Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP7290

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
01/849321-10 en 01/840574-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8736, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet; Poging tot gekwalificeerde doodslag

De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is van voorwaardelijk opzet terzake poging tot doodslag jegens het slachtoffer. Verdachte vluchten na betrapping op heterdaad met een auto. Zij rijden daarbij deels een hekwerk aan waarachter zich het slachtoffer bevindt. Het slachtoffer wordt met onder meer ernstig hersenletsel in kritieke toestand naar het ziekenhuis vervoerd. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal kan niet met enige mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte(n) het slachtoffer (tijdig) hebben gezien en bewust de kans hebben aanvaard dat het slachtoffer zou worden aangereden en dientengevolge zou komen te overlijden. Er volgt in beide zaken wel een veroordeling voor onder meer diefstal in vereniging en overtreding van art. 7 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummers: 01/849321-10 en 01/840574-10 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 10 maart 2011

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam pi].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 september 2010, 6 december 2010 en 24 februari 2011.

Op de terechtzitting van 24 februari 2011 heeft de rechtbank de tegen verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 11 augustus 2010(01/849321-10) en

8 november 2010 (01/840574-10).

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 februari 2011 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:

in de zaak met parketnummer 01/849321-10:

1.

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk,

althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter

uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachte rade, althans na kalm beraad en rustig

overleg, [slachtoffer 1]van het leven te beroven, met dat opzet en met

die voorbedachte rade, althans na dat beraad en overleg, met een door hem

en/of zijn mededader bestuurde auto op die [slachtoffer 1]is ingereden en/of

tegen die [slachtoffer 1]is aangereden (die zich op dat moment voor de auto van

verdachte en/of zijn mededader bevond en/of bezig was een hek te sluiten),

althans tegen een hekwerk is/zijn gereden, waarachter/waarbij die (slachtoffer 1)

zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid

(Artikel 289 Jo 45 Wetboek van Strafrecht);

subsidair, althans indien bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk,

althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter

uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 1]van het leven te beroven, met dat opzet met

een door hem en/of zijn mededader bestuurde auto op die [slachtoffer 1]is

ingereden en/of tegen die [slachtoffer 1]is aangereden (die zich op dat moment

voor de auto van verdachte en/of zijn mededader bevond en/of bezig was een hek

te sluiten),althans tegen een hekwerk is/zijn gereden, waarachter/waarbij die

[slachtoffer 1]zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het,

bestelen/beroven van die [slachtoffer 1]en/of [slachtoffer 2] van enig

goed (brandslangen en/of brandhaspels) (artt.310/311/312)

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren

(Artikel 288 Jo 45 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair, althans indien bovenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk,

althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter

uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 1]van het leven te beroven, met dat opzet met

een door hem en/of zijn mededader bestuurde auto op die [slachtoffer 1]is

ingereden en/of tegen die [slachtoffer 1]is aangereden (die zich op dat moment

voor de auto van verdachte bevond en/of bezig was een hek te sluiten), althans

tegen een hekwerk is/zijn gereden, waarachter/waarbij die [slachtoffer 1]zich

bevond terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

(Artikel 287 Jo 45 Wetboek van Strafrecht);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of gemeente Maasdonk, althans in

het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen brandslangen en/of brandhaspels, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader met hoge, althans aanmerkelijke snelheid, met een auto

is/zijn ingereden op, althans zijn gebotst tegen die [slachtoffer 1], althans

tegen een hekwerk, waardoor die [slachtoffer 1]zwaar lichamelijk letsel, te

weten een schedelbasisfractuur en/of een kneuzing van de hersenstam en/of een

gebroken schouder en/of een gebroken bekken en/of een of meer gebroken

rib(ben) en/of een kneuzing van de longen heeft bekomen;

(Artikel 312 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of gemeente Maasdonk, althans in

het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander,

althans alleen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Heesterseweg,

althans een weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn en/of zijn

mededaders schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend, met hoge, althans aanmerkelijke snelheid, onbesuisd af te rijden

op een hek dat op dat moment werd gesloten door [slachtoffer 1],

waardoor die [slachtoffer 1]zwaar lichamelijk letsel, te weten een

schedelbasisfractuur en/of een kneuzing van de hersenstam en/of een gebroken

schouder en/of een gebroken bekken en/of een kneuzing van de longen, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan

(Artikel 6 Wegenverkeerswet).

2.

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss, gemeente Oss en/of Geffen, gemeente

Maasdonk, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was

veroorzaakt, althans als degene die betrokkene was bij een verkeersongeval,

op de Heesterseweg en/of het Gielekespad, de plaats van het ongeval heeft

verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer 1]) letsel en/of schade

was toegebracht en/of hij die [slachtoffer 1]in hulpeloze toestand heeft

achtergelaten

(Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994).

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 01/840574-10 tenlastegelegd dat:

hij te Berghem, gemeente Oss, op of omstreeks 28 maart 2010 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (brandweervoertuig), toebehorende aan Brandweerkazerne Berghem, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, Rijksweg A50, in elk geval op een weg

(Artikel 11 Wegenverkeerswet 1994).

De rechtbank gaat er van uit dat de officier van justitie met de wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 01/849321-10 tevens heeft beoogd de tenlastelegging in overeenstemming te brengen met de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

Door de wijziging van de tenlastelegging is feit 2 zoals vermeld op de voorlopige tenlastelegging in de dagvaarding van 11 augustus 2010, komen te vervallen en een nieuw feit 2 toegevoegd.

Voor zover de tenlastelegging (meermalen) spreekt van subsidiair en/of meer subsidiair beschouwt de rechtbank dit aldus dat elke volgende variant als subsidiair ten opzichte van de vorige is bedoeld.

Voor zover in de tenlastelegging voor het overige taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing in de zaak met parketnummer 01/849321-10, feit 1.

Aan verdachte wordt verweten, in een aantal subsidiair tenlastegelegde feiten, dat hij (met zijn medeverdachte) getracht heeft opzettelijk [slachtoffer 1]van het leven te beroven, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg en voorafgegaan door diefstal, ofwel met zijn medeverdachte diefstal heeft gepleegd, gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1]. Uiterst subsidiair is overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet tenlastegelegd.

Voor wat betreft de primair tenlastegelegde poging tot moord is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn medeverdachte na (enig moment van) kalm beraad en rustig overleg met opzet tegen [slachtoffer 1]is aangereden of op haar is ingereden, zodat verdachte van het medeplegen van poging tot moord dient te worden vrijgesproken.

Met uitzondering van het uiterst subsidiair tenlastegelegde verkeersdelict betreffen alle overige onder 1 (subsidiair en meer subsidiair) tenlastegelegde feiten opzetdelicten en dient de rechtbank vast te stellen of verdachte en/of zijn medeverdachte opzet, minstens in voorwaardelijke zin, hebben gehad op het aanrijden van[slachtoffer 1](voor zover het betreft poging tot (gekwalificeerde) doodslag met als gevolg dat zij tengevolge daarvan zou kunnen komen te overlijden, dan wel opzet, minstens in voorwaardelijke zin, hadden op het plegen van geweld tegen [slachtoffer 1](waar het betreft diefstal met geweld).

Poging tot doodslag?

De rechtbank is van oordeel dat noch uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte, noch uit de inhoud van het voor het bewijs beschikbare materiaal blijkt, dat verdachte of zijn medeverdachte de bedoeling hadden mw. [slachtoffer 1]aan te rijden.

De rechtbank komt vervolgens toe aan beantwoording van de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

De norm die geldt voor voorwaardelijk opzet is of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg (in dit geval het inrijden op of aanrijden tegen[slachtoffer 1]) zou intreden. Ofwel: heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg aanvaard?

De rechtbank dient te onderzoeken of uit de inhoud van het beschikbare bewijsmateriaal boven iedere redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte en/of zijn medeverdachte bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat door hun handelen[slachtoffer 1]zou kunnen worden aangereden of geraakt door het hekwerk en dientengevolge zou kunnen overlijden.

Voor het bewijs van voorwaardelijk opzet zal de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, gelet op de algemene ervaring, bepalend zijn. Er is geen grond de inhoud van het begrip aanmerkelijke kans afhankelijk te stellen van de aard of de ernst van het gevolg.

Uit de jurisprudentie is af te leiden dat de Hoge Raad van de feitenrechter verlangt dat deze zoveel mogelijk de feitelijke omstandigheden vaststelt waarop het oordeel dat er sprake is van opzet kan worden gestoeld.

De rechtbank is van oordeel dat zij niet op basis van het beschikbare bewijsmateriaal kan vaststellen op welk moment verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1], die zich achter het hek bevond waarop verdachte en zijn medeverdachte af reden, heeft gezien. Evenmin kan de rechtbank met enige mate van zekerheid vaststellen of verdachte haar ook zodanig tijdig heeft kunnen zien dat, in de zeer korte tijd tussen de eventuele waarneming van [slachtoffer 1]en het aanrijden tegen het hek, bij verdachte de bewustheid aanwezig was van de gevolgen die zijn gedragingen zouden kunnen hebben. Nu niet met enige mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 1] tijdig heeft gezien, komt de rechtbank ook niet toe aan de vraag of verdachte de aanmerkelijke kans dat dit gevolg (de aanrijding met [slachtoffer 1]) zich zou voordoen heeft aanvaard.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de bestuurder van de auto en de bijrijder in een panieksituatie verkeerden (zo heeft getuige [slachtoffer 2]verklaard dat hij reeds eerder paniek in de ogen van medeverdachte [medeverdachte] waarnam en duidt de hele handelwijze van verdachten op een paniekreactie om te ontkomen aan de gevolgen van een eventuele betrapping op heterdaad). De rechtbank acht het aannemelijk dat zij zich daarbij volledig hebben geconcentreerd op de opening naast het hek en niet op het hek zelf.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de reconstructie, aannemelijk is dat de auto waarin verdachte en zijn medeverdachte zaten, met een snelheid van tussen de 50 en 70 kilometer per uur reed op het moment van de aanrijding van het hek. Voor zover uit de beelden van de reconstructie al waar te nemen is dat de inzittenden van de auto op enig moment voordat de auto de poort naderde het slachtoffer hebben moeten zien, is naar het oordeel van de rechtbank geenszins uit te sluiten dat de tijdspanne zodanig kort was dat de bestuurder, gelet op de snelheid niet meer adequaat had kunnen reageren ter voorkoming van een aanrijding met het hek.

De rechtbank onderkent dat de gevolgen van de aanrijding met het hek en met [slachtoffer 1] zeer ernstig zijn. Bij de beoordeling of sprake is van voorwaardelijk opzet op de doodslag is echter, zoals hiervoor is aangegeven, de ernst van het ingetreden gevolg niet redengevend.

De rechtbank acht daarom de tenlastegelegde poging tot (gekwalificeerde) doodslag niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging in de zaak met parketnummer 01/849321-10, feit 1 meer subsidiair (diefstal met geweld).

De rechtbank is van oordeel dat ook voor een bewezenverklaring van het meest subsidiair tenlastegelegde, voor zover de diefstal is gevolgd van geweld, onvoldoende bewijs aanwezig is. De rechtbank kan op grond van het beschikbaar bewijsmateriaal niet vaststellen dat verdachte en zijn medeverdachte opzet hadden, ook niet in voorwaardelijke zin als hiervoor omschreven, op het plegen van geweld tegen[slachtoffer 1].

De rechtbank betrekt in haar oordeel dat zij ook niet de overtuiging heeft gekregen dat de intentie van verdachte was gericht op het plegen van enig geweld jegens[slachtoffer 1]in welke zin dan ook.

De tenlastegelegde diefstal in vereniging acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, gelet op de bekennende verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte en de aangifte van [slachtoffer 2].

Aan de meer subsidiair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt de rechtbank daarom niet toe.

Bewijsoverweging in de zaak met parketnummer 01/849321-10, feit 2.

De raadsvrouwe van verdachte stelt dat verdachte niet wist of moest vermoeden dat aan mw. [slachtoffer 1]letsel was toegebracht en daarom vrijspraak van het tenlastegelegde dient te volgen.

De rechtbank overweegt dat op grond van de verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat hij wist dat, nadat ze tegen het hek waren gereden, een persoon was geraakt en dat die persoon er waarschijnlijk slecht aan toe was.

Verdachte heeft namelijk op 26 mei 2010 bij de politie verklaard:

"Toen ik de klap aan de rechterkant van de auto had gevoeld zijn wij de poort doorgereden. Ongeveer 2 meter voorbij de poort, in de richting van de doorgaande weg, zag ik rechts voor mij iets voorbij komen. Dit zag ik in een flits. Dit was op een afstand van ongeveer 3 meter van de auto. Het kan ook minder zijn geweest. Dus dichter naar de auto. In eerste instantie dacht ik aan een onderdeel van de auto. Ik hoorde dat toen [medeverdachte] (medeverdachte) aan mij vroeg: "Was dat iemand of wat was dat"? Ik merkte dat [medeverdachte] erg geschrokken was. Toen wij op de hoofdweg reden hebben [medeverdachte] en ik met elkaar gesproken.

Ik hoorde dat [medeverdachte] zei: "Volgens mij was dat iemand. Volgens mij heeft die alles gebroken". Ik heb toen tegen [medeverdachte] gezegd: "Dat zou goed kunnen." Ik heb toen inderdaad gedacht dat dit goed mogelijk kon zijn.

De rechtbank acht daarom dit feit wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

in de zaak met parketnummer 01/849321-10:

1. meer subsidiair:

op 23 mei 2010 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen brandslangen, toebehorende aan [slachtoffer 2].

2.

op 23 mei 2010 te Geffen, gemeente Maasdonk, als degene die betrokkene was bij een verkeersongeval op het Gielekespad, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer 1]) letsel was toegebracht en hij die [slachtoffer 1]in hulpeloze toestand heeft achtergelaten;

in de zaak met parketnummer 01/840574-10:

te Berghem, gemeente Oss, op 28 maart 2010 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig (brandweervoertuig), toebehorende aan Brandweerkazerne Berghem, als bestuurder heeft gebruikt op de weg.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 01/849321-10 onder 1 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 01/849321-10 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 01/840574-0 tenlastegelegde. Hij eist een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest en verbeurdverklaring van een Volkswagen Polo en de daarbij behorende autosleutels.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf en bijkomende straf die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende. De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij in hoge mate onverantwoordelijk heeft gehandeld. Verdachte heeft het plan opgevat om samen met zijn mededader twee brandslangen/haspels te stelen. Toen ze bij die diefstal betrapt werden is verdachte in eerste instantie gevlucht en even later door zijn mededader, die de auto van verdachte bestuurde, opgepikt. Daarna zijn ze zo snel als mogelijk gevlucht. Bij het naderen van de uitgang van het terrein zagen verdachte en zijn mededader dat het toegangshek zich sloot. Toch is verdachte met zijn mededader, die de auto bestuurde, onbesuisd en met hoge snelheid doorgereden. De auto heeft, rijdend met een snelheid tussen 50 en 70 km/u, het hekwerk geraakt, waarbij[slachtoffer 1], die zich achter het hekwerk bevond, werd geraakt. De gevolgen voor het slachtoffer zijn immens. Zij is in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht waar zij langdurig ( tot 30 juli 2010) is verpleegd en waarna zij nog langdurig moet revalideren. Het slachtoffer heeft zeer ernstig en gecompliceerd letsel opgelopen met langdurige gevolgen. Ter terechtzitting is duidelijk geworden dat van volledig herstel nog geen sprake is. De mogelijkheid bestaat dat het slachtoffer de rest van haar leven de gevolgen van dit ongeval zal blijven ondervinden en dat een deel van het letsel blijvend zal zijn. Verdachte heeft zich om het lot van het slachtoffer volstrekt niet bekommerd. Terwijl verdachte wist dat een persoon was aangereden, heeft hij niets gezegd of gedaan om zijn mededader te bewegen de auto te stoppen of om hulp te gaan verlenen of in te roepen.

Na het ongeval heeft hij in eerste instantie verzwegen wat er gebeurd was.

Dat verdachte er nadien blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer aangedane leed inziet en daarover zijn spijt heeft betuigd, laat de rechtbank daarom slechts in zeer beperkte mate meewegen bij de strafoplegging.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld. Ook wordt de kans op herhaling door de reclassering en de gedragsdeskundige Van Toorn als laag ingeschat.

Op 13 september 2010 heeft drs. (naam psycholoog), GZ-psycholoog, een rapport betreffende een psychologisch onderzoek omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusies luiden onder meer, zakelijk weergegeven:

Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van autisme. Dit was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde. Deze stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in ernstige mate.

Door zijn autistisch defect heeft verdachte de consequenties van zijn handelen en de risico's die dit met zich meebracht onvoldoende kunnen overzien. Toen verdachte en zijn medeverdachte betrapt werden tijdens de diefstal, sloeg de angst al snel om in paniek en raakte verdachte het overzicht over de situatie kwijt.

Op basis hiervan is het advies om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusies en adviezen en de gronden waarop zij berusten over wat betekent dat de rechtbank verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar voor de bewezenverklaarde feiten beschouwd. De rechtbank zal bij de bepaling van de straf hiermee rekening houden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank met name opzet op de poging tot doodslag niet bewezen verklaart en verdachte derhalve vrijspreekt van poging tot doodslag.

De rechtbank is echter van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving en al hetgeen hiervoor is overwogen niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, nu uit de rapporten van drs. (naam psycholoog) van 13 september 2010 en van de reclassering van 16 september 2009, blijkt dat de kans op recidive laag is.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum genoemde inbeslaggenomen personenauto en de daarbij behorende sleutels vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - met behulp van deze auto de feiten zijn begaan of voorbereid en de auto en sleutels ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden. Immers heeft verdachte bij de politie verklaard op 26 mei 2010, dossier p. 66 e.v.) dat hij de auto zelf heeft gekocht, dat hij zelf de verzekering en de belasting en het onderhoud voor de auto betaalde en de auto op naam van zijn vader stond tot het moment dat verdachte zijn rijbewijs in bezit zou hebben.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 33, 33a, 47, 57, 310, 311.

Wegenverkeerswet 1994 art. 7, 11, 176.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 01/849321-10 onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01/849321-10 onder 1 meer subsidiair en onder 2 en het in de zaak met parketnummer 01/840574-10 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/849321-10 feit 1 (meer subsidiair):

diefstal door twee of meer verenigde personen.

T.a.v. 01/849321-10 feit 2:

overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994.

T.a.v. 01/840574-10:

overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en bijkomende straf.

gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: een personenauto,

Volkswagen Polo, kenteken [kenteken] en twee daarbij behorende autosleutels.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.P.M. Rousseau, voorzitter,

mr. I.M. Nusselder en mr. P.J. Appelhof, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 10 maart 2011.

Mr. I.M. Nusselder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.