Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP5782

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/3720 en 11/207
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ontheffing ex artikel 3.23 van de Wro en bouwvergunning voor het vergroten van een vrijstaande woning. In geschil is de uitbreiding van een garage/berging tot (nagenoeg) op de erfgrens. Onder de Wabo is hiervoor geen omgevingsvergunning vereist. Voldaan is aan het bepaalde in artikel 2, derde lid onder a en c t/m f van bijlage II van het Bor. De omstandigheid dat de woning zelf nog niet is opgericht staat er niet aan in de weg dat deze wordt aangemerkt als het “oorspronkelijke” hoofdgebouw. Geen procesbelang.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Besluit omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht 2.3
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.23
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 4.1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/152
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/6810

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 10/3720

AWB 11/207

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2011

inzake

[Verzoeker A] en [Verzoeker B],

te [woonplaats],

verzoekers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden,

verweerder,

gemachtigde mr. J.A.M. Hermans.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder] te [woonplaats], vergunninghouder, gemachtigde mr. E. Beele

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2010, verzonden 14 oktober 2010, heeft verweerder ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening van het bestemmingsplan “Kom Nieuwkuijk” en een bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] te [woonplaats] voor het vergroten van een vrijstaande woning op het perceel aan de [perceel] te [plaats], kadastraal bekend [kadastergegevens].

Tegen laatstgenoemd besluit hebben verzoekers bij brief van 17 november 2010 beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder AWB 10/3720.

Bij brief van 16 januari 2011, ontvangen 18 januari 2011, hebben verzoekers tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Reg.nr. AWB 11/207.

Bij uitspraak van 18 januari 2011 (reg.nr. AWB 11/207) heeft de voorzieningenrechter het besluit van 8 oktober 2010 geschorst en bepaald dat partijen worden opgeroepen om op 2 februari 2011 ter zitting te verschijnen teneinde te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De zaak is behandeld op de zitting van 2 februari 2011, waar verzoekers zijn verschenen in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Verder zijn verschenen de derde belanghebbende en [A], bijgestaan door de hierboven genoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is onder meer artikel 8:86 van de Awb van overeenkomstige toepassing.

3. Ingevolge 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld, en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak.

5. De feiten zijn als volgt.

Op 1 september 2008 heeft verweerder onder het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) bouwvergunning verleend voor de woning, ter vergroting waarvan het thans aan de orde zijnde bouwplan strekt. Deze bouwvergunning is inmiddels onherroepelijk.

Het onderhavige bouwplan voorziet in het vergroten van de (nog op te richten) woning met een aanbouw aan de achterzijde van de woning, het oprichten van een serre aan de linker zijgevel en de verbreding van de garage/berging die is geprojecteerd aan de zijde van het perceel die grenst aan het perceel van verzoekers. Het beroep van verzoekers heeft uitsluitend betrekking op dit laatste onderdeel van het bouwplan. De uitbreiding van de garage/berging heeft tot gevolg dat deze (nagenoeg) tot op de erfgrens zal zijn gesitueerd.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan ‘Kom Nieuwkuijk’.

Verweerder heeft medewerking aan het bouwplan verleend met toepassing van artikel 4.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (oud).

7. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) meerdere keren heeft overwogen (zie onder meer haar uitspraak van 16 juli 2003, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=AH9900" target="_blank" >AH9900</a>, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl), kan een belanghebbende bij de ter zake bevoegde rechter slechts opkomen tegen een besluit, indien hij bij het instellen van dat rechtsmiddel een rechtens relevant belang heeft. Dat wil zeggen dat hij door het instellen van het rechtsmiddel in een gunstiger positie zou kunnen geraken.

8. Alvorens toe te kunnen komen aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of verzoekers nog belang hebben bij beoordeling van de rechtmatigheid van het door hen bestreden besluit. In dit verband is van belang dat op 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking is getreden. Deze wet voorziet in de samenvoeging van in verschillende wettelijke regelingen neergelegde stelsels van vergunningen en toestemmingen, waaronder het in de Woningwet neergelegde verbod tot bouwen zonder bouwvergunning. Hiervoor in de plaats is in de Wabo het verbod opgenomen tot het verrichten van daarin beschreven activiteiten zonder omgevingsvergunning.

9. De gemachtigde van vergunninghouder heeft in dit verband ter zitting naar voren gebracht dat voor het oprichten van het onderhavige bouwwerk onder vigeur van de Wabo geen omgevingsvergunning is vereist. Verweerder heeft zich bij dit betoog aangesloten.

Indien dit standpunt juist is, kunnen verzoekers met de onderhavige procedure niet in een gunstiger positie komen te verkeren. Gegrondverklaring van het door verzoekers ingestelde beroep en vernietiging van het bestreden besluit -ook indien daaraan het oordeel ten grondslag zou liggen dat verweerder niet tot verlening van bouwvergunning had mogen besluiten- kan er dan immers niet aan afdoen dat het vergunninghouder op grond van de Wabo thans zou vrijstaan de aanbouw op te richten, zonder over een omgevingsvergunning te beschikken.

10. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt.

11. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (..),

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (..),

d. t/m i. (..).

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor), dat ook op 1 oktober 2010 in werking is getreden.

12. Artikel 2.3, tweede lid, van het Bor luidt als volgt:

In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

13. Artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II van het Bor luidt -voor zover hier relevant- als volgt:

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voor zover op een afstand van niet meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

1° 4 m,

2° 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

3° het hoofdgebouw,

b. (..);

c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,

e. het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende achtererfgebied als gevolg van het bijbehorende bouwwerk voor niet meer dan 50% bebouwd, en

f. niet aan of bij:

1° een woonwagen,

2° een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden, of

3° een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden.

14. Op grond van de bij het bestreden besluit behorende bouwtekening stelt de voorzieningenrechter vast dat de als bijbehorend bouwwerk aan te merken garage/berging zal zijn gesitueerd in achtererfgebied op niet meer dan 2,5 meter van de als hoofdgebouw aan te merken woning, waartegen deze zal worden aangebouwd. De omstandigheid dat de woning zelf nog niet is opgericht, staat er voorts niet aan in de weg dat deze wordt aangemerkt als het ‘oorspronkelijke’ hoofdgebouw. De voorzieningenrechter vindt steun voor deze opvatting in de nota van toelichting bij het onderhavige onderdeel van het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 133). Uit deze toelichting komt naar voren dat een bijbehorend bouwwerk ook omgevingsvergunningvrij mag worden gebouwd direct na, gelijktijdig met of in hetzelfde bouwproces zelfs kort voor de oprichting van het hoofdgebouw. Aan de hand van de bouwtekening kan worden vastgesteld dat de garage/berging ook overigens voldoet aan het bepaalde in voormeld artikel 2, derde lid onder a en c t/m f. van bijlage II van het Bor.

Gelet hierop moet dan ook worden geoordeeld dat voor de uitvoering van het in geschil zijnde onderdeel van het bouwplan thans geen (omgevings)vergunning meer is vereist.

15. Dit betekent dat verzoekers door het instellen van het onderhavige beroep niet (meer) in een gunstigere positie kunnen geraken, zodat in dit opzicht enig procesbelang ontbreekt.

Nu gesteld noch gebleken is van andere redenen op grond waarvan een procesbelang zou moeten worden aangenomen, zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Aldus is een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit niet (meer) aan de orde.

16. Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak vervalt, gelet op het bepaalde in artikel 8:85, tweede lid, van de Awb, de bij uitspraak van 18 januari 2011 getroffen voorlopige voorziening van rechtswege.

17. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de proceskosten dan wel verweerder op te dragen het griffierecht te vergoeden.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- stelt vast dat de getroffen voorlopige voorziening van rechtswege is vervallen.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. J.F.M. Emons als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de beslissing in de hoofdzaak, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: