Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ0060

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
228855 - KG ZA 11-238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De gemeente Bernheze moet op 31 maart 2011 nog een ontheffing voor acht agrarische bedrijven aanvragen bij de Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant. Doet de gemeente dat niet, dan verbeurt zij een dwangsom van 800.000 euro.

De agrarische bedrijven vroegen de gemeente Bernheze bij de provincie een ontheffing aan te vragen van de strengere regels die de provincie onlangs heeft vastgesteld voor de uitbreiding van stallen in het buitengebied. Woensdagavond 30 maart jl. besloot de gemeenteraad van Bernheze om de ontheffingen niet aan te vragen. De voorzieningenrechter kwam op 31 maart 2011 tot de voorlopige conclusie dat deze weigering onrechtmatig is, omdat de gemeente in de afgelopen jaren aan de bedrijven had laten blijken in beginsel te willen meewerken aan uitbreiding. Als de aanvragen niet voor 1 april 2011 worden ingediend, is waarschijnlijk uitgesloten dat de bedrijven hun stallen zullen kunnen uitbreiden. Wanneer de aanvragen wel worden ingediend, is uitbreiding nog niet zeker maar kunnen de bedrijven het traject voortzetten.

De gemeente kon niet toezeggen dat zij het vonnis zou naleven en daarom heeft de voorzieningenrechter zich genoodzaakt gezien aan de gemeente een dwangsom op te leggen van 800.000 euro.

De bedrijven hadden eerder een voorlopige voorziening aangevraagd bij de bestuursrechter. De bestuursrechter oordeelde dinsdag 29 maart 2011 dat hij niet bevoegd was daarover te oordelen en dat de bedrijven hun vorderingen uitsluitend bij de civiele rechter konden indienen. De agrarische bedrijven hebben daarop de civiele rechter gevraagd de zaak te behandelen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 228855 / KG ZA 11-238

Vonnis in kort geding van 31 maart 2011 (volledige versie)

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[A] PLUIMVEE V.O.F. en haar vennoten [naam], [naam] en [naam],

zaakdoende te [vestigingsplaats]),

2. [B],

wonende te [woonplaats],

3. de maatschap

MAATSCHAP [C] en haar maten [naam], [naam] en [naam]

zaakdoende te [vestigingsplaats],

4. de vennootschap onder firma

V.O.F. [D] en haar vennoten [naam] en [naam],

zaakdoende te [vestigingsplaats],

5. de vennootschap onder firma

[E] V.O.F. en haar vennoten [naam] en [naam],

zaakdoende te [vestigingsplaats],

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[F] VARKENSHOUDERIJ B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisers sub 1 tot en met 6,

advocaat mr. P.J.G. Goumans te Helmond,

en

7. de maatschap

MAATSCHAP [G] en haar maten [naam] en [naam],

wonende te [woonplaats],

8. de vennootschap onder firma

[H] V.O.F. en haar vennoten [naam], [naam] en [naam],

zaakdoende te [vestigingsplaats],

eisers sub 7 en 8,

advocaat mr. J. van Groningen te Middelharnis,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BERNHEZE,

zetelend te Heesch,

gedaagde,

vrijwillig verschenen.

Partijen zullen hierna eisers en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de concept-dagvaarding met de producties 1 tot en met 4,

- de mondelinge behandeling op 31 maart 2011,

- de twee pleitnota’s van eisers,

- de door de gemeente overgelegde producties.

1.2. De gemeente is in beginsel niet rechtsgeldig verschenen, te weten bij advocaat dan wel in persoon, vertegenwoordigd door burgemeester en wethouders (vgl. art. 255 Rv.). Gelet echter op het zeer spoedeisend karakter van de onderhavige zaak en het feit dat eisers hiertegen desgevraagd geen bezwaar hebben gemaakt, acht de voorzieningenrechter de gemeente desondanks vrijwillig in persoon verschenen bij haar gemachtigden, de heer [X] en mevrouw [Y], die voorzien waren van een specifieke schriftelijke volmacht van de burgemeester en de secretaris van de gemeente.

1.3. De voorzieningenrechter heeft ongeveer een uur na afronding van de mondelinge behandeling vonnis gewezen. Het vonnis is rond 17.30 uur ter openbare zitting en in aanwezigheid van alle partijen uitgesproken. De motivering is hen toen zakelijk mondeling medegedeeld en het dictum is letterlijk voorgelezen. De griffier heeft aan partijen direct na de uitspraak een verkort vonnis verstrekt (“kop” en “dictum”), aangezien het vonnis binnen enkele uren zou moeten worden uitgevoerd, onder mededeling van de rechter dat de motivering op schrift zou worden toegevoegd en aan partijen zou worden nagezonden. In deze volledige versie van het vonnis zijn de ontbrekende delen toegevoegd en zijn tevens enige verschrijvingen en evidente omissies in de verkorte versie gecorrigeerd. Uiteraard is de beslissing niet gewijzigd. Vanwege het zeer spoedeisende karakter van de zaak kon niet op alle details en stellingen worden ingegaan.

2. Enkele feiten

2.1. Eisers exploiteren ieder voor zich de volgende agrarische bedrijven in de gemeente Bernheze:

- eisers sub 1: een kalkoenenhouderij;

- eiser sub 2: een varkens- en rundveehouderij;

- eisers sub 3: een pluimvee- en akkerbouwbedrijf;

- eisers sub 4: een varkenshouderijbedrijf;

- eisers sub 5: een melkrundveehouderij;

- eiseres sub 6: een varkenshouderijbedrijf;

- eisers sub 7: een varkenshouderijbedrijf;

- eisers sub 8: een varkenshouderijbedrijf.

2.2. Eisers hebben ieder voor zich plannen om hun bedrijf uit te breiden. Bij de gemeente hebben zij verzoeken ingediend tot vormverandering en/of –vergroting van hun agrarische bouwblokken. Deze aanvragen dateren van 2007, 2008 en 2009.

2.3. De gemeente heeft bij principebesluiten van 2008, 2009 en 2010 op elk van deze aanvragen laten weten in principe bereid te zijn tot het verlenen van medewerking. Alle eisers hebben activiteiten ontplooid om tot realisering van hun plannen te komen. Ter zitting zijn twee gevallen nader toegelicht, welke toelichting niet is weersproken. In het geval van een van de eisers is met de gemeente een aan de uitbreidingsplannen gerelateerde grondtransactie gesloten. In een ander geval heeft de gemeente reeds een milieuvergunning aan de betreffende eiser verleend, waarin de ruimtelijke ordening aspecten zijn meegewogen. In 2010 heeft de gemeente de uitbreidingsplannen van eisers aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant gemeld.

2.4. Op 19 maart 2010 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant een voorbereidingsbesluit genomen. Op grond van dit besluit moeten bouwaanvragen voor intensieve veehouderijen worden aangehouden.

2.5. Vervolgens hebben Provinciale Staten de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 vastgesteld (hierna te noemen: de verordening). Bij de verordening zijn (tijdelijke) regels gesteld voor het verplaatsen en uitbreiden van intensieve veehouderijen.

2.6. Op grond van het bepaalde in artikel 9.6 van de verordening kunnen Gedeputeerde Staten ten aanzien van de uitbreiding van een intensieve veehouderij ontheffing verlenen voor uitbreiding van een bouwblok tot ten hoogste 2,5 ha in een verwevingsgebied en tot 3 ha in een landbouwontwikkelingsgebied, indien een daartoe strekkende aanvraag voor ontheffing vóór 1 april 2011 is ingediend. Er moeten met het oog op de uitbreiding dan wel vóór 20 maart 2010 al voldoende concrete initiatieven zijn ontplooid. Zowel eisers als de gemeente stellen zich op het standpunt dat het de gemeenteraad is die bevoegd is bedoelde ontheffingsaanvragen bij Gedeputeerde Staten in te dienen. Eisers zelf kunnen dat niet.

2.7. Op 24 maart 2011 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente besloten om aan de gemeenteraad voor te stellen geen ontheffing voor eisers aan te vragen bij Gedeputeerde Staten. Bij afzonderlijke brieven van vrijdag 25 maart 2011 is dit aan eisers medegedeeld. Eisers hebben hun brief op zaterdag 26 maart 2011 ontvangen. Burgemeester en wethouders geven in de brief aan dat zij zijn teruggekomen op hun eerder aan eisers gedane principetoezegging tot medewerking aan het verzoek tot uitbreiding van hun bouwblok. Eerder heeft de gemeente aan eisers geen mededeling gedaan van het voornemen om geen ontheffing aan te vragen of anderszins aan eisers kenbaar gemaakt dat de eerder in principe toegezegde medewerking niet meer zou worden verleend.

2.8. Uit de brief van 25 maart 2011 blijkt dat nog op 28 februari 2011 overleg had plaatsgevonden tussen de burgemeester en de verantwoordelijke gedeputeerde Van Heugten, omtrent de mogelijkheid vóór 1 april 2011 pro forma aanvragen in te dienen in afwachting van besluitvorming in de gemeenteraad. Die besluitvorming was voorzien op de raadsvergadering van 21 april 2011.

2.9. Op maandag 28 maart 2011, de eerste werkdag na het weekend waarin zij de brief hadden ontvangen, hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de weigering van de gemeenteraad om geen ontheffing aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant en hebben zij de bestuursrechter van deze rechtbank om een voorlopige voorziening verzocht. De bestuursrechter heeft zich op dinsdag 29 maart 2011 onbevoegd verklaard om van dit verzoek kennis te nemen, omdat bedoelde weigering niet het karakter heeft van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. De bestuursrechter heeft tevens geoordeeld dat de zaak zou moeten worden behandeld door de civiele voorzieningenrechter. Eisers hebben vervolgens op 30 maart 2011 aan de civiele voorzieningenrechter een tijdstip gevraagd voor de behandeling van een spoed kort geding. Onder verkorting van de dagvaardingstermijn heeft de voorzieningenrechter in de namiddag van 30 maart 2011 het tijdstip voor de behandeling bepaald op 31 maart 2011 te 14.00 uur.

2.10. Op woensdagavond 30 maart 2011 heeft de gemeenteraad besloten om de ontheffingsaanvragen als bedoeld in artikel 9.6 van de verordening niet in te dienen voor eisers. Bij de door burgemeester en wethouders aan de raad verstrekte stukken bevond zich een “overzicht knelgevallen intensieve veehouderij”. Daarin was de positie van alle acht eisers beschreven.

2.11. Partijen waren het er ter zitting over eens dat de termijn voor indiening van de aanvragen voor ontheffing bij Gedeputeerde Staten zou eindigen op 31 maart 2011 te 24.00 uur.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen (samengevat):

1) de gemeente op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 750.000,00 op te dragen vóór 1 april 2011 voor eisers ieder afzonderlijk een ontvankelijke aanvraag om ontheffing als bedoeld in de verordening in te dienen bij Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en eisers binnen één week een gewaarmerkte kopie daarvan toe te zenden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat niet wordt voldaan aan deze veroordeling;

2) de gemeente te veroordelen in de kosten van het geding met uitdrukkelijke bepaling dat de gemeente de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zal hebben betaald.

3.2. Eisers leggen hieraan - kort gezegd - ten grondslag dat de gemeente in strijd handelt met de rechtszekerheid, het fairplay-beginsel en het vertrouwensbeginsel. De handelwijze van de gemeente is daarmee onrechtmatig jegens eisers.

3.3. De gemeente voert gemotiveerd verweer. Zij meent onder meer niet onrechtmatig te handelen, wijst op het ontbreken van schuld aan haar zijde, ziet de zaak in de publiekrechtelijke sfeer die ook maakt dat deze bij de bestuursrechter thuishoort en benadrukt het recht van de democratisch gekozen gemeenteraad om besluiten te nemen waar de rechter niet in mag treden.

3.4. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Alle eisers hebben als “knelgevallen” een buitengewoon spoedeisend belang vanwege het feit dat de termijn voor indiening van een ontheffingsaanvraag als bedoeld in artikel 9.6 van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 binnen enkele uren zal verstrijken. Aannemelijk is dat deze termijn een fataal karakter heeft.

4.2. De bestuursrechter heeft op 29 maart 2011 beslist dat de zaak moet worden behandeld door de civiele voorzieningenrechter. Wat ook zij van de door de gemeente hiervoor op 31 maart 2011 ter zitting rond 16.15 uur gebezigde argumenten, waaronder de omstandigheid dat inmiddels een besluit van de gemeenteraad voorligt, de civiele voorzieningenrechter acht zich in dit stadium niet meer vrij om eisers terug te sturen naar de bestuursrechter. Hoofdregel is dat de rechter naar wie door een andere rechter verwezen wordt zijn eigen bevoegdheid aanneemt. Het praktisch gevolg van het door de gemeente bepleite van het kastje naar de muur sturen van partijen, zou ook zijn dat aan eisers iedere rechtsbescherming wordt onthouden, hetgeen in dit geval waar grote belangen voor alle betrokkenen op het spel staan onaanvaardbaar is. Naar het zich laat aanzien zullen eisers vandaag geen tijd meer hebben om zich tot de bestuursrechter te wenden en zal de bestuursrechter geen redelijke gelegenheid meer hebben om partijen behoorlijk te horen en vervolgens een (voorlopig) oordeel aangaande het besluit van de raad van 30 maart 2011 te geven vóór hedenavond 24.00 uur, laat staan dat dat oordeel dan - in geval eisers gelijk mochten krijgen - ook nog kan worden uitgevoerd. Zonder tijdige indiening van ontheffingsaanvragen hebben eisers echter ook geen ingang meer bij Gedeputeerde Staten en lijken hun kansen op ontheffing van de nieuwe regels in de verordening definitief verkeken.

4.3. Eisers hebben ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ieder op eigen wijze al geruime tijd met de gemeente intensieve contacten hebben onderhouden over de door hen gewenste uitbreiding van hun stallen en dat zij ieder meermalen van de gemeente in woord en zeker in enkele gevallen ook in daad hebben ondervonden dat de gemeente bereid was om aan die uitbreiding medewerking te verlenen. Slechts enkele dagen vóór het aflopen van de termijn in artikel 9.6 van genoemde verordening, te weten bij ontvangst van de brief van burgemeester en wethouders van 25 maart 2011, hebben eisers voor het eerst expliciet ondervonden dat de gemeente tot andere inzichten is gekomen en niet langer bereid is medewerking te verlenen aan de uitbreiding van hun stallen.

4.4. Natuurlijk zal het eisers de afgelopen jaren niet zijn ontgaan dat op politiek en bestuurlijk niveau een tendens bestaat de mogelijkheden om intensieve veehouderijen uit te breiden te beperken. De gemeente heeft daar ter zitting de nadruk op gelegd. Dat kan echter niet worden gelijkgesteld met een tot 26 maart 2011 ontbrekende aan eisers zelf gerichte mededeling van de gemeentelijke overheid, dat zij in hun specifieke geval terugkomt op eerdere individuele principetoezeggingen door de gemeente. De gemeente lijkt hier over het hoofd te zien dat de ontheffingsregeling van art. 9.6 van de verordening nu juist de strekking heeft om voor “knelgevallen” een afweging tussen eerder van overheidswege bij veehouders opgewekte reële verwachtingen enerzijds en wezenlijk gewijzigde keuzes en regelgeving bij de overheid anderzijds mogelijk te maken. Bij de Provincie Noord-Brabant heeft men er met artikel 9.6 van de verordening blijk van gegeven te onderkennen dat nieuwe algemene keuzes en oude individuele toezeggingen kunnen “knarsen”. Het mede door toedoen van de overheid zelf gecreëerde dilemma is in ieder geval belangrijk genoeg om er in de individuele gevallen van al deze eisers goed naar te kijken.

4.5. De gemeenteraad heeft in de avond van 30 maart 2011 geweigerd de aanvragen als bedoeld in artikel 9.6 in te dienen. Daarmee heeft de raad een absolute keuze tegen de verlangens van eisers gemaakt. Uit het pleidooi van de gemeente ter zitting heeft de voorzieningenrechter niet begrepen dat de problematiek van de eerder door de gemeente zelf expliciet jegens eisers betoonde bereidwilligheid en de gevolgen die het daarop zeer recent terugkomen voor eisers heeft, in deze kort gedingprocedure bij de gemeente gewicht in de schaal heeft gelegd. De gemeente heeft zich ter zitting namelijk hoofdzakelijk van formele argumenten bediend.

4.6. De voorzieningenrechter miskent zeker niet dat de democratisch gekozen gemeenteraad eigen politieke afwegingen maakt, waar de rechter in beginsel niet in behoort te treden. De rechter behoort echter wel op te treden als de gemeenteraad op een wijze handelt die tegenover burgers onrechtmatig is en die burgers hem om rechtsbescherming vragen. Ook de gemeenteraad moet zich immers aan het recht in dit land houden, waaronder, onder omstandigheden, het bepaalde in art. 6:162 BW. Dat is het wetsartikel over de onrechtmatige daad naar burgerlijk recht, waarop de vordering van eisers uitdrukkelijk is gebaseerd.

4.7. De voorzieningenrechter is tot het voorlopig oordeel gekomen dat de door burgemeester en wethouders voorgestelde en door de gemeenteraad overgenomen weigering om bedoelde aanvragen tot ontheffing in te dienen in casu onrechtmatig is jegens eisers. Willens en wetens (dus van ontbreken van schuld kan geen sprake zijn) is beslist in strijd met de duidelijke standpunten die de gemeente zelf eerder tegenover eisers heeft ingenomen, terwijl aannemelijk is dat eisers de afgelopen jaren ieder voor zich op basis van die eerdere standpunten van de gemeente hebben gehandeld en daarmee, ook volgens de gemeente zelf, “knelgevallen” zijn geworden. Redelijkerwijs valt te verwachten dat eisers hierdoor schade zullen kunnen lijden. Tegelijkertijd onthoudt de gemeente door geen ontheffing te vragen eisers - die hier volledig van de medewerking van de gemeente afhankelijk zijn - de mogelijkheid om een beroep te doen op de overgangsregeling die de provincie Noord-Brabant heeft getroffen voor oude gevallen die door de nieuwe beleidskeuzes op provinciaal niveau in de knel komen. Uiteraard zijn het Gedeputeerde Staten aan wie vooreerst de beoordeling op basis van artikel 9.6 van de verordening toekomt en de voorzieningenrechter neemt daar geen voorschot op. Dat wordt hem door eisers terecht ook niet gevraagd. Het feitenmateriaal in dit kort geding heeft de voorzieningenrechter wel de overtuiging gegeven dat er bij eisers sprake is van een van vóór 20 maart 2010 daterend concreet initiatief tot uitbreiding van een intensieve veehouderij als bedoeld in genoemde bepaling.

4.8. (Dreigend) onrechtmatig handelen kan onder omstandigheden door de rechter worden tegengegaan door een bevel om te bewerkstelligen dat het onrechtmatige handelen wordt beëindigd of voorkomen. Daar bestaat in dit geval op het moment van de uitspraak nog de mogelijkheid toe. Als de nood maar hoog genoeg is, en dat is hier het geval, biedt art. 254 Rv. de civiele voorzieningenrechter veel ruimte om vèrgaande voorzieningen bij voorraad te treffen. Hij ziet zich hier genoodzaakt die ruimte te nemen.

4.9. Op grond van het vorenstaande zal het door eisers gevorderde bevel in na te melden vorm worden gegeven. Met het bevel wordt in ieder geval bewerkstelligd dat geen rechten verloren gaan en er geen onomkeerbare situatie ontstaat. Het is de meest “veilige” beslissing die de voorzieningenrechter in dit spoed kort geding kan geven. Hoe de besluitvorming bij Gedeputeerde Staten op de in te dienen ontheffingsaanvragen zal verlopen en, indien deze voor eisers gunstig uitpakt, hoe het verdere “traject” zal aflopen moet worden afgewacht.

4.10. Tegen de gevorderde dwangsom heeft de gemeente geen specifiek verweer gevoerd. Desgevraagd heeft de gemeente ter zitting aangegeven wel in staat te zijn de aanvragen nog heden bij Gedeputeerde Staten in te dienen, maar zij heeft op een uitdrukkelijke vraag van de voorzieningenrechter niet kunnen toezeggen aan een eventueel veroordelend vonnis gevolg te zullen geven. Dat heeft tot gevolg dat de voorzieningenrechter zich, tegen zijn gewoonte in want rechters willen overheden voor wat betreft naleving van rechterlijke uitspraken kunnen vertrouwen, genoodzaakt ziet om aan de gemeente een dwangsom op te leggen teneinde zeker te stellen dat zij aan het bevel gevolg geeft. In aanmerking genomen het grote belang van eisers en de naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter miskenning daarvan door de gemeente en haar volharden daarin, zal een hoge dwangsom worden opgelegd als hierna te bepalen. Deze komt neer op een bedrag van € 100.000,00 per eiser. Er is niet beoogd boven de vordering van eisers uit te gaan. De gevraagde € 750.000,00 laat zich echter lastig delen door acht. Eisers hebben uiteraard ook belang bij verstrekking van een kopie van de aanvragen. Ook dit onderdeel van het gevorderde zal worden toegewezen met een bescheiden dwangsom.

4.11. De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op:

- griffierecht € 568,00

- salaris advocaat € 1.632,00

Totaal € 2.200,00.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. beveelt de gemeente, meer bepaald overeenkomstig haar eigen visie op de interne bevoegdheidverdeling: de raad van de gemeente, om vóór 1 april 2011, derhalve heden, voor eisers ieder afzonderlijk een ontvankelijke aanvraag om ontheffing als bedoeld in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (artikel 9.6) in te dienen bij Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

5.2. veroordeelt de gemeente om aan eisers een dwangsom te betalen van € 800.000,00, te weten € 100.000,00 per in te dienen aanvraag, indien zij de hiervoor onder 5.1. bedoelde aanvragen niet vóór 1 april 2011 (let wel heden uiterlijk te 24:00 uur) heeft ingediend;

5.3. beveelt de gemeente aan eisers binnen één week na heden een kopie van de ingediende aanvragen toe te zenden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 100,00 per dag dat niet wordt voldaan aan deze veroordeling;

5.4. veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op € 2.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.L. Roosmale Nepveu en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2011.