de bevindingen van de deskundige die de contra-expertise heeft uitgevoerd in een nadere rapportage een schriftelijke reactie hierop dient te geven.

Op 20 juli 2010 heeft dr. J. de Ceuster, werkzaam bij het Laboratorium Mechanische Ballistiek, verbonden aan het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC) in Brussel (België), een deskundigenrappportage opgesteld. In deze rapportage is onder meer het volgende gesteld, verkort en zakelijk weergegeven:

"Vraagstelling.

1. Staat het fatale projectiel (kogel) dat in de schedel van het slachtoffer is aangetroffen in verband met de op de plaats delict aangetroffen huls S&B (AABJ2966NL)?

2. Is de huls GFL (AABJ2964NL) die op een afstand van ruim vijf meter verwijderd van de huls S&B (AABJ2966NL) is aangetroffen al dan niet verschoten met een ander wapen?

[...]

Besluit.

1. Het kan niet vastgesteld worden of de kogel [AABO8515NL] in verband staat met de huls S&B [AABJ2966NL]. Wel kan worden vastgesteld dat de kogel niet in verband staat met de huls GFL [AABJ2964NL].

2. Er worden geen verschillen waargenomen die op het gebruik van twee wapens wijzen. Gelet op de kwantiteit en kwaliteit van de teruggevonden overeenkomsten wordt besloten dat beide hulzen [AABJ2964NL] en [AABJ2966NL] waarschijnlijk met hetzelfde wapen zijn afgevuurd.

[...].15

Op 27 augustus 2010 heeft ing. R. Hermsen van het NFI een deskundigenrapportage opgemaakt als reactie op de hiervoor genoemde bevindingen van het NICC. Uit deze rapportage volgt dat de resultaten van de onderzoeken aan de beantwoording van vraag 1. en vraag 2. als gelijk worden gesteld.16

Conclusie van de rechtbank op grond van het munitieonderzoek.

Blijkens de conclusie van het NFI zijn de twee aangetroffen hulzen van het kaliber 6,35mm waarschijnlijk verschoten met één en hetzelfde vuurwapen van het kaliber 6,35mm Browning. De aangetroffen patroon van het kaliber 6,35mm is waarschijnlijk doorgeladen geweest met dit vuurwapen. De in de schedelholte van het slachtoffer aangetroffen kogel van het kaliber 6,35mm past bij het kaliber 6,35mm Browning. Volgens het NFI kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de genoemde hulzen en de kogel daadwerkelijk uit één en hetzelfde vuurwapen zijn verschoten, omdat het vuurwapen nimmer is aangetroffen. Ook blijkens de bevindingen van het NICC kan niet worden vastgesteld of de kogel die in de schedelholte van het slachtoffer is aangetroffen in verband staat met de aangetroffen huls van het kaliber 6,35mm van het merk S&B. Wel kan worden vastgesteld dat de kogel niet in verband staat met de aangetroffen huls van het kaliber 6,35mm van het merk Fiocchi. Het NICC heeft voorts geen verschillen waargenomen die op het gebruik van twee wapens wijzen. Gelet op de kwantiteit en kwaliteit van de teruggevonden overeenkomsten wordt derhalve besloten dat beide hulzen van het kaliber 6,35mm waarschijnlijk met hetzelfde wapen zijn afgevuurd. Voorts is vastgesteld dat de aangetroffen huls van het kaliber 9mm is verschoten met een semi-automatisch pistool van vermoedelijk het merk Glock, kaliber 9mm Parabellum.

Verklaringen van de verdachte.

Bewijsuitsluiting.

De verdediging heeft zich in het kader van haar - hiervoor onder het kopje 'ontvankelijkheid van de officier van justitie' reeds besproken - Salduz-verweer op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte van 22 april 2009 te 08.46 uur van het bewijs dient te worden uitgesloten.

De officier van justitie heeft zich, zoals hiervoor reeds is weergegeven, kort gezegd op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het consultatierecht van verdachte. Zij heeft geconcludeerd dat zijn verklaring derhalve niet behoeft te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank heeft reeds hiervoor vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan zijn (eerste) verhoor van 22 april 2009 niet in de gelegenheid is gesteld om zijn raadsman te consulteren en dat in zoverre is gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM en de daarop gebaseerde Salduz-jurisprudentie. Eveneens is door de rechtbank reeds overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, na een daartoe strekkend verweer, een dergelijk vormverzuim - in de regel en behoudens bijzondere omstandigheden - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de betrokken verklaring van verdachte.

De rechtbank is niet gebleken van dergelijke bijzondere omstandigheden en is derhalve van oordeel dat in de onderhavige situatie dit vormverzuim moet leiden tot uitsluiting voor het bewijs van de verklaring van verdachte afgelegd op 22 april 2009 te 08.46 uur. De rechtbank zal in zoverre het verweer van de raadsman gegrond verklaren.

Overige verklaringen.

Verdachte is, buiten zijn reeds genoemde verhoor van 22 april 2009 te 08.46 uur, in totaal 12 keer verhoord. Hij heeft in die verhoren kort gezegd verklaard dat hij op 8 april 2009 in de Egbert Kortenaerstraat tweemaal met een vuurwapen heeft geschoten.

Op 23 april 2009 heeft verdachte bij de politie verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

"Op 8 april 2009 bevond ik mij in de Egbert Kortenaerstraat in 's-Hertogenbosch.

Ik hield het wapen met beide handen vast. Ik hield mijn wijsvinger aan de trekker en het wapen was doorgeladen want het ging af. Toen ik dat waarschuwingsschot loste, hoorde ik een knal. Uit paniek en angst deed ik daarna mijn armen recht vooruit. Ik hield mijn armen horizontaal gestrekt vooruit. Ik had het wapen met twee handen vast en hield het wapen gericht op de groep. Mijn wijsvinger hield ik aan de trekker, net als de eerste keer tijdens het schot in de lucht. Ik dreigde met het wapen en hield het gericht op de groep. Ik zei tegen hen 'oprotten'. Ik heb twee keer geschoten. Tussen het eerste en het tweede schot zaten 10 tot 15 seconden. Het was een miniwapen, een soort lady gun."17

De rechtbank stelt vast dat verdachte ter terechtzitting van 25 oktober 2010 heeft volhard in deze verklaring.18

Op 28 april 2009 heeft verdachte bij de politie verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

"Ik hield het wapen met gestrekte armen voor mij en dreigde daarmee op de groep. Toen het wapen afging was het echt op de groep gericht."19

Getuigenverklaringen.

Zoals hiervoor door de rechtbank reeds is opgemerkt zijn in het kader van het opsporingsonderzoek vele omwonenden/buurtbewoners en bij het schietincident betrokken personen gehoord. Met betrekking tot het schietincident zijn door de politie in totaal ruim 170 personen één of meermalen gehoord. Voorts heeft een aanzienlijk deel daarvan in een later stadium bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd.

De raadsman heeft zich op dezelfde gronden als hiervoor onder het standpunt van de verdediging onder het kopje 'ontvankelijkheid van de officier van justitie' weergegeven op het standpunt gesteld, dat alle in het onderhavige onderzoek afgelegde getuigenverklaringen van de in de Egbert Kortenaerstraat aanwezige betrokkenen die tot de 'groep Kruiskamp' behoren van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat genoemde getuigenverklaringen niet van het bewijs behoeven te worden uitgesloten. Voor de onderbouwing van haar standpunt daaromtrent wordt verwezen naar de door haar reeds aangevoerde gronden in het kader van het niet-ontvankelijkheidsverweer.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De rechtbank heeft bij de bespreking van het niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdediging reeds uitvoerig overwogen dat de door de raadsman aangevoerde gronden niet kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in dat kader heeft overwogen bestaat naar haar oordeel evenmin grond voor uitsluiting van de betreffende getuigenverklaringen voor het bewijs.

De rechtbank stelt in zijn algemeenheid echter wel vast dat op grond van de inhoud van de later in het onderzoek afgelegde verklaringen van met name de bij het schietincident in de Egbert Kortenaerstraat aanwezige personen, die zich buiten bevonden, niet zonder meer kan worden vastgesteld of zij op dat moment uit eigen wetenschap hebben kunnen verklaren over wat zij hebben waargenomen of ondervonden, of het kennis betreft die zij van derden hebben gekregen of wat zij onder invloed van anderen hebben verklaard. Dit reikt echter niet zover dat alle verklaringen als onbetrouwbaar terzijde zouden moeten worden gesteld.

Gelet hierop zal de rechtbank - voor zover zij de verklaringen van deze getuigen voor het bewijs zal bezigen -, gelijk de officier van justitie, de eerste verklaring die door deze getuigen bij de politie is afgelegd als uitgangspunt nemen.

De rechtbank zal voor wat betreft de bewijsvoering aansluiting zoeken bij hetgeen op grond van het vorenstaande is komen vast te staan, en de navolgende getuigenverklaringen die daarop aansluiten eveneens bezigen voor het bewijs.

Op 25 april 2009 heeft getuige [getuige 7] (buurtbewoner) bij de politie verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

"Op 8 april 2009 bevond ik mij in mijn woning aan de [straat] [huisnummer] in 's-Hertogenbosch. Toen ik naar buiten keek zag ik dat er een groep personen van 5 à 6 mannen in mijn gezichtsveld stond midden op straat. Ze stonden ter hoogte van de brandgang in het midden van de straat. Een jongen van de groep draaide zich om in de richting van de Aert van Nesstraat. Ik zag dat deze persoon zijn arm recht vooruit strekte. Ik zag en hoorde toen zeker twee schoten. Ze klonken hetzelfde. Deze schoten kwamen ook allemaal van dezelfde persoon. De schutter rende de straat uit in de richting van de Pieter Florisstraat. De schutter schoot in ieder geval vooruit de straat in. Ik neem aan dat hij richtte op iemand of iets. Zo zag het er wel uit."20

Op 13 april 2009 heeft getuige [getuige 2] bij de politie verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

"Op 8 april 2009 bevond ik mij op de kruising van de Jacob van Wassenaerstraat en de Pieter Florisstraat in 's-Hertogenbosch. Ik zag [bijnaam verdachte] [de rechtbank begrijpt: verdachte] staan. Ik zag dat de [bijnaam verdachte] met een pistool in zijn handen stond. Ik zag dat de [bijnaam verdachte] het pistool met twee handen vasthad en voor zich had op schouderhoogte. Ik stond op dat moment aan de rechterzijde van de rijbaan en in het midden van het eerste huizenblok welke bestaat uit 6 rijtjeshuizen. [bijnaam verdachte] stond bij de parkeerplaatsen bij de kruising Pieter Florisstraat en de Egbert Kortenaerstraat aan de rechterzijde van de rijbaan. Ik kan u zeggen dat de [bijnaam verdachte] het pistool richtte op de menigte. Ik kan zeggen dat het pistool klein was. Ik zie [bijnaam verdachte] met het pistool staan. Ik ben zelf ook direct op de grond gaan liggen. Hierna ben ik omhoog gekomen en zag [medeverdachte 3] bij de [bijnaam verdachte] staan. Ik zag dat [bijnaam medeverdachte 3] ook een pistool in zijn handen had. Ik zag dat het pistool van [bijnaam medeverdachte 3] iets groter was dan dat van de [bijnaam verdachte]. Ik zag dat [bijnaam medeverdachte 3] achter [bijnaam verdachte] stond en met zijn pistool in de lucht schoot. Ik zag dat hij eenmaal schoot."21

Op 11 april 2009 heeft getuige [getuige 4] bij de politie verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

"Op 8 april 2009 stond ik in de Egbert Kortenaerstraat in 's-Hertogenbosch. Vlakbij de kruising met de Egbert Kortenaerstraat staan garageboxen. Ik zag daar [bijnaam verdachte][de rechtbank begrijpt: verdachte] staan. Ik zag dat hij een pistool in zijn handen had en hiermee vervolgens schoot. Ik stond in de straat en naast mij stond [slachtoffer]. Ik zag vervolgens dat [bijnaam verdachte] iets met het pistool deed en deze vervolgens richtte in de richting van waar ik ook stond. Ik hoorde en zag vervolgens dat hij schoot met het pistool. Ik hoorde namelijk een knal en zag een lichtflits bij zijn handen vandaan komen. Ik ben gaan rennen en hoorde toen nog meer knallen. Ik voelde dat [slachtoffer] tegen mij aan viel. Aan de linkerkant van [bijnaam verdachte] stond [medeverdachte 3] bijnaam [naam]."22

Tussenconclusie van de rechtbank.

De rechtbank stelt op grond van het technisch sporenonderzoek, de aangehaalde verklaringen van verdachte en de hiervoor genoemde getuigenverklaringen vast dat vanaf de zijde van de Pieter Florisstraat driemaal is geschoten in de Egbert Kortenaerstraat. Uit het technisch sporenonderzoek is niet gebleken dat er vanaf een andere positie in de Egbert Kortenaerstraat zou zijn geschoten.

De rechtbank overweegt voorts het navolgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij tweemaal met een minivuurwapen heeft geschoten. Met de verdachte en de verdediging gaat de rechtbank er vanuit dat het eerste schot van verdachte een waarschuwingsschot in de lucht betrof. Verdachte heeft vervolgens een tweede schot gelost waarbij hij het vuurwapen met gestrekte armen gericht heeft gehouden op de groep omstanders in de Egbert Kortenaerstraat.

De rechtbank stelt vast dat meerdere getuigen hebben verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 3] in de Egbert Kortenaerstraat eenmaal schuin omhoog in de lucht heeft geschoten23 en dat hij een groter wapen had dan dat van verdachte.24

Zoals hierboven reeds is weergegeven heeft het NFI niet met zekerheid kunnen vaststellen of de in de Egbert Kortenaerstraat aangetroffen huls van het kaliber 6,35mm van het merk S&B en de in de schedelholte van het slachtoffer aangetroffen kogel van het kaliber 6,35mm van het merk S&B is afgevuurd met één en hetzelfde vuurwapen, omdat het/de betreffende vuurwapen(s) nimmer is (zijn) aangetroffen. Wel is met de graad van waarschijnlijkheid gesteld dat de twee hulzen van 6,35mm zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen, kaliber 6,35mm Browning en dat de aangetroffen patroon 6,35mm doorgeladen is geweest met dit vuurwapen.

Onder de gegeven omstandigheid dat het/de vuurwapen(s) nimmer is/zijn aangetroffen heeft het NFI, door te stellen dat de aangetroffen hulzen van het kaliber 6,35mm waarschijnlijk zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen en de aangetroffen patroon van 6,35mm waarschijnlijk met datzelfde vuurwapen is doorgeladen, mede gelet op de stukken van overtuiging op basis waarvan het munitieonderzoek heeft plaatsgevonden, naar het oordeel van de rechtbank slechts 'waarschijnlijkheid' als in dit geval hoogst haalbare graad aanwezig kunnen achten.

Het vuurwapen waarmee vermoedelijk is geschoten betreft volgens het NFI een semi-automatisch pistool, vermoedelijk een omgebouwd alarmpistool van het merk Tanfoglio model GT-28. Uit het munitieonderzoek is verder gebleken dat de afvuursporen op de in de schedelholte van het slachtoffer aangetroffen kogel van het kaliber 6.35mm ook passen bij een dergelijk omgebouwd alarmpistool van het merk Tanfoglio.

De rechtbank kent aan de conclusies van het NFI een groot gewicht toe voor haar oordeel aangezien de hiervoor genoemde verklaringen van verdachte en de verklaringen van de getuigen aansluiten op de bevindingen van het door het NFI verrichte munitieonderzoek en bovendien de conclusies van het NFI worden ondersteund door de bevindingen van de contra-expertise van het NICC.

Het alternatieve scenario van de derde schutter.

Het standpunt van de verdediging.

Volgens de raadsman kan niet de conclusie worden getrokken dat de twee hulzen 6,35 mm met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten en dat deze hulzen een patroon hebben gevormd met de 6,35 mm kogel in het hoofd van het slachtoffer. De door de deskundigen van het NFI en NICC gebruikte term 'waarschijnlijk' in hun rapporten is daarvoor onvoldoende. De raadsman verwijst in dit verband ook naar het rapport d.d. 21 oktober 2010 van de heer M. Fletcher, verbonden aan Keith Borer Consultants. Volgens de raadsman blijkt hieruit dat de door het NFI en NICC geconstateerde overeenkomsten in de afvuursporen van de hulzen 6,35 mm bekend staan onder de noemer 'family Marks', wat betekent kenmerkende overeenkomsten in afvuursporen tussen verschillende vuurwapens van hetzelfde merk en hetzelfde model. Er bestaat daarom een reële mogelijkheid dat de aangetroffen 6,35 mm hulzen zijn afgevuurd met verschillende vuurwapens. Verder wijst de raadsman er op dat de beide 6,35 mm hulzen op een afstand van ruim 5 meter van elkaar zijn aangetroffen, wat duidt op 2 schietposities. Voorts voert de raadsman aan dat uit getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat een derde onbekende een vuurwapen heeft gehanteerd. Uit dit alles blijkt volgens de raadsman dat de aanwezigheid van een derde schutter, die het dodelijke schot heeft afgevuurd, niet uitgesloten kan worden. Tenslotte heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte met een klein vuurwapen (een lady gun) heeft geschoten niet automatisch tot gevolg heeft dat de aangetroffen 6,35 mm hulzen van dit wapen afkomstig zijn. Met een dergelijk wapen kunnen ook kogels van het kaliber 9 mm worden afgevuurd. Het is volgens de raadsman dan ook zeer wel mogelijk dat de op de plaats delict aangetroffen 9 mm huls van het wapen van verdachte afkomstig is. Op grond van dit alles is de raadsman van mening dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte het dodelijke projectiel heeft afgevuurd, zodat vrijspraak dient te volgen van de tenlastegelegde moord c.q. doodslag.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De deskundige Hermsen van het NFI baseert de conclusie in zijn hiervoor reeds aangehaalde rapport d.d. 24 november 2009 dat beide 6,35 mm hulzen waarschijnlijk verschoten zijn met een en hetzelfde wapen op meerdere overeenkomsten tussen de afvuursporen van beide hulzen. Daarvan zijn volgens hem de overeenkomende structuur van de kraslijnen en de vorm van de oneffenheden in de sporen, veroorzaakt door de verschillende wapenonderdelen, karakteristiek voor het gebruikte vuurwapen. Volgens de verklarende woordenlijst in de vakbijlage van dit rapport wordt onder karakteristiek verstaan: "vrijwel uniek, een kenmerk met een zeer hoge zeldzaamheidswaarde". De deskundige J. de Ceuster concludeert in zijn hiervoor reeds aangehaalde rapport van 20 juli 2010 eveneens dat beide 6,35 mm hulzen waarschijnlijk met hetzelfde wapen zijn afgevuurd. Deze conclusie baseert hij op de kwantiteit en de kwaliteit van de overeenkomsten tussen de afvuursporen op beide hulzen. Hiervan beschouwt hij de beperkte overeenkomsten tussen de indruk van de slagpinholte op de hulsbodems van beide hulzen als vermoedelijk karakteristiek en de overeenkomende kraslijnen op de hulswand van beide hulzen als zeer karakteristiek. De deskundige Hermsen geeft in zijn aanvullend rapport d.d. 27 augustus 2010 aan dat de resultaten van het onderzoek van de deskundige De Ceuster overeenkomen met zijn eerdere bevindingen, zoals neergelegd in zijn rapport van 24 november 2009. Voorts merkt hij in dat aanvullende rapport op dat de conclusie 'waarschijnlijk' door het NFI wordt gegeven als het kaliber en de systeemkenmerken overeenkomen, maar de overeenkomsten in de individualiserende sporen onvoldoende zijn om tot een volledige overtuiging te komen dat de munitiedelen uit één vuurwapen afkomstig zijn. Volgens hem zijn de in 2009 gebruikte waarschijnlijkheidsschaal van het NICC en die van het NFI gelijkwaardig.

De rechtbank leidt uit het voorgaande, in samenhang bezien met de vakbijlage bij het rapport d.d. 24 november 2009 van de deskundige Hermsen, af dat de door beide deskundigen aangetroffen karakteristieke sporen op beide hulzen zijn aan te merken als individuele sporen, die specifiek zijn voor het bij het schietincident gebruikte wapen. Het gaat dus niet, zoals de raadsman kennelijk heeft betoogd, enkel om systeemsporen die alleen iets kunnen zeggen over het soort vuurwapen, het merk en eventueel het model (de zogenaamde family Marks). De rechtbank begrijpt het door de raadsman overgelegde rapport d.d. 21 oktober 2010 van de heer M. Fletcher, verbonden aan Keith Borer Consultants, overigens aldus dat hij de bevindingen van de deskundigen Hermsen en De Ceuster over de karakteristieke overeenkomsten van beide hulzen op zich niet bestrijdt, maar dat hij meer twijfel heeft dan zij over de mate van waarschijnlijkheid dat beide hulzen uit hetzelfde vuurwapen afkomstig zijn. De rechtbank acht het rapport van M. Fletcher echter onvoldoende onderbouwd en overtuigend om de conclusies van de deskundigen Hermsen en De Ceuster in twijfel te trekken.

Meerdere getuigen, waaronder een aantal buurtbewoners25, verklaren dat er in totaal twee- tot driemaal is geschoten met een vuurwapen. Voorts blijkt uit de eigen verklaring van verdachte dat hij tweemaal met een vuurwapen heeft geschoten en volgt uit verklaringen van getuigen dat medeverdachte [medeverdachte 3]eenmaal met een vuurwapen heeft geschoten.26 Dit komt overeen met de bevindingen uit het forensisch onderzoek, namelijk dat er ter plaatse drie munitieonderdelen (2 hulzen en 1 patroon) zijn aangetroffen, die passen bij een 6,35 mm pistool, dat er ter plaatse een munitieonderdeel(een huls)is aangetroffen dat past bij een 9 mm pistool en dat er ter plaatse en in de omgeving van de Egbert Kortenaerstraat geen andere munitieonderdelen, (vuur)wapens, beschadigingen, sporen of overige goederen zijn aangetroffen die in verband kunnen gebracht met het gepleegde feit. Op grond hiervan en mede gelet op de conclusies van de deskundigen Hermsen en De Ceuster dat beide 6,35 mm hulzen waarschijnlijk met hetzelfde vuurwapen zijn afgevuurd, verwerpt de rechtbank het verweer dat er sprake kan zijn van een derde schutter.

Conclusie.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat verdachte op 8 april 2009 in de Egbert Kortenaerstraat met één klein kaliber vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in de lucht als waarschuwingsschot en vervolgens met datzelfde vuurwapen een tweede kogel heeft afgevuurd terwijl hij zijn vuurwapen gericht heeft gehouden op de aldaar aanwezige groep omstanders/personen, ten gevolge waarvan het slachtoffer [slachtoffer] in het hoofd werd geraakt en is overleden.

Voorts stelt de rechtbank vast dat medeverdachte [medeverdachte 3] op 8 april 2009 in de Egbert Kortenaerstraat eenmaal in de lucht heeft geschoten met een vuurwapen dat groter was dan het vuurwapen van verdachte.

De juridische beoordeling.

De rechtbank dient vervolgens een juridische beoordeling te geven van de hiervoor beschreven feitelijke toedracht.

Voorbedachten rade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de voorbedachten rade op grond van de hiernavolgende overwegingen bewezen.

Van belang is dat verdachte alvorens gericht te schieten reeds een 'waarschuwingsschot' heeft gelost. Toen dat schot niet het door hem gewenste effect had - de groep ging niet weg - deed verdachte zijn armen recht vooruit. Hij had het wapen met twee handen vast en hield het gericht op de groep. Hij hield zijn wijsvinger aan de trekker net als de eerste keer tijdens het schot in de lucht. Tussen het eerste en het tweede schot zaten 10 tot 15 seconden.

In deze omstandigheden is sprake van een nieuw wilsbesluit. Verdachte heeft er bewust voor gekozen om het wapen in tweede instantie op de groep te richten. Hij heeft daarbij voldoende gelegenheid gehad om over de eventuele gevolgen van deze actie na te denken.

De officier van justitie geeft voorts nog aan dat, blijkens de jurisprudentie, voorbedachten rade samengaat met alle vormen van opzet, ook voorwaardelijk opzet. Voldoende is dat bewezen kan worden dat verdachte door zijn vuurwapen in tweede instantie op de groep te richten en vervolgens een schot te lossen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij één van de personen in de groep tegenover hem, in dit geval [slachtoffer], dodelijk zou raken.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de voorbedachten rade nu hiervoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Gedurende de verwikkelingen in de Egbert Kortenaerstraat is geen sprake geweest van een situatie waarin verdachte met voorafgaand kalm en rustig beraad heeft kunnen handelen, laat staan heeft gehandeld. Voorts is geen bewijs voorhanden dat het doden van het slachtoffer is voortgekomen uit een voorafgaand aan het incident opgezet plan. De verdediging heeft aangevoerd dat de gelegenheid tot het zich daadwerkelijk rekenschap geven van de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad, gelet op de korte tijdsduur en de situatieve omstandigheid, niet heeft bestaan.

De rechtbank overweegt het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie is voor bewezenverklaring van voorbedachten rade voldoende dat komt vast te staan dat de levensberoving niet het gevolg is van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, maar dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat tijdsverloop hoeft niet lang te zijn en kan zich ook ten dele afspelen tijdens de gewelddadige handelingen.27

Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat verdachte betrokken was bij een vooraf gemaakte afspraak om iemand van het leven te beroven of dat was gepland om met een vuurwapen te schieten. Ook is de herkomst van het wapen onduidelijk gebleven. De rechtbank maakt bovendien onder meer uit verklaringen van buurtbewoners op dat sprake was van een grote groep personen waarin agressiviteit heerste, waar werd geschreeuwd en waarin op een gegeven moment paniek ontstond.28

Verdachte heeft tijdens zijn verhoren29 verklaard dat er paniek uitbrak nadat [slachtoffer 2] onverwacht was gestoken. Hierna heeft hij met een wapen een waarschuwingsschot gelost, waarbij hij schuin omhoog in de lucht schoot, terwijl hij zijn wijsvinger aan de trekker hield. Hij had het wapen met twee handen vast.

Hij riep tegen de groep 'oprotten'. Omdat hij uit paniek trilde ging het wapen per ongeluk af.

Op grond van de wettige bewijsmiddelen is de rechtbank niet tot de overtuiging gekomen dat verdachte heeft gehandeld met de voorbedachten rade om het slachtoffer van het leven te beroven. Verdachte heeft immers, alvorens na het waarschuwingsschot voor de tweede keer te schieten de groep gewaarschuwd 'op te rotten'. Uit deze waarschuwing leidt de rechtbank af dat verdachte tot op dat moment niet het voornemen had met het wapen een schot te lossen op personen, maar dat het zijn bedoeling was de groep met het wapen te bedreigen.

Weliswaar lagen er enkele seconden tussen het 'waarschuwingsschot' en het tweede schot, echter niet is komen vast te staan dat verdachte in deze korte tijdspanne gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn handelen en dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er op dat moment sprake was van een chaos en een panieksituatie. Daarmee is de reële mogelijkheid opengebleven dat verdachte niet met voorbedachten rade heeft gehandeld.

(Voorwaardelijk) opzet op de levensberoving.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat iemand die kort daarvoor al bewust een schot heeft gelost weet heeft van de werking van het wapen dat hij in de hand houdt. Verdachte zou het wapen nogmaals gaan gebruiken als de groep zich niet van hem zou verwijderen en daarom hield hij het wapen na het eerste schot als dreiging op de groep gericht. De verklaring van verdachte dat het wapen bij het tweede schot per ongeluk is afgegaan is weinig geloofwaardig, gelet op het gebruik dat verdachte al gemaakt had van het wapen en de bedoeling om er - indien nodig - een tweede keer mee te schieten. Door met een vuurwapen een schot te lossen in de bomvolle Egbert Kortenaerstraat heeft verdachte willens en wetens de bewuste kans aanvaard dat er iemand door een kogel geraakt zou worden en heeft verdachte op de koop toe genomen dat personen (dodelijk) gewond zouden raken.

Het standpunt van de verdediging.

Volgens de raadsman dient vrijspraak te volgen omdat bij het tweede schot het wapen per ongeluk is afgegaan. Verdachte had het wapen schuin voor zich omhoog gericht om een waarschuwingsschot te lossen. Overmand door angst en paniek is door een trillende beweging het wapen voortijdig, per ongeluk, afgegaan.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van de door verdachte geschetste ongelukkige samenloop van omstandigheden ten gevolge waarvan het wapen per ongeluk is afgegaan. Het overhalen van de trekker van een vuurwapen vergt enige druk. Door in de consternatie van het moment het wapen met zijn vinger aan de trekker te richten op de groep waarin het slachtoffer zich bevond, moet verdachte zich op zijn minst ervan bewust zijn geweest dat er een grote kans bestond dat hij het wapen door toepassing van enige druk op de trekker zou laten afgaan en dat het slachtoffer daardoor dodelijk zou kunnen worden getroffen. Dit betekent dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van dodelijk letsel bij het slachtoffer en de overige in de Egbert Kortenaerstraat aanwezige omstanders. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Medeplegen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt van een zodanig 'nauwe en bewuste samenwerking' dan wel een 'stilzwijgende samenwerking' tussen verdachte en één of meer andere(n), dat het medeplegen van de tenlastegelegde feiten onder 1 en onder 2 primair bewezen zou kunnen worden verklaard. Van dit deel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 3.

De rechtbank constateert dat de verdachte het vuurwapen, na ermee geschoten te hebben, onder zich heeft gehouden en zich ervan heeft ontdaan, door het naar zijn zeggen weg te gooien in de bosjes van de Pieter Florisstraat ter hoogte van huisnummer [huisnummer].30 Afgezien van het feit dat de politie het wapen nimmer heeft aangetroffen heeft verdachte door aldus te handelen beschikkingsmacht over het wapen gehad waardoor hij het wapen in strafrechtelijk verwijtbare zin voorhanden heeft gehad.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 8 april 2009 te 's-Hertogenbosch opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel in de richting van voornoemde [slachtoffer] afgevuurd, door welke kogel die [slachtoffer] in het (achter)hoofd is getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2 (primair).

op 8 april 2009 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer in de Egbert Kortenaerstraat aanwezige pers(o)on(en)/omstander(s) van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in de richting van een of meer omstander(s) heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

op 8 april 2009 te 's-Hertogenbosch een wapen van categorie II of categorie III, te weten een vuurwapen, en munitie van categorie II of III, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank is er tussen het bewezenverklaarde feit 1 en feit 2 primair sprake van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt daartoe dat er sprake is van een vergelijkbare strekking van de betrokken strafbepalingen, alsmede van eenheid van tijd en plaats en een wezenlijke samenhang in de overtreding van de verschillende strafbepalingen.

De strafbaarheid.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft gehandeld in een situatie van noodweer dan wel noodweerexces, zodat de verdachte om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Na het steekincident bewoog de groep zich in grote getale in de richting van de Pieter Florisstraat, te weten in de richting van verdachte. Hierdoor werd de situatie alleen maar dreigender toen verdachte zag dat de groep hem tot zeer nabij naderde. Verdachte heeft schoten gelost, teneinde zichzelf en zijn vrienden te ontzetten. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de reactie van verdachte op de aanranding de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden stelt de raadsman zich op het standpunt dat het handelen van verdachte hem is ingegeven door zijn hevige gemoedstoestand op dat moment, welke toestand is veroorzaakt door de ernstige aanrandingen die kort voor het lossen van de schoten hebben plaatsgevonden in de Egbert Kortenaerstraat, te weten het met een mes gestoken worden van [slachtoffer 2], een goede bekende van verdachte, en de rechtstreeks tegen verdachte gerichte bedreiging met wapen(s).

Het standpunt van de officier van justitie.

De gestelde concrete dreiging richting verdachte is niet geloofwaardig. Verdachte is nagenoeg de enige die heeft verklaard dat er meerdere jongens met messen en/of wapens op hem afkwamen. Daarbij komt nog dat verdachte voldoende mogelijkheden had om deze situatie te voorkomen. Verdachte had op elk moment weg kunnen lopen. Op het moment dat verdachte het wapen gebruikt om daarmee een waarschuwingsschot te lossen en het vervolgens te richten op de groep kan daarom niet gesproken worden van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf waartegen het schieten door verdachte geboden was in verband met de noodzakelijke verdediging. Omdat zich geen noodweersituatie voordoet kan een beroep op noodweerexces ook niet slagen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een dermate dreigende situatie dat het schieten met een vuurwapen door de verdachte geboden was ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. De verklaring van verdachte wordt slechts (in enigerlei mate) ondersteund door getuige [getuige 9] die op 21 oktober 2010 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij het 'idee' had dat verdachte achterna werd gezeten, omdat hij eerst aan het worstelen was en vervolgens naar achteren liep. De rechtbank beschouwt deze getuigenverklaring echter als ongeloofwaardig omdat deze pas ruim anderhalf jaar na de aanvang van het onderzoek is afgelegd, terwijl de getuige hierover bij de politie op 27 juli 2009 niets heeft verklaard. De rechtbank acht het bovendien niet onwaarschijnlijk dat de getuige zijn verklaring op die van verdachte heeft afgestemd en vindt daarvoor steun in het tapgesprek van 7 juni 2009.31 Omdat geen sprake was van een noodweersituatie verwerpt de rechtbank eveneens het beroep op noodweerexces.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van het feit en van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 (impliciet primair), feit 2 primair (impliciet subsidiair) en feit 3 een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar met aftrek ingevolge artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft primair vrijspraak pleit. Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring en een strafoplegging zal komen, heeft de raadsman zich subsidiair op het standpunt gesteld dat uit het dossier blijkt dat sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, ten gevolge waarvan het vuurwapen per ongeluk is afgegaan. De strafeis van de officier van justitie is om die reden disproportioneel.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende nog in beschouwing genomen.

In de avond van 8 april 2009 hebben zich in de nabijheid van buurthuis [naam buurthuis] aan de Kooikersweg en op de Oranjemarkt in 's-Hertogenbosch vechtpartijen voorgedaan tussen personen behorende bij verschillende groepen. Uiteindelijk hebben de groepen zich verplaatst naar de Egbert Kortenaerstraat in 's-Hertogenbosch.

Ondanks de omstandigheid dat verdachte niet direct betrokken is geweest bij deze vechtpartijen, heeft hij zich wel - naar eigen zeggen uit nieuwsgierigheid - naar de Egbert Kortenaerstraat begeven. In de Egbert Kortenaerstraat bevonden zich op dat moment veel personen op straat.

Verdachte heeft aldaar vervolgens tweemaal met een vuurwapen geschoten. Hij heeft eerst een waarschuwingsschot in de lucht gelost en vervolgens gericht geschoten op de aldaar aanwezige omstanders. Ten gevolge hiervan is het slachtoffer [slachtoffer] in het achterhoofd geraakt en enige tijd later aan zijn verwondingen overleden.

Verdachte heeft door zijn handelen op de meest grove en onomkeerbare wijze inbreuk gemaakt op het leven van een jonge man, waardoor onherstelbaar leed is toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, hetgeen namens de nabestaanden treffend tot uitdrukking is gebracht in de schriftelijke slachtofferverklaring van 14 oktober 2010.

Verdachte heeft voorts door in de avonduren op straat in een woonwijk gericht op aldaar aanwezige omstanders te schieten een grove inbreuk gemaakt op de veiligheid van deze personen. Hij heeft in het bijzonder bij de burgers die van het vuurwapengeweld getuige zijn geweest angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeggebracht.

Het ongecontroleerde bezit en gebruik van vuurwapens en munitie leidt niet zelden tot het plegen van ernstige geweldsdelicten, zoals ook in het onderhavige geval. Ter voorkoming daarvan moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan die, welke de officier van justitie heeft gevorderd, nu de rechtbank verdachte van de hem onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde moord zal vrijspreken en de rechtbank voorts van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 05/900485-07.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering in de zaak met genoemd parketnummer, strekkende tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 153 dagen.

De verdediging heeft afwijzing van de vordering van de officier van justitie bepleit.

