Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ2165

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
01/839359-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft bij de reconstructie van het gebeuren op 22 mei 2009 op basis van de afgelegde verklaringen niet met voldoende zekerheid en overtuiging kunnen vaststellen – en dat is nodig voor een bewezenverklaring - dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte is daarom vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839359-09

Datum uitspraak: 22 april 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 april 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 juli 2010.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 22 mei 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met (een) ander/anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1]

- (meermaals) met een ploertendoder, althans een (zwaar) (hard) (verend) voorwerp tegen

zijn hals en/of nek en/of hoofd en/of borst, althans (en/of) zijn lichaam, heeft geslagen

en/of getracht te slaan; en/of

- (meermaals) met een mes, althans een (scherp) (puntig) voorwerp in zijn lies/been en/of

arm en/of schouder, althans zijn lichaam heeft gestoken; en/of

- (meermaals) met een koevoet, althans een (zeer) (zwaar) (hard) voorwerp tegen zijn hoofd

en/of lichaam heeft geslagen en/of getracht te slaan;

- (meermaals) met de vuist/hand tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen;

en/of

- (meermaals) met de duim/vinger in het (linker)oog heeft gedrukt en/of geduwd;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/302/45 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 mei 2009 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Mierloseweg [t.h.v. huisnummer], inelk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het

- (meermaals) met een ploertendoder, althans een (zwaar) (hard) (verend) voorwerp tegen

diens hals en/of nek en/of hoofd en/of borst, althans diens lichaam slaan; en/of

- (meermaals) met een mes, althans een (scherp) (puntig) voorwerp in diens lies/been en/of

arm en/of schouder, althans diens lichaam steken; en/of

- (meermaals) met een koevoet, althans een (zeer) (zwaar) (hard) voorwerp tegen diens

hoofd en/of lichaam slaan; en/of

- (meermaals) met de vuist/hand tegen het hoofd en/of het lichaam slaan; en/of

- (meermaals) met de duim/vinger in het (linker)oog drukken/duwen;

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

- Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

- De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Door de verdediging is naar voren gebracht dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat een vervolging van verdachte in strijd is met het gelijkheidsbeginsel in relatie tot de niet vervolging van [slachtoffer 1] en overige personen waartegen verdachte aangifte heeft gedaan van soortgelijke strafbare gedragingen.

Het rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het navolgende.

Krachtens het in artikel 167, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt. Deze belangenafweging staat, in geval van vervolging, in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien zou blijken dat het openbaar ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken. Het bestaan van een dergelijke situatie is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer treft geen doel.

Voor het overige zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

- Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Beslissing omtrent verzoek aanhouding.

De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel, schorsing van het onderzoek verzocht, totdat het openbaar ministerie een vervolgingsbeslissing neemt ten aanzien van [slachtoffer 1] en overige personen waartegen verdachte aangifte heeft gedaan van soortgelijke strafbare gedragingen.

De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt daartoe dat artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie een zelfstandige, discretionaire beslissingsbevoegdheid toekent met betrekking tot de vraag of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Overigens heeft de officier van justitie ter terechtzitting meegedeeld dat het openbaar ministerie na de uitspraak in deze zaak zal beslissen over de vervolging van de aangevers.

De verdediging kan daarover krachtens artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen en vordert dat verdachte daarvoor wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd

die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat van de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] het gevorderde voorschot voor immateriële schade volledig hoofdelijk wordt toegewezen, met daarbij een schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor wat betreft de gevorderde kosten voor rechtskundige bijstand, refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is waaruit blijkt dat verdachte aangever [slachtoffer 1] met een koevoet heeft geslagen of met een mes heeft gestoken of gesneden en het slaan met de vuist en ploertendoder in deze zaak niet gekwalificeerd kan worden als een poging doodslag. Noch het letsel bij aangever noch de handelingen van verdachte corresponderen namelijk met een opzet op de dood van aangever.

Subsidiair voert de raadsman aan, gelet op de feitelijke toedracht, dat het maar de vraag is of verdachte strafbaar is voor zijn handelen en om die reden verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Uit de verklaringen van aangevers, getuigen en verdachten leidt de rechtbank het volgende af.

Op 22 mei 2009 heeft 's middags bij [naam cafetaria] in Geldrop een treffen plaatsgevonden (incident 1) tussen aangever [slachtoffer 2] enerzijds en de [medeverdachte 1] en haar broer [medeverdachte 2] anderzijds. Er vond een worsteling plaats tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte 2], waarna [slachtoffer 2] is gewond geraakt aan zijn hoofd door een klap met een pan.

Aanleiding voor dat incident was dat [slachtoffer 2] verhaal ging halen omdat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] eerder die middag het 13-jarige zusje van [slachtoffer 2] zouden hebben uitgescholden.

Diezelfde dag rond 19 uur vond bij [naam cafetaria] opnieuw een treffen plaats (incident 2). Daarbij waren betrokken aangever [slachtoffer 1] enerzijds en anderzijds [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3], vader van [medeverdachte 1] en eigenaar van de cafetaria. Er zijn klappen gevallen en [slachtoffer 1], [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben verwondingen opgelopen.

Incident 2 ontstond toen [slachtoffer 1] verhaal kwam halen omdat zijn neef [slachtoffer 2] was geslagen.

Aangifte

[slachtoffer 1] doet op 22 mei 2009 aangifte van mishandeling (pag. 312-315). Hij verklaart, voor zover hier van belang, samengevat, het volgende (de namen van verdachte en medeverdachten zijn aangevuld door de rechtbank).

Nadat hij zijn neef [slachtoffer 2] gewond in het ziekenhuis had gezien ging hij naar [naam cafetaria] en vroeg hij aan de mensen op het terras wie zijn neef had geslagen. De dochter van de eigenaar ([medeverdachte 1]) zei dat zij dat had gedaan. Vervolgens stond een man op ([verdachte]) die aangever met een ploertendoder in zijn nek sloeg. [slachtoffer 1] pakte de ploertendoder van hem af waarna de man op hem afliep met een stanleymes. Hij maakte daarmee stekende bewegingen en raakte hem op meerdere plaatsen op zijn lichaam. De man zei dat het meisje zijn vriendin was.

Tijdens dat gevecht sloeg het blonde meisje ([medeverdachte 1]) met een koevoet op zijn achterhoofd waardoor hij ([slachtoffer 1]) ten val kwam. Op dat moment sprong de jongen op hem en stak met het mes in zijn rechterschouder. Er stonden 3 mensen om [slachtoffer 1] en zijn belagers heen; alle drie hadden ze een koevoet. Hij werd geslagen door meerdere personen en het meisje stond daar bij. De jongen had plotseling ook een koevoet en maakte daarmee slaande bewegingen naar [slachtoffer 1]. Deze kon ontkomen doordat omstanders ertussen kwamen.

[slachtoffer 1] verklaart dat hij letsel en veel pijn heeft opgelopen aan zijn hoofd en op diverse plaatsen aan zijn lichaam.

De behandelend arts heeft het volgende letsel vastgesteld: een bloedneus, bloed in linkeroog, oppervlakkige snee onder linkeroog, hoofdwond van 6 cm (7 hechtingen), wond van 2 cm in de rechterschouder (2 hechtingen), oppervlakkige wonden in linkerbovenarm en buik en kneuzingen van nek en linkerborst (formulier medische informatie pag. 319).

In een aanvullende verklaring, afgelegd op 27 juni 2009 (pag. 320-322), verklaart aangever [slachtoffer 1] dat hij tijdens het gevecht ook werd aangevallen door de eigenaar van de cafetaria en diens zoon en dochter, die hem sloegen met breekijzers. Hij kreeg een duim in zijn linkeroog en met de ploertendoder werd ook op zijn borst geslagen. Toen hij de hand van de man met het mes tegenhield, voelde hij dat de man met die hand veel kracht zette in zijn richting.

Verklaringen van verdachte en medeverdachten

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ontkennen beiden dat zij aangever hebben geslagen of geschopt.

[medeverdachte 1] verklaart op 23 mei 2009 (pag. 268-273) dat zij op het terras voor de cafetaria zat met haar vader ([medeverdachte 3]), haar moeder ([getuige 1]) en [verdachte]. Aangever [slachtoffer 1] vroeg of zij zijn zoon met een pan had geslagen. Nadat zij bevestigend had geantwoord, sloeg hij haar hard in het gezicht. Zij werd duizelig en viel op de grond en is daarna naar binnen gegaan. Er kwamen veel Turkse familieleden bij, er werd geduwd en getrokken en een opgefokte man kwam met een steen in zijn handen op hen af gerend. [medeverdachte 1] verklaart dat zij niemand heeft geslagen.

[medeverdachte 3] ontkent dat hij heeft meegedaan aan het gevecht. Hij verklaart op 23 mei 2009 (pag. 277-279) dat hij in de keuken van de cafetaria was en naar buiten liep toen hij hoorde dat er werd gevochten. Voor zijn cafetaria waren aangever en [verdachte] aan het duwen en trekken. [medeverdachte 3] heeft naar zijn zeggen geprobeerd de partijen te scheiden maar raakte daarbij zelf gewond aan zijn hoofd door een klap van aangever met de ploertendoder. [medeverdachte 3] is toen even gaan zitten omdat hij duizelig was. De vechtenden verplaatsten zich in de richting van de shoarmazaak. Hij heeft geen mes gezien, wel een ploertendoder in handen van aangever en een koevoet in handen van [verdachte]. De koevoet kwam uit een krat in de keuken van zijn cafetaria.

[verdachte] is niet gehoord door de politie: hij is voortvluchtig, naar zijn zeggen uit vrees voor represailles uit Turkse kringen rond de aangevers. Het dossier bevat wel een schriftelijke verklaring, gedateerd 24 mei 2009, die volgens de ondertekening afkomstig is van [verdachte]. De verklaring is gericht aan de politie (pag. 702-706).

Die schriftelijke verklaring houdt ondermeer in dat aangever [slachtoffer 1] ee[medeverdachte 1]verdachte 1] sloeg en vervolgens [verdachte] en [medeverdachte 3] met een ploertendoder op het hoofd sloeg. [verdachte] liep daardoor een grote hoofdwond op. Daarop heeft [verdachte] een koevoet gepakt die hem door iemand werd toegeschoven. Met die koevoet heeft hij uit zelfverdediging gedreigd maar niet geslagen. Mogelijk heeft hij bij dat dreigen aangever wel geraakt. [verdachte] pakte een stanleymes uit zijn zak om te dreigen maar hij zou daarmee niet hebben gestoken. Ter plaatse lag een kapot glas dat verwondingen bij [verdachte] veroorzaakte. Tijdens het gevecht zouden [verdachte] en aangever ten val zijn gekomen, waarbij aangever met zijn hoofd hard tegen de bumper van een geparkeerde auto kwam. Dat kan de hoofdwond van aangever hebben veroorzaakt.

Voorts bevindt zich in het p-v de schriftelijke aangifte van [verdachte] d.d. 8 juni 2009 (pag. 337-340). Hierin geeft [verdachte] aan dat hij (op het terras) op aangever is gedoken en hem met de vuist heeft geslagen direct nadat aangever zijn vriendin had geslagen, dit om verdere mishandeling te voorkomen. [verdachte] pakte vervolgens een ploertendoder die hij bij zich had, maar aangever pakte die van hem af en sloeg [verdachte] daarmee, ondermeer op zijn hoofd, nek en armen.

De rechtbank gaat op grond van alle voormelde verklaringen ervan uit dat aangever [slachtoffer 1] - in boosheid over wat zijn neef was aangedaan - als eerste [medeverdachte 1] een klap in het gezicht heeft gegeven en dat [verdachte] in reactie daarop aangever heeft aangevallen met de bedoeling op te komen voor [medeverdachte 1].

In zoverre komen de verklaringen van de verdachten [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 1] overeen met de verklaringen van getuigen [getuige 1] (pag. 697-700) en [getuige 2] (pag. 633-635) . De rechtbank overweegt dat deze agressieve daad van aangever [slachtoffer 1] tegen [medeverdachte 1] passend is bij zijn boosheid over wat zijn neef was aangedaan en het door hem bewust opzoeken van de confrontatie met de dader door naar de cafetaria te gaan.

Over de verdere toedracht van het gevecht en over de betrokkenheid van derden bij dat gevecht lopen echter de lezingen van aangever, verdachten en getuigen op relevante punten uiteen.

Verklaringen van getuigen

Getuige [getuige 1] (pag. 697-700), getuige [getuige 2] (pag. 633-635) en getuige [getuige 3] (pag. 616-618) verklaren dat zij alleen [verdachte] met aangever in gevecht hebben gezien. Volgens getuigen [getuige 1] en [getuige 3] hadden aangever en [verdachte] beiden een voorwerp in de hand en werd daarmee over en weer geslagen; volgens [getuige 2] sloeg [slachtoffer 1] met een stok tegen het hoofd van [verdachte].

De lezing van [verdachte], dat [slachtoffer 1] met zijn hoofd tegen een auto viel, lijkt steun te vinden in de getuigenverklaringen van [getuige 2] (pag. 633-635) en [getuige 4] (pag. 626-628) die aangever bij een auto op de grond zagen liggen.

Getuige [getuige 5] echter verklaart op 22 mei 2009 (bevindingen pag. 352-353) dat aangever op de grond lag en werd aangevallen door mannen en vrouwen die op hem insloegen met messen, breekijzers en stokken.

Op 25 mei 2009 (pag. 619 e.v.) en bij de rechter-commissaris op 22 december 2010 verklaart [getuige 5] dat [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [verdachte] achter aangever aanrenden, dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] aangever sloegen met een koevoet en een knuppel en dat [verdachte] probeerde met een koevoet te slaan en met een stanleymes stekende bewegingen maakte.

Getuige [getuige 6] op 23 mei 2009 bij de politie (pag. 614 e.v.) en bij de rechter-commissaris op 12 november 2010 en getuige [getuige 7] (pag. 612 e.v.) op 23 mei 2009 en bij de rechter-commissaris op 12 november 2010), verklaren beiden dat [verdachte] en [medeverdachte 1] aangever [slachtoffer 1]met een koevoet hebben geslagen.

Beoordeling

De rechtbank stelt het volgende voorop.

Uit het dossier blijkt dat de gebeurtenissen op 22 mei 2009 voor vele betrokkenen ook nu nog vergaande gevolgen hebben. Zowel aangever [slachtoffer 1] als verdachte [verdachte] heeft aanzienlijk letsel opgelopen aan het hoofd. Er is sindsdien onenigheid tussen verdachten en aangevers waarbij ook hun families zijn betrokken. Voorts lijkt er bij de betrokkenen nog steeds onzekerheid en een zekere angst te zijn over wat het onderlinge conflict in de toekomst nog zal brengen. En ten slotte heeft [medeverdachte 3] naar aanleiding van de incidenten op 22 mei 2009 en de nasleep daarvan zich genoodzaakt gevoeld om voortijdig zijn cafetaria te verkopen.

Voor het bewijs van het ten laste gelegde zijn, naast de verklaringen van aangever en verdachten en de medische informatie aangaande het letsel, de getuigenverklaringen uitermate relevant, aangezien er geen opnamen of beelden van het gebeuren of anderszins min of meer objectief bewijs voor handen zijn. Dit betekent dat de rechtbank naar aanleiding van alle getuigenverklaringen als het ware een reconstructie dient te maken van de gebeurtenis op 22 mei 2009. De rechtbank dient die verklaringen te beoordelen op hun betrouwbaarheid en geloofwaardigheid.

De rechtbank constateert dat uit het dossier blijkt dat [broer slachtoffer 1], broer van aangever [slachtoffer 1], op de dag van het incident en de weken daarna een bijzondere rol heeft vervuld. [broer slachtoffer 1] kwam op 22 mei 2009, nadat hij had gehoord van de incidenten waarbij zijn neef en zijn broer waren betrokken, sterk geëmotioneerd ter plaatse. Hij heeft vervolgens en ook in weken daarna vele getuigen benaderd en met hen gesproken over wat er op 22 mei 2009 was voorgevallen. Ook heeft hij verschillende getuigen gevraagd om een verklaring af te leggen bij de politie (zie de verklaringen van [broer slachtoffer 1] en van de getuigen [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7] bij de r-c). Getuige [getuige 5] heeft hij in zijn auto naar het verhoor bij de r-c gebracht (verklaring [getuige 5] bij de r-c).

Daarbij heeft [broer slachtoffer 1] meermalen tegenover [medeverdachte 3], de politie en derden als zijn mening naar voren gebracht dat de schuld aan het incident uitsluitend lag bij de mensen van [naam cafetaria]. Hij was bovendien van mening dat [naam cafetaria] moest worden gesloten vanwege de incidenten op 22 mei 2009 en andere voorvallen en hij heeft daartoe ook procedures gestart om dat te bewerkstelligen (bevindingen pag. 578-581 en pag. 595-598, getuige [getuige 8], pag. 670-672; verklaring [broer slachtoffer 1] met bijlagen pag. 642- 663).

