Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP4568

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
01/833053-10, 01/ 833062-10 en 01/824076-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6694, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte is veroordeeld voor het plegen van ontucht met een 15-jarig meisje, het maken van een filmpje (met zijn GSM) van seksuele handelingen door minderjarige personen, openlijk geweld en diefstal van een GSM. Opgelegd is: plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren (met verplicht contact met de jeugdreclassering), een werkstraf van 160 uur met aftrek van voorarrest, en het betalen van schadevergoedingen aan twee benadeelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummers: 01/833053-10, 01/ 833062-10 en 01/824076-10 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 14 februari 2011

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting met gesloten deuren van 13 september 2010, 11 november 2010 en 31 januari 2011.

Op 31 januari 2011 heeft de rechtbank de tegen verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 9 augustus 2010 (01/833053-10) en

30 december 2010 (01/833062-10 en 01/824076-10).

Nadat de tenlastelegging in de zaken met parketnummers 01/833053-10 en 01/833062-10 op de terechtzitting van 31 januari 2011 zijn gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:

in de zaak met parketnummer 01/833053-10:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2010 tot en met de maand februari 2010 te Best, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1995) (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit

het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende

verdachte die [slachtoffer 1] gedwongen te dulden

- dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus en/of mond van

die [slachtoffer 1] duwde/bracht/hield en/of

- dat verdachtes mededader diens penis in de vagina en/of anus en/of mond van

die [slachtoffer 1] duwde/bracht/hield

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of zijn

mededader (telkens)

heeft gedreigd de omstandigheid/het feit dat die [slachtoffer 1] eerder (tegen haar wil) seksuele handelingen had verricht met [medeverdachte 1] te zullen openbaren, indien zij niet (dezelfde) seksuele handelingen bij hem, verdachte, zou verrichten en/of verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer 1] (telkens) heeft bedreigd om een eerder gemaakt filmpje, waarop sexuele handelingen te zien zijn tussen [medeverdachte 2] en [slachtoffer 1], te zullen openbaren en/of (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

(incident 1 van het eindproces-verbaal 2010032317)

Artikel 242 Wetboek van Strafrecht.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2010 tot en met de maand februari 2010 te Best, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1995), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft/hebben gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1],

hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd/gehouden en/of hebbende verdachtes mededader diens penis in de

vagina en/of anus van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd/gehouden;

Artikel 245 Wetboek van Strafrecht.

2.

hij op of omstreeks 07 juli 2009 te Best, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum] 1993) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

het wrijven over en/of betasten van de borsten en/of bovenbenen van die [slachtoffer 2] voornoemd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het verstrekken van

alcoholische drank (wijn) en/of (een) jointje(s) waardoor [slachtoffer 2]in een

verminderde staat van bewustzijn terecht kwam en/of niet in staat was

adequaat verweer te voeren en/of voornoemde [slachtoffer 2] tegenhouden op het moment

dat zij weg wilde gaan;

(incident 2 van het eindproces-verbaal 2010032317, pagina 293 e.v.)

Artikel 246 Wetboek van Strafrecht.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 juli 2009 te Best, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum] 1993) die toen de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

het wrijven over en/of betasten van de borsten en/of bovenbenen van die [slachtoffer 2];

Artikel 247 Wetboek van Strafrecht.

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand november 2009 tot en met februari 2010 te Best, in elk geval in Nederland, één of meermalen een afbeelding (filmpje) en/of een gegevensdrager, (telkens) heeft verspreid en/of aangeboden

en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad,

terwijl op die afbeelding(en) en/of gegevensdrager(s) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken, welke voornoemde afgebeelde seksuele gedraging(en) (ondermeer) bestonden uit

een of meer (deels) naakte personen (zijnde [medeverdachte 2] en [slachtoffer 1]), die bij elkaar seksuele handelingen (pijpen en/of vaginaal/anaal neuken) verrichten;

Artikel 240b Wetboek van Strafrecht.

In de zaak met parketnummer 01/833062-10:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand juli 2009 tot en met de maand december 2009 te Best, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 1993) (telkens) heeft gedwongen tot

het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer 3], hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

die [slachtoffer 3] gedwongen te dulden dat verdachte en/of zijn mededader zijn

penis en/of zijn vinger(s) in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 3] duwde/bracht/hield en/of zijn tong in de mond van die [slachtoffer 3] duwde/bracht/hield

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of zijn

mededader(s)

met die [slachtoffer 3] naar een (meer) afgelegen plaats zijn gegaan en/of die

[slachtoffer 3] van haar fiets af heeft getrokken en/of die [slachtoffer 3]geslagen

en/of gestompt en/of (met kracht) de mond van die [slachtoffer 3]heeft

opengehouden/ opengedaan en/of heeft gedreigd een filmpje met seksuele handelingen op

internet te zetten, in elk geval te openbaren en/of die [slachtoffer 3] heeft

gedreigd in elkaar te slaan en/of (aldus) voor die [slachtoffer 3] een bedreigende

situatie heeft doen ontstaan;

(zie eindproces-verbaal 2010114415)

Artikel 242 Wetboek van Strafrecht.

