Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ0069

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
RK 10/268 (01/994013-09)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Zaak in de zin van art. 591a Sv. Advocaatkosten gemaakt tijdens opsporingsfase kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. De normen van het besluit Vergoedingen Rechtsbijstand 2000 zijn niet leidend bij het vaststellen van de hoogte van de gevraagde vergoeding. Reistijd van advocaat komt volledig voor vergoeding in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2011/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/994013-09

RK-nummer: 10/268

Beslissing ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering

Deze beslissing heeft betrekking op een op 25 februari 2010 ter griffie van deze rechtbank ingediend verzoekschrift, als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, van:

[verzoekster],

gevestigd te [postcode] [stad], [adres],

voor deze aangelegenheid domicilie kiezende ten kantore van haar advocaten mrs. J.M. Sjöcrona en M. van Strien, ’t Hoenstraat 5, 2596 HX, ’s-Gravenhage, alsmede ten kantore van mr. H. Nieuwenhuizen, Kennedyplein 201, 5611 ZT Eindhoven.

Inleiding

De strafzaak tegen verzoekster is door de rechtbank ex artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) beëindigd verklaard bij beschikking van 1 december 2009.

Verzoekster heeft, nu de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, verzocht een vergoeding toe te kennen voor de kosten van rechtskundige bijstand.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de betrekkelijke stukken waaronder het verweerschrift van het openbaar ministerie d.d. 16 april 2010, de nadere reactie van verzoekster op het verweerschrift d.d. 8 oktober 2010 en van hetgeen door of namens verzoekster en de raadsmanalsmede door de officier van justitie in de besloten behandeling van de raadkamer van 21 februari 2011 naar voren is gebracht.

Van het verhoor is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

De beoordeling

1. Het verzoekschrift is tijdig ingediend, immers binnen drie maanden na beëindiging van de onderhavige strafzaak.

De rechtbank constateert dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Derhalve is voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen toekennen van een vergoeding als verzocht.

2. Verzoekster vraagt in haar inleidend verzoekschrift op de voet van de artikelen 591-591a Sv om toekenning van een vergoeding van in totaal 301.490,08 euro. In haar nadere reactie op het verweerschrift heeft zij de vordering verlaagd met een bedrag van 97.163,02 euro omdat volgens de stand van zaken in de jurisprudentie gederfde rente niet voor vergoeding in aanmerking komt. Aldus resteert een vordering van 203.787,06 euro.

3. Het openbaar ministerie heeft in raadkamer zijn primaire verweer, inhoudende dat niet blijkt dat de declaraties ten laste van verzoekster zijn gekomen, laten vallen. Gelet op de overgelegde stukken en de in raadkamer door verzoekster gegeven toelichting is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat verzoekster de gedeclareerde kosten zelf heeft gedragen.

4. Allereerst dient de rechtbank vast te stellen over welke periode de gedeclareerde kosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Verzoekster vraagt vergoeding van de kosten raadsman die zijn gemaakt vanaf 13 september 2002. Het openbaar ministerie is van oordeel dat slechts de kosten gemaakt vanaf 9 september 2004 in aanmerking kunnen komen. Op laatstgenoemde datum is verzoekster bij brief door het openbaar ministerie als verdachte aangemerkt. Het openbaar ministerie zoekt voor zijn standpunt aansluiting bij het Besluit Vergoedingen Rechtsbijstand 2000 waarin het zijn van verdachte voorwaarde is voor het kunnen spreken van een (straf)zaak.

In september 2002 is er overleg geweest tussen de raadsman van verzoekster en het openbaar ministerie over de vraag of personeelsleden en leidinggevenden van verzoekster gehoord zouden moeten worden als getuige dan wel als verdachte in verband met het mogelijke bestaan van een omvangrijke zogenaamde BTW-caroussel (bijlage 1 bij het verzoekschrift ex artikel 36 Sv). Het openbaar ministerie stelde zich toen op het standpunt dat verzoekster en haar leidinggevenden niet als verdachte werden aangemerkt, maar gaf tevens te kennen dat werknemers en leidinggevenden van verzoekster indien zij verhoord zouden worden de cautie zouden krijgen vanuit de gedachte dat hun rechten dan optimaal beschermd zouden zijn. Hoewel op dat moment het strafrechtelijk onderzoek zich nog slechts in de opsporingsfase bevond, is de rechtbank van oordeel dat er vanaf september 2002 gesproken kan worden van een zaak in de zin van artikel 591a Sv. De kosten die vanaf 13 september 2002 gemaakt zijn, kunnen derhalve voor vergoeding in aanmerking komen. Het verweer van het openbaar ministerie wordt op dit punt verworpen, waarbij de rechtbank opmerkt dat het Besluit Vergoedingen Rechtsbijstand niet van toepassing is. Op 1 december 2009 is de zaak geëindigd door een beslissing van de rechtbank ex artikel 36 Sv, zodat de rechtbank in haar beoordeling betrekt de kosten die zijn gemaakt over de periode 13 september 2002 - 1 december 2009.

5. Gelet op artikel 591a juncto artikel 90 Sv komen de gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking voor zover daartoe gronden van billijkheid aanwezig zijn.

6. Het openbaar ministerie heeft in zijn verweerschrift subsidiair op basis van een groot aantal argumenten tot matiging van de gevraagde vergoeding geconcludeerd. Deze argumenten worden hieronder besproken.

6a. Onder verwijzing naar een tweetal rechterlijke uitspraken (Rechtbank Breda, 4 november 2005, LJN AU 5574; Rechtbank Haarlem, 24 augustus 2006, LJN AY6955) bepleit het openbaar ministerie dat er bij de berekening van de vergoeding wordt uitgegaan van het basisuurtarief voor curatoren, te weten 186 euro per uur exclusief BTW. Naar het oordeel van de rechtbank dwingt de wetsgeschiedenis, noch de rechtspraak tot toepassing van het zogenaamde curatorentarief. Niet in discussie is dat de door de raadsman aan verzoekster gedeclareerde uren door verzoekster zijn voldaan conform het gedeclareerde uurtarief. In de omstandigheden van het geval acht de rechtbank het door de raadsman gehanteerde uurtarief billijk. De rechtbank ziet geen reden voor de berekening van de schadevergoeding een andere maatstaf te hanteren dan hetgeen er daadwerkelijk aan honorarium per uur aan verzoekster in rekening is gebracht.

6b. Het openbaar ministerie stelt aan de hand van de declaraties van de raadsman van verzoekster vast dat in totaal 7 advocaten aan de zaak hebben gewerkt en stelt dat dit normaal gesproken leidt tot hogere kosten aangezien zaken dubbel worden gedaan en overleg wordt gevoerd met bij de zaak betrokken kantoorgenoten. Dubbel werk en collegiaal overleg komen niet voor vergoeding ten laste van de staat in aanmerking. In dat verband wijst het openbaar ministerie ook op artikel 20 van het Besluit Vergoedingen Rechtsbijstand krachtens hetwelk dergelijke kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking komen. Mitsdien dient de schadevergoeding volgens het openbaar ministerie gematigd te worden. Verzoekster benadrukt dat er geen onnodige kosten zijn gemaakt en dat het juist praktisch, efficiënt en uiteindelijk kostenbesparend zal zijn als er door meerdere advocaten aan de zaak wordt gewerkt waarbij bepaalde werkzaamheden door minder ervaren kantoorgenoten (tegen een lager uurtarief) worden verricht.

Uitgangspunt voor de rechtbank is dat het verzoekster en haar raadsman vrij staat te bepalen hoe zij de verdediging inrichten. Gelet op de in het geding gebrachte declaraties kan in zijn algemeenheid, onverminderd hetgeen hierna onder de nummers 6d, 6i en 6j nog wordt besproken, niet worden gezegd dat er onnodige werkzaamheden zijn verricht en dubbele kosten zijn gemaakt. Het Besluit Vergoedingen Rechtsbijstand 2000 is alleen van toepassing op gefinancierde rechtshulp. Zoals blijkt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 2 februari 1993, NJ 1993,551) heeft de wetgever de mogelijkheid onder ogen gezien dat de door de Staat te vergoeden kosten van de raadsman van de gewezen verdachte uitstijgen boven hetgeen aan een toegevoegde raadsman toegekend zou kunnen worden en voorts dat gronden van billijkheid zulks zouden kunnen rechtvaardigen. Gelet op deze jurisprudentie en de omstandigheden van de zaak is de rechtbank van oordeel dat de normen van het Besluit Vergoedingen Rechtsbijstand 2000 niet leidend zijn bij het vaststellen van de hoogte van de gevraagde vergoeding. Het verweer van het openbaar ministerie wordt verworpen.

