Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP3093

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
121810 HA ZA 05-528
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening.

De vigerende (dwang)bestemming (verbreding van de A2) weggedacht, zouden redelijk handelende partijen in het vrije economische verkeer rekening houden met een mogelijke verbreding van de A2 in de nabije toekomst, gelet op de drukte en fileproblemen op de A2 ter plaatse.

De waardering door deskundigen is gebaseerd op een bepaalde verwachtingswaarde, waarbij alle goede en kwade kansen waarmee redelijk handelende partijen rekening houden tegen elkaar zijn afgewogen.

De rechtbank acht het aantal gedeclareerde uren terzake rechtsbijstand van de onteigende niet redelijk, waarom worden deze kosten gematigd.

Voor vergoeding van rente over de reeds betaalde declaraties ziet de rechtbank geen grondslag. Artikel 50 Onteigeningswet opent niet de mogelijkheid van enige rentevergoeding. Die vergoeding vloeit evenmin voort uit het beginsel van de volledige schadeloosstelling, aangezien dit beginsel niet aan artikel 50 Onteigeningswet ten grondslag ligt. Ontegeinde heeft nagelaten te onderbouwen waarom in dit geval de redelijkheid en billijkheid, waarop hij zich beroept, tot de gevorderde rentevergoeding zouden nopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 121810 / HA ZA 05-258

Vonnis van 12 januari 2011

in de zaak van

de rechtspersoon naar publiek recht

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelende te ’s-Gravenhage,

eiser,

advocaat mr. Ph.C.M. van der Ven te ’s-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN SCHIJNDEL VASTGOED IV B.V.,

gevestigd te Geffen, gemeente Maasdonk,

gedaagde,

advocaat mr. J.P.F.W. van Eijck te Eindhoven.

Partijen zullen hierna de Staat en Van Schijndel genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Bij tussen partijen gewezen vonnis van 13 april 2005, waarvan zich een afschrift onder de stukken bevindt, werd de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, met bepaling van het voorschot op de schadeloosstelling voor Van Schijndel op € 50.913,--

1.2. De descente vond plaats op 21 juni 2005. Partijen legden nota's voor deskundigen over. Van het ter descente verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich in afschrift onder de stukken bevindt. Nadien hebben partijen ieder nog een aantal brieven met bijlagen aan de deskundigen gezonden.

1.3. Het vonnis van onteigening is op 30 juni 2005 (hierna: peildatum) ingeschreven in de openbare registers.

1.4. De deskundigen hebben op 4 juni 2009 hun conceptrapport aan partijen toegezonden.

1.5. Bij brief van 20 oktober 2009 heeft mr. Ten Kate namens de Staat aan deskundigen bericht dat de Staat geen opmerkingen heeft bij het conceptrapport.

1.6. Namens Van Schijndel is op het conceptrapport gereageerd bij brief van mr. R.D. Harteman aan deskundigen van 1 april 2010.

1.7. Het definitieve rapport van deskundigen d.d. 7 juni 2010 is op 9 juni 2010 ter griffie van de rechtbank gedeponeerd.

1.8. Partijen hebben hun zaak vervolgens doen bepleiten op 2 november 2010. Mr. Harteman heeft bij deze gelegenheid een overzicht van de door Van Schijndel gemaakte kosten van rechtskundige en overige bijstand in het geding gebracht.

1.9. Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De schadeloosstelling

2.1. De rechtbank volhardt bij hetgeen zij in het vonnis van onteigening heeft overwogen en beslist. Nu de onteigening met sequelen reeds vervroegd is uitgesproken, rest thans de beslissing op de aan Van Schijndel toe te kennen schadeloosstelling. In deze zaak is niet gebleken van derde-belanghebbenden die een zelfstandig recht op schadeloosstelling kunnen uitoefenen.

2.2. Blijkens hun rapport van 7 juni 2010 zijn de deskundigen van mening dat de schadeloosstelling voor Van Schijndel als volgt dient te worden begroot:

- waarde € 73.140,

- waardevermindering van het overblijvende nihil,

- overige schade nihil,

------------------------

Totaal € 73.140,--

2.3. Het rapport van deskundigen van 7 juni 2010 is aan dit vonnis gehecht.

2.4. Alvorens de bezwaren van Van Schijndel en van de Staat tegen het advies van deskundigen te bespreken zal de rechtbank verkort weergeven welke de belangrijkste gegevens zijn waarmee bij het bepalen van de schadeloosstelling door de deskundigen rekening is gehouden.

Het onteigende betreft twee perceelsgedeelten met een gezamenlijke oppervlakte van 00.76.76 ha van twee percelen, kadastraal bekend gemeente ’s-Hertogenbosch, sectie S nummer 354, en sectie S nummer 356, tezamen in totaal groot 10.51.30 ha. De perceelsgedeelten vormden op de peildatum een strook langs de Rijksweg A2 van 360 meter lengte en een breedte van 15 tot 25 meter.

De onteigening is geschied krachtens Titel IIa van de Onteigeningswet ten behoeve van de ombouw van de bestaande Rijksweg A2, gedeelte rondweg ’s-Hertogenbosch, naar 4 x 2 rijstroken vanaf de Maasbrug tot aan knooppunt Vught, met bijkomende werken in de gemeenten ’s-Hertogenbosch, St. Michielsgestel en Vught. De planologische grondslag voor de realisatie van het werk waarvoor onteigend is, werd gevormd door het Tracébesluit “A2 Rondweg ’s-Hertogenbosch” d.d. 28 december 2001, dat per 15 januari 2003 onherroepelijk is geworden. Inmiddels is dit tracébesluit door de gemeente ’s-Hertogenbosch verwerkt in haar bestemmingsplan “A2 Rondweg ’s-Hertogenbosch” dat door de raad is vastgesteld op 21 december 2004 en op peildatum onherroepelijk was.

De percelen S 354 en 356 zijn op of kort na 15 oktober 1999 door Van Schijndel gekocht tegen een prijs van € 34,-- per m².

Op peildatum waren beide percelen op basis van een kortlopende pachtovereenkomst verpacht aan derden voor agrarisch gebruik. Op peildatum hadden de beide onteigende perceelsgedeelten inmiddels een verkeersbestemming. De beide overblijvende perceelsgedeelten hadden (en hebben nog steeds) een agrarische bestemming.

2.5. Bij het schatten van de waarde van het onteigende zijn deskundigen van het volgende uitgegaan.

De waarde van het onteigende dient bepaald te worden op basis van de prijs die zonder onteigening op de peildatum in het vrije economisch verkeer tot stand zou zijn gekomen tussen Van Schijndel als redelijk handelend verkoper en de Staat als redelijk handelend koper.

Bij de waardering van de onteigende perceelsgedeelten dient op grond van vaste jurisprudentie de verkeersbestemming te worden weggedacht, nu de gemeente bij het opstellen van het bestemmingsplan “A2 Rondweg ’s-Hertogenbosch” geen andere keuze heeft gehad dan zich voor wat betreft de bestemming van deze perceelsgedeelten aan te sluiten bij het voorafgaande tracébesluit. De deskundigen gaan ervan uit dat de beide onteigende perceelsgedeelten – hun verkeersbestemming weggedacht – op peildatum nog onveranderd de “oude” agrarische bestemming zouden hebben gehad. Op basis van deze enkele agrarische bestemming zou de waarde van het onteigende per de peildatum plusminus € 4,--/m² hebben bedragen. Ten tijde van de peildatum bestond echter ten aanzien van het gebied ’t Klooster een reële verwachting dat dit gebied in de nabije toekomst ontwikkeld zou gaan worden als een nieuw “hoogwaardig” bedrijventerrein pal ten zuiden van de A2 in combinatie met natuurontwikkeling en waterberging.

Bij de waardering van het onteigende dient enerzijds de feitelijke begrenzing van de huidige verbreding van de rijksweg te worden weggedacht – inclusief de eventuele plannen c.q. verwachtingen daaromtrent – maar moet anderzijds rekening worden gehouden met het risico dat de gemeente voor een eventuele verbreding van de rijksweg in de toekomst een strook grond met een zekere breedte direct langs die rijksweg buiten het plangebied van het bestemmingsplan voor het toekomstige bedrijventerrein zou laten.

Op peildatum was nog geen sprake van enigerlei begrenzing van het toekomstige bedrijventerrein ten opzichte van de bestaande Rijksweg A2. De verbreding van de rijksweg weggedacht, had de gemeente bij de planvorming ten behoeve van het nieuwe bedrijventerrein op peildatum de keuze om, rekening houdend met een eventuele verbreding van de rijksweg binnen de planperiode, een strook grond ten zuiden van de rijksweg buiten het toekomstige plangebied van het nieuwe bedrijventerrein te laten, dan wel hieraan – in afwachting van plannen voor een eventuele verbreding van de rijksweg – een openbare groenbestemming te geven (met bijvoorbeeld reeds de bevoegdheid om deze bestemming binnen de planperiode te wijzigen in een verkeersbestemming). In het laatste geval zou die strook grond in de toekomst gaan behoren tot het complex van gronden, waarvoor een hogere complexwaarde zou kunnen gaan gelden. In het eerste geval zou die strook grond in de toekomst niet gaan behoren tot een dergelijk complex. In de praktijk komen beide situaties voor. Er is geen eenduidige gedragslijn bij gemeenten in welke gevallen zij wel of niet een zekere strook grond langs een bestaande rijksweg binnen of buiten het plangebied laten.

In het vrije economisch verkeer pleegt men bij de aankoop van gronden in een gebied met verwachtingen voor wat betreft een toekomstige woon- of bedrijfsbestemming dat grenst aan een bestaande rijksweg – juist met het oog op de onzekerheid ten aanzien van de exacte begrenzing van het toekomstige plangebied/complex in de koopprijs geen zichtbaar onderscheid te maken in de prijs voor de gronden pal langs die rijksweg en meer naar binnen gelegen gronden. Daarbij speelt ook een rol dat tegenover een mogelijk nadeel voor gronden die pal tegen de bestaande rijksweg aan liggen veelal het voordeel staat voor gronden die daar weer tegenaan liggen vanwege de verwachting dat die gronden in de toekomst juist gunstig aan die rijksweg komen te liggen (op een zichtlocatie).

De door beide partijen overgelegde overzichten van transacties binnen het gebied ’t Klooster laten een sterk verdeeld beeld zien. In de periode 1994 tot 2005 zijn prijzen betaald van

€ 1,-- tot 45,37 per m². In de periode 1994 tot 2001 waren de koopprijzen kennelijk gebaseerd op de verwachting dat in de nabije toekomst een bedrijventerrein zou worden ontwikkeld. Niet is gebleken dat voor de percelen langs de bestaande rijksweg een hogere of lagere prijs is betaald dan voor de percelen die op grotere afstand van de rijksweg zijn gelegen. Na de vaststelling van het tracébesluit zijn beduidend lagere prijzen betaald dan voorheen. Deze laatste prijzen zijn niet zonder meer maatgevend voor de waarde van het onteigende.

De deskundigen schatten gelet op een en ander de “gemiddelde” waarde van de grond in het betrokken gebied per peildatum op € 30,--/m². De gronden in dit gebied die zijn gelegen binnen een afstand van 10 tot 30 meter van de bestaande rijksweg hebben een lagere waarde in verband met het risico dat de gemeente voor een eventuele verbreding van de rijksweg in de toekomst een strook grond met een zekere breedte direct langs de rijksweg buiten het plangebied van het bestemmingsplan voor het toekomstige bedrijventerrein zou laten. De deskundigen schatten deze waarde op 50% van de gemiddelde waarde, ofwel € 15,--/m² . Voor de gronden die zijn gelegen binnen een afstand van 10 meter van de rijksweg is het risico van een verbreding van de rijksweg nog aanmerkelijk groter. De deskundigen schatten de waarde van deze gronden op 25% van de gemiddelde waarde ofwel € 7,50,--/m² . Zij berekenen de totale waarde van het onteigende per de peildatum op:

360 m x 10 = 3600 m² à € 7,50 d.i. € 27.000,--

7676 m² - 3600 m² = 3076 m² à € 15,-- d.i. € 46.140,--

Totaal € 73.140,--

2.6. De Staat heeft er bij pleidooi terecht op gewezen dat de deskundigen rekenen met 6.676 m² (3600 m² + 3076 m²) terwijl 7.676 m² onteigend is. Dit betekent dat de waarde van het onteigende (1000 m² à € 15,-- =) € 15.000,-- hoger ligt, zodat het advies feitelijk neerkomt op een schadeloosstelling van € 88.140,--.

2.7. Van Schijndel heeft de volgende bezwaren geuit. De deskundigen hebben het eliminatiebeginsel van artikel 40c Onteigeningswet onjuist toegepast, door ten onrechte rekening te houden met het risico van toekomstige verbreding van de Rijksweg A2. Ook toekomstverwachtingen omtrent de verbreding zouden moeten worden weggedacht. Wanneer de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan met betrekking tot een bedrijventerrein in het gebied Kloosterstraat aan het onteigende een verkeersbestemming zou geven, zou dat geen vrije keus van de gemeente zijn. De gemeente zou feitelijk geen andere keus hebben dan zich aan te sluiten bij plannen van de Rijksoverheid voor verbreding van de A2. Uit jurisprudentie blijkt dat met een dergelijke “dwangbestemming” geen rekening mag worden gehouden.

Deskundigen miskennen dat het onteigende zowel in het geval dat de gemeente de grond buiten het bestemmingsplan houdt als in het geval dat de gemeente de grond bij het bestemmingsplan betrekt een complexwaarde zou kunnen hebben. Een (formeel) buiten het plangebied gelaten (groen)strook kan een functie hebben binnen het complex van een bedrijventerrein.

Deskundigen hebben te weinig mee laten wegen dat het onteigende een zichtlocatie betreft. Een aan een weg gelegen voorstrook waar planologisch niet mag worden gebouwd kan, niettegenstaande de ongunstige bestemming, tot een zekere diepte een hogere waarde hebben dan de eenheidsprijs. Dat kan bijvoorbeeld omdat op deze direct langs een bestaande weg gelegen voorstrook minder ontsluitingskosten drukken dan op de achtergelegen gronden. Een min of meer speculatief persoon zal aan het argument dat de gronden in de toekomst op een zichtlocatie komen te liggen doorslaggevende betekenis toekennen.

In de praktijk betalen kopers niet minder voor een strook grond die langs de rijksweg ligt. Van Schijndel stelt zich op het standpunt dat de waarde van het onteigende € 260.984,--

(€ 34,-- per m²) bedraagt.

2.8. De Staat heeft het volgende bezwaar geuit. De deskundigen hebben de verwachtingswaarde te royaal getaxeerd. De getaxeerde prijs van € 30,-- is na de vaststelling van het streekplan niet meer gehaald. Deskundigen wijten dat aan het feit dat de nadien gesloten transacties betrekking hebben op gronden benodigd voor de reconstructie van de A2 en dat bij die transacties in afwijking van het onteigeningsrecht de verkeersbestemming niet is weggedacht. De Staat betwist dat, omdat in dat geval de waarde nog belangrijk lager geweest zou zijn. De Staat stelt zich op het standpunt dat waarde van de gehele onteigende strook grond langs de rijksweg € 7,50 per m² bedraagt. Daarop is zijn aanbod (€ 57.570,--) gebaseerd.

2.9. De rechtbank overweegt met betrekking tot de bezwaren van Van Schijndel en de Staat als volgt.

Het eliminatiebeginsel en de complexwaarde

2.9.1. Deskundigen hebben in hun rapport op grond van de bestendige Markus/Matser-jurisprudentie de op de peildatum vigerende verkeersbestemming geëlimineerd. Partijen zijn dat kennelijk ook met deskundigen eens. De rechtbank acht deze benadering eveneens de juiste en sluit zich daarbij aan op de door de deskundigen al weergegeven gronden, die de rechtbank tot de hare maakt.

Na deze eliminatie van de per peildatum vigerende bestemming komt de vraag op welke waarde dan aan het onteigende moet worden toegekend. Deskundigen hebben in hun rapport uitvoerig de omstandigheden weergegeven, waarmee volgens hen redelijk handelende partijen in het vrije economische verkeer rekening zouden houden bij het bepalen van de waarde. Bij gelegenheid van het pleidooi hebben deskundigen nader toegelicht dat redelijk handelende partijen, ook zonder dat de concrete plannen waarvoor is onteigend er waren geweest, op de peildatum rekening zouden houden met een mogelijke verbreding van de A2 in de nabije toekomst, gelet op de drukte en fileproblemen op de A2 ter plaatse. Deze partijen zouden er rekening mee houden dat de gemeente bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten behoeve van het nog te ontwikkelen bedrijventerrein aan de strook direct langs de rijksweg niet een bouwbestemming zou geven, aldus deskundigen.

Van Schijndel meent dat ook deze verwachtingen omtrent een toekomstige verbreding van de A2 moeten worden geëlimineerd. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De vooromschreven eliminatie ziet op het per peildatum vigerende bestemmingsplan en niet ook op verwachtingen zoals die bij een redelijk handelende koper en verkoper – het onteigeningswerk en de plannen daarvoor weggedacht – per peildatum zouden bestaan. Terecht hebben deskundigen dus de verwachtingen omtrent een toekomstige verbreding van de A2 bij hun waardering betrokken. De gronden voor dat oordeel zijn helder in het deskundigenrapport uiteengezet en de rechtbank maakt die tot de hare.

Vervolgens zijn deskundigen in het deskundigenrapport uitgebreid ingegaan op de afwegingen van een redelijk handelende koper en verkoper op de peildatum, het thans vigerend bestemmingsplan weggedacht, dus in de situatie waarin enerzijds sprake is van de toekomstige ontwikkeling van een bedrijventerrein en anderzijds behoefte bestaat aan verbreding van de rijksweg. De rechtbank deelt het oordeel van de deskundigen dat voor de onteigende gronden niet kan worden uitgegaan van de gemiddelde waarde van de grond in het betrokken gebied, juist omdat de onteigende gronden nu eenmaal direct langs de bestaande Rijksweg zijn gelegen en het risico groot is dat deze gronden geheel of gedeeltelijk buiten het plangebied voor het bedrijventerrein worden gehouden c.q. wel binnen dat plangebied worden opgenomen, doch daarin in verband met de te verwachten verbreding van de Rijksweg slechts een groenbestemming krijgen. Dat brengt mee dat deze gronden een lagere waarde hebben dan verder naar binnen gelegen gronden en dat de strook grond die zo ver van de naar verwachting in de toekomst te verbreden Rijksweg afligt, dat die direct aan de verbrede Rijksweg komt te liggen, de zichtlocatie (met een hogere waarde dan het gemiddelde) vormt. De redelijk handelende partijen zullen rekening houden met dit risico. Het onteigende kan dan ook niet als zichtlocatie worden aangemerkt. Of zou moeten worden meegewogen dat een (formeel) buiten het plangebied gelaten (groen)strook een functie kan hebben binnen het complex van een bedrijventerrein kan volgens de rechtbank in het midden blijven, aangezien dan ook weer moet worden meegewogen dat het deze functie evengoed niet kan hebben. De waardering door deskundigen is gebaseerd op een bepaalde verwachtingswaarde, waarbij alle goede en kwade kansen waarmee redelijk handelende partijen rekening houden tegen elkaar zijn afgewogen. De rechtbank acht die benadering juist en maakt deze tot de hare. De (resterende) bezwaren van Van Schijndel respectievelijk de Staat worden daarmee verworpen.

2.11. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het advies van de deskundigen. De rechtbank volgt dan ook het advies van de deskundigen en de gronden waarop dit berust, met dien verstande dat de waarde van het onteigende (1000 m² à

€ 15,-- =) € 15.000,-- hoger ligt dan de door deskundigen genoemde waarde van € 73.140,--, zodat de schadeloosstelling € 88.140,-- bedraagt.

2.12. Tussen het bedrag van de aan Van Schijndel toe te kennen schadeloosstelling van € 88.140, en het aan haar toegekende voorschot van € 50.913, bestaat een verschil van € 37.227, , dat de Staat nog aan haar dient te betalen. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de rente over dit laatste bedrag over de periode tussen de datum van inschrijving van het vonnis van onteigening, 30 juni 2005, en de datum van dit vonnis, 12 januari 2011. Het toe te passen percentage is, zoals gebruikelijk, dat van de wettelijke rente. De samengestelde wettelijke rente over het bedrag van € 37.227,-- van 30 juni 2005 tot 12 januari 2011 bedraagt € 10.813,06.

2.13. De aan Van Schijndel toe te kennen schadeloosstelling komt daarmee uiteindelijk op € 88.140, + € 10.813, (afgerond) geeft € 98.953,--, waarvan nog te voldoen na aftrek van het voorschot € 48.040, . Dit laatste bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis tot de dag der voldoening.

2.14. De Staat zal, nu de schadeloosstelling het bedrag van de bij dagvaarding aangeboden schadeloosstelling overtreft, worden veroordeeld in de kosten van het geding, die van de rechtbankdeskundigen daaronder begrepen. De rechtbank zijn immers geen omstandigheden gebleken die zouden moeten leiden tot toepassing van artikel 50 lid 3 van de onteigeningswet.

2.14.1. De door de rechtbank benoemde deskundigen hebben een bedrag van € 21.705,36 gedeclareerd. De Staat heeft te kennen gegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen deze declaratie. De rechtbank zal de Staat in deze kosten veroordelen.

2.14.2. Van Schijndel heeft blijkens een door haar overgelegd declaratieoverzicht in totaal een bedrag van € 54.199,94 inclusief BTW gedeclareerd gekregen ter zake kosten van rechtskundige en andere bijstand. Van Schijndel stelt de gedeclareerde bedragen te hebben voldaan. Van Schijndel is van mening dat de Staat op grond van de redelijkheid en billijkheid de wettelijke rente over de diverse bedragen dient te voldoen, telkens te rekenen vanaf de datum waarop zij de declaratie heeft voldaan. Van Schijndel heeft in de kostenopgavebrief van 28 oktober 2010 aangekondigd dat de kostenopgave over de maanden oktober en november nog zal worden verstrekt. Die opgave heeft de rechtbank echter niet (meer) ontvangen.

2.14.3. De Staat heeft bij pleidooi opgemerkt dat Van Schijndel de BTW zal kunnen verrekenen en dat daarom de Staat niet behoort te worden veroordeeld tot betaling daarvan. De Staat stelt zich verder op het standpunt dat hij niet behoort te worden veroordeeld in de wettelijke rente, aangezien hij niet in verzuim verkeert. De Staat heeft bij pleidooi voorts aangegeven dat de door Van Schijndel gemaakte kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. De Staat heeft tevens aangekondigd dat nog na pleidooi schriftelijk op die opgave van kosten zou worden gereageerd. Die reactie is uitgebleven.

2.14.4. De rechtbank overweegt het volgende. Op de voet van artikel 50 van de onteigeningswet komen de kosten van Van Schijndel voor rekening van de Staat, mits die kosten de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat het redelijk is dat Van Schijndel zowel rechtskundige als deskundige bijstand heeft ingeroepen in deze procedure.

De Staat zal niet in de aan Van Schijndel berekende BTW worden veroordeeld, aangezien Van Schijndel erkent dat zij de BTW kan verrekenen, zodat deze kostenpost uiteindelijk niet voor haar rekening komt.

Ten aanzien van de omvang van de kosten van deskundige Van den Berk is de rechtbank van oordeel dat ook de omvang van de kosten - bijna 92 uren tegen een uurtarief van

€ 130,-- - redelijk is. Deze kosten, een bedrag van € 12.372,-- (ex BTW), zullen dan ook integraal worden toegewezen.

Ten aanzien van de kosten voor rechtsbijstand kan de vraag worden gesteld in hoeverre deze kosten in volle omvang redelijk zijn. In dat verband signaleert de rechtbank namelijk dat aan dit dossier door drie verschillende advocaten is gewerkt – mrs. Van Wijmen, Hoekstra en Hardeman – en de specificaties van de declaraties aanleiding geven tot de veronderstelling dat ten minste van gedeeltelijke overlap van werkzaamheden sprake is geweest. Die veronderstelling wordt bijvoorbeeld gevoed door de omstandigheid dat twee advocaten aanwezig zijn geweest bij dezelfde besprekingen, dat twee advocaten (kennelijk) aan dezelfde stukken hebben gewerkt alsmede het grote aantal uren (namelijk meer dan 40) dat mr. Hardeman heeft besteed aan het opstellen van de (vier pagina’s tellende) reactie op het conceptdeskundigenrapport van 1 april 2010, hetgeen doet vermoeden dat in die uren “inwerktijd” voor deze nieuwe behandelaar is verdisconteerd. De rechtbank acht dit aantal uren niet redelijk, in aanmerking nemende dat ter zitting is gebleken dat het verzamelen van alle vergelijkingstransacties en het onderzoeken van de planologische aspecten is gedaan door de deskundige Van den Berk.

De rechtbank ziet hierin en gelet op de omvang van de zaak en de punten van geschil, aanleiding om de kosten voor rechtskundige bijstand – inclusief het slotpleidooi waarvoor geen kostenopgave is ontvangen – in redelijkheid en billijkheid vast te stellen op € 30.000,-- (ex BTW).

Voor vergoeding van rente over reeds door Van Schijndel betaalde declaraties ziet de rechtbank geen grondslag. De kostenvergoeding in de onteigeningsprocedure wordt beheerst door artikel 50 onteigeningswet. Dat artikel opent niet de mogelijkheid van enige rentevergoeding. Die vergoeding vloeit evenmin voort uit het beginsel van de volledige schadeloosstelling, aangezien dit beginsel niet aan artikel 50 onteigeningswet ten grondslag ligt. Het door Van Schijndel gedane beroep op de redelijkheid en billijkheid maakt dat niet anders, te meer nu Van Schijndel heeft nagelaten te onderbouwen waarom in dit bijzondere geval redelijkheid en billijkheid tot de gevorderde rentevergoeding zouden nopen.

De Staat zal tevens worden veroordeeld in het door Van Schijndel betaalde vast recht ad

€ 241,-- alsmede in de naheffing vast recht ten bedrage van € 1.939,--.

2.15. Een en ander leidt tot de volgende beslissing.

3. De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag van de te dezer zake door de Staat aan Van Schijndel verschuldigde schadeloosstelling vast op een bedrag van € 98.953, (achtennegentigduizend negenhonderd drieënvijftig euro);

veroordeelt de Staat om aan Van Schijndel te betalen het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 48.040, , vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf heden tot aan de dag der voldoening;

wijst aan als nieuwsblad waarin door de griffier van deze rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal worden geplaatst: “De Bossche Omroep op Zondag”;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Van Schijndel begroot op € 42.372, ter zake rechtskundige bijstand en overige deskundige bijstand en € 2.180,-- ter zake vast recht;

veroordeelt de Staat tevens in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op € 21.705,36, waarvan:

- € 18.042,19 voor salarissen,

- € 201,20 voor verschotten,

- € 3.461,97 voor omzetbelasting;

verklaart dit vonnis wat de veroordelingen tot betaling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen, mr. J.A. Bik en mr. J.A.M.A. Sluysmans en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2011.