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand juli 2009 tot en met 21 december 2009 te Best, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 1993), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft/hebben gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3],

hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of zijn vingers in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 3] gebracht/geduwd/gehouden en/of hebbende verdachtes mededader diens penis en/of zijn vingers in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 3] gebracht/geduwd/gehouden;

(zie eindproces-verbaal 2010114415)

Artikel 245 Wetboek van Strafrecht.

In de zaak met parketnummer 01/824076-10:

1.

hij op of omstreeks 21 januari 2010 te Best met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Stationsstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4], welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen van die [slachtoffer 4];

(parketnummer 01/824076-10)

(Artikel 141 Wetboek van Strafrecht);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 januari 2010 te Best opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 4]), heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

(Artikel 300 Wetboek van Strafrecht).

2.

hij in of omstreeks de periode van 17 april 2010 tot en met 18 april 2010 te Best met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (van het merk Samsung en type Gtb3410), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(parketnummer 01/824454-10)

(Artikel 310 Wetboek van Strafrecht).

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing in de zaak met parketnummer 01/833053-10.

Feit 1.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 01/833053-10 onder 1 primair en subsidiair is tenlastegelegd.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van de maand januari 2010 tot en met de maand februari 2010 (samen met een ander of anderen) de toen veertienjarige [slachtoffer 1] heeft verkracht dan wel dat hij met haar ontuchtige handelingen zou hebben verricht.

[slachtoffer 1] heeft geen aangifte van deze feiten gedaan maar is (naar aanleiding van een melding bij de politie door haar moeder) op 4 maart 2010 gehoord in een zeden informatief gesprek. Zij heeft toen verklaard dat ze ongeveer anderhalve maand geleden twee of drie keer seks heeft gehad met verdachte (einddossier p. 80-81). Bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 3 november 2010 heeft ze daarover verklaard dat ze niet precies weet wanneer ze seks met verdachte heeft gehad, maar dat ze hem gepijpt had en met hem geneukt heeft. Ze had eerder seks gehad met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Ze heeft met verdachte seks gehad omdat verdachte anders aan anderen zou vertellen dat ze met [medeverdachte 1] seks had gehad. Ze denkt dat de seks met verdachte een week later was.

De moeder van [slachtoffer 1] heeft op 6 juli 2010 bij de politie verklaard (einddossier p. 207) dat haar dochter [slachtoffer 1] haar had verteld dat ze seks had gehad met haar vriend [medeverdachte 2] en met twee andere jongens. Door de politie zijn verder nog andere personen gehoord. Al deze personen verklaren dat ze van anderen hebben gehoord dat [slachtoffer 1] seks heeft gehad met verdachte.

Verdachte ontkent dat hij seks heeft gehad met [slachtoffer 1].

Volgens het tweede lid van art. 342 Wetboek van Stafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden voormelde getuigenverklaringen onvoldoende kwalitatieve ondersteuning voor de verklaring van [slachtoffer 1] omdat al deze verklaringen direct te herleiden zijn tot de verklaring van [slachtoffer 1] zelf.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiar tenlastegelegde.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de door de Hoge Raad aan het steunbewijs gestelde eisen, waarvan onder meer blijkt uit het arrest van de Hoge Raad d.d.

26 januari 2010.

Feit 2 primair.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 01/833053-10 onder 2 primair (aanranding) is tenlastegelegd.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte wordt verweten dat hij op 7 juli 2009 de toen vijftienjarige [slachtoffer 2] heeft aangerand, waarbij door verdachte voorafgaand aan de aanranding aan die [slachtoffer 2] alcoholische drank en een joint is verstrekt waarna die [slachtoffer 2]werd gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.

De te bewijzen dwang ziet volgens de tenlastelegging op het verstrekken van drank en een joint, waardoor zij in een verminderde staat van bewustzijn kwam dan wel niet in staat was adequaat te handelen.

Verdachte verklaart daarover (einddossier p. 307):

Ik was samen met [getuige 1] en [slachtoffer 2]bij een speeltuintje in Best. [getuige 1]schonk voor iedereen wat wijn in een bekertje en stak toen een joint op. [slachtoffer 2]vroeg of ze ook een paar hijsen mocht. Ik zag dat [getuige 1]de joint aan [slachtoffer 2]gaf.

[getuige 1]] verklaart (einddossier p. 305):

Ik heb met [verdachte] en [slachtoffer 2]in Best bij een speeltuintje gezeten. Het kan zijn dat [slachtoffer 2]alcohol heeft gedronken en softdrugs heeft gebruikt. We hebben toen Canei gedronken en een joint gerookt. Ik had de Canei en de joint geregeld.

[slachtoffer 2]verklaart in haar aangifte (einddossier p. 296):

Op 7 juli 2009 spraken [verdachte]en ik af om elkaar te ontmoeten bij een speeltuintje bij mij in de straat. Ik zag dat [verdachte]en [getuige 1]voor de deur stonden en we zijn naar het speeltuintje gegaan. Ik zag dat [getuige 1]een volle wijnfles in zijn hand had. In het speeltuintje zijn [verdachte]en ik op een bankje gaan zitten. [getuige 1]stond daarbij. [verdachte]vroeg of ik ook een jointje wilde en of ik dat spul wilde drinken. Ik zei dat ik wel een hijs van de joint wilde. Ze zeiden dat de drank wel lekker was. Ik zei toen dat ik wel wat wijn wilde. Hierop werd de drank uit een fles in een bekertje geschonken. Ik dronk uit het bekertje. Ik heb een paar hijsjes van de joint genomen.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen geen bewijs opleveren voor de voor een bewezenverklaring vereiste dwang zoals in de tenlastelegging is verwoord. Nu het dossier geen voor een bewezenverklaring redengevende andere feiten of omstandigheden bevat, dient verdachte naar het oordeel van de tenlastegelegde aanranding te worden vrijgesproken.

De bewijsbeslissing in de zaak met parketnummer 01/833062-10.

Aan verdachte is primair tenlastegelegd de verkrachting van [slachtoffer 3]en subsidiair dat verdachte samen met een ander of anderen met haar, terwijl ze nog geen zestien jaar oud was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

De rechtbank acht beide feiten niet bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Op 29 juli 2010 werd met [slachtoffer 3]na uitnodiging door de politie een zeden informatief gesprek gevoerd nadat uit opsporingsonderzoek naar voren was gekomen dat zij mogelijk seksuele handelingen had verricht met en/of bij verdachte en [medeverdachte 2]. Hierna deed zij aangifte op 30 juli 2010 tegen verdachte en [medeverdachte 2] vanwege het feit dat beiden haar gedurende de periode juli 2009 tot en met december 2009 op diverse openbare plaatsen in de gemeente Best seksueel misbruikt hadden in die zin dat zij haar in genoemde periode bij benadering 15 keer zouden hebben verkracht en/of aangerand. Zij verklaarde dat verdachte en [medeverdachte 2] bij haar seksuele handelingen verricht hebben en zij bij hen seksuele handelingen heeft moeten verrichten geheel tegen haar wil.

Door de politie is op 28 juli 2010 [getuige 2]als getuige gehoord (dossier p. 86 e.v.). Op 5 augustus 2010 is [getuige 3] als getuige gehoord (dossier p. 94 e.v.).

Beiden verklaren dat [slachtoffer 3]hen heeft verteld over seksuele handelingen die ze tegen haar wil had moeten verrichten bij verdachte en [medeverdachte 2].

Ze moest hen telkens pijpen als ze daarom vroegen. Ze vertelde ook dat ze door hen uitgekleed werd terwijl ze dit niet wilde. [slachtoffer 3] moest vervolgens met [verdachte]en [medeverdachte 2] seks hebben, ze heeft met hen moeten neuken. [verdachte]en [medeverdachte 2] zouden haar ook gevingerd hebben.

De moeder van [slachtoffer 3], [getuige 4], is op 6 augustus 2010 eveneens door de politie gehoord (dossier p. 99 e.v.). Ze verklaart dat [slachtoffer 3] met haar heeft gesproken over [medeverdachte 2] en [verdachte. [slachtoffer 3] vertelde haar dat ze haar verkracht hebben en dat ze een van hen heeft moeten pijpen. Dit vertelde ze haar moeder nadat de politie [slachtoffer 3] had gebeld om haar te horen. Ze vroeg aan [slachtoffer 3] of ze haar ook verkracht hadden. [slachtoffer 3] vertelde dat [medeverdachte 2] en/of [verdachte]haar verkracht hadden. Ook vertelde [slachtoffer 3] dat ze hen had moeten pijpen.

Ook is [getuige 5], een vriendin van [slachtoffer 3], door de politie gehoord op 14 augustus 2010 (dossier p. 104 e.v.). Zij verklaart dat [slachtoffer 3] haar vertelde dat ze was gevingerd door [medeverdachte 2] en [verdachte]. Hierna had [slachtoffer 3] nog twee keer verteld dat er seksuele handelingen hadden plaatsgevonden tussen haar en [medeverdachte 2] en [verdachte]. [slachtoffer 3] zei dat ze had toegegeven omdat [verdachte]en [medeverdachte 2] het perse wilden. Ze zei dat ze daarom hen maar had gepijpt.

Verdachte beroept zich met betrekking tot het tenlastegelegde op zijn zwijgrecht.

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier vast dat er sprake is geweest van contacten tussen verdachte en [slachtoffer 3]. Ook neemt de rechtbank op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen aan dat er sprake was van seksuele handelingen tussen [slachtoffer 3]en verdachte en/of [medeverdachte 2]. Verdachte heeft ten aanzien van dat aspect geen verklaring afgelegd. Uit die proceshouding van verdachte kan de rechtbank echter geen bewijs ontlenen voor de omstandigheid dat verdachte tegen de wil van [slachtoffer 3]seksuele handelingen met en/of bij haar heeft verricht.

Volgens het tweede lid van art. 342 Wetboek van Stafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Hoewel [slachtoffer 3]in haar uitvoerige verklaring bij haar aangifte consistent heeft verklaard, leveren de feiten en omstandigheden in het dossier, waarover de getuigen [getuige 4, getuige 2, getuige 5 en getuige 3 verklaren, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs op voor de verklaring van aangeefster dat zij seksuele handelingen onder dwang moest ondergaan of seksuele handelingen moest dulden.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden geen van deze verklaringen voldoende kwalitatieve ondersteuning voor de verklaring van [slachtoffer 3]voor zover die inhoudt dat zij gedwongen werd deze handelingen te ondergaan of te dulden. Deze verklaringen zijn direct te herleiden tot de verklaring van [slachtoffer 3]zelf, omdat [slachtoffer 3] hun dat (soms achteraf) heeft verteld.

Ook voor het overige bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen relevante feiten en omstandigheden die tot het bewijs kunnen bijdragen.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de door de Hoge Raad aan het steunbewijs gestelde eisen, waarvan onder meer blijkt uit het arrest van de Hoge Raad d.d.

26 januari 2010.

Het komt erop neer dat de rechtbank van oordeel is dat de aangifte van [slachtoffer 3]onvoldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, met name ten aanzien van (het verloop van) de dwang, maar eveneens hoe het kwam dat de contacten met de verdachten steeds opnieuw plaatsvonden en waardoor aan de verkrachtingen/het misbruik een einde kwam.

Dit geldt naar het oordeel ook voor het subsidiair tenlastegelegde nu de voor het bewijs redengevende feiten en omstandigheden terzake het seksueel binnendringen ook slechts uit de verklaring van [slachtoffer 3]zelf te herleiden zijn.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 01/833062-10 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs.

In de zaak met parketnummer 01/833053-10, feit 2 subsidiair.

De raadsman heeft aangevoerd dat de tenlastegelegde ontuchtige handelingen niet kunnen worden bewezen omdat er naast de aangifte van [slachtoffer 2] zelf geen aanvullend bewijs is.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte en [getuige 1]] verklaren gelijkluidend over wat er voorafgaand aan de tenlastegelegde gedragingen in het speeltuintje is voorgevallen. Ze hebben [slachtoffer 2]thuis opgehaald en zijn naar het speeltuintje gegaan om wat te kletsen. Ze hebben samen met [slachtoffer 2]wijn gedronken en een joint gerookt. Op een gegeven moment voelde [slachtoffer 2]zich niet goed, hetgeen ook verdachte en [getuige 1]] hebben waargenomen. [slachtoffer 2]is kort daarop weggerend en naar de woning van haar vriendin [getuige 6] gegaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 2]niet onzedelijk heeft betast maar wel bij haar schouder heeft aangeraakt. Ook [getuige 1]] verklaart dat [slachtoffer 2]niet onzedelijk is betast.

[getuige 6] verklaart dat [slachtoffer 2]aan de deur stond, dat [slachtoffer 2]huilde en in paniek was. Ze vertelde dat ze niet lekker was. [slachtoffer 2]was niet aanspreekbaar. De volgende dag vertelde [slachtoffer 2], zo verklaart [getuige 6] op 22 juli 2010 tegenover de politie (aanvullend proces-verbaal d.d. 22 juli 2010) dat ze door twee jongens was aangeraakt, dat ze dit niet had gewild en dat ze was weggelopen.

De moeder van [slachtoffer 2], getuige [getuige 7], verklaart op 26 juli 2010 tegenover de politie (aanvullend proces-verbaal d.d. 26 juli 2007) dat [slachtoffer 2]haar vertelde dat ze door één van de jongens was betast en dat die jongen met haar hand in haar truitje had gezeten en haar borst had betast. [slachtoffer 2]vertelde dat ze dit niet wilde, in paniek is geraakt en naar het huis van [getuige 6] was gelopen. De moeder van [slachtoffer 2]verklaart dat haar dochter aangeslagen en emotioneel was toen ze dit vertelde.

Ze verklaart ook dat er een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de ouders van verdachte en haar man, waar [getuige 6], [slachtoffer 2]en verdachte bij aanwezig waren en dat ze van haar man heeft gehoord dat verdachte toen gezegd heeft dat hij haar inderdaad had betast.

Getuige [getuige 2]heeft ook het verhaal gehoord van [slachtoffer 2].

Hij verklaart (einddossier p. 3010) dat [slachtoffer 2]na aandringen vertelde dat ze met [verdachte]en [getuige 1] samen was geweest en dat ze (onder meer) met de handen over haar borsten hadden gewreven.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer 2]over wat haar is overkomen steun in de verklaringen van haar moeder en van [getuige 6]. Hoewel deze getuigen niets uit eigen wetenschap kunnen verklaren over hetgeen op dat bankje zou zijn gebeurd, hebben zij wel op authentieke en waarachtige wijze verklaard wat zij ten aanzien van [slachtoffer 2]in lichamelijk en emotioneel opzicht hebben waargenomen, (vrijwel) direct na het gebeuren. Getuige [getuige 6] verklaart over de paniek bij [slachtoffer 2]en haar lichamelijke toestand, waarna de ambulance werd gebeld. [slachtoffer 2]heeft de getuigen de volgende dag verteld dat zij onzedelijk was betast. De rechtbank neemt bij de beoordeling van het bewijs tevens in aanmerking dat verdachte en [getuige 1]] er zich bewust van waren dat [slachtoffer 2]zich niet goed voelde toen ze wegrende, maar haar desondanks niet hebben vergezeld, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank gelet op de door verdachte en [getuige 1]] geschetste omstandigheden redelijkerwijs wel had moeten worden verwacht.

De rechtbank acht op grond van (onder meer maar niet uitsluitend) de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

In de zaak met parketnummer 01/833053-10, feit 3.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat betwist wordt dat er een filmpje bestaat waarop [slachtoffer 1] en [medeverdachte 2] te zien zijn terwijl zij sex met elkaar hebben en zo dit filmpje zou bestaan, in het dossier op geen enkele wijze aannemelijk wordt gemaakt dat verdachte dit filmpje heeft gemaakt.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte ontkent het bestaan van het filmpje, en verklaart in elk geval geen filmpje gemaakt te hebben.

