Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP3795

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
01/839379-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6 en art. 7 Wegenverkeerswet.

Verdachte - bestuurder van auto - rijdt fietser van achteren aan en rijdt door na de aanrijding. Fietser zeer zwaar gewond. Precieze toedracht aanrijding niet vast te stellen. Verdachte zou fietser niet hebben gezien, maar had hem, gelet op alle omstandigheden, wel kunnen en moeten zien. Verdachte had alcohol gebruikt en is daarna toch gaan rijden, hoewel hij zich duizelig voelde en even tevoren nog in versufte toestand verkeerde, net zoals wanneer hij GHB had gebruikt. Doordat verdachte zich niet meldde (hij werd pas 4 maanden later aangehouden) heeft hij het voor politie onmogelijk gemaakt onderzoek te doen naar hoeveelheid alcohol en mogelijk gebruik van drugs. Door verbergen en laten repareren van de auto is belangrijk bewijsmateriaal verloren gegaan en onderzoek naar toedracht ernstig bemoeilijkt.

Rechtbank legt op: gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met 2 jaar proeftijd en 3 jaren ontzegging van de rijbevoegdheid.

Het voorwaardelijk strafdeel is -met inachtneming van de wettelijke V.I.-regeling- zo bepaald, dat het onvoorwaardelijk strafdeel niet langer is dan het geval zou zijn wanneer de straf geheel onvoorwaardelijk zou worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839379-10

Datum uitspraak: 10 februari 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 december 2010.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 5 juni 2010 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de

weg, (de Kastanjelaan,) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of zeer, althans aanmerkelijk

onoplettend,

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te gaan rijden na het

gebruik van alcoholhoudende drank en/of gammahydroxyboterzuur (GHB) en/of

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te (blijven) rijden

terwijl hij met zijn mobiele telefoon aan het bellen en/of sms-en was en/of

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig met een hogere snelheid

dan de aldaar toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, althans met een

snelheid die -gezien de verkeerssituatie ter plaatse- te hoog was, op die weg

te rijden en/of

- het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle te

hebben en/of niet voortdurend in staat te zijn de handelingen te verrichten

die van hem werden vereist en/of

- bij het naderen van een voor hem, verdachte, op die weg rijdende, althans

zich bevindende fiets(er), die fiets(er) niet, althans niet (voldoende) tijdig

op te merken en/of het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig niet,

althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of

- bij het inhalen en/of passeren van een ander voertuig (fiets) onvoldoende

zijdelingse afstand te bewaren,

waardoor hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig,

tegen een fietser (genaamd [slachtoffer]) en/of (de achterzijde van) de fiets van

die [slachtoffer] is gereden en/of gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer])

zwaar lichamelijk letsel, te weten kneuzingen van de hersenen, in elk geval

ernstig hersenletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als

bedoeld in artikel 8, eerste en/of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

(Artikel 6 Wegenverkeersweg 1994)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 juni 2010 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de

weg (Kastanjelaan)

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft gereden na het

gebruik van alcoholhoudende drank en/of gammahydroxyboterzuur (GHB) en/of

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft gereden terwijl

hij met zijn mobiele telefoon aan het bellen en/of sms-en was en/of

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig met een hogere snelheid

dan de aldaar toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, althans met een

snelheid die -gezien de verkeerssituatie ter plaatse- te hoog was, op die weg

heeft gereden en/of

- het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft

gehad en/of niet voortdurend in staat is geweest de handelingen te verrichten

die van hem werden vereist en/of

- bij het naderen van een voor hem, verdachte, op die weg rijdende, althans

zich bevindende fiets(er), die fiets(er) niet, althans niet (voldoende) tijdig

op te merken en/of het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet,

althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of

- bij het inhalen en/of passeren van een ander voertuig (fiets) onvoldoende

zijdelingse afstand heeft bewaard,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

(Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 5 juni 2010 te Eindhoven als bestuurder van een

motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een

verkeersongeval was veroorzaakt op Kastanjelaan, de plaats van het ongeval

heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was

toegebracht;

(Artikel 7 Wegenverkeerswet 1994)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

De feiten

Uit het dossier blijkt het volgende.