De rechtbank overweegt het volgende.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

ten aanzien van feit 1:

doodslag;

ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 1 en feit 2 primair zijn in eendaadse samenloop begaan;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Arnhem d.d. 16 december 2008, gewezen onder parketnummer 05/900485-07, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 153 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.M. Spelt, voorzitter,

mr. I.M. Nusselder en mr. P.J. Appelhof, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek en mr. I.J.M. Weemers, beiden griffier,

en is uitgesproken op 27 april 2011.

1 Eindproces-verbaal p. 2669-2683, p. 2699-2704, p. 5622 en p. 5799.

2 Tapgesprek d.d. 6 juli 2009 te 11:02:06 uur met nummer 275751962, eindproces-verbaal p. 4960 e.v.

3 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend d.d. 12 mei 2009 door verbalisant [verbalisant 12], eindproces-verbaal p. 462-463.

4 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend d.d. 9 april 2009 door verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6], eindproces-verbaal p. 2523-2524.

5 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend d.d. 9 april 2009 door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8], eindproces-verbaal p. 2529-2530.

6 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend d.d. 9 april 2009 door verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6], eindproces-verbaal p. 471-472.

7 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend d.d. 17 april 2009 door verbalisant [verbalisant 13], eindproces-verbaal p. 481.

8 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend d.d. 14 april 2009 door verbalisanten [verbalisant 9], eindproces-verbaal p. 485-486.

9 Deskundigenrapportage Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt en ondertekend d.d. 29 juni 2009 door F.R.W. van de Goot, arts en patholoog, eindproces-verbaal p. 4404-4405.

10 Proces-verbaal sectie overledene, opgemaakt en ondertekend d.d. 23 september 2009 door verbalisant [verbalisant 10], eindproces-verbaal p. 4317.

11 Proces-verbaal sporenonderzoek plaats delict, opgemaakt en ondertekend d.d. 25 september 2009 door verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11], eindproces-verbaal p. 4283-4285.

12 Proces-verbaal sporenonderzoek plaats delict, opgemaakt en ondertekend d.d. 25 september 2009 door verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11], eindproces-verbaal p. 4283-4285.

13 Proces-verbaal sporenonderzoek plaats delict, opgemaakt en ondertekend d.d. 25 september 2009 door verbalisanten[verbalisant 10] en [verbalisant 11] , eindproces-verbaal p. 4286.

14 Deskundigenrapportage van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt en ondertekend d.d. 24 november 2009 door ing. R. Hermsen, eindproces-verbaal p. 4371-4376.

15 Deskundigenrapportage van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie te Brussel (België), opgemaakt en ondertekend d.d. 20 juli 2010 door dr. J. de Ceuster.

16 Deskundigenrapportage van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt en ondertekend d.d. 27 augustus 2010 door ing. R. Hermsen.

17 Verklaring verdachte d.d. 23 april 2009, eindproces-verbaal p. 3488, 3490-3491.

18 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 oktober 2010.

19 Verklaring verdachte d.d. 28 april 2009, eindproces-verbaal p. 3512-3513.

20 Verklaring [getuige 7] d.d. 25 april 2009, eindproces-verbaal p. 3969-3971.

21 Verklaring [getuige 2] d.d. 13 april 2009, eindproces-verbaal p. 2898.

22 Verklaring [getuige 4] d.d. 11 april 2009, eindproces-verbaal p. 2954-2955.

23 Verklaringen [getuige 10] d.d. 10 april 2009, eindproces-verbaal p. 2767, [getuige 11] d.d. 10 april 2009, eindproces-verbaal p. 2867, [getuige 2] d.d. 13 april 2009, eindproces-verbaal p. 2898.

24 Verklaringen van [getuige 2] d.d. 13 april 2009, eindproces-verbaal p. 2898, [getuige 12] d.d. 9 april 2009, eindproces-verbaal p. 3097, [getuige 1] d.d. 28 september 2009, eindproces-verbaal p. 3150.

25 Zie naast de hiervoor reeds genoemde verklaring van [getuige 7] ook nog de verklaring van [getuige 13] d.d. 5 augustus 2009, eindproces-verbaal p. 3676.

26 Zie naast de hiervoor aangehaalde verklaring van [getuige 2] ook nog de verklaring van [getuige 11] d.d. 10 april 2009, eindproces-verbaal p. 2867-2868.

27 Hoge Raad 11 juni 2002, LJN: AE1743, HR 22 februari 2005, LJN: AR5714 (Deventer moordzaak) en Hof Den Bosch 30 september 2009, LJN: BJ9428.

28 Verklaring [getuige 14] d.d. 9 april 2009, eindproces-verbaal p. 4023, alsmede diens verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 31 mei 2010; verklaring [getuige 3] d.d. 9 april 2009, eindproces-verbaal p. 4006, alsmede diens verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 31 mei 2010; verklaring [getuige 15] d.d. 9 april 2009, eindproces-verbaal p. 4036 en de verklaring van [getuige 16] d.d. 6 oktober 2009, eindproces-verbaal p. 3981.

29 Verklaring verdachte d.d. 23 april 2009, eindproces-verbaal p. 3488 e.v., diens verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 24 april 2009 en diens ter terechtzitting van 25 oktober 2010 afgelegde verklaring.

30 Verklaring verdachte d.d. 23 april 2009, eindproces-verbaal p. 3491.

31 Tapgesprek d.d. 7 juni 2009 te 15:11.01 uur met nummer 275623469, eindproces-verbaal p. 4891-4896.