Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP5647

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
220960 HA ZA 10/2553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mediationclasule in overeenkomst leidt niet tot niet-ontvankelijkheid en/of onbevoegdheid van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0145
Prg. 2011/101

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 220960 / HA ZA 10-2553

Vonnis in incident van 23 februari 2011

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. C.M.G.M. van Eijndhoven te Boxtel,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

zonder bekende woon- of verblijplaats in en buiten Nederland,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CRESCENDO PROPERTY MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. J.H.B. Crucq te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [B c.s.] en [L c.s.] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte waarbij zijdens [B c.s.] beslagstukken worden overgelegd

- de incidentele conclusie houdende niet-ontvankelijkheid althans exceptie van onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. [L c.s.] vordert dat de rechtbank eisers niet-ontvankelijk verklaart althans de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [B c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

2.2.1. [L c.s.] baseren hun (incidentele) vordering op artikel 7 van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Daarin is bepaald dat partijen geschillen over de uitvoering en of de inhoud van de overeenkomst voor zullen leggen aan een mediator. [B c.s.] stellen zich op het standpunt dat er geen sprake is van een geschil over de uitvoering of inhoud van de overeenkomst en bovendien het bepaalde in artikel 7 er niet toe kan leiden dat [B c.s.] niet-ontvankelijk wordt verklaard dan wel de rechtbank onbevoegd is van de vordering van [B c.s.] kennis te nemen.

2.2.2. Een mediationclausule als artikel 7 van de overeenkomst tussen partijen kan niet gelijk gesteld worden met een arbitraal beding of een beding waarin partijen zijn overeengekomen een tussen hen gerezen geschil voor te leggen aan een bindend adviseur.

Kenmerkend voor arbitrage en bindend advies is dat een door partijen aangewezen derde in plaats van de gewone rechter op voor partijen bindende wijze beslist op een geschil dat partijen verdeeld houdt. Dat is niet het geval bij mediation.

Dat neemt niet weg dat, gelet op de mediationclausule, [B c.s.] in beginsel gehouden was het geschil aan een mediator voor te leggen. Mediation gaat echter uit van bereid- en vrijwilligheid van beide partijen, hetgeen met zich brengt dat één van partijen zich kan terugtrekken en zich kan wenden tot de rechter. Van niet-ontvankelijkheid van [B c.s.] en/of onbevoegdheid van de rechtbank kennis te nemen van de vordering is dan ook geen sprake.

Een en ander is voor de rechtbank wel reden bij gelegenheid van de te bevelen comparitie na antwoord, mogelijke verwijzing naar mediation uitdrukkelijk aan de orde te stellen.

2.3. De rechtbank acht termen aanwezig de beslissing omtrent de kosten aan te houden totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten aan totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 april 2011 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2011.