Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP7974

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
AWB 09-3369
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV5068, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft nieuw besluit op bezwaar over een tegemoetkoming in de schade aan een perceel bospenen na eerder hoger beroep. De rechtbank is van oordeel dat de prijs thans niet meer ter discussie kan staan omdat het eerdere beroep van eiseres op dit punt uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen. Dat geldt niet voor het aantal bossen bospeen, zodat de rechtbank daarover alsnog kan en moet oordelen. De rechtbank komt tot een ongegrondverklaring van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/3369

Uitspraak van de meervoudige kamer van 9 maart 2011

inzake

[eiseres],

te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. C.J. Driessen,

tegen

het bestuur van het Faunafonds,

te Dordrecht,

verweerder,

gemachtigden mr. drs. J.C.Q. Bult en H.G. Engberink.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2006 heeft verweerder een verzoek van eiseres om een tegemoetkoming in de door dassen en reeën aan een perceel bospeen veroorzaakte schade toegewezen en de hoogte van de tegemoetkoming bepaald op € 3.988,00.

Bij besluit van 12 maart 2007 heeft verweerder het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2008 (AWB 07/990) heeft de rechtbank het door eiseres ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 12 maart 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen om met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak hebben eiseres en verweerder hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling). Bij uitspraak van 29 juli 2009 (200808282/1/H3) heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd, voor zover aangevallen.

Bij besluit van 7 september 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 8 mei 2007 herroepen en de hoogte van de tegemoetkoming bepaald op € 37.651,20.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 24 september 2009 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 oktober 2009.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 januari 2011, waar eiseres is vertegenwoordigd door [A], bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en vergezeld van P.J.M. Ceelen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Aan de orde is of verweerder in redelijkheid heeft besloten eiseres een tegemoetkoming van € 37.651,20 te verlenen in de schade die is veroorzaakt aan bospeen op een bij eiseres in gebruik zijnd perceel.

2. Uit de stukken en hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht, leidt de rechtbank af dat het geschil zich beperkt tot de hoogte van de toegekende tegemoetkoming. Volgens verweerder bedraagt de tegemoetkoming € 37.651,20, terwijl eiseres stelt recht te hebben op een tegemoetkoming van € 163.886,00.

3. Verweerder heeft de hoogte van de tegemoetkoming als volgt berekend:

Berekening verweerder

4. Eiseres heeft de hoogte van de tegemoetkoming als volgt berekend:

Berekening eiseres

5. Het verschil tussen beide berekeningen wordt veroorzaakt door het verschil in het bedrag per bos bospeen en het aantal bossen bospeen per hectare. Het geschil beperkt zich dus tot de volgende twee vragen.

De eerste vraag betreft het bedrag per bos bospeen. Verweerder is op basis van de KWIN-cijfers (Kwantitatieve Informatie) uitgegaan van een bedrag van € 0,34 per bos bospeen, terwijl eiseres stelt dat verweerder had moeten uitgaan van een bedrag van € 0,68 per bos bospeen.

De tweede vraag betreft het aantal bossen bospeen. Verweerder is op basis van de KWIN-cijfers uitgegaan van 35.000 bossen bospeen per hectare, terwijl eiseres stelt dat verweerder had moeten uitgaan van 60.000 bossen bospeen per hectare.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Ten aanzien van de vraag of per bos bospeen een prijs van € 0,34 of € 0,68 dient te worden gehanteerd, heeft de rechtbank in zijn uitspraak van 15 oktober 2008 expliciet overwogen dat het niet onredelijk is dat verweerder is uitgegaan van de KWIN-prijs van € 0,34 per bos. Weliswaar is volgens partijen niet in geschil dat een hogere prijs mogelijk is als sprake is van een leveringsplicht, maar verweerder heeft zich op basis van de door eiseres overgelegde overeenkomst met haar afnemer op goede gronden op het standpunt gesteld dat daaruit niet blijkt dat deze overeenkomst betrekking heeft op het schadeperceel. In hoger beroep heeft de Afdeling geoordeeld dat de eerst in hoger beroep door eiseres overgelegde verklaring van 11 december van haar afnemer die haar stelling onderbouwt dat voor het schadeperceel een contractsprijs van € 0,68 was overeengekomen, onvoldoende grond is voor de conclusie dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat verweerder ten aanzien van de KWIN-prijs van € 0,34 heeft mogen uitgaan. Aangezien het beroep van eiseres op het punt van de door verweerder te hanteren prijs per bos bospeen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ook in hoger beroep is verworpen, staat in rechte vast dat verweerder in redelijkheid een prijs van € 0,34 per bos bospeen heeft mogen hanteren.

8. Ten aanzien van de vraag of verweerder in redelijkheid had mogen uitgaan van 35.000 bossen bospeen per hectare, overweegt de rechtbank, dat uit hetgeen eiseres destijds in beroep voor de rechtbank heeft aangevoerd kan worden afgeleid, dat zij zich reeds in beroep op het standpunt heeft gesteld dat verweerder volgens haar had moeten uitgaan van 60.000 bossen bospeen per hectare. De rechtbank wijst in dit verband met name op het schadetaxatierapport van P.J.M. Ceelen van december 2005 In dit rapport, waarop eiseres zich steeds heeft beroepen, wordt uitgegaan van 60.000 bossen bospeen per hectare. De rechtbank heeft het beroep van eiseres dienaangaande echter niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Hetzelfde kan worden gezegd van de uitspraak van de Afdeling in hoger beroep. Aldus staat in rechte nog niet vast dat verweerder in redelijkheid heeft mogen uitgaan van 35.000 bossen bospeen per hectare, zodat de rechtbank daarover alsnog kan en moet oordelen.

9. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Ten aanzien van de vraag van welk aantal bossen bospeen per hectare moet worden uitgegaan, overweegt de rechtbank dat het niet onredelijk is dat verweerder is uitgegaan van 35.000 bossen per hectare. Eiseres heeft haar standpunt onderbouwd door overlegging van rapportages van de door haar ingeschakelde rentmeester P.J.M. Ceelen, maar naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit niet dat deze taxaties betrekking hebben op het schadeperceel ten tijde van de op 4 en 5 oktober 2005 geconstateerde schade. Daarbij kent de rechtbank eveneens gewicht toe aan het taxatierapport van de taxateurs M. Gosens en K. Overvest van Taxatiebureau 2000 BV, die het schadeperceel op verzoek van verweerder op 4 oktober 2005 hebben bezocht. In het door beide taxateurs op 5 oktober 2005 ondertekende taxatierapport is vermeld dat voor de schadeberekening moet worden uitgegaan van 35.000 bossen bospeen per hectare. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat voor de berekening van de schade mag worden uitgegaan van 35.000 bossen bospeen per hectare. Het beroep van eiseres kan dan ook niet slagen.

10. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

11. De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te bepalen dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

12. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzitter en mr. W.C.E. Winfield en mr. J.H.G. van den Broek als leden in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2011.

?

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: