Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP7288

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
01/849322-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8741, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:918, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet; Poging tot gekwalificeerde doodslag.

De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is van voorwaardelijk opzet terzake poging tot doodslag jegens het slachtoffer.

Verdachten vluchten na betrapping op heterdaad met een auto. Zij rijden daarbij deels een hekwerk aan waarachter zich het slachtoffer bevindt. Het slachtoffer wordt met onder meer ernstig hersenletsel in kritieke toestand naar het ziekenhuis vervoerd. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal kan niet met enige mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte(n) het slachtoffer (tijdig) hebben gezien en bewust de kans hebben aanvaard dat het slachtoffer zou worden aangereden en dientengevolge zou komen te overlijden. Er volgt in beide zaken wel een veroordeling voor onder meer diefstal in vereniging en overtreding van art. 7 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849322-10

Datum uitspraak: 10 maart 2011

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring [plaats huis van bewaring.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 september 2010, 6 december 2010 en 24 februari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 augustus 2010.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 februari 2011 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk,

althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter

uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachte rade, althans na kalm beraad en rustig

overleg, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en met

die voorbedachte rade, althans na dat beraad en overleg, met een door hem

en/of zijn mededader bestuurde auto op die [slachtoffer 1] is ingereden en/of

tegen die [slachtoffer 1] is aangereden (die zich op dat moment voor de auto van

verdachte en/of zijn mededader bevond en/of bezig was een hek te sluiten),

althans tegen een hekwerk is/zijn gereden, waarachter/waarbij die (slachtoffer 1)

zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid

(Artikel 289 Jo 45 Wetboek van Strafrecht);

subsidair, althans indien bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk,

althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter

uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met

een door hem en/of zijn mededader bestuurde auto op die [slachtoffer 1] is

ingereden en/of tegen die [slachtoffer 1] is aangereden (die zich op dat moment

voor de auto van verdachte en/of zijn mededader bevond en/of bezig was een hek

te sluiten),althans tegen een hekwerk is/zijn gereden, waarachter/waarbij die

[slachtoffer 1] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het,

bestelen/beroven van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van enig

goed (brandslangen en/of brandhaspels) (artt.310/311/312)

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren

(Artikel 288 Jo 45 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair, althans indien bovenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk,

althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter

uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met

een door hem en/of zijn mededader bestuurde auto op die [slachtoffer 1] is

ingereden en/of tegen die [slachtoffer 1] is aangereden (die zich op dat moment

voor de auto van verdachte bevond en/of bezig was een hek te sluiten), althans

tegen een hekwerk is/zijn gereden, waarachter/waarbij die [slachtoffer 1] zich

bevond terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

(Artikel 287 Jo 45 Wetboek van Strafrecht);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of gemeente Maasdonk, althans in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen brandslangen en/of brandhaspels, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader met een auto is/zijn ingereden op, althans zijn gebotst

tegen die [slachtoffer 1], althans tegen een hekwerk, waardoor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en/of een kneuzing van de hersenstam en/of een gebroken schouder en/of een gebroken bekken en/of een of meer gebroken rib(ben) en/of een kneuzing van de longen heeft bekomen (Artikel 312 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of gemeente Maasdonk, althans in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander,

althans alleen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Heesterseweg,

althans een weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn en/of zijn

mededaders schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend, met hoge, althans aanmerkelijke snelheid, onbesuisd af te rijden

op een hek dat op dat moment werd gesloten door [slachtoffer 1],

waardoor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een

schedelbasisfractuur en/of een kneuzing van de hersenstam en/of een gebroken

schouder en/of een gebroken bekken en/of een kneuzing van de longen, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan

(Artikel 6 Wegenverkeerswet);

2.

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk,

althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter

uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachte rade, althans na kalm beraad en rustig overleg,

[slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en met die

voorbedachte rade, althans na dat beraad en overleg, met een door hem en/of

zijn mededader bestuurde auto met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die

[slachtoffer 2] is ingereden/afgereden/toegereden, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid

(Artikel 289 Jo 45 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidair, althans indien bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk,

althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter

uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met

een door hem en/of zijn mededader bestuurde auto met hoge, althans

aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 2] is ingereden/afgereden/toegereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het,

bestelen/beroven van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van enig goed

(brandslangen en/of brandhaspels) (artt.310/311/312)

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(Artikel 288 Jo 45 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair, althans indien bovenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk,

althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter

uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met

een door hem en/of zijn mededader bestuurde auto met hoge, althans

aanzienlijke snelheid, op die [slachtoffer 2] is ingereden/toegereden/afgereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

(Artikel 287 Jo 45 Wetboek van Strafrecht);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of gemeente Maasdonk, althans in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen brandslangen en/of brandhaspels, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededade, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader met een auto dreigend met hoge, althans aanmerkelijke

snelheid, is/zijn ingereden/toegereden/afgereden op die [slachtoffer 2]

(Artikel 312 Wetboek van Strafrecht);

3.

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss, gemeente Oss en/of Geffen, gemeente

Maasdonk, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was

veroorzaakt, althans als degene die betrokkene was bij een verkeersongeval op

de Heesterseweg en/of het Gielekespad, de plaats van het ongeval heeft

verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer 1]) letsel en/of schade

was toegebracht en/of hij die [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand heeft

achtergelaten

(Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994).

De rechtbank gaat er van uit dat de officier van justitie met de wijziging van de tenlastelegging tevens heeft beoogd de tenlastelegging in overeenstemming te brengen met de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

Voor zover de tenlastelegging (meermalen) spreekt van subsidiair en/of meer subsidiair beschouwt de rechtbank dit aldus dat elke volgende variant als subsidiair ten opzichte van de vorige is bedoeld.

Voor zover in de tenlastelegging voor het overige taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing in de zaak met parketnummer 01/849321-10, feit 1.

Aan verdachte wordt verweten, in een aantal subsidiair tenlastegelegde feiten, dat hij (met zijn medeverdachte) getracht heeft opzettelijk[slachtoffer 1] van het leven te beroven, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg en voorafgegaan door diefstal, ofwel met zijn medeverdachte diefstal heeft gepleegd, gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1]. Uiterst subsidiair is overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet tenlastegelegd.

Voor wat betreft de primair tenlastegelegde poging tot moord is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn medeverdachte na (enig moment van) kalm beraad en rustig overleg met opzet tegen [slachtoffer 1] is aangereden of op haar is ingereden, zodat verdachte van het medeplegen van poging tot moord dient te worden vrijgesproken.

Met uitzondering van het uiterst subsidiair tenlastegelegde verkeersdelict betreffen alle overige onder 1 (subsidiair en meer subsidiair) tenlastegelegde feiten opzetdelicten en dient de rechtbank vast te stellen of verdachte en/of zijn medeverdachte opzet, minstens in voorwaardelijke zin, hebben gehad op het aanrijden van [slachtoffer 1] (voor zover het betreft poging tot (gekwalificeerde) doodslag met als gevolg dat zij tengevolge daarvan zou kunnen komen te overlijden, dan wel opzet, minstens in voorwaardelijke zin, hadden op het plegen van geweld tegen [slachtoffer 1] (waar het betreft diefstal met geweld).

Poging tot doodslag?

De rechtbank is van oordeel dat noch uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte, noch uit de inhoud van het voor het bewijs beschikbare materiaal blijkt, dat verdachte of zijn medeverdachte de bedoeling hadden [slachtoffer 1] aan te rijden.

De rechtbank komt vervolgens toe aan beantwoording van de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

De norm die geldt voor voorwaardelijk opzet is of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg (in dit geval het inrijden op of aanrijden tegen [slachtoffer 1]) zou intreden. Ofwel: heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg aanvaard?

De rechtbank dient te onderzoeken of uit de inhoud van het beschikbare bewijsmateriaal boven iedere redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte en/of zijn medeverdachte bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat door hun handelen [slachtoffer 1] zou kunnen worden aangereden of geraakt door het hekwerk en dientengevolge zou kunnen overlijden.

Voor het bewijs van voorwaardelijk opzet zal de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, gelet op de algemene ervaring, bepalend zijn. Er is geen grond de inhoud van het begrip aanmerkelijke kans afhankelijk te stellen van de aard of de ernst van het gevolg.

Uit de jurisprudentie is af te leiden dat de Hoge Raad van de feitenrechter verlangt dat deze zoveel mogelijk de feitelijke omstandigheden vaststelt waarop het oordeel dat er sprake is van opzet kan worden gestoeld.

De rechtbank is van oordeel dat zij niet op basis van het beschikbare bewijsmateriaal kan vaststellen op welk moment verdachte het slachtoffer mw. [slachtoffer 1], die zich achter het hek bevond waarop verdachte en zijn medeverdachte af reden, heeft gezien. Evenmin kan de rechtbank met enige mate van zekerheid vaststellen of verdachte haar ook zodanig tijdig heeft kunnen zien dat, in de zeer korte tijd tussen de eventuele waarneming van [slachtoffer 1] en het aanrijden tegen het hek, bij verdachte de bewustheid aanwezig was van de gevolgen die zijn gedragingen zouden kunnen hebben. Nu niet met enige mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 1] tijdig heeft gezien, komt de rechtbank ook niet toe aan de vraag of verdachte de aanmerkelijke kans dat dit gevolg (de aanrijding met[slachtoffer 1]) zich zou voordoen heeft aanvaard.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de bestuurder van de auto en de bijrijder in een panieksituatie verkeerden (zo heeft getuige [slachtoffer 2] verklaard dat hij reeds eerder paniek in de ogen van verdachte waarnam en duidt de hele handelwijze van verdachten op een paniekreactie om te ontkomen aan de gevolgen van een eventuele betrapping op heterdaad). De rechtbank acht het aannemelijk dat zij zich daarbij volledig hebben geconcentreerd op de opening naast het hek en niet op het hek zelf.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de reconstructie, aannemelijk is dat de auto waarin verdachte en zijn medeverdachte zaten, met een snelheid van tussen de 50 en 70 kilometer per uur reed op het moment van de aanrijding van het hek. Voor zover uit de beelden van de reconstructie al waar te nemen is dat de inzittenden van de auto op enig moment voordat de auto de poort naderde het slachtoffer hebben moeten zien, is naar het oordeel van de rechtbank geenszins uit te sluiten dat de tijdspanne zodanig kort was dat de bestuurder, gelet op de snelheid niet meer adequaat had kunnen reageren ter voorkoming van een aanrijding met het hek.

De rechtbank onderkent dat de gevolgen van de aanrijding met het hek en met [slachtoffer 1] zeer ernstig zijn. Bij de beoordeling of sprake is van voorwaardelijk opzet op doodslag is echter, zoals hiervoor is aangegeven, de ernst van het ingetreden gevolg niet redengevend.

De rechtbank acht daarom de tenlastegelegde poging tot (gekwalificeerde) doodslag niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging in de zaak met parketnummer 01/849322-10, feit 1 meer subsidiair

(diefstal met geweld).

De rechtbank is van oordeel dat ook voor een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde, voor zover de diefstal is gevolgd van geweld, onvoldoende bewijs aanwezig is. De rechtbank kan op grond van het beschikbaar bewijsmateriaal niet vaststellen dat verdachte en zijn medeverdachte opzet hadden, ook niet in voorwaardelijke zin als hiervoor omschreven, op het plegen van geweld tegen[slachtoffer 1].

De rechtbank betrekt in haar oordeel dat zij ook niet de overtuiging heeft gekregen dat de intentie van verdachte was gericht op het plegen van enig geweld jegens [slachtoffer 1] in welke zin dan ook.

De tenlastegelegde diefstal in vereniging acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, gelet op de bekennende verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte en de aangifte van [slachtoffer 2].

Aan de meer subsidiair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt de rechtbank daarom niet toe.

Bewijsoverweging in de zaak met parketnummer 01/849322-10, feit 3.

De raadsman van verdachte stelt dat, gelet op de impact van het ongeluk, bij verdachte naar alle waarschijnlijkheid niet of onvoldoende is doorgedrongen dat er een persoon betrokken was bij de botsing tegen het hek en dat zij behoorden te stoppen om haar te helpen.

De rechtbank overweegt dat op grond van de verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat hij wist dat, nadat ze tegen het hek waren gereden, een persoon was geraakt en dat die persoon er waarschijnlijk slecht aan toe was.

Verdachte heeft op 27 mei 2010 bij de politie verklaard:

"Wij reden van slagboom B rechtdoor, toen sloegen wij rechtsaf richting de poort. Ik weet niet hoe hard we reden. Het zal ongeveer 20 km harder zijn geweest dan op het parkeerterrein. De poort schoof langzaam dicht. Ik zag dat er een vrouw bij de poort stond. De auto kon er net doorheen. Ik zag dat de vrouw achteruit viel. Ze viel meteen op de grond. Ik zag dat het hoofd van de vrouw richting de Heesterseweg lag. [medeverdachte] moet de vrouw ook hebben gezien. Ik zei tegen [medeverdachte] dat het nu helemaal fout was gelopen en dat hij het nu helemaal klaar had gemaakt. We zijn niet gestopt we wilden gewoon weg daar. Ik zag de vrouw rechts naast mij neervallen."