Het beeld dat uit het dossier naar voren komt is dat het [broer van slachtoffer 1] er veel aan gelegen was om verdachten veroordeeld te krijgen voor het gebeuren op 22 mei 2009 en om [naam cafetaria] te sluiten. Dat is mogelijk begrijpelijk vanuit het standpunt van iemand die van mening is dat zijn familie onheus bejegend is en dat de politie inadequaat reageert op dat gebeuren, maar naar het oordeel van de rechtbank moet, gelet op het voorgaande, er ernstig rekening mee worden gehouden hij met zijn eigenmachtig optreden een of meer getuigen heeft beïnvloed, zodanig dat die getuige(n) daardoor mogelijk (meer) in het nadeel van verdachten heeft of hebben verklaard.

Een dergelijke beïnvloeding kan in deze strafzaak van doorslaggevend belang zijn. Het is immers relevant te weten hoe het gevecht verliep na de eerste reactie van [verdachte] op de klap die aangever gaf aan [medeverdachte 1]. Het verloop van het gevecht is van belang voor de vraag of en zo ja, wie van de verdachten opzettelijk geweld heeft (mede)gepleegd en indien dat het geval is, de vraag of er sprake was van een noodzaak tot verdediging tegen geweld van aangever. [verdachte] heeft immers aangevoerd dat hij op het slaan door aangever reageerde met een vuistslag.

De rechtbank is van oordeel dat die eerste reactie van [verdachte] op de klap die aangever uitdeelde, kan worden beschouwd als een handelen uit noodweer om [medeverdachte 1] te beschermen tegen verdere agressie van aangever. Daarna is de worsteling ontstaan tussen [verdachte] en aangever waarbij zij beiden forse verwondingen aan het hoofd hebben opgelopen. Dat wijst erop dat niet alleen [verdachte] en eventueel anderen geweld hebben gebruikt tegen aangever, maar dat ook aangever geweld heeft gebruikt tegen [verdachte].

Nu de lezing van verdachte, medeverdachten, aangever, diverse getuigen onderling verschillen - met name over het door aangever zelf gebruikte geweld - en ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat getuigen zijn beïnvloed, kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de ene of de andere versie van het gebeuren.

Dat leidt ertoe dat de rechtbank bij de reconstructie van het gebeuren op 22 mei 2009 op basis van de afgelegde verklaringen niet met voldoende zekerheid en overtuiging kan vaststellen - en dat is nodig voor een bewezenverklaring - dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken.

Daarbij komt nog het volgende. Tijdens de behandeling ter zitting heeft de officier van justitie een brief d.d. 8 november 2010 overgelegd van aangever [slachtoffer 1]. Deze deelt daarin mee dat hij het bij hem in beslag genomen T-shirt met bloedvlekken, waarin de forensisch technisch onderzoekers geen gaten van messteken hebben aangetroffen, niet heeft gedragen tijdens het gevecht. Hij stelt thuis een schoon T-shirt te hebben aangetrokken voordat hij met zijn verwondingen naar het ziekenhuis ging. Zodoende konden op dat shirt ook geen sporen van messteken worden gevonden.

Indien het daadwerkelijk is gegaan zoals aangever stelt, is het verbazend dat aangever niet direct bij de inbeslagneming aan de politie heeft verteld dat hij bij het gevecht een ander shirt had gedragen. Dat had op zijn weg gelegen, nu hem duidelijk moet zijn geweest dat de politie op zoek was naar sporen van de toedracht van het gevecht. Dat aangever pas ruim 17 maanden later hiermee komt, wekt niet alleen verbazing maar doet zelfs afbreuk aan de geloofwaardigheid van aangever 's verklaringen.

De vordering van de benadeelde partij.

Nu verdachte van het hem primair en subsidiair tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

DE UITSPRAAK

De rechtbank.

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd en

spreekt hem daarvan vrij.

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. M. Lammers en mr. H.H.E. Boomgaart, leden,

in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier,

en is uitgesproken op 22 april 2011.

Mr. H.H.E. Boomgaart is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

9

Parketnummer: 01/839359-09

[verdachte]