Verdachte heeft in de avond van 4 juni 2010 in [naam café] in Eindhoven bier gedronken. Niet duidelijk is geworden hoeveel consumpties verdachte heeft gedronken; naar eigen zeggen betrof het 1 of 2 bier 1, maar volgens een getuige zou verdachte rond de 10 bier hebben gedronken 2. Het daadwerkelijke alcoholgehalte kon bij verdachte niet meer worden vastgesteld aangezien hij pas lange tijd daarna werd aangehouden.

Op enig moment die avond is verdachte in voornoemd café onwel geworden. Hij knoeide bij het eten van een gehaktbal, was onvast ter been en viel telkens in slaap. [getuige 1] heeft verdachte zelfs in het gezicht geslagen om hem wakker te maken 3 4 5.

Later in de avond heeft [getuige 2], vriend van verdachte, in de auto van verdachte zichzelf naar huis gereden terwijl hij zelf geen rijbewijs had, omdat hij het niet verantwoord vond om verdachte de auto te laten besturen. Verdachte zat naast hem op de bijrijdersstoel. [getuige 2] heeft de auto geparkeerd in Acht en verdachte slapend achtergelaten in de auto, met de sleutels in het contactslot 6 7.

Verdachte is daarna wakker geworden en is vervolgens kort na middernacht zelf als bestuurder met zijn auto teruggereden in de richting van het café, hoewel hij zich toen duizelig voelde. Verdachte voelde zich naar eigen zeggen niet goed, op dezelfde manier zoals hij zich in het verleden had gevoeld nadat hij GHB had gebruikt 8.

Nadat hij bij het café een korte ontmoeting had met [getuige 1] reed verdachte met zijn auto in Eindhoven over de Kastanjelaan, komende vanuit de richting van de Glaslaan. Verdachte reed naar eigen zeggen met een snelheid van 60 tot 65 km per uur 9 10.

Op 5 juni 2010 omstreeks 00.40 uur is verdachte als bestuurder, rijdende op de Kastanjelaan, met de voorzijde van zijn auto gereden tegen de achterzijde van de fiets van het [slachtoffer] die zich eveneens op die weg bevond. Het slachtoffer is door die aanrijding tegen de voorruit van de auto van verdachte geslagen en vervolgens terechtgekomen op het wegdek, waar hij buiten bewustzijn bleef liggen 11 12. Daar is het slachtoffer aangetroffen door de [getuige 3] en [getuige 4].

Het slachtoffer heeft ten gevolge van de aanrijding onder andere meerdere schedelbreuken en kneuzingen van de hersenen opgelopen. Er is sprake van blijvend hersenletsel met blijvende gevolgen voor het functioneren 13 14.

Het ongeval vond plaats op een recht weggedeelte van de Kastanjelaan ter hoogte van een T-aansluiting. Ter plaatse gold een maximum snelheid van 50 km per uur. De rijbaan was ter plaatse verdeeld in 2 rijstroken met aan weerszijden een fietsstrook van ongeveer 1,70 m breedte, die middels een onderbroken streep was gescheiden van de rest van de rijbaan. De straatverlichting ter plaatse was in werking 15. De achterverlichting van de fiets straalde licht uit 16. Verdachte heeft voorafgaand aan de aanrijding niet geremd 17 18.

Na de aanrijding is verdachte zonder te stoppen of snelheid te verminderen met zijn auto doorgereden 19 20 21.

De auto van verdachte was beschadigd en had ondermeer een kapotte voorruit. Verdachte is naar huis gegaan en heeft de auto in de weken na het ongeval door een kennis laten repareren, uitdeuken en overspuiten 22. Een andere kennis heeft de auto op 4 oktober 2010 namens verdachte via Marktplaats verkocht 23. Bij de koper is de auto door de politie in beslag genomen.

Pas op 5 oktober 2010 heeft verdachte zich bij de politie gemeld.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het tenlastegelegde onder feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen. Er is immers sprake van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 nu verdachte alcohol heeft gedronken en GHB heeft gebruikt, met te hoge snelheid heeft gereden, zijn voertuig niet onder controle had, de fietser niet tijdig heeft opgemerkt, onvoldoende zijdelingse afstand heeft bewaard en niet tijdig heeft afgeremd. De officier van justitie kwalificeert dit handelen als roekeloos. Voorts is sprake van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer [slachtoffer].

Voorts acht zij het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1:

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat verdachte hiervan dan ook dient te worden vrijgesproken. Aangevoerd is dat uit het dossier onvoldoende valt op te maken dat verdachte te veel alcohol heeft gedronken. Ook het gebruik van GHB wordt betwist. Dienaangaande is aangevoerd dat alleen [getuige 1] heeft verklaard dat zij van[getuige 2] heeft gehoord dat verdachte GHB had gebruikt, terwijl [getuige 2] dat niet heeft gezien.

Voorts is aangevoerd dat uit het dossier niet valt op te maken dat verdachte de ter plaatse geldende maximale snelheid van 50 km/u heeft overschreden, dat hij ten tijde van het ongeval aan het bellen dan wel sms-en was, dat hij zijn voertuig niet onder controle had en dat de fietser mogelijk is uitgeweken. Verdachte heeft feit 2 erkend.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1

Uit de verklaringen van verdachte en getuigen blijkt dat verdachte, kort voordat hij zelf ging rijden, onwel was geworden, suf was en in slaap viel. [getuige 2] bestuurde de auto van verdachte omdat hij zelf daartoe niet in staat was.

Verdachte was duizelig en voelde zich net zoals wanneer hij GHB had gebruikt en volgens [getuige 2] leek zijn gedrag daar ook op. Verdachte ontkent echter GHB te hebben gebruikt.

De versufte toestand van verdachte die avond en het gegeven dat hij - zoals hij ook ter zitting toegeeft - wel eens eerder GHB had gebruikt, levert een sterke aanwijzing op dat verdachte dat ook die avond had gedaan. Echter, nu daarvan geen ander rechtstreeks bewijs aanwezig is, kan het daadwerkelijk gebruik van GHB door verdachte niet worden vastgesteld.

Door zijn betrokkenheid bij het ongeval verborgen te blijven houden heeft verdachte het voor de politie onmogelijk gemaakt om een objectief onderzoek te doen naar de aanwezigheid van drugs en alcohol in zijn lichaam. Omdat dergelijke middelen grote invloed hebben op de rijvaardigheid is het van belang is om binnen enkele uren vast te stellen of sprake is van middelengebruik. De rechtbank acht ook om die reden het doorrijden van verdachte buitengewoon kwalijk.

Vaststaat dat verdachte die avond alcohol had gedronken - mogelijk meer dan de 1 tot 2 consumpties die hij zelf toegeeft - en dat hij daarna toch is gaan autorijden, hoewel hij zich duizelig voelde en even tevoren nog in versufte toestand verkeerde. Het lijdt geen twijfel dat de oplettendheid van verdachte en zijn rijgedrag door zijn lichamelijke toestand nadelig werden beïnvloed en dat daardoor de kans op het veroorzaken van ongelukken werd vergroot. Verdachte heeft door in die toestand toch te gaan rijden onaanvaardbare risico's voor andere weggebruikers in het leven geroepen.

De precieze toedracht van het ongeval is niet met zekerheid vastgesteld kunnen worden. Verdachte zegt dat hij het slachtoffer voor de aanrijding helemaal niet heeft gezien. Er waren geen bruikbare bandensporen op het wegdek, geen van de getuigen heeft de toedracht van de aanrijding gezien en het slachtoffer was door zijn slechte conditie niet in staat om informatie aan de politie te verstrekken.

Wel kan uit de door de politie aangetroffen situatie ter plaatse het volgende worden afgeleid. Het slachtoffer bevond zich voor de aanrijding kennelijk met zijn fiets op de rechter weghelft; op dat deel van de weg zijn glassplinters van de door het ongeval gebroken autoruit aangetroffen. Ter plaatse waren geen vaste obstakels aanwezig die het uitzicht belemmerden. Er was voldoende straatverlichting aanwezig en ook het achterlicht van de fiets was aan 24.

Gelet op al die omstandigheden had verdachte de fietser, die zich op zijn weghelft bevond, wel kunnen en ook moeten zien. Dat verdachte de fietser desondanks niet (tijdig) heeft opgemerkt en niet of onvoldoende is uitgeweken, is te wijten aan zijn onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag en dat gedrag is mede gezien de toestand waarin hij achter het stuur zat, aan zijn schuld te wijten. Daarbij weegt ook mee dat verdachte reed met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid (60 tot 65 km/uur in plaats van 50 km/uur).

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte direct voorafgaand aan de aanrijding bezig was met bellen of sms'en. Weliswaar blijkt uit het overzicht van alle bel- en sms-bewegingen in die nacht dat verdachte rond en na het tijdstip van de aanrijding veelvuldig heeft gebeld en geprobeerd te bellen en dat hij ook een sms heeft ontvangen omstreeks 00.40 uur, maar nu het tijdstip van de aanrijding niet exact kan worden vastgesteld en nu verdachte betwist dat hij kort voor het ongeval heeft gebeld of ge-smst, kan een verband tussen het telefoongebruik en het ongeval niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld.

Ten aanzien van feit 2

Bij thuiskomst heeft verdachte aan zijn moeder en zijn vriendin verteld dat hij een fietser had aangereden 25 26. Tegenover de politie en ter zitting verklaart verdachte dat hij het slachtoffer voor de aanrijding in het geheel niet heeft gezien. Verdachte kan niet verklaren waarom hij het slachtoffer niet of niet tijdig heeft gezien.

Getuigen en ook verdachte zelf spreken van een harde klap 27 28 29 en er was forse schade aan de carrosserie en de voorruit van de auto 30. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte moet hebben beseft dat het slachtoffer schade en verwondingen had opgelopen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 5 juni 2010 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Kastanjelaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig en aanmerkelijk onoplettend,

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te gaan rijden na het gebruik van alcoholhoudende drank en

- met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 50 kilometer per uur op die weg te rijden en

- bij het naderen van een voor hem, verdachte, op die weg zich bevindende fietser, die fietser niet op te merken en het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig niet af te remmen, waardoor hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig,

tegen een fietser genaamd [slachtoffer] en/of de achterzijde van de fiets van die [slachtoffer] is gereden en waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten kneuzingen van de hersenen, werd toegebracht;

2.

op 5 juni 2010 te Eindhoven als bestuurder van een motorrijtuig, door wiens gedraging een

verkeersongeval was veroorzaakt op de Kastanjelaan, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander, te weten [slachtoffer], letsel en schade was toegebracht.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaar met aftrek met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte stelt dat de eis van de officier van justitie absoluut buiten proportioneel is, nu verdachte van het onder feit 1 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en bovendien slechts een gedeelte (het gestelde achter de twee laatste gedachtestreepjes) van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde en feit 2 kunnen worden bewezen. Voorts dient de rechtbank in haar oordeel te betrekken dat verdachte spijt heeft betuigd en dat hij een blanco strafblad heeft. De raadsman heeft verzocht een forse werkstraf op te leggen en indien de rechtbank dat nodig oordeelt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de verdediging aangevoerd dat de door de officier van justitie geëiste 4 jaar eveneens buiten proportioneel is.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt hij zich op het standpunt dat de vordering voor zover het betreft de kosten immateriële schade ten bedrage van EUR 100.000,-- en de kosten rechtsbijstand ten bedrage van EUR 2500,-- afgewezen dienen te worden, aangezien deze niet zijn onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten.

