Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP3849

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
01/840603-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX4110, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Seksueel misbruik van een verstandelijk beperkte vrouw. De rechtbank acht - anders dan de verdediging heeft bepleit - bewezen dat de vrouw op een kinderlijk niveau functioneert, heel beïnvloedbaar is en onvoldoende weerbaar is, ook op seksueel gebied. Zij acht ook bewezen dat verdachte dit wist. Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij reeds de gevolgen van zijn handelen heeft ondervonden doordat hij zijn baan is kwijtgeraakt. Vanwege de kwetsbaarheid van het slachtoffer, het feit dat de seksuele handelingen meerdere keren hebben plaatsgevonden en ook hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het slachtoffer, legt de rechtbank een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk op. Als voorwaarde geldt reclasseringstoezicht, ook met het oog op het werk dat verdachte tijdens de proeftijd zal verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/840603-10

Datum uitspraak: 10 februari 2011

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 december 2010.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2010 tot en met 28 februari 2010 te Veghel en/of Schijndel, in elk geval in

Nederland, met [mevrouw X], van wie hij, verdachte, wist dat die

[mevrouw X] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of

lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige

ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [mevrouw X] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of

kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, (telkens) een of meer

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [mevrouw X], hebbende verdachte

meermalen, althans eenmaal, een vibrator en/of een trilei, in elk geval een

voorwerp en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [mevrouw X]

geduwd/gebracht en/of zijn penis in de mond van die [mevrouw X]

gebracht/geduwd en/of zijn tong in de mond van die [mevrouw X]

gebracht/geduwd;

[artikel 243 Wetboek van Strafrecht]

2.

hij op een of meer tijstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2010

tot en met 28 februari 2010 te Schijndel en/of Veghel, in elk geval in

Nederland, met [mevrouw X], van wie hij, verdachte, wist dat die [mevrouw X] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke

onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of

ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die [mevrouw X]

niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of

kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,(telkens) een of meer

ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten van de (al dan niet ontblote) borsten en/of vagina van die [mevrouw X] en/of

- het doen/laten vasthouden en/of betasten van en/of kussen op en/of likken

aan/over zijn, verdachtes, penis door die [mevrouw X] en/of

- het aftrekken van zichzelf in aanwezigheid van die [mevrouw X] en/of

- het kussen op de mond bij die [mevrouw X];

[artikel 247 Wetboek van Strafrecht]

3.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 08 februari 2010 tot en met

28 februari 2010 te Schijndel, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [mevrouw Y]

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handeling(en), bestaande uit het betasten van de borst(en) van die [mevrouw Y]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (met kracht)

dichtduwen/sluiten van de deur van de ruimte waarin verdachte en [mevrouw Y] zich bevonden en/of het (vervolgens) knuffelen, in elk geval stevig

vastpakken van die [mevrouw Y] en/of het (vervolgens) onverhoeds vastpakken

van en/of wrijven over de borst(en) en/of de buik van die [mevrouw Y]

[artikel 246 Wetboek van Strafrecht].

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde:

Verdachte is op 1 januari 2009 als kok/werkbegeleider in loondienst getreden bij [naam Stichting] te Schijndel. Hij was werkzaam bij lunchroom [naam lunchroom] en [naam winkel]. Naast verdachte waren daar nog een aantal personen in loondienst, een aantal vrijwilligers en een aantal personen met een beperking werkzaam, waaronder [mevrouw X]. Daarnaast hield verdachte zich bezig met het vervoer van [mevrouw X]. Hij haalde haar ’s ochtends op bij haar ouders in haar woonplaats Erp en bracht haar aan het einde van haar werkdag weer naar huis. (1) In de periode van 1 januari 2010 tot 28 februari 2010 hebben er in de auto onderweg van de lunchroom naar de woning van [mevrouw X] meerdere malen seksuele handelingen tussen verdachte en [mevrouw X] plaatsgevonden. Dat gebeurde in Veghel en in Schijndel. Verdachte heeft zijn vingers in de vagina van [mevrouw X] geduwd/gebracht en zijn penis en zijn tong in haar mond gebracht. Daarnaast heeft hij haar al dan niet blote borsten en vagina betast, haar op haar mond gekust, zich afgetrokken in haar aanwezigheid en zij heeft zijn penis vastgehouden en gelikt (2-3). [mevrouw X] was in deze periode 24 jaar oud. (4)

Het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van 1 en 2:

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe heeft zij – kort samengevat – aangevoerd dat verdachte wist, althans de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat aangeefster aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling leed dat zij daardoor niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte van het onder 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde:

In de eerste plaats betwist de verdediging dat er bij [mevrouw X] sprake was van een zodanige gebrekkige ontwikkeling dat zij haar wil omtrent seksuele handelingen niet of onvolkomen kon bepalen of kenbaar kon maken of weerstand daartegen kon bieden. Een deskundigenverklaring daaromtrent ontbreekt.

Voor zover er al sprake was van een gebrekkige ontwikkeling als zojuist bedoeld, betwist de verdediging dat verdachte daar wetenschap van had. Daarbij heeft de verdediging verwezen naar het arrest van de Hoge Raad, gepubliceerd in NJ 1997, 600.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

De raadsman heeft aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt van enig bewijs dat de aangifte van [mevrouw Y] ondersteunt. De enige andere ter zake doende verklaring van [betrokkene 1] is direct terug te voeren naar de aangifte en de verklaring van [mevrouw Y]. Voorts zijn er volgens de verdediging redenen te twijfelen aan de aangifte van [mevrouw Y]. De raadsman bepleit vrijspraak van feit 3.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (handelingen met [mevrouw X]):

Welke seksuele handelingen

Vast staat dat verdachte seksuele handelingen met [mevrouw X] heeft gepleegd, zoals onder de vaststaande feiten genoemd. Die handelingen bestonden mede uit het seksueel binnendringen van [mevrouw X]. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte met een trilei of vibrator het lichaam van [mevrouw X] is binnengedrongen (5), aangezien verdachte wel heeft bekend een trilei te hebben gebruikt, maar hij dat volgens hem slechts bij haar clitoris heeft gehouden. Uit het studioverhoor van [mevrouw X] blijkt niet met voldoende zekerheid of er sprake was van seksueel binnendringen met het trilei.(6)

Achtergrond strafbaarstelling

De wetgever heeft een balans gezocht tussen aan de ene kant de bescherming van kwetsbare burgers zoals geestelijk gehandicapten en aan de andere kant hun vrijheid om aan eigen seksuele verlangens uitdrukking te geven. Dat blijkt uit de wetsgeschiedenis van artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht. (7) Seksuele handelingen met een geestelijke gehandicapte zijn niet strafbaar, tenzij die persoon als gevolg van de gebrekkige ontwikkeling van zijn/haar geestvermogens niet of onvolkomen in staat is zijn/haar wil daaromtrent te bepalen, kenbaar te maken of weerstand daartegen te bieden. Verder is voor strafbaarheid vereist dat degene die die seksuele handelingen verricht wist dat de geestelijk gehandicapte - kort gezegd - zijn/haar wil daaromtrent niet of onvolkomen kon bepalen, kon kenbaar maken of weerstand kon bieden.

Ontwikkeling geestvermogens [mevrouw X]

De moeder van [mevrouw X] heeft het volgende over de beperkingen van haar dochter verklaard. [mevrouw X] heeft vanaf haar geboorte een verstandelijke beperking en fucntioneert op het niveau van een 8 a 9 jarig kind. Het IQ van [mevrouw X] is ongeveer 50. Qua uiterlijk valt dit niet te zien. Pas als ze gaat praten of als je even met haar bezig bent merk je dat zij geen “normale meid” is. Ze doet niet altijd wat een ander haar opdraagt, soms zegt ze nee. Ze kan absoluut niet goed voor zichzelf opkomen. Als je een paar keer zegt dat het moet dan doet ze het. (8)

[betrokkene 2], de eigenaresse van [naam lunchroom], heeft hierover kort gezegd het volgende verklaard. [mevrouw X] heeft een beperking. Als je haar niet kent, zie je dat niet. Op het moment dat zij gaat praten of dingen moet doen merk je dat wel. Ze heeft de leeftijd van een kind van 8 a 12 jaar in haar doen en laten. Zij is dus erg kinderlijk. Zij kan niet benoemen hoe haar eigen lichaam eruit ziet. De getuige is volgens haar verklaring verpleegkundige in de psychiatrie en zwakzinnigenzorg en heeft 19 jaar met mensen met een beperking gewerkt. (9)

[betrokkene 3], trajectbegeleidster van de [naam Stichting], heeft kort gezegd het volgende verklaard. Als je [mevrouw X] voor de eerste keer ziet merk je naar de getuige aanneemt niet dat zij een meisje met een beperking is. Als je een gesprek met haar voert, merk je dat zij heel kinderlijk is. Ze heeft ongeveer het niveau van een 7 jarig kind. Je merkt aan haar dat ze heel erg beïnvloedbaar is. Ze is absoluut niet weerbaar en daardoor heel kwetsbaar. De getuige heeft volgens haar verklaring HBO maatschappelijk werk gestudeerd en heeft voorheen onder meer als woonbegeleider voor mensen met een verstandelijke beperking en in de psychiatrische hulpverlening gewerkt. (10)

De instelling [naam instelling], die volgens de moeder van [mevrouw X] haar dochter ondersteunt, heeft in een ondersteuningsplan onder meer het volgende omtrent [mevrouw X] gerapporteerd (11): “[mevrouw X] is een sociale, jonge, vrolijke enthousiaste soms kinderlijke vrouw. Ze heeft een lichte verstandelijke beperking. (…) [mevrouw X]’s verstandelijk functioneren ligt op het niveau van een 7-jarig kind. Door haar joviale en open houding kan ze door haar omgeving overschat worden waardoor er soms meer van haar wordt gevraagd dan ze aankan. (…) [mevrouw X] is op het werk niet actief bezig met seksualiteit. Ze vindt het interessant als anderen een vriendje of vriendinnetje hebben maar weet zelf niet hoe ze inhoud zou moeten geven aan een relatie. Ze is vaak wat lacherig over vriendjes en gaat er op een kinderlijke manier mee om. (…) [mevrouw X] is gemakkelijk tot een nieuwe taak te motiveren. Keerzijde is dat ze zich ook laat commanderen door anderen. Ze is hierin niet genoeg weerbaar om de ander te vertellen wat ze ervan vindt.”

De verdediging heeft er op gewezen dat er geen deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden naar de vraag in hoeverre [mevrouw X] in staat is haar wil op het gebied van seksualiteit te bepalen en kenbaar te maken. Een dergelijk onderzoek heeft inderdaad niet plaatsgevonden, maar wordt voor een bewezenverklaring van handelingen in strijd met de artikelen 243 en 247 Sr ook niet vereist. De rechtbank merkt daarbij op dat de verdediging niet heeft verzocht om onderzoek op dit punt. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om op dit punt nader onderzoek te laten verrichten. Zij acht namelijk op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen genoegzaam bewezen dat [mevrouw X] een verstandelijke beperking heeft, op een kinderlijk niveau functioneert, heel beïnvloedbaar is en onvoldoende weerbaar is. De rechtbank gaat ervan uit dat dit ook op seksueel gebied geldt. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit juist op seksueel gebied anders zou zijn. In tegendeel, uit de verklaring van de eigenaresse van [naam lunchroom] en uit het studio-verhoor blijkt dat [mevrouw X] niet goed weet hoe haar eigen lichaam te benoemen en uit het ondersteuningsplan van [naam instelling] blijkt dat zij ook waar het om relaties gaat op een kinderlijk niveau functioneert.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat [mevrouw X] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens lijdt dat zij onvolkomen in staat is om haar wil omtrent het ondergaan van of meewerken aan seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken en daartegen weerstand te bieden.

Wetenschap verdachte?

Verdachte betwist dat hij op de hoogte was van - kort gezegd - een zodanige beperking van [mevrouw X] dat zij onvolkomen haar wil op seksueel gebied kon bepalen en kenbaar kon maken of weerstand kon bieden. Volgens verdachte ging hij ervan uit dat zij heel goed wist wat zij op seksueel gebied wilde en gaf zij daarbij haar eigen grenzen aan.

De rechtbank heeft bij de beoordeling op dit punt rekening gehouden met de mogelijkheid dat verdachte de mogelijkheden van [mevrouw X] zou kunnen overschatten, vanwege haar open en joviale houding, een risico dat in het reeds aangehaalde rapport van Dichterbij wordt genoemd.

Alles afwegende komt de rechtbank echter tot het oordeel dat verdachte wel degelijk op de hoogte was van de beperkingen van [mevrouw X], ook waar het gaat om keuzevrijheid bij seksuele handelingen en weerbaarheid op dit punt. Verdachte kende haar al geruime tijd, juist omdat zij vanwege haar verstandelijke beperkingen bij [naam lunchroom] werkte. Verdachte sprak [mevrouw X] niet op een gelijkwaardige wijze, maar als kind aan, waar het om geheimhouding van zijns sms-jes en om zijn wensen op seksueel gebied gaat. Hij berichtte haar “sms-je verwijderen want mama houdt de telefoon in de gaten” (12) en legde haar uit dat zij zijn penis als een lolly moest likken. (13) Verdachte wist dat [mevrouw X] beïnvloedbaar was. Dat blijk uit zijn opmerking tegenover de politie op het moment dat men hem wil voorhouden wat zij in het studioverhoor heeft verklaard: “Daar ben ik dus bang voor. Dat zal wel anders zijn… want dat meisje is beïnvloedbaar.” (14) Verdachte heeft er op gewezen dat [mevrouw X] op seksueel gebied haar grenzen wist aan te geven, omdat ze een keer in de auto heeft laten weten dat ze zijn penis niet wilde likken. Uit het voorbeeld blijkt echter naar het oordeel van de rechtbank geenszins dat [mevrouw X] voldoende weerbaar was, want naar verdachte zelf heeft verklaard heeft zij hem kort daarop toch oraal bevredigd. (15)

De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van de eigenaresse van [naam lunchroom], inhoudende dat verdachte tijdens de sollicitatie werd verteld dat de mensen die bij [naam lunchroom] werken een kwetsbare groep vormen en werd gewezen op het gevaar van overschatting van de medewerkers. Dat is aan verdachte verteld, bij de sollicitatie en ook in gesprekken met hem vóór de sollicitatie. Blijkens de verklaring van deze getuige heeft zij aan verdachte uitgelegd dat de jongeren die bij broodje Apart werken op een kinderlijk niveau leren en leven. Verdachte wist dat [mevrouw X] het verstand van een kind van 7 a 8 heeft. Liefde is voor [mevrouw X] handje vasthouden en kusjes geven, antwoordt de getuige op de vraag wat aan verdachte is uitgelegd omtrent het denkpatroon van de jongeren, met name van [mevrouw X]. Zij heeft ook verklaard dat al het betaald personeel op de hoogte is van de diagnoses van de verstandelijk beperkte medewerkers.(16)

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat [mevrouw X] - kort gezegd - haar wil omtrent de seksuele handelingen onvolkomen kon bepalen, kon kenbaar maken en onvolkomen weerstand kon bieden tegen seksuele handelingen.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde (handelingen met [mevrouw Y]):

Aan verdachte is onder 3 kort gezegd ten laste gelegd dat hij de borsten van [mevrouw Y] heeft betast. De officier van justitie heeft vrijspraak gevraagd van de tenlastegelegde ontuchtige handelingen met [mevrouw Y]. Ook de verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Volgens aangeefster heeft verdachte haar geknuffeld en haar borsten betast toen zij samen met verdachte in een spreekkamer was, waar verdachte haar uitleg had gegeven over de garnering van broodjes. Verdachte heeft bevestigd dat hij met aangeefster in die ruimte was om uitleg te geven, maar heeft ontkend dat hij haar heeft vastgehouden of betast. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Ook in deze zaak is dit het geval. Er is onvoldoende steunbewijs aanwezig, aangezien [betrokkene 1] slechts heeft verklaard wat zij van [mevrouw Y] heeft gehoord over het betasten van haar borsten. De informatie die zij verstrekt heeft is afkomstig uit dezelfde bron als de aangifte. De eigenaresse van [naam lunchroom] heeft weliswaar verklaard dat verdachte aangeefster vaak vastpakte, maar daarmee is zij nog geen getuige van ontuchtige handelingen geweest. De rechtbank acht derhalve onvoldoende bewijs aanwezig dat verdachte de borsten van aangeefster heeft betast, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 februari 2010 te Veghel en/of Schijndel, in elk geval in Nederland, met [mevrouw X], van wie hij, verdachte, wist dat die [mevrouw X] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens leed dat die [mevrouw X] onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [mevrouw X], hebbende verdachte zijn vingers in de vagina van die [mevrouw X] geduwd/gebracht en zijn penis in de mond van die [mevrouw X] gebracht en zijn tong in de mond van die [mevrouw X] gebracht;

2.

op tijstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 februari 2010 te Schijndel en/of Veghel, in elk geval in Nederland, met [mevrouw X], van wie hij, verdachte, wist dat die [mevrouw X] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens leed dat die [mevrouw X] onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten van de al dan niet ontblote borsten en vagina van die [mevrouw X] en

- het doen/laten vasthouden van en likken aan/over zijn, verdachtes, penis door die [mevrouw X] en

- het aftrekken van zichzelf in aanwezigheid van die [mevrouw X] en

- het kussen op de mond van die [mevrouw X].

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 eist de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde is de officier van justitie van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Voorts vordert de officier van justitie de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ter terechtzitting de rechtbank verzocht verdachte van de tenlastegelegde feiten vrij te spreken en de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft seksueel misbruik gemaakt van een verstandelijk gehandicapte vrouw, die op kinderlijk niveau functioneert. Dit misbruik heeft meerdere keren plaatsgevonden. Zij kon zich door haar beperkingen al onvolkomen aan de seksuele handelingen onttrekken, maar dit werd nog versterkt doordat het misbruik plaatsvond in de auto, waarin verdachte het slachtoffer van en naar haar ouderlijk huis vervoerde. Het misbruik bestond mede uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer. Verdachte liet haar weten dat zij zijn sms-jes moest wissen en dat zij wat er gebeurde geheim moest houden, omdat hij anders zijn baan kwijt zou raken. Daardoor verkleinde hij de kans dat het misbruik aan het licht zou komen, en vergrootte hij de druk op het kwetsbare slachtoffer. Verdachte legt de verantwoordelijkheid voor het door hem gepleegde misbruik deels bij het slachtoffer.

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij reeds de gevolgen van zijn handelen heeft ondervonden doordat hij zijn baan bij [naam lunchroom] is kwijtgeraakt. De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op de kwetsbaarheid van het slachtoffer, het feit dat de seksuele handelingen meerdere keren hebben plaatsgevonden en mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het slachtoffer, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en hij zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. Hoewel de reclassering blijkens het advies van 25 november 2010 signaleert dat verdachte onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor het delict, acht de reclassering het recidiverisico laag en ziet zij geen aangrijpingspunten voor reclasseringsbegeleiding. De rechtbank acht begeleiding wel nodig, vooral omdat verdachte op dit moment opnieuw werkzaam is als chauffeur van gehandicapte personen en hij het niet nodig vindt zijn huidige werkgever over deze zaak te informeren. Er dient (ook na detentie) toezicht te zijn op het soort werk dat verdachte verricht om de kans op herhaling zo klein mogelijk te maken.

De vordering van de benadeelde partij [mevrouw X].

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2010 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2010 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 243, 247.

DE UITSPRAAK

T.a.v. het onder 3 tenlastegelegde:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Verklaart het onde 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

met iemand van wie hij weet dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling

van haar geestvermogens lijdt dat zij niet of onvolkomen in staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

met iemand van wie hij weet dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling

of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens lijdt dat zij niet of onvolkomen in staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren, dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de

aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio

's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze

instelling zulks noodzakelijk acht, ook als dat inhoudt het volgen van aanwijzingen van de Reclassering omtrent welk werk verdachte verricht.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 3.245,75 subsidiair 42 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve

van het slachtoffer [mevrouw X] van een bedrag van EUR 3.245,75 (zegge: drieduizendtweehonderdvijfenveertig euro en vijfenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 3000,-- immateriële schadevergoeding en materiële schadevergoeding ten bedrage van EUR 245,75.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsver-plichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [mevrouw X], van een bedrag van EUR 3.245,75 (zegge: drieduizendtweehonderdvijfenveertig euro en vijfenzeventig cent), te weten

EUR 3000,-- immateriële schadevergoeding en materiële schadevergoeding ten bedrage van EUR 245,75.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

1. De door verdachte afgelegde verklaringen (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 118, 122, 124 en 125)

2.De door verdachte ter terechtzitting van 27 januari 2011 afgelegde verklaring.

3.Het verbatim verhoor d.d. 6 april 2010 (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 76, 79, 81 t/m 85, 87, 95, 97 en 99).

4.De aangifte van [naam aangever] d.d. 18 maart 2010 (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 19).

5. Daarbij gaat de rechtbank uit van de ruime uitleg die de Hoge Raad in zijn arrest van 18 mei 2010 (LJN BK 6910) aan het begrip seksueel binnendringen geeft.

6. Het verbatim verhoor d.d. 6 april 2010 (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 90, 91, 92, 108).

7. Kamerstukken Tweede kamer, 1988-1989, 20 930, nr 3.

8.De aangifte van [naam aangever] d.d. 18 maart 2010 (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 20, 21).

9.De verklaring van [betrokkene 2] d.d. 23 maart 2010 (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 37 en 38).

10.De verklaring van [betrokkene 3] d.d. 25 maart 2010 (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 50).

11.Ongedateerde rapportage, overgelegd door de moeder van [mevrouw X] (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 20, 134-137). Uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 oktober 2010 blijkt dat deze is opgesteld in de maand februari 2009.

12.De verklaring van [betrokkene 2] d.d. 23 maart 2010, (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 40).

13.Verbatim verhoor [mevrouw X], (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 99) en de door verdachte ter terechtzitting van 27 januari 2011 afgelegde verklaring.

14.Verklaring verdachte van 27 mei 2010, (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 129).

15.De door verdachte ter terechtzitting van 27 januari 2011 afgelegde verklaring.

16.De verklaring van [betrokkene 2] d.d. 28 oktober 2010 9 (eindproces-verbaal d.d. 4 juni 2010, pagina 2 en 3).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F.M. Pols voorzitter,

mr. M. Lammers en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van F.H.M. Klerkx, griffier,

en is uitgesproken op 10 februari 2011.

Mr. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.