[slachtoffer 1] is hierover op 4 maart 2010 gehoord in een zeden informatief gesprek. Zij heeft toen verklaard dat ze anderhalve maand geleden seks gehad had met [medeverdachte 2] in de ruimte van de nooduitgang van het station in Best (halfweg/eind januari 2010) en dat ze zag dat [verdachte](verdachte) daarvan een filmpje maakte met een mobiele telefoon. [medeverdachte 2] had haar van achteren geneukt en vervolgens had zij hem gepijpt. Ze stond achter een muurtje en was daarom deels in beeld gekomen. [medeverdachte 2] heeft het filmpje korte tijd daarna laten zien aan [getuige 8], in haar bijzijn, maar ze mocht niet meekijken, aldus [slachtoffer 1].

Getuige [getuige 9] (einddossier p. 202) verklaart:

[slachtoffer 1] vertelde dat ze seks had gehad met [medeverdachte 2]. Ze zei dat ze ook nog iets met [medeverdachte 2] op het station had gedaan en dat het opgenomen was. Ze zei dat ze daar seks had gehad met [medeverdachte 2] en dat het was opgenomen met een cameraatje of een telefoon.

De moeder van [slachtoffer 1], [getuige 10] (einddossier p. 207) verklaart dat [slachtoffer 1] tegen haar zei dat er een filmpje van was gemaakt toen ze seks had met [medeverdachte 2]. Voor zover zij weet heeft [getuige] op 24 februari 2010 gezegd dat het filmpje al openbaar was. [medeverdachte 2] is goed zichtbaar op het filmpje.

Getuige [getuige 8] (einddossier p. 211) verklaart het volgende.

Ik heb iets gehoord in de buurt. Daar heb ik ook gehoord wie erbij betrokken waren. Dit waren [verdachte], [medeverdachte 2]en [medeverdachte 1]. U vertelt mij dat er een filmpje is gemaakt. U vraagt mij wat ik weet over dat filmpje. Ze hebben een filmpje gemaakt waarin ze met haar bezig zijn. Van andere mensen hoorde ik dat er een filmpje van [slachtoffer 1] is gemaakt. [medeverdachte 2] heeft het filmpje laten zien waar anderen ook bij waren. Ik zag dat hij een telefoon in zijn hand had. Ik zag dat de zon op het schermpje scheen. Ik hoorde hem zeggen: 'moet je kijken, ik neem haar'. Ik zag op het filmpje geen duidelijk beeld. Ik zag wel dat [medeverdachte 2] iemand vast pakte en ik zag dat het beeld bewoog. Ik hoorde [medeverdachte 2] zeggen: 'kijk dat ben ik, ik heb [slachtoffer 1] geneukt'. Voor mij was het wel duidelijk dat ze geneukt hadden. Ik zag dat de benen van [slachtoffer 1] bloot waren. Ik weet niet meer wat ik van [medeverdachte 2] zag. Ik zag dat ze staand bezig waren tegen een muur. Ik zag dat de beelden van opzij waren gemaakt. Ik zag dat [medeverdachte 2] het meisje vastpakte met beide handen. Ik zag dat er op en neer gaande bewegingen waren. Bij het laten zien van het filmpje begon hij ook te lachen. U vraagt mij wie het filmpje heeft gemaakt. Ik denk een vriend van hem. Ik denk [verdachte], omdat hij altijd bij [medeverdachte 2] is. Ik heb ook gehoord dat [verdachte]het filmpje heeft gemaakt. Ik hoorde bij het laten zien van het filmpje dat er geroepen werd wie het filmpje heeft gemaakt. Ik hoorde dat de naam van [verdachte]genoemd werd.

Ook getuige [getuige 11] (einddossier p. 215) verklaart over het filmpje. Hij verklaart:

Ik weet ook dat er een filmpje is. Toen [medeverdachte 2] haar, [slachtoffer 1], zat te neuken was dat gefilmd. Ik weet dat bijna de hele school dat filmpje heeft gezien. Ik heb gehoord van [getuige 12] dat er op het filmpje te zien was dat er geneukt is.

Getuige [getuige 3] (einddossier p. 235) verklaart:

[slachtoffer 1] heeft een relatie gekregen met [medeverdachte 2]. Dat weet ik van [slachtoffer 1] zelf. [slachtoffer 1] vertelde me dat ze een filmpje van haar gemaakt hadden, ze waren toen wel iets aan het doen op het gebied van seks met haar.

Getuige [medeverdachte 1] verklaart (einddossier p. 243):

Toen [medeverdachte 2] mij het filmpje op zijn telefoon liet zien, zag ik dat het beneden bij het station in Best was. [medeverdachte 2] stond achter het meisje en was het meisje aan het neuken. Het meisje was van achteren opzij gefilmd. Ik denk daarom dat iemand anders het filmpje heeft gemaakt want [medeverdachte 2] kon dat in die houding niet. Het filmpje was gemaakt op het station in Best achter de deur van de nooduitgang. [verdachte]was een vriend van mij. [medeverdachte 2] kende [verdachte]ook wel. [verdachte]heeft het filmpje op het station gemaakt. Iedereen in Best weet dat [verdachte]dat filmpje gemaakt heeft.

Verdachte verklaart bij de politie op 30 juni 2010 (einddossier p. 286) dat hij en [medeverdachte 2] wel eens samen met [slachtoffer 1] in Best op het station bij de nooduitgang zijn geweest.

De rechtbank acht op grond van (onder meer maar niet uitsluitend) de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het filmpje heeft vervaardigd.

In de zaak met parketnummer 01/824076-10.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte de openlijke geweldpleging erkent (feit 1) maar dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de telefoon heeft weggenomen (feit 2).

De rechtbank overweegt hieromtrent dat aangeefster [slachtoffer 5] op 18 april 2010 verklaart dat ze op die datum haar mobiele telefoon, een zwarte Samsung, buiten op tafel liet liggen toen ze haar vriend [naam vriend] gedag ging zeggen en dat toen slechts [getuige 13]en [verdachte]nog in de tuin zaten. [verdachte]zat in de buurt van haar gsm.

Later was haar gsm weg. Ze zegt dat [naam vriend] geen gelegenheid heeft gehad haar gsm weg te nemen.

[getuige 13] verklaart: Ik zat aan tafel. [verdachte]zat achter me. [slachtoffer 5] en [naam vriend] waren in het gangetje achter de woning. Toen we gingen opruimen toen iedereen weg was, bleek de gsm van [slachtoffer 5] weg te zijn. [verdachte]was de enige die toegang had tot die gsm. Toen [verdachte]achter me zat kon ik niet zien wat hij deed. Verder was er toen niemand buiten.

[getuige 14] verklaart:

Op een dag na het verjaardagsfeestje van [slachtoffer 5] kwam [verdachte]naar mij toegelopen. Hij vroeg me of ik een gsm nodig had. Hij zei me dat hij nog een mooie gsm had en liet me een zwarte gsm zien. Later sprak ik [slachtoffer 5] en die vertelde dat haar nieuwe gsm was gestolen toen ze haar verjaardag vierde. De beschrijving die ze van haar gsm gaf, kon wel kloppen met de gsm die [verdachte]mij liet zien.

De vader van [slachtoffer 5], verklaart:

Ik zag op de verjaardag van [slachtoffer 5] dat [getuige 14] en [verdachte]alleen in de tuin zaten. [getuige 14] zat met haar rug naar [verdachte]. [verdachte]zat op de plaats waar mijn dochter gezeten had en ik zag dat hij iets van tafel pakte precies op de plek waar [slachtoffer 5] haar gsm had neergelegd.

Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht.

De rechtbank constateert dat verdachte door zijn proceshouding de mogelijkheid onbenut laat een verklaring te geven voor het feit dat hij een dag na de diefstal van de gsm, een gsm van hetzelfde merk en dezelfde kleur te koop heeft aangeboden.

Het kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden niet anders zijn dan dat verdachte degene is geweest die de telefoon heeft weggenomen. De rechtbank acht de diefstal van de gsm door verdachte dan ook bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

in de zaak met parketnummer 01/833053-10:

2. subsidiair:

op 07 juli 2009 te Best met [slachtoffer 2](geboren [geboortedatum] 1993) die toen de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het wrijven over en betasten van de borsten en bovenbenen van die [slachtoffer 2];

3.

in de periode van de maand november 2009 tot en met februari 2010 te Best, (een) afbeelding(en) (filmpje) heeft vervaardigd, terwijl op die afbeelding(en) seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt, waren betrokken, welke voornoemde afgebeelde seksuele gedragingen (ondermeer) bestonden uit

(deels) naakte personen (zijnde [medeverdachte 2]en [slachtoffer 1]), die bij elkaar seksuele handelingen (pijpen en/of vaginaal/anaal neuken) verrichten.

In de zaak met parketnummer 01/824076-10:

1.

op 21 januari 2010 te Best met een ander, op of aan de openbare weg, de Stationsstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4], welk geweld bestond uit het slaan en stompen van die [slachtoffer 4];

2.

omstreeks 18 april 2010 te Best met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (van het merk Samsung en type Gtb3410), toebehorende aan [slachtoffer 5].

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Omtrent de persoon van verdachte zijn op 10 januari 2011 (in de zaken met parketnummers 01/833062-10 en 01/824076-10) en op 20 januari 2011 (in de zaak met parketnummer 01/833053-10) rapporten uitgebracht door psycholoog mw. drs. K.T.E. Zászlós.

Zakelijk weergegeven houden deze rapporten onder meer in,

met betrekking tot parketnummer 01/833053-10:

Bij [verdachte]is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie. Hiermee samenhangend vertoont hij een zwakke impuls- en agressieregulatie, moeite met regels en gezag en een onrijpe gewetensontwikkeling. Bij [verdachte]is tevens sprake van een cognitief functioneren op zwakbegaafd niveau. Hiermee samenhangend beschikt hij over een gering inzicht, heeft hij moeite met oorzaak-gevolg relaties en kan het functioneren van zijn geweten als onrijp worden beschouwd.

Met betrekking tot parketnummers 01/833062-10 en 01/824076-10 voorts:

Er is sprake van gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie. Daarnaast is sprake van zwakbegaafdheidsproblematiek.

Met betrekking tot het feit met parketnummer 01/824076-10 kan worden gesteld dat [verdachte]weliswaar in staat is het strafrechtelijk ontoelaatbare van zijn handelswijze in te zien, maar dat hij op grond van zijn gebrekkige ontwikkeling onvoldoende in staat is zijn wil conform dat besef te bepalen. Ondergetekende zou willen adviseren hem als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Voorts zijn omtrent de persoon van verdachte op 10 januari 2011 (in de zaak met parketnummer 01/833053-10) en op 20 januari 2011 (in de zaak met parketnummers 01/833062-10 en 01/824076-10) rapporten uitgebracht door kinder- en jeugdpsychiater mw. A.X. Rutten. Zakelijk weergegeven houden deze rapporten onder meer in:

Er is bij onderzochte sprake van een gedragsstoornis en zwakbegaafdheid.

Dit was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, indien bewezen, eveneens

het geval. De gedragsstoornis en zwakbegaafdheid beïnvloedden de gedragskeuzes van onderzochte c. q. zijn gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde, indienbewezen. Samenhangend met de gedragsstoornis kost het onderzochte moeite om zich in een ander te verplaatsen en de grenzen van een ander te respecteren eventueel ten nadele van hemzelf. Er is bij onderzochte behoefte aan snelle behoeftebevrediging.

De zwakbegaafdheid versterkt dit in de zin dat onderzochte hiermee samenhangend

de gevolgen van zijn handelen niet goed kan overzien.

Geadviseerd wordt om onderzochte als licht verminderd toerekeningsvatbaar ten

aanzien van het ten laste gelegde, indien bewezen, te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Met de conclusies van de deskundigen houdt de rechtbank bij de bepaling van de strafbaarheid van verdachte in het voordeel van verdachte rekening in die zin dat de rechtbank verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar beschouwt.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert (terzake parketnummer 01/833053-10 onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3, terzake parketnummer 01/833062-10 primair en terzake parketnummer 01/824076-10 onder 1 primair en 2) dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaar onvoorwaardelijk wordt opgelegd.

Daarnaast vordert zij jeugddetentie voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.

Voorts vordert zij voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toewijzing van een bedrag van € 5090,-- en niet ontvankelijkheid verklaring voor het meer gevorderde. Voor wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2]en[slachtoffer 5] vordert zij de gehele toewijzing van beide vorderingen. Voor alle vorderingen met toepassing van de maatregel tot schadevergoeding en wettelijke rente.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf en maatregel die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate van het leed dat aan de slachtoffers is aangedaan, te weten een ernstige aantasting van lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer, alsmede dat verdachte zich om het lot van de slachtoffers kennelijk volstrekt niet heeft bekommerd.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:

- uit de omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapporten van mw. drs. K.T.E. Zászlós en mw. A.X. Rutten blijkt, dat de door hem gepleegde strafbare feiten in licht verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend;

- de jeugdige leeftijd van verdachte.

De op te leggen maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De rapporten van psycholoog drs. K.T.E. Zászlós houden voorts onder meer in, zakelijk weergegeven:

Bij [verdachte]is sprake van een zwakke impuls- en agressieregulatie. Door zijn egocentrische houding en zwakke empathische vermogens kan het functioneren van zijn geweten als lacunair worden beschouwd. [verdachte]beschikt tevens over een gering inzicht, heeft moeite met oorzaak-gevolg relaties en overziet de consequenties van zijn handelen onvoldoende of

niet.

Bij leeftijdgenoten is [verdachte]gevoelig voor negatieve beïnvloeding. Omwille van aanzien en erkenning en om erbij te horen laat hij zich al snel meeslepen in het grensoverschrijdend gedrag van de ander. Ouders hebben onvoldoende zicht op het functioneren van hun zoon buitenshuis en op school en zijn geneigd hem te veel in bescherming te nemen.

De hierboven geschetste factoren beïnvloeden elkaar in negatieve zin.

Indien de feiten bewezen worden geacht, is de ontkennende houding van [verdachte]zeer zorgelijk en in dat geval neemt hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn grensoverschrijdend handelen. Het gewelddadige aspect in de problematiek van [verdachte], het recidivegevaar, zijn

ontkennende houding en zorgelijke ontwikkeling vraagt om een intensieve behandeling in een gesloten intramurale setting voor jongeren met beperkte cognitieve vaardigheden, zodat hij gestimuleerd wordt meer verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden en inzicht krijgt in zijn aandeel en handelswijze tijdens het delictgedrag. Naast aandacht voor zijn impuls- en agressieregulatieproblemen, beïnvloedbaarheid en onrijpe morele ontwikkeling is er een gerichte behandeling nodig voor de scheefgroei in zijn seksuele ontwikkeling. Gezien zijn cognitieve beperkingen wordt gedacht aan een gedragsmatig georiënteerde vorm van behandeling in een instelling zoals Den Hey-Acker. Wat betreft het strafrechtelijk kader wordt gedacht aan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Het is van belang dat ouders betrokken worden bij de behandeling van hun zoon.

De rapporten van psychiater mw. A.X. Rutten houden voorts onder meer in, zakelijk weergegeven:

Indien onderzochte niet verder begeleid zou worden, is de kans op recidive groot.

De defecte gewetensvorming, het onvermogen zich in een ander te verplaatsen en niet

kunnen uitstellen, zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen.

De ouders van onderzochte staan pal achter hem maar zijn mede daardoor niet meer in staat om elementen onder ogen te zien die minder goed lopen in het leven van

onderzochte. Hierdoor ontstaat een eenzijdig beeld. Ouders lijken het als falen te ervaren als zij zouden toegeven dat bepaalde dingen bij onderzochte niet helemaal

goed lopen. Onderzochte heeft de delicten, indien bewezen, niet alleen gepleegd.

Onderzochte lijkt zich sterk te laten beïnvloeden door leeftijdsgenoten.

Deze factoren beïnvloeden onderzochte in ongunstige zin.

Geadviseerd wordt om onderzochte een PIJ-maatregel op te leggen indien de ten

laste gelegde feiten worden bewezen. De PIJ-maatregel wordt in het belang geacht van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van onderzochte omdat onderzochte naast het verkrijgen en volhouden van dagbesteding tijdens het verblijf in de PIJ-inrichting onder

meer seksuele voorlichting zal krijgen aangeboden en een training met daarin het element sociale vaardigheid..

Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, wordt een langdurig intensief behandeltraject nodig geacht.

In het adviesrapport van de William Schrikker Jeugdreclassering van 25 januari 2011, opgemaakt door [naam medewerker], jeugdreclasseringswerker en [naam medewerker], inhoudelijk manager bij voornoemde instelling, wordt geadviseerd aan verdachte een onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen.

De rechtbank neemt de adviezen in zoverre over dat de rechtbank de maatregel voorwaardelijk zal opleggen.

De rechtbank overweegt dat de hierna te kwalificeren feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank baseert zich daarbij op voornoemde rapporten van de gedragsdeskundigen en het advies van de jeugdreclassering.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank, gelet op de vastgestelde gedragsstoornis van verdachte, van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van na te melden duur passend en geboden is.

Op dit moment ziet de rechtbank, gelet op de leeftijd van verdachte, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde misdrijven en gelet op het blanco strafblad van verdachte onvoldoende aanleiding om de maatregel onvoorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank zal daarom bepalen dat deze plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaar aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft.

De rechtbank zal, gelet op voormelde door de psycholoog en psychiater geconstateerde gedragsstoornis, een bijzondere voorwaarde in het vonnis opnemen, met inachtneming van het advies dat is vervat in het op 25 januari 2010 uitgebrachte rapport van de William Schrikker Jeugdreclassering. In haar brief van 28 januari 2011 heeft de Raad voor de Kinderbescherming bericht dat zij zich verenigt met voormelde rapportage.

Met de voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, wil de rechtbank enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

De rechtbank acht de vordering ten bedrage van € 350,-- in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2009 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5].

De rechtbank acht de vordering ten bedrage van € 129,95 in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 36f, 77a, 77g, 77h, 77l, 77m, 77n,

77s, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141, 240b, 246, 310.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 01/833053-10 onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair is tenlastegelegd, en in de zaak met parketnummer 01/833062-10 primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01/833053-10 onder 2 subsidiair en onder 3 en in de zaak met parketnummer 01/824076-10 onder 1 primair en 2 is tenlastegelegd, bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/833053-10 feit 2 subsidiair:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

T.a.v. 01/833053-10 feit 3:

een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen.

T.a.v. 01/824076-10 feit 1 primair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

T.a.v. 01/824076-10 feit 2:

diefstal.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. 01/833053-10 feit 2 subsidiair, feit 3, 01/824076-10 feit 1 primair, feit 2:

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaar, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de aanwijzingen hem in het kader van jeugdreclassering te geven door of namens het Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, Wal 20, 5611 GG Eindhoven (uit te voeren door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering), ook indien dit inhoudt dat veroordeelde zal deelnemen aan een ambulante behandeling bij een instelling welke de jeugdreclassering geschikt acht.

Verleent opdracht aan voornoemd Bureau om aan de veroordeelde terzake van de naleving van deze bijzondere voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Werkstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen jeugddetentie, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten werkstraf.

T.a.v. 01/833053-10 feit 2 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 350,00 subsidiair 7 dagen jeugddetentie.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]van een bedrag van EUR 350,-- (zegge: driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.

Het bedrag betreft immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

T.a.v. 01/824076-10 feit 2:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 129,95 subsidiair 2 dagen jeugddetentie.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] van een bedrag van EUR 129,95 (zegge: éénhonderd negenentwintig euro en vijfennegentig eurocent ), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.

Het bedrag betreft materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 18 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van EUR 350,-- (zegge: driehonderdvijftig euro). Dit betreft een immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5], van een bedrag van

EUR 195,95 (zegge: éénhonderd negenentwintig euro en vijfennegentig eurocent ).

Dit betreft een materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. 01/824076-10 feit 2, 01/833062-10 primair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3]in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Beslissing omtrent de voorlopige hechtenis.

Opheffing van het in de zaak met parketnummer 01/833053-10 tegen verdachte

verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige

hechtenis is met ingang van 6 augustus 2009 reeds geschorst.

Opheffing van het in de zaak met parketnummer 01/833062-10 tegen verdachte

verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige

hechtenis is met ingang van 17 september 2009 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. van Lokven, voorzitter, tevens kinderrechter-plv.,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. M.A. Becking, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 14 februari 2011.

10

Parketnummers: 01/833053-10, 01/ 833062-10 en 01/824076-10 (ter terechtzitting gevoegd)

[verdachte]