De rechtbank rekent verdachte die feiten zwaar aan en de omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden brengen mee dat een aanzienlijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Verdachte heeft die avond alcohol gedronken en is - al dan niet mede door een combinatie met andere middelen - onwel geworden. Al in het café, waaraan hij voorafgaande aan het ongeval een bezoek heeft gebracht, moet het voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij volstrekt niet in staat was om een auto te besturen, niet alleen doordat hij dat merkte aan zijn eigen gedrag maar ook doordat anderen (getuigen [getuige 1] en [getuige 2]) hem op zijn toestand hebben gewezen. Toch is hij vervolgens zelf gaan rijden, kennelijk zonder zich te bekommeren om de grote risico's die hij daarmee voor andere verkeersdeelnemers in het leven riep.

Verdachte heeft het slachtoffer aangereden en het kan niet anders zijn dan dat hij toen al moet hebben geweten dat hij een persoon had geraakt. Het valt nauwelijks te bevatten dat verdachte daarna is doorgereden zonder zich te bekommeren om het slachtoffer, dat zwaargewond op het wegdek achterbleef en snel medische hulp nodig had. Dat er spoedig enkele omstanders bij het slachtoffer kwamen die 112 hebben gebeld, kon verdachte toen niet weten.

Ook naar aanleiding van de berichtgeving in de media heeft verdachte zich in de dagen en weken na het ongeval niet gemeld bij de politie. Door het verbergen, het laten repareren en het verkopen van de auto is belangrijk bewijsmateriaal verloren gegaan en werd het technisch onderzoek naar de toedracht van het ongeval en naar de betrokkenheid van verdachte ernstig bemoeilijkt. Door zich niet te melden heeft hij bovendien ieder onderzoek naar zijn alcohol- en eventueel druggebruik volledig onmogelijk gemaakt, terwijl er gelet op het voorafgaande alle aanleiding was voor zulk onderzoek naar zijn lichamelijke en psychische geschiktheid om te rijden.

Verdachte heeft met zijn handelen kennelijk uitsluitend zijn eigen belang voor ogen gehad en alle andere belangen, waaronder die van het slachtoffer, daaraan ondergeschikt gemaakt.

Het slachtoffer is zeer zwaar gewond geraakt. Hij verblijft met zwaar hersenletsel in een revalidatiekliniek of verzorgingshuis en de prognose voor de toekomst is somber.

Bovengenoemde omstandigheden weegt de rechtbank mee in het nadeel van verdachte.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd van verdachte (24 jaren) en zijn blanco strafblad.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank zal een enigszins lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

Daarbij weegt de rechtbank het volgende mee.

Een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, zoals gevorderd, zou meebrengen dat verdachte na het uitzitten van het onvoorwaardelijke strafdeel van 18 maanden in vrijheid wordt gesteld. Dat is 2 maanden later dan het geval zou zijn bij oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. Immers, in dat laatste geval zou de regeling van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht (betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling) van toepassing zijn, waardoor verdachte al na het uitzitten van 16 maanden gevangenisstraf (weliswaar onder voorwaarden) in vrijheid zou worden gesteld.

De rechtbank ziet geen redenen om aan verdachte een zodanig voorwaardelijk strafdeel op te leggen dat de feitelijke detentie van langere duur is dan het geval zou zijn zonder dat voorwaardelijk strafdeel. Door van 24 maanden gevangenisstraf een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk op te leggen, is gewaarborgd dat het onvoorwaardelijke strafdeel in elk geval niet langer is dan het geval zou zijn bij diezelfde straf in geheel onvoorwaardelijke vorm.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid als bijkomende straf dient te worden opgelegd, nu enerzijds de ernst van het begane delict en anderzijds de van deze straf te verwachten preventieve werking zulks rechtvaardigen. Bij de bepaling van de duur van de ontzegging weegt de rechtbank mee dat aan verdachte ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

De rechtbank acht bij wijze van voorschot toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een immateriële schadevergoeding ten bedrage van EUR 25.000,--.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in haar vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering voor dat overige deel een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De rechtbank overweegt dat er bij [slachtoffer] weliswaar sprake is van zeer ernstig hersenletsel maar dat in dit stadium nog niet is vast te stellen of de lichamelijke toestand van [slachtoffer] zich in een eindtoestand bevindt dan wel dat er nog verbetering plaatsvindt. In de bij de vordering gevoegde verklaring van de behandelend neuroloog R.A.R. Gons d.d. 17 januari 2011 is immers aangegeven dat de prognose ten aanzien van de ernstige cognitieve functiestoornissen op lange termijn zal moeten worden bepaald 31.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag van EUR 25.000,-- tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op de beperkte onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij wijkt de rechtbank af van de liquidatietarieven die zij doorgaans in civiele zaken hanteert. Zij begroot de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij tot op heden op EUR 500,--.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 57

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 7, 175, 176, 179.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

T.a.v. feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder a, van de

Wegenverkeerswet 1994

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6

Wegenverkeerswet 1994.

T.a.v. feit 1 primair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 25.000,00 subsidiair 160 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van

het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 25.000,-- (zegge: vijfentwintigduizend euro), zijnde immateriële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 160 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsver- plichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] ,van een bedrag van EUR 25.000,-- (zegge: vijfentwintigduizend euro), zijnde immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, zijnde kosten rechtsbijstand, tot een bedrag van EUR 500,-- .

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Lammers, voorzitter,

mr. J.F.M. Pols en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van F.H.M. Klerkx, griffier,

en is uitgesproken op 10 februari 2011.

Mr. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring verdachte d.d. 7 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 165)

2 Verklaring van getuige [getuige 1] d.d. 5 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, p. 140)

3 Verklaring van getuige [getuige 2] d.d. 7 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, p. 172)

4 Verklaring getuige [getuige 1] d.d. 5 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, p. 140)

5 Verklaring verdachte d.d. 6 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, p. 159)

6 Verklaring getuige [getuige 2] d.d. 5 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, p. 173)

7 Verklaring verdachte d.d. 6 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, p. 159)

8 Verklaring verdachte d.d. 8 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 182 en 183)

9 Verklaring verdachte d.d. 6 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 152)

10 Proces-verbaal bevindingen d.d. 14 september 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 120-124)

11 Het relaas proces-verbaal d.d. 27 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 5)

12 Verklaring van getuige [getuige 3] d.d. 7 juni 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 113)

13 De medische informatie d.d. 16 september 2020 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 127)

14 Verklaring van getuige [getuige 5] d.d. 15 september 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 131)

15 Proces-verbaal bevindingen d.d. 5 juni 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 53)

16 Proces-verbaal bevindingen d.d. 13 juli 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 59)

17 Verklaring getuige [getuige 4] d.d. 7 juni 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 107)

18 Proces-verbaal bevindingen d.d. 13 juli 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 59)

19 Verklaring getuige [getuige 4] d.d. 7 juni 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 107)

20 Verklaring van getuige [getuige 3] d.d. 7 juni 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 113)

21 Verklaring verdachte d.d. 6 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, p. 156)

22 Verklaring getuige [getuige 6] d.d. 5 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, p. 146)

23 Verklaring getuige [getuige 7] d.d. 4 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, p. 133)

24 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 59)

25 Verklaring getuige [getuige 1] d.d. 5 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 140)

26 Verklaring van [getuige 8] d.d. 8 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 178)

27 Verklaring getuige [getuige 4] d.d. 7 juni 2010 ( (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 107)

28 Verklaring van getuige [getuige 3] d.d. 7 juni 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 112)

29 Verklaring verdachte d.d. 6 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 156)

30 Verklaring getuige [getuige 1] d.d. 5 oktober 2010 (eindproces-verbaal d.d. 27 oktober 2010, pagina 142)

31 Rapportage [rapporteur] d.d. 17 januari 2011 (pagina 2)

13

Parketnummer: 01/839379-10

[verdachte]