Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ2194

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
01/825282-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Motivering vrijspraak ten aanzien de feiten 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair.

Feit 1 primair vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat een gebroken kaak, zonder dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die in dit geval niet zijn gebleken, geen zwaar letsel als bedoeld in artikel 302 Wetboek van Strafrecht oplevert, zodat verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Feit 2 primair en 2 subsidiair:

De rechtbank heeft bij de reconstructie van het gebeuren op 22 mei 2009 op basis van de afgelegde verklaringen niet met voldoende zekerheid en overtuiging kunnen vaststellen – en dat is nodig voor een bewezenverklaring - dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring feit 1 subsidiair.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, maar ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging omdat verdachte uit noodweer heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825282-09

Datum uitspraak: 22 april 2011

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 april 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 juli 2010.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1 primair

zij op of omstreeks 22 mei 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken jukbeen en/of een gebroken kaak), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met kracht (meermalen) met een (koeken)pan, althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan;

(artikel 302 /47 Wetboek van Strafrecht)

1 subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 22 mei 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal met een (koeken)pan, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 302 jo. art. 45 van het Wetboek van Strafrecht)

1 meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 22 mei 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), met een (koeken)pan, althans een hard voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht)

2 primair

hij op of omstreeks 22 mei 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met (een) ander/anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2]

- (meermaals) met een ploertendoder, althans een (zwaar) (hard) (verend) voorwerp tegen

zijn hals en/of nek en/of hoofd en/of borst, althans (en/of) zijn lichaam, heeft geslagen

en/of getracht te slaan; en/of

- (meermaals) met een mes, althans een (scherp) (puntig) voorwerp in zijn lies/been en/of

arm en/of schouder, althans zijn lichaam heeft gestoken; en/of

- (meermaals) met een koevoet, althans een (zeer) (zwaar) (hard) voorwerp tegen zijn hoofd

en/of lichaam heeft geslagen en/of getracht te slaan;

- (meermaals) met de vuist/hand tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen;

en/of

- (meermaals) met de duim/vinger in het (linker)oog heeft gedrukt en/of geduwd;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/302/45 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

2 subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 mei 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Mierloseweg (t.h.v. [huisnummer]), inelk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het

- (meermaals) met een ploertendoder, althans een (zwaar) (hard) (verend) voorwerp tegen

diens hals en/of nek en/of hoofd en/of borst, althans diens lichaam slaan; en/of

- (meermaals) met een mes, althans een (scherp) (puntig) voorwerp in diens lies/been en/of

arm en/of schouder, althans diens lichaam steken; en/of

- (meermaals) met een koevoet, althans een (zeer) (zwaar) (hard) voorwerp tegen diens

hoofd en/of lichaam slaan; en/of

- (meermaals) met de vuist/hand tegen het hoofd en/of het lichaam slaan; en/of

- (meermaals) met de duim/vinger in het (linker)oog drukken/duwen;

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

- Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

- De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Door de verdediging is naar voren gebracht dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat een vervolging van verdachte in strijd is met het gelijkheidsbeginsel in relatie tot de niet vervolging van [slachtoffer 2] en overige personen waartegen verdachte aangifte heeft gedaan van soortgelijke strafbare gedragingen.

Het rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het navolgende.

Krachtens het in artikel 167, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt. Deze belangenafweging staat, in geval van vervolging, in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien zou blijken dat het openbaar ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken. Het bestaan van een dergelijke situatie is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer treft geen doel.

Voor het overige zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

- Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Beslissing omtrent verzoek aanhouding.

De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel, schorsing van het onderzoek verzocht, totdat het openbaar ministerie een vervolgingsbeslissing neemt ten aanzien van [slachtoffer 2] en overige personen waartegen verdachte aangifte heeft gedaan van soortgelijke strafbare gedragingen.

De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt daartoe dat artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie een zelfstandige, discretionaire beslissingsbevoegdheid toekent met betrekking tot de vraag of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Overigens heeft de officier van justitie ter terechtzitting meegedeeld dat het openbaar ministerie na de uitspraak in deze zaak zal beslissen over de vervolging van de aangevers.

De verdediging kan daarover krachtens artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof.

Motivering vrijspraak ten aanzien de feiten 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair.