6c. Het openbaar ministerie verzoekt de vordering te matigen met de in rekening gebrachte kosten voor het onderzoek van jurisprudentie en literatuur gelet op de bij het kantoor van de raadsman bestaande expertise. Verzoekster verzet zich tegen deze matiging.

De rechtbank acht het niet redelijk de gevraagde vergoeding op dit punt te matigen. Het onderzoek van jurisprudentie en literatuur behoort tot de kerntaken van de verdediging. Ook in het geval een kantoor over bijzondere expertise beschikt kan dergelijk onderzoek noodzakelijk zijn. De omvang van deze kosten komt de rechtbank ook niet onredelijk voor.

6d. Het openbaar ministerie stelt dat de kosten voor het opstellen van de pleitnota voor de zitting van de rechtbank op 17 november 2009 bovenmatig zijn. Verzoekster benadrukt dat de kosten daadwerkelijk gemaakt zijn en wijst erop dat veel van de door een niet ervaren advocaat gewerkte uren door de raadsman niet in rekening zijn gebracht.

Met het openbaar ministerie is de rechtbank van oordeel dat op dit onderdeel matiging op zijn plaats is. De rechtbank acht het redelijk, gelet op de omvang van het dossier en de bestaande problematiek, dat de in totaal 25,5 uur die door mr. Sjöcrona zijn besteed aan het concipiëren van de pleitnota worden vergoed. De gedeclareerde uren ten behoeve van de pleitnota verricht door mr. Knoeff komen niet voor vergoeding in aanmerking. De vordering wordt derhalve gematigd met een bedrag van 3.415,30 euro.

6e. Ten aanzien van de reiskosten stelt het openbaar ministerie zich op het standpunt dat er aansluiting moet worden gezocht bij het Besluit Vergoedingen Rechtsbijstand 2000. Om deze reden komen alleen de reiskosten voor vergoeding in aanmerking die samenhangen met de behandeling van de zaak ter terechtzitting. Voorts zijn reiskosten dubbel gedeclareerd omdat twee raadslieden afzonderlijk met eigen vervoer zich vanuit Den Haag naar besprekingen met verzoekster in [stad] hebben begeven. Bovendien komen de reiskosten slechts voor de helft van het uurtarief voor vergoeding in aanmerking gelet op de bestaande jurisprudentie. Verzoekster stelt daar tegenover dat de gedeclareerde uren gewoon door de raadsman zijn gewerkt en dat die uren derhalve niet aan een andere cliënt besteed konden worden. Het bestaan van een vaste lijn in de jurisprudentie die tot halvering van de reiskosten zou dienen te leiden wordt door verzoekster bestreden.

De rechtbank is van oordeel dat er geen gronden zijn om aansluiting te zoeken bij het Besluit Vergoedingen Rechtsbijstand 2000 en verwijst op dat punt naar hetgeen onder 6b is overwogen. Ten aanzien van de verzochte halvering van de reiskosten overweegt de rechtbank dat artikel 591a, tweede lid, Sv de mogelijkheid biedt schadevergoeding toe te kennen aan de gewezen verdachte voor de kosten van een raadsman, maar geen restrictie formuleert ten aanzien van de kosten voor de reistijd. Het LOVS hanteert als uitgangpunt dat de declaraties van raadslieden ten aanzien van reiskosten en reistijd als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering volledig worden vergoed. In de onderhavige zaak is de reistijd door de raadsman bij verzoekster volledig in rekening gebracht. Dit is naar de rechtbank ambtshalve weet de gebruikelijke praktijk binnen de advocatuur. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verzochte vergoeding voor de reistijd van de raadsman integraal dient te worden toegewezen. Dat die reistijd de reistijd van meerdere raadslieden omvat doet daar niet aan af.

6f. Het openbaar ministerie stelt dat wachttijd niet, althans slechts gematigd, voor vergoeding in aanmerking komt. Verzoekster verzet zich hiertegen.

De wachttijd is bij verzoekster in rekening gebracht. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank onder 6e heeft overwogen over het ontbreken van een beperking in de tekst van artikel 591a Sv en de bestaande advocatenpraktijk is de rechtbank van oordeel dat er geen gronden van billijkheid zijn op grond waarvan de vergoeding voor de wachttijd gematigd zou moeten worden.

6g. In zijn verweerschrift heeft het openbaar ministerie de stelling betrokken dat de kosten voor het opstellen van de dossiernotities gematigd zouden moeten worden. In raadkamer heeft het zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank ziet geen aanleiding op dit onderdeel het verzochte schadevergoedingsbedrag te matigen.

6h. Het openbaar ministerie verzoekt ten aanzien van de posten “bespreking met een derde en het opstellen van een interne gespreksnotitie voor het personeel” de schadevergoeding te matigen omdat een duidelijke toelichting ontbreekt.

In raadkamer heeft verzoekster de noodzaak van deze werkzaamheden (het voorlichten en spreken met het personeel van verzoekster) nader toegelicht. De rechtbank ziet gelet daarop geen reden tot matiging van de schadevergoeding.

6i. Het openbare ministerie bestrijdt dat de kosten onder de noemer “verschotten belast” kunnen worden beschouwd als noodzakelijke kosten van de raadsman. Verzoekster stelt dat voor een goede rechtsbijstand het maken van deze kosten noodzakelijk was.

Gelet op het feit dat een nadere onderbouwing van de noodzaak voor het maken van deze kosten ontbreekt en die noodzaak ook niet onmiddellijk inzichtelijk is, is de rechtbank van oordeel dat het niet billijk is dat deze kosten worden vergoed. De schadevergoeding zal derhalve worden gematigd met een bedrag van 3.439,68 euro.

6j. Het openbaar ministerie verzet zich tegen toekenning van enige vergoeding voor de declaraties van zowel Hertoghs advocaten te Breda als Baker & Mckenzie advocaten te Amsterdam omdat het geen noodzakelijke kosten betreft in de zin van artikel 591a Sv. Verzoekster verwijst naar de in geding gebrachte specificaties en benadrukt dat de gedeclareerde kosten niet de belastingprocedure maar de strafzaak betreffen.

In raadkamer is door verzoekster nogmaals uitgebreid de bijzondere expertise en kwaliteit van het ten behoeve van de strafzaak ingeschakelde Haagse advocatenkantoor benadrukt. Gelet op deze expertise ziet de rechtbank niet in dat het voor de behandeling van de strafzaak noodzakelijk was nog een tweetal andere advocatenkantoren in te schakelen. Een uitgebreide toelichting had op dit punt wellicht tot een ander oordeel kunnen leiden maar die nadere toelichting ontbreekt. In deze omstandigheid acht de rechtbank het niet billijk de declaraties die in totaal 30.801,09 euro bedragen voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

De (aangepaste) vordering van verzoeker bedraagt € 203.787,06. Gelet op bovenstaande overwegingen onder de nummers 6d (€ 3.415,30), 6i (€ 3.439,68) en 6j (€ 30.801,09) acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om de verzochte schadevergoeding te matigen met in totaal een bedrag van € 37.656,07.

Toegewezen wordt derhalve (€ 203.787,06 – € 37.656,07) een bedrag van € 166.130,99.

7. In raadkamer vraagt verzoekster om toekenning van een hogere vergoeding voor het indienen van het verzoekschrift dan het gebruikelijke forfaitaire bedrag. In haar verzoekschrift heeft verzoekster zich dat recht voorbehouden. Zij acht een bedrag van

€ 2.700,-- redelijk. Het openbaar ministerie is van oordeel dat volstaan moet worden met het forfaitaire bedrag van € 540,-- dat nog verminderd moet worden met de BTW.

Gelet op het belang van de zaak dat tot uitdrukking komt in de hoogte van het gevorderde bedrag acht de rechtbank het redelijk een hogere vergoeding toe te kennen dan gebruikelijk. Zij zal het forfaitaire bedrag van € 455,-- (exclusief BTW, inclusief kantoorkosten) vermenigvuldigen met de factor 3 en derhalve toekennen een bedrag van € 1.365,-- (exclusief BTW, inclusief kantoorkosten).

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn er gronden van billijkheid aanwezig voor het toekennen van een vergoeding als na te melden.

Bij de beslissing is gelet op de artikelen 90, 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering.

DE BESLISSING.

De rechtbank kent aan verzoekster een vergoeding uit 's Rijkskas toe ten bedrage van

€ 167.495,99 (zegge: honderdzevenenzestigduizendvierhonderdvijfennegentig euro en negenennegentig eurocent).

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier

en is uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 15 maart 2011.