De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank deze verklaring.

Medeverdachte [medeverdachte]heeft immers op 26 mei 2010 bij de politie verklaard:

"Toen ik de klap aan de rechterkant van de auto had gevoeld zijn wij de poort doorgereden. Ongeveer 2 meter voorbij de poort, in de richting van de doorgaande weg, zag ik rechts voor mij iets voorbij komen. Dit zag ik in een flits. Dit was op een afstand van ongeveer 3 meter van de auto. Het kan ook minder zijn geweest. Dus dichter naar de auto. In eerste instantie dacht ik aan een onderdeel van de auto. Ik hoorde dat toen [verdachte] aan mij vroeg: "Was dat iemand of wat was dat"? Ik merkte dat [verdachte] erg geschrokken was. Toen wij op de hoofdweg reden hebben [verdachte] en ik met elkaar gesproken.

Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Volgens mij was dat iemand. Volgens mij heeft die alles gebroken". Ik heb toen tegen [verdachte] gezegd: "Dat zou goed kunnen." Ik heb toen inderdaad gedacht dat dit goed mogelijk kon zijn.

De rechtbank acht daarom dit feit wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. meer subsidiair:

op 23 mei 2010 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen brandslangen, toebehorende aan [slachtoffer 2].

2. subsidiair:

op 23 mei 2010 te Geffen, gemeente Maasdonk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem bestuurde auto met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 2] is ingereden/afgereden/toegereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het bestelen van [slachtoffer 2] van enig goed (brandslangen)

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

3.

op 23 mei 2010 te Geffen, gemeente Maadonk, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, op het Gielekespad, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer 1]) letsel was toegebracht en hij die [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand heeft

achtergelaten.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

De raadsman van verdachte stelt dat verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging vanwege de schulduitsluitingsgrond van psychische overmacht. Volgens de raadsman kon van verdachte onder de gegeven omstandigheden, gelet op zijn staat van paniek en de korte tijd waarin hij een beslissing moest nemen, niet worden gevergd om anders te handelen dan hij deed.

De rechtbank concludeert op grond van de inhoud van de pleitnota dat dit verweer geldt ten aanzien van de poging tot (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer 2].

De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met zijn medeverdachte heeft gesproken over het wegnemen van de brandslangen. Samen zijn ze toen met de auto van zijn mededader naar het terrein bij de Geffense Plas gereden. Het was verdachte duidelijk dat het plan was om die brandslangen weg te nemen. Verdachte heeft een slang in de auto gelegd. Hij stond toen bij de auto en zijn medeverdachte gaf de slang aan. Verdachte zag toen [slachtoffer 2] lopen en is in paniek geraakt. Hij is toen in de auto gestapt en weggereden.

Tijdens het rondrijden heeft hij [slachtoffer 2] weer gezien. Verdachte verklaart dat hij toen zag dat [slachtoffer 2] met stenen gooide. Hij verklaart dat het juist is, zoals hij bij de politie eerder heeft verklaard, dat [slachtoffer 2] toen recht voor de auto stond en hij denkt dat hij [slachtoffer 2] had geraakt als die niet was weggesprongen.

[slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat de bestuurder van de auto paniek in de ogen had.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte onder grote druk heeft gehandeld.

Handelen onder grote druk brengt echter niet zonder meer mee dat het handelen onvermijdelijk was en dat dit handelen de dader niet kan worden verweten.

De rechtbank stelt vast dat bij verdachte geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is vastgesteld (rapport van (naam psychiater), psychiater i.o en dhr. (naam psychiater 2) forensisch psychiater, gedateerd 29 juli 2010). Deze deskundigen concluderen tevens dat er ten tijde van het tenlastegelegde bij verdachte ook geen sprake was van een psychische stoornis. Voorts mag worden aangenomen, nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, dat bij verdachte op een normale wijze het normbesef aanwezig is dat hij een ander niet van het leven mag beroven. De deskundigen (rapport d.d. 29 juli 2010) concluderen dat het bij verdachte aanwezige onvermogen om adequaat te handelen in een acute situatie bij verdachte wel heeft meegespeeld in de keuzes die hij ten tijde van het tenlastegelegde gemaakt heeft, maar dat de matig ontwikkelde persoonlijkheid en onrijpheid van verdachte zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde niet zodanig hebben beïnvloed dat zijn handelen daaruit kan worden verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport niet volgen dat verdachte niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt door de verdediging ook op grond van feiten en omstandigheden die buiten de persoon van verdachte zijn gelegen, niet voldoende duidelijk gemaakt waarom de druk voor verdachte om zo te handelen zo zwaar was dat verdachte daaraan geen weerstand kon noch hoefde te bieden en dat verdachte nauwelijks een andere keuze had dan met aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 2] in te rijden of toe te rijden.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat andere, minder verstrekkende reacties van verdachte denkbaar en mogelijk waren geweest. Concluderend acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte heeft gehandeld in een toestand van psychische overmacht.

Subsidiair heeft de raadsman van verdachte en beroep gedaan op feitelijke dwaling. Volgens de raadsman is verdachte niet strafbaar omdat bij verdachte een onjuiste voorstelling van zaken bestond als gevolg van een dwaling in de feitelijke realiteit.

Dit levert naar de raadsman stelt een schulduitsluitingsgrond op en dient te leiden tot afwezigheid van alle schuld.

De rechtbank concludeert op grond van de inhoud van de pleitnota en hetgeen de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd dat dit verweer nog geldt ten aanzien van de onder 3 tenlastegelegde overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet en dat verdachte kennelijk dwaalde over de aard van de aanrijding en de gevolgen daarvan.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte heeft op 27 mei 2010 bij de politie verklaard:

"De poort schoof langzaam dicht. Ik zag dat er een vrouw bij de poort stond. De auto kon er net doorheen. Ik zag dat de vrouw achteruit viel. Ze viel meteen op de grond. Ik zag de vrouw rechts naast mij neervallen.

Ik zag dat het hoofd van de vrouw richting de Heesterseweg lag. [medeverdachte] moet de vrouw ook hebben gezien. Ik zei tegen [medeverdachte] dat het nu helemaal fout was gelopen en dat hij het nu helemaal klaar had gemaakt. We zijn niet gestopt we wilden gewoon weg daar."

Ter terechtzitting van 24 februari 2010 heeft verdachte verklaard:

"Ik herinner me dat. Ik heb gezien dat de kleding van die persoon paars/donkerblauw was. Ik zag op dat moment niet dat het een vrouw betrof. Ik zag een persoon. Die persoon was aan de achterzijde aan de kant van de grote weg, niet aan onze kant want wij reden op de linkse strook. Ik zag halverwege het raampje van de passagierskant dat die persoon achterover viel. Ik herinner me dat we iets geraakt hebben met de auto, ik dacht toen aan de poort. Ik denk dat we de poort in elk geval geraakt hebben. Vlak daarna zag ik die persoon achterover, terug vallen, in de richting van de grote weg. Ze lag met hoofd richting grote weg, dat heb ik gezien. Ik durf niet meer te zeggen hoe ver de poort nog open was. Ik zag wel duidelijk, toen we net voor de poort waren, dat de poort dicht ging."

De rechtbank is van oordeel, gelet op hetgeen verdachte hierover zelf heeft verklaard, dat niet aannemelijk is dat op het moment van het verlaten van de plaats van het ongeval bij verdachte verontschuldigbare onwetendheid bestond omtrent de feitelijkheden.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 01/849321-10 onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 01/849321-10 onder 1 subsidiair en 2 subsidiair en onder 3 tenlastegelegde. Hij eist een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

Voorts vordert hij dat een inbeslaggenomen jack aan verdachte wordt teruggegeven.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf en bijkomende straf die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de draagkracht.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende.

De rechtbank rekent verdachte vooral zwaar aan dat hij onverantwoordelijk heeft gehandeld. Verdachte heeft het plan opgevat om samen met zijn mededader twee brandslangen/haspels te stelen. Toen ze bij die diefstal betrapt werden is verdachte in eerste instantie met de auto gevlucht terwijl zijn mededader te voet wegvluchtte. Bij zijn vlucht heeft verdachte getracht aan [slachtoffer 2], die hen bij de diefstal had betrapt, te ontkomen. Daarbij is hij met de door hem bestuurde auto op die [slachtoffer 2] ingereden. Even later heeft verdachte zijn mededader opgepikt. Daarna zijn ze zo snel als mogelijk gevlucht. Bij het naderen van de uitgang van het terrein zagen verdachte en zijn mededader dat het toegangshek zich sloot. Toch is verdachte, die de auto bestuurde (de rechtbank acht dit gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] het geval), met zijn mededader onbesuisd en met aanzienlijke snelheid doorgereden. De auto heeft, rijdend met een snelheid tussen 50 en 70 km/u, het hekwerk geraakt, waarbij [slachtoffer 1], die zich achter het hekwerk bevond, werd geraakt. De gevolgen voor het slachtoffer zijn immens. Zij is in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht waar zij langdurig ( tot 30 juli 2010) is verpleegd en waarna zij nog langdurig heeft moeten revalideren. Het slachtoffer heeft zeer ernstig en gecompliceerd letsel opgelopen met langdurige gevolgen. Ter terechtzitting is duidelijk geworden dat van volledig herstel nog geen sprake is. De mogelijkheid bestaat dat het slachtoffer de rest van haar leven de gevolgen van dit ongeval zal blijven ondervinden en dat een deel van het letsel blijvend zal zijn. Verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor genoemde [slachtoffer 2] in het leven geroepen en heeft zich om het lot van [slachtoffer 1], die gewond achterbleef na de aanrijding met het hek, volstrekt niet bekommerd. Terwijl verdachte wist dat een persoon was aangereden, is hij niet gestopt om hulp te gaan verlenen of in te roepen.

Dat verdachte er nadien blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer aangedane leed inziet en daarover zijn spijt heeft betuigd, laat de rechtbank derhalve slechts in zeer beperkte mate meewegen bij de strafoplegging.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte wegens strafbare feiten soortgelijk aan de door hem gepleegde feiten blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister niet eerder werd veroordeeld. Ook wordt de kans op herhaling door de reclassering als laag ingeschat. De rechtbank neemt tenslotte in aanmerking dat uit zowel de

inhoud van de verklaringen van verdachte, [slachtoffer 2] als uit de rapportages van de reclassering en de gedragsdeskundige blijkt, dat deels sprake is geweest van een paniekreactie, zij het met bijzonder ernstige gevolgen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en zij van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving en al het hiervoor overwogene niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Geen toepassing van jeugdsancties.

In het Pro Justitia rapport van 29 juli 2010 van (naam psychiater 2), forensisch psychiater en (naam psychiater), psychiater in opleiding wordt aangegeven dat de persoon van verdachte nog onvoldoende is uitontwikkeld en dat hij sterk afhankelijk is van zijn ouders. Rapporteurs adviseren het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank volgt evenwel het rapport, opgemaakt door psychiater (naam psychiater 3)

d.d. 21 november 2010, omtrent de detentiegeschiktheid van verdachte. Hierin wordt verdachte beschreven als iemand met een wat vertraagde persoonlijkheidsontwikkeling die sterk afhankelijk is van zijn ouders en die een wat kinderlijke indruk op rapporteur maakt.

Er is echter geen sprake van aperte stoornissen in de persoonlijkheidsontwikkeling of een verstandelijke beperking en hij is gemiddeld intelligent.

Ook heeft verdachte ter zitting op de rechtbank een relatief stabiele, evenwichtige indruk gemaakt en heeft de rechtbank ervan kennis genomen dat verdachte tijdens de detentie zijn laatste examen van het VMBO-k heeft afgerond.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om sancties uit het jeugdstrafrecht op verdachte toe te passen en wijst het verweer van de raadsman af.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het inbesslaggenomen, niet teruggegeven jack aan verdachte nu het belang van strafvordering zich niet langer verzet tegen teruggave daarvan aan verdachte.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 45, 57, 287, 288, 310, 311.

Wegenverkeerswet 1994 art. 7, 176.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, subsidiair, meer subsidair en onder 2 primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair, het onder 2 subsidiair en onder 3 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 meer subsidiair:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

T.a.v. feit 2 subsidiair:

poging tot doodslag, voorafgegaan door diefstal door twee of meer verenigde

personen, terwijl de poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en een andere deelnemer aan het misdrijf

straffeloosheid of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

T.a.v. feit 3:

overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht.

Beslissing met betrekking tot inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave van een inbeslaggenomen jack aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.P.M. Rousseau, voorzitter,

mr. I.M. Nusselder en mr. P.J. Appelhof, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 10 maart 2011.

Mr. I.M. Nusselder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.