Feit 1 primair vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat een gebroken kaak, zonder dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die in dit geval niet zijn gebleken, geen zwaar letsel als bedoeld in artikel 302 Wetboek van Strafrecht oplevert, zodat verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Feit 2 primair en feit 2; vrijspraak

De rechtbank acht niet overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 primair en 2 subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de verklaringen van aangevers, getuigen en verdachten leidt de rechtbank het volgende af.

Op 22 mei 2009 heeft 's middags bij cafetaria [naam cafetaria] in Geldrop een treffen plaatsgevonden (incident 1) tussen aangever [slachtoffer 1] enerzijds en [verdachte] en haar broer [medeverdachte 1] anderzijds. Er vond een worsteling plaats tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte 1], waarna [slachtoffer 1] is gewond geraakt aan zijn hoofd door een klap met een pan.

Aanleiding voor dat incident was dat [slachtoffer 1] verhaal ging halen omdat [medeverdachte 1] en [verdachte] eerder die middag het 13-jarige zusje van [slachtoffer 1] zouden hebben uitgescholden.

Diezelfde dag rond 19 uur vond bij [naam cafetaria] opnieuw een treffen plaats (incident 2). Daarbij waren betrokken aangever [slachtoffer 2] enerzijds en anderzijds [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3], vader van [verdachte] en eigenaar van de cafetaria. Er zijn klappen gevallen en [slachtoffer 2], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben verwondingen opgelopen.

Incident 2 ontstond toen [slachtoffer 2] verhaal kwam halen omdat zijn neef [slachtoffer 1] was geslagen.

Aangifte

[slachtoffer 2] doet op 22 mei 2009 aangifte van mishandeling (pag. 312-315). Hij verklaart, voor zover hier van belang, samengevat, het volgende (de namen van verdachte en medeverdachten zijn aangevuld door de rechtbank).

Nadat hij zijn neef [slachtoffer 1] gewond in het ziekenhuis had gezien ging hij naar cafetaria [naam cafetaria] en vroeg hij aan de mensen op het terras wie zijn neef had geslagen. De dochter van de eigenaar ([verdachte]) zei dat zij dat had gedaan. Vervolgens stond een man op ([medeverdachte 2]) die aangever met een ploertendoder in zijn nek sloeg. [slachtoffer 2] pakte de ploertendoder van hem af waarna de man op hem afliep met een stanleymes. Hij maakte daarmee stekende bewegingen en raakte hem op meerdere plaatsen op zijn lichaam. De man zei dat het meisje zijn vriendin was.

Tijdens dat gevecht sloeg het blonde meisje ([verdachte]) met een koevoet op zijn achterhoofd waardoor hij ([slachtoffer 2]) ten val kwam. Op dat moment sprong de jongen op hem en stak met het mes in zijn rechterschouder. Er stonden 3 mensen om [slachtoffer 2] en zijn belagers heen; alle drie hadden ze een koevoet. Hij werd geslagen door meerdere personen en het meisje stond daar bij. De jongen had plotseling ook een koevoet en maakte daarmee slaande bewegingen naar [slachtoffer 2]. Deze kon ontkomen doordat omstanders ertussen kwamen.

[slachtoffer 2] verklaart dat hij letsel en veel pijn heeft opgelopen aan zijn hoofd en op diverse plaatsen aan zijn lichaam.

De behandelend arts heeft het volgende letsel vastgesteld: een bloedneus, bloed in linkeroog, oppervlakkige snee onder linkeroog, hoofdwond van 6 cm (7 hechtingen), wond van 2 cm in de rechterschouder (2 hechtingen), oppervlakkige wonden in linkerbovenarm en buik en kneuzingen van nek en linkerborst (formulier medische informatie pag. 319).

In een aanvullende verklaring, afgelegd op 27 juni 2009 (pag. 320-322), verklaart aangever [slachtoffer 2] dat hij tijdens het gevecht ook werd aangevallen door de eigenaar van de cafetaria en diens zoon en dochter, die hem sloegen met breekijzers. Hij kreeg een duim in zijn linkeroog en met de ploertendoder werd ook op zijn borst geslagen. Toen hij de hand van de man met het mes tegenhield, voelde hij dat de man met die hand veel kracht zette in zijn richting.

Verklaringen van verdachte en medeverdachten

[verdachte] en [medeverdachte 3] ontkennen beiden dat zij aangever hebben geslagen of geschopt.

[verdachte] verklaart op 23 mei 2009 (pag. 268-273) dat zij op het terras voor de cafetaria zat met haar vader ([medeverdachte 3]), haar [getuige 1]) en [medeverdachte 2]. Aangever [slachtoffer 2] vroeg of zij zijn zoon met een pan had geslagen. Nadat zij bevestigend had geantwoord, sloeg hij haar hard in het gezicht. Zij werd duizelig en viel op de grond en is daarna naar binnen gegaan. Er kwamen veel Turkse familieleden bij, er werd geduwd en getrokken en een opgefokte man kwam met een steen in zijn handen op hen af gerend. [verdachte] verklaart dat zij niemand heeft geslagen.

[medeverdachte 3] ontkent dat hij heeft meegedaan aan het gevecht. Hij verklaart op 23 mei 2009 (pag. 277-279) dat hij in de keuken van de cafetaria was en naar buiten liep toen hij hoorde dat er werd gevochten. Voor zijn cafetaria waren aangever en [medeverdachte 2] aan het duwen en trekken. [medeverdachte 3] heeft naar zijn zeggen geprobeerd de partijen te scheiden maar raakte daarbij zelf gewond aan zijn hoofd door een klap van aangever met de ploertendoder. [medeverdachte 3] is toen even gaan zitten omdat hij duizelig was. De vechtenden verplaatsten zich in de richting van de shoarmazaak. Hij heeft geen mes gezien, wel een ploertendoder in handen van aangever en een koevoet in handen van [medeverdachte 2]. De koevoet kwam uit een krat in de keuken van zijn cafetaria.

[medeverdachte 2] is niet gehoord door de politie: hij is voortvluchtig, naar zijn zeggen uit vrees voor represailles uit Turkse kringen rond de aangevers. Het dossier bevat wel een schriftelijke verklaring, gedateerd 24 mei 2009, die volgens de ondertekening afkomstig is van [medeverdachte 2]. De verklaring is gericht aan de politie (pag. 702-706).

Die schriftelijke verklaring houdt ondermeer in dat aangever [slachtoffer 2] eerst [verdachte] sloeg en vervolgens [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met een ploertendoder op het hoofd sloeg. [medeverdachte 2] liep daardoor een grote hoofdwond op. Daarop heeft [medeverdachte 2] een koevoet gepakt die hem door iemand werd toegeschoven. Met die koevoet heeft hij uit zelfverdediging gedreigd maar niet geslagen. Mogelijk heeft hij bij dat dreigen aangever wel geraakt. [medeverdachte 2] pakte een stanleymes uit zijn zak om te dreigen maar hij zou daarmee niet hebben gestoken. Ter plaatse lag een kapot glas dat verwondingen bij [medeverdachte 2] veroorzaakte. Tijdens het gevecht zouden [medeverdachte 2] en aangever ten val zijn gekomen, waarbij aangever met zijn hoofd hard tegen de bumper van een geparkeerde auto kwam. Dat kan de hoofdwond van aangever hebben veroorzaakt.

Voorts bevindt zich in het p-v de schriftelijke aangifte van [medeverdachte 2] d.d. 8 juni 2009 (pag. 337-340). Hierin geeft [medeverdachte 2] aan dat hij (op het terras) op aangever is gedoken en hem met de vuist heeft geslagen direct nadat aangever zijn vriendin had geslagen, dit om verdere mishandeling te voorkomen. [medeverdachte 2] pakte vervolgens een ploertendoder die hij bij zich had, maar aangever pakte die van hem af en sloeg [medeverdachte 2] daarmee, ondermeer op zijn hoofd, nek en armen.

De rechtbank gaat op grond van alle voormelde verklaringen ervan uit dat aangever [slachtoffer 2] - in boosheid over wat zijn neef was aangedaan - als eerste [verdachte] een klap in het gezicht heeft gegeven en dat [medeverdachte 2] in reactie daarop aangever heeft aangevallen met de bedoeling op te komen voor [verdachte].

In zoverre komen de verklaringen van de verdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [verdachte] overeen met de verklaringen van getuigen [getuige 1] (pag. 697-700) en [getuige 2] (pag. 633-635) . De rechtbank overweegt dat deze agressieve daad van aangever [slachtoffer 2] tegen [verdachte] passend is bij zijn boosheid over wat zijn neef was aangedaan en het door hem bewust opzoeken van de confrontatie met de dader door naar de cafetaria te gaan.

Over de verdere toedracht van het gevecht en over de betrokkenheid van derden bij dat gevecht lopen echter de lezingen van aangever, verdachten en getuigen op relevante punten uiteen.

Verklaringen van getuigen

Getuige [getuige 1] (pag. 697-700), getuige [getuige 2] (pag. 633-635) en getuige [getuige 3] (pag. 616-618) verklaren dat zij alleen [medeverdachte 2] met aangever in gevecht hebben gezien. Volgens getuigen [getuige 1] en [getuige 3] hadden aangever en [medeverdachte 2] beiden een voorwerp in de hand en werd daarmee over en weer geslagen; volgens [getuige 2] sloeg [slachtoffer 2] met een stok tegen het hoofd van [medeverdachte 2].

De lezing van [medeverdachte 2], dat [slachtoffer 2] met zijn hoofd tegen een auto viel, lijkt steun te vinden in de getuigenverklaringen van [getuige 2] (pag. 633-635) en [getuige 4] (pag. 626-628) die aangever bij een auto op de grond zagen liggen.

Getuige [getuige 5] echter verklaart op 22 mei 2009 (bevindingen pag. 352-353) dat aangever op de grond lag en werd aangevallen door mannen en vrouwen die op hem insloegen met messen, breekijzers en stokken.

Op 25 mei 2009 (pag. 619 e.v.) en bij de rechter-commissaris op 22 december 2010 verklaart [getuige 5] dat [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] achter aangever aanrenden, dat [medeverdachte 3] en [verdachte] aangever sloegen met een koevoet en een knuppel en dat [medeverdachte 2] probeerde met een koevoet te slaan en met een stanleymes stekende bewegingen maakte.

Getuige [getuige 6] op 23 mei 2009 bij de politie (pag. 614 e.v.) en bij de rechter-commissaris op 12 november 2010 en getuige [getuige 7] (pag. 612 e.v.) op 23 mei 2009 en bij de rechter-commissaris op 12 november 2010), verklaren beiden dat [medeverdachte 2] en [verdachte] aangever [slachtoffer 2]met een koevoet hebben geslagen.

Beoordeling

De rechtbank stelt het volgende voorop.

Uit het dossier blijkt dat de gebeurtenissen op 22 mei 2009 voor vele betrokkenen ook nu nog vergaande gevolgen hebben. Zowel aangever [slachtoffer 2] als verdachte [medeverdachte 2] heeft aanzienlijk letsel opgelopen aan het hoofd. Er is sindsdien onenigheid tussen verdachten en aangevers waarbij ook hun families zijn betrokken. Voorts lijkt er bij de betrokkenen nog steeds onzekerheid en een zekere angst te zijn over wat het onderlinge conflict in de toekomst nog zal brengen. En ten slotte heeft [medeverdachte 3] naar aanleiding van de incidenten op 22 mei 2009 en de nasleep daarvan zich genoodzaakt gevoeld om voortijdig zijn cafetaria te verkopen.

Voor het bewijs van het ten laste gelegde zijn, naast de verklaringen van aangever en verdachten en de medische informatie aangaande het letsel, de getuigenverklaringen uitermate relevant, aangezien er geen opnamen of beelden van het gebeuren of anderszins min of meer objectief bewijs voor handen zijn. Dit betekent dat de rechtbank naar aanleiding van alle getuigenverklaringen als het ware een reconstructie dient te maken van de gebeurtenis op 22 mei 2009. De rechtbank dient die verklaringen te beoordelen op hun betrouwbaarheid en geloofwaardigheid.

De rechtbank constateert dat uit het dossier blijkt dat [broer van slachtoffer 2], broer van aangever [slachtoffer 2], op de dag van het incident en de weken daarna een bijzondere rol heeft vervuld. [broer van slachtoffer 2] kwam op 22 mei 2009, nadat hij had gehoord van de incidenten waarbij zijn neef en zijn broer waren betrokken, sterk geëmotioneerd ter plaatse. Hij heeft vervolgens en ook in weken daarna vele getuigen benaderd en met hen gesproken over wat er op 22 mei 2009 was voorgevallen. Ook heeft hij verschillende getuigen gevraagd om een verklaring af te leggen bij de politie (zie de verklaringen van [broer van slachtoffer 2] en van de getuigen [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7] bij de r-c). Getuige [getuige 5] heeft hij in zijn auto naar het verhoor bij de r-c gebracht (verklaring [getuige 5] bij de r-c).

Daarbij heeft [broer van slachtoffer 2] meermalen tegenover [medeverdachte 3], de politie en derden als zijn mening naar voren gebracht dat de schuld aan het incident uitsluitend lag bij de mensen van cafetaria [naam cafetaria]. Hij was bovendien van mening dat cafetaria [naam cafetaria] moest worden gesloten vanwege de incidenten op 22 mei 2009 en andere voorvallen en hij heeft daartoe ook procedures gestart om dat te bewerkstelligen (bevindingen pag. 578-581 en pag. 595-598, getuige [getuige 8], pag. 670-672; verklaring [broer van slachtoffer 2] met bijlagen pag. 642- 663).

Het beeld dat uit het dossier naar voren komt is dat het [broer van slachtoffer 2] er veel aan gelegen was om verdachten veroordeeld te krijgen voor het gebeuren op 22 mei 2009 en om cafetaria [naam cafetaria] te sluiten. Dat is mogelijk begrijpelijk vanuit het standpunt van iemand die van mening is dat zijn familie onheus bejegend is en dat de politie inadequaat reageert op dat gebeuren, maar naar het oordeel van de rechtbank moet, gelet op het voorgaande, er ernstig rekening mee worden gehouden hij met zijn eigenmachtig optreden een of meer getuigen heeft beïnvloed, zodanig dat die getuige(n) daardoor mogelijk (meer) in het nadeel van verdachten heeft of hebben verklaard.

Een dergelijke beïnvloeding kan in deze strafzaak van doorslaggevend belang zijn. Het is immers relevant te weten hoe het gevecht verliep na de eerste reactie van [medeverdachte 2] op de klap die aangever gaf aan [verdachte]. Het verloop van het gevecht is van belang voor de vraag of en zo ja, wie van de verdachten opzettelijk geweld heeft (mede)gepleegd en indien dat het geval is, de vraag of er sprake was van een noodzaak tot verdediging tegen geweld van aangever. [medeverdachte 2] heeft immers aangevoerd dat hij op het slaan door aangever reageerde met een vuistslag.

De rechtbank is van oordeel dat die eerste reactie van [medeverdachte 2] op de klap die aangever uitdeelde, kan worden beschouwd als een handelen uit noodweer om [verdachte] te beschermen tegen verdere agressie van aangever. Daarna is de worsteling ontstaan tussen [medeverdachte 2] en aangever waarbij zij beiden forse verwondingen aan het hoofd hebben opgelopen. Dat wijst erop dat niet alleen [medeverdachte 2] en eventueel anderen geweld hebben gebruikt tegen aangever, maar dat ook aangever geweld heeft gebruikt tegen [medeverdachte 2].

Nu de lezing van verdachte, medeverdachten, aangever, diverse getuigen onderling verschillen - met name over het door aangever zelf gebruikte geweld - en ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat getuigen zijn beïnvloed, kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de ene of de andere versie van het gebeuren.

Dat leidt ertoe dat de rechtbank bij de reconstructie van het gebeuren op 22 mei 2009 op basis van de afgelegde verklaringen niet met voldoende zekerheid en overtuiging kan vaststellen - en dat is nodig voor een bewezenverklaring - dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken.

Daarbij komt nog het volgende. Tijdens de behandeling ter zitting heeft de officier van justitie een brief d.d. 8 november 2010 overgelegd van aangever [slachtoffer 2]. Deze deelt daarin mee dat hij het bij hem in beslag genomen T-shirt met bloedvlekken, waarin de forensisch technisch onderzoekers geen gaten van messteken hebben aangetroffen, niet heeft gedragen tijdens het gevecht. Hij stelt thuis een schoon T-shirt te hebben aangetrokken voordat hij met zijn verwondingen naar het ziekenhuis ging. Zodoende konden op dat shirt ook geen sporen van messteken worden gevonden.

Indien het daadwerkelijk is gegaan zoals aangever stelt, is het verbazend dat aangever niet direct bij de inbeslagneming aan de politie heeft verteld dat hij bij het gevecht een ander shirt had gedragen. Dat had op zijn weg gelegen, nu hem duidelijk moet zijn geweest dat de politie op zoek was naar sporen van de toedracht van het gevecht. Dat aangever pas ruim 17 maanden later hiermee komt, wekt niet alleen verbazing maar doet zelfs afbreuk aan de geloofwaardigheid van aangever 's verklaringen.

Bijzondere overweging ten aanzien van feit 1 subsidiair.

De broer van verdachte en aangever [slachtoffer 1] waren met elkaar in gevecht. Op het moment dat aangever de broer van verdachte in een wurggreep hield, heeft verdachte een zware koekenpan gepakt die aan de muur voor het grijpen hing en vervolgens heeft zij één forse klap tegen het hoofd van aangever gegeven om haar broer te ontzetten.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden het door verdachte tegenover aangever [slachtoffer 1] uitgeoefende geweld zodanig is geweest dat hierdoor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel een reëel risico was. Verdachte had, als normaal denkend mens, moeten en kunnen voorzien dat er een gerede kans bestond dat een klap zoals is gegeven met een dergelijke pan zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] tot gevolg zou hebben. De rechtbank acht daarom opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in voorwaardelijke zin aanwezig.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

(1 subsidiair)

op 22 mei 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze met dat opzet met een koekenpan tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Ten aanzien van de strafbaarheid is door de officier van justitie betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Door de raadsman van verdachte is het verweer gevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer of met noodweerexces heeft gehandeld. Beiden concluderen dat verdachte om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer c.q. noodweerexces, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden op grond van artikel 41, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging -waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht- van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval (vgl. HR 21 november 2006, LJN AX9177, NJ 2006, 650 ).

Het rechtbank stelt vast dat de feitelijke gang van zaken als volgt is geweest (op grond van aangever [slachtoffer 1], pag.44, en de verklaringen van [medeverdachte 1], pag.104, [getuige 1], pag.78 en [getuige 9], pag.288.).

Aangever [slachtoffer 1] is verhaal gaan halen bij cafetaria "[naam cafetaria]" naar aanleiding van een belediging of vermeende belediging van zijn zus. De broer van verdachte, [medeverdachte 1], en aangever raken met elkaar in gevecht. Op een bepaald moment hield aangever de broer in een wurggreep, waarbij deze zichtbaar in moeilijkheden verkeert doordat zijn keel wordt dichtgeknepen. Moeder van verdachte, haar broer, zijn vriendin [getuige 9] en verdachte riepen los te laten. [getuige 9] trok aan de arm van aangever, maar deze liet niet los. Gezien de benarde positie van haar broer, wilde verdachte ingrijpen teneinde haar broer te ontzetten. Verdachte heeft een koekenpan gepakt die aan de muur hing en daarmee één forse klap tegen het hoofd van aangever gegeven, die toen losliet. Vervolgens is aangever op eigen kracht weggegaan.

Uit de feiten en omstandigheden van de situatie waarin het delict werd gepleegd, acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de broer van verdachte werd belaagd, zodanig dat verdachte gerechtigd was hem te verdedigen. Er was sprake dan ook sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de broer van verdachte door aangever [slachtoffer 1] en verdachte heeft het delict begaan terwijl dat was geboden door de noodzakelijke verdediging van haar broer.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte geen disproportioneel geweld gebruikt.

Toen [medeverdachte 1] geen lucht meer leek te krijgen, moest verdachte snel handelen omdat de aanwezige vrouwen niet in staat waren [medeverdachte 1] te ontzetten. Zij heeft kennelijk het enige geschikte voorhanden zijnde voorwerp gepakt. Het beroep op noodweer slaagt, zodat het

feit niet strafbaar is.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.

Het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde betoogd de officier van justitie (zonder daaraan een kwalificatie te koppelen) dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en hij vordert om die reden dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging

Het onder 2 primair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot doodslag acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen en de officier van justitie vordert dat verdachte daarvoor wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tot het einde van de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt het volgen van een behandeling bij de GGzE.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu verdachte een geslaagd beroep op noodweer kan doen en ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging voor het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], vordert de officier van justitie dat het gevorderde voorschot voor immateriële schade volledig hoofdelijk wordt toegewezen, met daarbij de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor wat betreft de gevorderde kosten voor rechtskundige bijstand, refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]. (feit 1)

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, nu verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging voor het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft en derhalve terzake geen straf of maatregel wordt opgelegd.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren, zo dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu verdachte van het haar primair en subsidiair tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair en 2 subsidiair.

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair, feit 2 primair en 2 subsidiair is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair.

- verklaart het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

- het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: "poging tot zware mishandeling".

- ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging, omdat het feit niet strafbaar is.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]. (feit 1 subsidiair)

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

- compenseert de kosten van partijen, zo dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. M. Lammers en mr. H.H.E. Boomgaart, leden,

in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier,

en is uitgesproken op 22 april 2011.

Mr. H.H.E. Boomgaart is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

12

Parketnummer: 01/825282-09

[verdachte]