Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP3425

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
AWB 10-3481
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

NIet tijdig beslist op Wob-verzoek om openbaarmaking Mulderbeschikking. Verweerder is in gebreke gesteld. Weliswaar heeft verweerder binnen twee weken nadien beslist, maar die beslissing niet naar het juiste adres gezonden. Buiten de termijn bij aangetekende brief alsnog bekendgemaakt.

Verweer dat een besluit is genomen door verstrekking van de informatie slaagt niet, omdat daarduit niet kan worden afgeleid dat daarmee is beoogd om het verzoek volledig in te willigen. Dwangsom verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/3481

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2011

inzake

[eiseres],

te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr.drs. C.M.J.E.P. Meerts,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,

verweerder.

Procesverloop

Op 26 augustus 2010 heeft eiseres verweerder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om te besluiten haar informatie toe te zenden met betrekking tot de Mulderbeschikking of het transactievoorstel met het nummer [nummer] en die informatie ook daadwerkelijk te verstrekken.

Op 30 augustus 2010 heeft verweerder aan dit verzoek voldaan door – naar gesteld – eiseres de gevraagde informatie toe te zenden. Verweerder heeft geen expliciet besluit genomen.

Bij brief van 7 oktober 2010 heeft eiseres verweerder, in verband met het uitblijven van een besluit op haar verzoek, in gebreke gesteld.

Op 26 oktober 2010 heeft eiseres, wegens het uitblijven van een besluit op het verzoek, beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarbij heeft eiseres verzocht verweerder een dwangsom op te leggen en de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat het beroep kennelijk gegrond is.

2. Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

3. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit, voor de toepasselijkheid van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, met een besluit gelijkgesteld.

4. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, in combinatie met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb, kan een belanghebbende tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep instellen.

5. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge het vierde lid van dit wetsartikel is het beroep niet-ontvankelijk indien het

beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroepschrift niet onredelijk laat ingediend in de zin van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb, zodat het beroep ontvankelijk is.

7. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zo'n termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. In het tweede lid is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

8. Ingevolge artikel 4:14, derde lid, van de Awb deelt het bestuursorgaan, indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dit binnen deze termijn aan de aanvrager mee en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

9. Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat verweerder, naar aanleiding van de ingebrekestelling, op 20 oktober 2010 alsnog een besluit heeft genomen. Verweerder heeft dit besluit op 21 oktober 2010 naar een ander postadres gestuurd dan dat van de gemachtigde van eiseres. Het besluit heeft eiseres niet bereikt en is onbestelbaar retour gezonden. Op 29 oktober 2010 heeft verweerder het besluit opnieuw - aangetekend - aan de gemachtigde van eiseres toegezonden.

10. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat hij, door eiseres de gevraagde informatie toe te zenden, moet worden geacht een besluit te hebben genomen. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat hij alsnog op 20 oktober 2010 en dus binnen de bij de ingebrekestelling gegeven termijn een besluit heeft genomen, maar dat dit besluit eerst op 29 oktober 2010 is verzonden. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat het besluit niet tijdig is genomen, zou een dwangsom verbeurd zijn van € 140.

11. Eiseres is van mening dat het verstrekken van informatie niet op een lijn kan worden gesteld met het nemen van een besluit daartoe. Verweerder heeft te laat op haar verzoek beslist.

12. De rechtbank deelt niet verweerders opvatting dat hij door het verstrekken van de gevraagde informatie moet worden geacht een besluit te hebben genomen. Eiseres dient te worden toegegeven dat in artikel 6, vijfde lid, van de Wob, een onderscheid wordt gemaakt tussen het besluiten om informatie te vestrekken en de verstrekking zelf. Daargelaten of daarvan in dit geval sprake is, kan uit de loutere verstrekking van informatie niet worden afgeleid dat daarmee is beoogd om het verzoek om informatie volledig in te willigen, zeker niet als in het desbetreffende verzoek om informatie niet om specifieke documenten wordt gevraagd.

13. Verweerder moet dan ook worden geacht eerst op 29 oktober 2010, zijnde de dag van bekendmaking van het besluit, op het verzoek van eiseres te hebben beslist. Verweerder heeft daarmee de beslistermijn van artikel 6, eerste lid, van de Wob overschreden en heeft bovendien later dan twee weken na de ingebrekestelling beslist. Verweerder is dan ook een dwangsom verschuldigd. Verweerder heeft de hoogte daarvan niet bij beschikking vastgesteld. De rechtbank zal dit dan ook alsnog doen.

14. Het beroep is kennelijk gegrond.

15. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke

ingebrekestelling heeft ontvangen.

16. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 7 oktober 2010 ontvangen. De in artikel 4:17, derde lid, van de Awb genoemde termijn van twee weken heeft gelopen tot en met 21 oktober 2010. Met ingang van 22 oktober 2010 is, tot de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, een dwangsom verbeurd van 7 x € 20 = € 140.

17. Gelet op het voorafgaande bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 109,25 (één punt x factor 0,25 x € 437) als kosten van verleende rechtsbijstand.

De rechtbank heeft hierbij betrokken dat deze zaak van zeer gering gewicht is, nu het geschil slechts betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn van artikel 4:13 van de Awb is overschreden en ter hoogte van welk bedrag dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17 van die wet zijn verbeurd.

18. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder eiseres het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

19. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 140;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 109,25;

- bepaalt dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht, ten bedrage van € 298 dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van J.F. Gommers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2011.

Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel <u>verzet</u> open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de dagtekening van de verzending van het afschrift van deze uitspraak, een verzetschrift aan deze rechtbank te zenden. Daarin vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt <u>en of u op het verzet wenst te worden gehoord</u>.

Afschriften verzonden: