Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP3079

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
729093
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslagrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst statutair directeur. Er is sprake van een zeer ernstig verstoorde verstandhouding tussen de directeurbestuurder enerzijds en de Raad van Toezicht van Huis en Erf anderzijds.

De omstandigheden leveren, in samenhang bezien, onvoldoende “ernstige feiten” op om van een dringende reden in de zin van artikel 7: 685 lid 2 jo 7:677 lid 1 BW te spreken.

De verstandhouding is dermate slecht dat de kantonrechter niet kan aannemen dat er nog sprake kan zijn van enige vruchtbare samenwerking.

De directeurbestuurder stelt zich op het standpunt dat de Raad van Toezicht, die geen dienstverband heeft met Huis en Erf, kan opstappen, dan wel ontslagen kan worden door de ledenvergadering. Echter, het toezicht op de directeurbestuurder is in handen van de Raad van Toezicht en waar geen normale samenwerking en toezicht meer mogelijk is, ligt het in de rede om de arbeidsovereenkomst met de directeurbestuurder te ontbinden. Uit de stellingen over en weer niet naar voren is gekomen dat de Raad van Toezicht zich misdragen zou hebben en zou dienen op te stappen in plaats van de directeurbestuurder.

De arbeidsovereenkomst met de directeurbestuurder wordt ontbonden. Alle door partijen naar voren gebrachte omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder ook de leeftijd van de directeurbestuurder, zijn salaris en de duur van zijn dienstverband, oordeelt de kantonrechter het billijk om aan de directeurbestuurder in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding toe te kennen gelijk aan € 100.000,- bruto. Daarbij wordt een proceskostenveroordeling ten laste van Huis en Erf uitgesproken van € 10.000,-, omdat de omvang van dit dossier dit rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0094

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

sector kanton 's Hertogenbosch

zaaknummer.: 729093

EJ verz. : 10-5383

Uitspraak : 3 februari 2011

in de zaak van:

[verzoekster],

gevestigd te [adres],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr A.G. van Marwijk Kooy, advocaat te Amsterdam,

tegen:

[verweerder],

wonende te [adres],

verwerende partij,

gemachtigde: mr C.W.J. Okkerse, advocaat te Almere.

Het verloop van het geding

1.1. De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 8 december 2010 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties;

b. het op 17 januari 2011 ter griffie ontvangen verweerschrift met producties;

c. de bij faxbrief van 18 januari 2011 door de gemachtigde van verzoekende partij toegezonden aanvullende producties;

d. de bij faxbrief van 18 januari 2011 door de gemachtigde van verwerende partij toegezonden aanvullende producties;

1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2011. Ter zitting waren aanwezig namens de verzoekende partij de heren [...], beiden lid van de Raad van Toezicht van verzoekster, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd, alsmede de verwerende partij in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Beide gemachtigden hebben ter gelegenheid van de zitting hun pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.4. Partijen worden hierna ook aangeduid als respectievelijk "[verzoekster]" en "[verweerder]".

Het verzoek

2.1. [verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen op korte termijn te ontbinden primair op grond van gewichtige redenen, gelegen in een dringende reden, dan wel in een verandering van omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerder].

2.2. [verweerder] heeft primair verzocht het verzoek af te wijzen en subsidiair verzocht aan hem bij ontbinding van de overeenkomst een vergoeding toe te kennen ter hoogte van driemaal de uitkomst van de zogenaamde kantonrechtersformule, alsmede een vergoeding van kosten van rechtsbijstand van € 12.000,-.

De beoordeling

3. Tussen partijen staan de volgende feiten vast.

3.1. [verzoekster] is een woningbouwvereniging. Haar voornaamste werkgebied is Schijndel en Sint Michielsgestel.

3.2. [verweerder], geboren op 24 juni 1958, is sinds 1 januari 2006 in dienst van [verzoekster] als statutair directeur. Zijn salaris bedroeg bij aanvang van de arbeidsovereenkomst € 87.000, - bruto per jaar en sinds 1 januari 2007 ongeveer € 125.000, - bruto per jaar.

3.3. De woningbouwvereniging heeft een Raad van Toezicht, die tot taak heeft het houden van toezicht op het beleid van de statutair directeur en op de algemene gang van zaken binnen de vereniging en daarmee verbonden onderneming. Deze Raad van Toezicht heeft zeven leden, die voor hun toezichthoudende taak een vergoeding ontvangen van 7.000, - bruto per jaar. De Raad van Toezicht heeft de bevoegdheid de statutair directeur te benoemen, te schorsen en te ontslaan.

3.4. De verstandhouding tussen de Raad van Toezicht en [verweerder] is in toenemende mate verslechterd. De Raad van Toezicht heeft eind maart/begin april 2010 gestreefd naar een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verweerder]. Dat blijkt onder meer uit een brief d.d. 7 april 2010 van de advocaat van de Raad van Toezicht, waarin een voorstel van [verweerder] tot het inschakelen van een mediator wordt verworpen.

3.5. De Raad van Toezich heeft [verweerder] begin juni 2010 geschorst. Die schorsing is ongedaan gemaakt door deze rechtbank bij vonnis van 18 juni 2010.

3.6. De Raad van Toezicht heeft op 9 juni 2010 in overleg met het Ministerie besloten opdracht te geven tot het uitvoeren van een forensisch onderzoek naar een aantal gerezen verdenkingen rondom het functioneren van [verweerder] en naar beschuldigingen door [verweerder] jegens de Raad van Toezicht en diens voorzitster. Dit onderzoek, dat is uitgevoerd door Integis, is op 18 oktober 2010 afgerond. Het daarvan opgemaakte rapport is door [verzoekster] in het geding gebracht. [verweerder] heeft hierop opdracht gegeven tot het becommentariëren van dit onderzoek door de forensisch accountant J. Ten Wolde RA van het Bureau IFO. De kosten van de rapportages door Integis en IFO zijn ten laste gebracht van [verzoekster].

Bij besluit van 17 november 2010 heeft de Raad van Toezicht na het horen van [verweerder] en na verkregen advies van de Ondernemingsraad tot het ontslag van [verweerder] als statutair bestuurder besloten.

3.7. In artikel 14 van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] is onder meer het navolgende bepaald:

"14.1. De statutair directeur zal tegenover derden tijdens en na de dienstbetrekking geheimhouding betrachten omtrent alle bijzonderheden betreffende of verband houdende met het bedrijf van de corporatie, welke door de corporatie als vertrouwelijk of overeenkomstig beperkend zijn aangemerkt, dan wel waarvan de statutair directeur geheimhouding redelijkerwijs duidelijk moet zijn."

4. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is gebaseerd op verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerder] waardoor een vertrouwensbreuk is ontstaan tussen de Raad van Toezicht en [verweerder] en een volstrekt verstoorde werkverhouding.

Primair levert volgens [verzoekster] het verwijtbaar handelen van [verweerder] een dringende reden op voor ontslag op staande voet en subsidiair stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat alle feiten in aanmerking genomen er sprake is van een wijziging van omstandigheden die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt zonder toekenning van enige vergoeding.

5. De kantonrechter zal eerst de stellingen en onderbouwing van [verzoekster] ten aanzien van de primaire grondslag van het verzoek, de dringende reden beoordelen. Daarbij komt tevens het verweer van [verweerder] aan de orde.

Op basis van het over en weer gestelde staat vast dat geen verband bestaat tussen de indiening van het verzoekschrift en de in artikel 7:685 BW bedoelde opzegverboden.

6.1. Volgens [verzoekster] opereert [verweerder] reeds enige jaren niet transparant en weigert hij toetsingskaders zoals een meerjarenbeleid op te stellen. Verder kan hij niet omgaan met kritiek en verdraagt in essentie geen toezicht. In het beoordelingsgesprek van 3 december 2009 is deze kritiek aan de orde geweest en heeft dit geleid tot een escalatie, waarbij [verweerder] zich heeft misdragen. De Raad van Toezicht heeft zijn kritiek op het functioneren van [verweerder] volgehouden, waarna deze een oorlog tegen de Raad van Toezicht heeft ontketend waarbij hij alle geledingen in en buiten [verzoekster] bij dit arbeidsconflict heeft betrokken. Naar aanleiding van gerezen verdenkingen heeft in opdracht van de Raad van Toezicht een forensisch onderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek heeft volgens de Raad van Toezicht ernstige feiten aangetoond. In vele opzichten is volgens de Raad van Toezicht sprake van handelen door [verweerder] in strijd met elementaire normen van goed bestuur. Er is dus sprake van een vertrouwensbreuk tussen de Raad van Toezicht en [verweerder] die geheel veroorzaakt is door [verweerder] en er is sprake van een volstrekt verstoorde verhouding mede vanwege ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder]. Volgens de Raad van Toezicht van [verzoekster] er daarom sprake van dringende redenen als bedoeld in artikel

7: 677 lid 1 BW.

6.2. De kantonrechter stelt vast dat uit het verslag van het beoordelingsgesprek over het jaar 2007 (prod. 10 verzoekschrift) al blijkt dat de Raad van Toezicht klaagt over de communicatie, het te laat of onvoldoende verstrekken van door hem gewenste informatie, het ontbreken van een meerjarenplan. Uit de bitse wijze waarop [verweerder] op het verslag heeft gereageerd, blijkt wel dat de communicatie hierover toen al niet soepel verliep. Vervolgens is over het jaar 2008 - volgens de Raad van Toezicht omwille van de lieve vrede - geen kritiek geleverd. Deze beoordeling is goed, waarbij onder meer waardering wordt uitgesproken dat er gewerkt wordt aan de uitwerking van het "receptenboek" in het meerjarenbeleidplan. De kantonrechter is van oordeel dat, indien kritiek om genoemde reden achterwege is gebleven, dit een tekortkoming is in de reglementair voorgeschreven evaluatie van het functioneren van de bestuurder. De Raad van Toezicht is in dat opzicht tekortgeschoten.

Op 3 december 2009 vindt opnieuw een beoordelingsgesprek met [verweerder] plaats. Ter sprake komt onder meer dat er nog steeds geen meerjarenplan is zoals de Raad van Toezicht als sinds 2007 wenselijk achtte. Dit gesprek is geëscaleerd nadat het onderwerp van de door de Raad van Toezicht nog steeds moeizaam geachte communicatie ter sprake is gebracht. Door [verweerder] is toen aan de Raad van Toezicht onder meer verweten dat er niet integer gehandeld zou zijn door de voorzitter omdat zij voor de selectie van de nieuwe leden van de Raad van Toezicht een wervings- en selectiebureau heeft voorgesteld voor de begeleiding, waarvan zij tot 1 maart 2009 nog in dienst was, en daarna nog op freelance basis mee zou hebben samengewerkt. Voorts meent [verweerder] dat hij te weinig betrokken is geweest bij de selectie. Deze kritiek wordt door de Raad van Toezicht van de hand gewezen.

Deze kwestie is in het forensisch onderzoek door Integis betrokken.

Uit dat onderzoek is gebleken dat in de vergadering met de Raad van Toezicht d.d. 11 februari 2009 is besloten tot het inschakelen van Attrivé, waarbij door [verweerder] hiertegen geen bezwaar is gemaakt, en dat toen reeds aan de orde is gekomen dat de voorzitter van de Raad van Toezicht tot 1 maart in dienst zou zijn van Attrivé. Er is op 12 mei 2009 een door [verweerder] ondertekende opdracht aan Attrivé verstuurd. Het in rekening gebrachte tarief is volgens het onderzoek marktconform. De kantonrechter is van oordeel dat de escalatie door deze "tegenaanval" van [verweerder] op grond van een kwestie waarover hij goed geïnformeerd was en zelfs de opdracht heeft ondertekend in overwegende mate aan hem te wijten was. Datzelfde geldt voor zijn verwijt met betrekking tot het verzoek van de voorzitster van de Raad van Toezicht om de extra bestede uren van de wervings- en selectiecommissie aan deze leden te vergoeden. Dit is aan de orde gesteld in de Raad van Toezicht en er is besloten geen extra vergoeding toe te kennen, zoals bij [verweerder] bekend. Integis concludeert terecht dat er niets onregelmatigs heeft plaatsgevonden.

6.3. In het voorjaar van 2010 wilde de Raad van Toezicht de bezoldiging van [verweerder] opnieuw vastleggen, omdat enkele leden vonden dat er onduidelijkheid was over de arbeidsvoorwaarden van [verweerder]. [verweerder] had weliswaar al eerder toegezegd de nodige informatie te zullen verschaffen, maar deze bleef uit. De kritiek op [verweerder] wordt gehandhaafd. De onderlinge verhoudingen worden steeds scherper. De verslaglegging van vergaderingen levert steeds discussies op. Naar aanleiding van een gesprek dat op 25 maart 2010 heeft plaatsgevonden met [verweerder], stelt deze op 29 maart 2010 voor om een mediator in te schakelen, waardoor onder meer de onderlinge rolverdeling tussen Raad van Toezicht en [verweerder] zou kunnen worden verhelderd. De Raad van Toezicht heeft op 7 april 2010 bij brief van haar advocaat laten weten dat [verweerder] onvoldoende onderkent dat de problematiek veroorzaakt wordt door diens eigen opvattingen en opstelling en dat er geen vertrouwen bestaat in een oplossing via mediation. Medegedeeld wordt dat er gestreefd wordt naar een beëindiging van het dienstverband met [verweerder]. Hoewel in deze brief om geheimhouding wordt verzocht heeft [verweerder] zowel de ondernemingsraad als zijn staf hiervan op de hoogte gesteld. [verzoekster] verwijt [verweerder] aldus zijn contractuele geheimhoudingsplicht te hebben geschonden. De kantonrechter is van oordeel dat het [verweerder] niet kwalijk kan worden genomen, dat hij medewerkers van [verzoekster] en de Ondernemingsraad op de hoogte heeft gesteld van zijn problemen als directeurbestuurder met de Raad van Bestuur. Het optreden van [verweerder] ter behartiging van zijn belangen als directeurbestuurder rond het voorgenomen ontslag en de schorsing, oordeelt de kantonrechter niet van dien aard, dat dit zeven maanden nadien een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt op grond van een dringende reden. De schorsing van [verweerder] is naar het oordeel van de kantonrechter terecht ongedaan gemaakt door de kantonrechter die hierover op 18 juni 2010 in kort geding heeft geoordeeld. Evenmin kan het feit dat (een deel van) de advocatenkosten die gemaakt zijn voorafgaand aan het kort geding, door [verzoekster] zijn betaald, als een dringende reden gelden. Op voorhand staat immers niet vast dat dit conflict niet kon worden aangemerkt als een conflict tussen bestuursorganen van [verzoekster].

7. De kantonrechter zal hierna kort de uitkomsten van het forensisch onderzoek beoordelen voor zover dat hiervoor nog niet aan de orde is geweest.

7.1. Het onderzoek naar de bezoldiging waarover zoveel achterdocht was ontstaan levert géén onregelmatigheden op:

Bij de aanvang van het dienstverband bedroeg het bruto salaris van [verweerder] per maand:

€ 7.330,25. Begin 2007 was dit € 7.771, - plus een pensioencompensatie van € 183,26.

Op 7 februari 2007 heeft [verweerder] aan de voorzitster van de Raad van Toezicht, [Y], voorgesteld dat zijn salaris met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 zou worden verhoogd naar € 125.055,- per jaar en dat hem een leaseauto ter beschikking zou worden gesteld. [verweerder] heeft een notitie d.d. 21 februari 2007 ondertekend, waarin is vermeld dat de Raad van Toezicht zijn salaris bij besluit van 14 februari 2007 zou hebben verhoogd naar

€ 8.630,- per maand. Dit was bedoeld voor de salarisadministratie. De salarisbetalingen zijn in maart 2007 met terugwerkende kracht verhoogd conform genoemde notitie. Uit een e-mail van [verweerder] aan [X] van de remuneratiecommissie van 21 februari 2007 waarin wordt toegezegd dat er een besluit van de Raad van Toezicht zal worden opgesteld, blijkt echter dat er op dat moment nog geen definitief besluit van de Raad van Toezicht was. [Y] heeft op 16 oktober 2007 voorgesteld het salaris te stellen op € 125.000, - per jaar inclusief een eventueel resultaat gerichte beloning. Uiteindelijk is pas op 4 december 2007 een besluit van de Raad van Toezicht genomen, en zijn de definitieve afspraken tussen partijen vastgelegd in een e-mail van [Y] aan [verweerder] van 5 december 2007. Hierin is bepaald dat het jaarsalaris wordt vastgesteld op maximaal € 125.000 per jaar exclusief pensioenkosten, dat het maandsalaris wordt gebaseerd op € 116.250, - , zijnde

€ 125.000 minus 7 % variabele beloning en dat deze 7% kan worden toegekend op basis van jaarlijks vast te stellen resultaatsafspraken. Niet is opgenomen dat overige arbeidsvoorwaarden conform de CAO zouden zijn, doch dit is steeds vermeld in de jaarverslagen van Huis & Erf, die vooraf zijn goedgekeurd door de Raad van Toezicht. De kantonrechter kan dan ook niet aannemen dat [verweerder] geen rechten kon ontlenen aan de CAO regeling omdat dit niet expliciet in een besluit van de Raad van Toezicht is vastgelegd. In december 2007 is het maandsalaris aldus met terugwerkende kracht tot

1 januari 2007 nogmaals verhoogd naar € 8.969,91 bruto per maand zonder pensioencompensatie.

De op zich zelf juiste constatering van IFO dat er geen inflatiecorrectie over 2008 is toegekend en dat de wijze van herleiding van het voormelde maandsalaris [verweerder] tekort deed, oordeelt de kantonrechter niet relevant, aangezien dit aldus is overeengekomen.

Hoewel in de jaarverslagen is vermeld dat de bezoldiging plaatsvindt volgens de Izeboud-norm, lag volgens het Integis rapport het (verhoogde) salaris van [verweerder] hier 15% boven. De kantonrechter kan niet anders dan concluderen dat als dit het geval is, zowel de Raad van Toezicht als [verweerder] van die norm zijn afgeweken bij de vaststelling van het salaris van laatstgenoemde in december 2007. De kantonrechter is van oordeel dat zowel de Raad van bestuur als [verweerder] onvoldoende de formele kaders strekkende tot het vastleggen van dat salaris in acht hebben genomen. Anderzijds dient zonder meer aangenomen te worden dat de Raad van Toezicht met de beloning zoals deze aan [verweerder] is voldaan heeft ingestemd c.q. deze heeft goedgekeurd (ook middels goedkeuring van de jaarverslagen).

7.2. Voorts blijkt uit het Integis onderzoek, dat op dit punt niet weersproken wordt door het rapport van IFO, dat ter zake de leaseauto van [verweerder] vanaf 2008 minder eigen bijdrage is ingehouden op het salaris van [verweerder] dan overeengekomen.

Volgens de overeenkomst tussen partijen zou hetgeen door de leasemaatschappij boven een bedrag van € 1000,- per maand in rekening werd gebracht worden ingehouden op het salaris van [verweerder]. Gedurende het gehele dienstverband is het initiële bedrag van € 172,99 ingehouden, terwijl de leasekosten jaarlijks gestegen zijn, en in augustus 2010 € 1.341,07 bedroegen, zodat er € 341,07 per maand ingehouden had moeten worden. Hieruit volgt dat [verweerder] zijn eigen bijdrage voor de leasekosten vanaf medio 2007 niet door de loonadministratie in overeenstemming heeft laten brengen met de werkelijke kosten.

De kantonrechter oordeelt dit niet correct.

7.3. Verder blijkt uit het uitgevoerde onderzoek dat er géén zakelijke belangenverstrengeling is met aan [verweerder] gelieerde bedrijven of nevenwerkzaamheden.

Wel blijkt vervolgens weer dat de echtgenote van [verweerder] in de periode tussen de zomer van 2007 tot de zomer van 2008 werkzaam is geweest bij FMH Atrium en dat in het jaar dat zij daar werkte meer personeel van FMH Atrium is ingezet dan in het jaar daarvoor. Op grond daarvan concludeert het rapport dat [verweerder] niet elke schijn van belangenverstrengeling heeft vermeden en aldus gehandeld heeft in strijd met het huishoudelijk reglement. De kantonrechter is het daarmee eens. Hieraan doet niet af dat de hoeveelheid personeel dat van FMH betrokken werd van jaar tot jaar fluctueerde.

Voorts heeft [verweerder] in strijd met artikel 21 van de statuten van [verzoekster] zijn dochter in dienst laten treden van [verzoekster], eerst voor een stageplaats en vervolgens voor 8 maanden in 2008 en vanaf januari 2009 wederom. Haar bezoldiging is door P&O van [verzoekster] vastgesteld. Onvoldoende gebleken is dat de Raad van Toezicht hiervan vooraf op de hoogte is gesteld en daarvoor vooraf toestemming zou hebben gegeven. Anderzijds kan niet worden aangenomen dat [verzoekster] hierdoor benadeeld zou zijn.

De werkzaamheden door de echtgenote van [verweerder] ter vervanging van een zieke medewerkster zijn "om niet" gedaan gedurende enkele weken, waarbij zij voor € 750,- aan cadeaubonnen heeft ontvangen van de afdeling Communicatie waar zij was ingevallen.

Ook deze verwevenheid oordeelt de kantornechter niet juist en in strijd met de statuten. Bovendien heeft op deze wijze een betaling plaatsgevonden buiten de loonadministratie om.

7.4. Ten aanzien van declaraties van [verweerder] ter zake telefoon-, representatie-, reis-, verblijf- en opleidingskosten, concludeert Integis dat haar onderzoek niet heeft geleid tot het geven van kritiek, behalve aangaande het feit dat onvoldoende is vastgelegd welke kosten uit de vaste onkostenvergoeding dienen te worden voldaan, wat de regels zijn voor telefoonkosten vanuit het buitenland en voor vergoeding van incidentele overnachtingen van mevrouw [verweerder].

De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de uitkomst van het onderzoek, een en ander van ondergeschikt belang is voor de beoordeling van dit geschil.

7.5. Tot slot wordt in het forensisch rapport geconcludeerd dat de Raad van Toezicht zich ter zake haar wens om een meerjarenplan onvoldoende vasthoudend heeft opgesteld, en dat zij in ieder geval in de loop van de jaren niet heeft gekregen wat zij wenste. De kantonrechter is van oordeel dat hier beide partijen een verwijt treft.

7.6. De kantonrechter is van oordeel dat de bevindingen van het rapport van Integis, ook bezien in onderlinge samenhang met de hiervoor geschetste gang van zaken die aan de schorsing vooraf is gegaan, onvoldoende "ernstige feiten" opleveren om van een dringende reden in de zin van artikel 7: 685 lid 2 jo 7:677 lid 1 BW te spreken, mede in aanmerking genomen het gedurende langere tijd niet sterk en doortastend genoeg optreden door de Raad van Toezicht.

8. [verzoekster] heeft na indiening van het verzoekschrift nog een aanvullende grond aangevoerd voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk dat [verweerder] zonder de statutair vereiste goedkeuring van de Raad van Toezicht [verzoekster] heeft gebonden aan een vastgoedtransactie met een begrote waarde van 11.2 miljoen Euro, het project Vicaris. Volgens [verzoekster] zou [verweerder] [verzoekster] in maart 2010 al gebonden hebben aan een principe akkoord, zonder de Raad van Toezicht hierover te informeren. [verweerder] zou het plan slechts in algemene termen hebben genoemd. In een brief van 17 september 2010 heeft de Raad van Toezicht naar aanleiding van het verzoek om toestemming dat in de vergaderingen van april en september 2010 aan de orde is gesteld, randvoorwaarden gesteld. Hieraan wordt niet voldaan en op 18 december 2010 lezen de leden van de Raad van bestuur in de krant dat [verzoekster] het project heeft gekocht.

De kantonrechter stelt vast dat het project Vicaris door [verweerder] in maart 2010 is gekocht onder voorbehoud van toestemming van de Raad van Toezicht. Daarmee is [verzoekster] nog niet gebonden. Aan [verweerder] wordt ten onrechte verweten dat hij het plan in maart 2010 nog niet heeft ingebracht in de vergadering met de Raad van Toezicht: verwacht mag immers worden dat dit pas gedaan wordt zodra de bestemming ervan concreet is uitgewerkt. [verweerder] wijst er terecht op dat het plan vervolgens op 13 april 2010 met de Raad van Toezicht is besproken. Vervolgens diende het plan te worden aangepast. Het aangepaste plan is gepresenteerd in de vergadering met de Raad van Toezicht van 16 september 2010. [verweerder] heeft toen gevraagd om rood of groen licht, omdat er dringend een besluit moest komen. De Raad van Toezicht heeft in zijn e-mail van 17 september 2010 aan hem geschreven:

"Bij handhaving van de gehanteerde parameters (...) voor de commerciële ruimten kunnen wij alleen instemmen met het plan op voorwaarde van een sluitende businesscase, dus zonder onrendabele investering. De berekende winst van de commerciële ruimten (...) zou zodoende ingezet moeten worden voor de sociale huur (...) tegenvallende ontwikkelingen bij het commercieel vastgoed zal het verlies (...) van het project aanvaardbaar blijven. (...) Wij willen daarnaast de suggestie doen nog eens structureel naar de exploitatie van de parkeerplaatsen te kijken (...) we dagen je uit om een scenario uit te werken dat kan voldoen aan onze bovenstaande voorwaarden".

[verweerder] stelt dat hij in deze brief heeft gelezen dat de koop kon doorgaan, evenals de heer Van Geest van het ministerie, die in opdracht van het ministerie de relatie Raad van Toezicht en directeurbestuurder werkbaar moest houden. De kantonrechter kan zich voorstellen, dat [verweerder], in de verwachting een duidelijk ja of nee te krijgen, deze brief heeft opgevat als een "ja", mits er geen onrendabele investering in het plan wordt opgenomen en nog een aantal randvoorwaarden in de uitwerking worden meegenomen. De Raad van Toezicht muntte hier dan ook niet uit in duidelijkheid.

9. Al het voorgaande in ogenschouw nemende, alsmede de andere hier niet in extenso besproken stellingen van minder belang, oordeelt de kantonrechter geen dringende reden aanwezig om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

10. Wel zijn gewichtige redenen gebleken bestaande uit veranderingen in de omstandigheden die dienen te leiden tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder].

10.1. Uit de stellingen over en weer van partijen blijkt immers zonder meer dat er sprake is van een zeer ernstig verstoorde verstandhouding tussen [verweerder] enerzijds en de Raad van Toezicht anderzijds. De verstandhouding is dermate slecht, dat de kantonrechter niet kan aannemen dat er nog sprake kan zijn van enige vruchtbare samenwerking.

[verweerder] stelt zich op het standpunt dat de Raad van Toezicht, die geen dienstverband heeft met [verzoekster], kan opstappen, dan wel ontslagen kan worden door de ledenvergadering.

De kantonrechter verwerpt deze zienswijze. De positie van de Raad van Toezicht staat niet ter discussie. Het moge zo zijn dat deze zich niet altijd even sterk en besluitvaardig heeft opgesteld jegens [verweerder], zoals uit het voorgaande wel is gebleken, echter, het toezicht op de directeurbestuurder is in handen van de Raad van Toezicht en waar geen normale samenwerking en toezicht meer mogelijk is, ligt het in de rede om de arbeidsovereenkomst met de directeurbestuurder te ontbinden. In dit verband wijst de kantonrechter erop dat uit de stellingen over en weer niet naar voren is gekomen dat de Raad van Toezicht zich misdragen zou hebben en zou dienen op te stappen in plaats van [verweerder].

Aan [verweerder] daarentegen valt wel enig verwijt te maken, daar waar hij niet altijd de statuten en het reglement strikt in acht heeft genomen en zich niet coöperatief heeft opgesteld jegens de, vergeleken met hem, onervaren Raad van Toezicht. Dit had wel van hem verwacht mogen worden. De instelling van een forensisch onderzoek is dan ook niet alleen illustratief voor de slechte verstandhouding tussen de Raad van Toezicht en de directeurbestuurder, maar ook voor het gebrek aan andere mogelijkheden van de Raad van Bestuur om voldoende informatie te krijgen. Achteraf kan worden vastgesteld dat dit onderzoek een te zwaar middel is geweest, dat hierdoor [verweerder] vanaf de schorsing onder grote druk heeft moeten werken, en dat dit de werkverhoudingen binnen [verzoekster] zeer onder druk heeft gezet.

De kantonrechter is van oordeel dat er ook aandacht dient te zijn voor het feit dat [verweerder] gedurende zijn dienstverband uitstekende resultaten heeft behaald voor [verzoekster]. In dat opzicht ziet het er naar uit dat heeft hij zich ingezet als ware hij eigenaar van het bedrijf, waar tegenover staat dat hij zich in relatie tot de Raad van Toezicht teveel als zodanig heeft gedragen. Alle door partijen naar voren gebrachte omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder ook de leeftijd van [verweerder], zijn salaris en de duur van zijn dienstverband, oordeelt de kantonrechter het billijk om aan [verweerder] in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding toe te kennen gelijk aan € 100.000,- bruto. Daarbij wordt een proceskostenveroordeling ten laste van [verzoekster] uitgesproken van € 10.000,-, omdat de omvang van dit dossier dit rechtvaardigt.

11. [verzoekster] zal op na te melden wijze in de gelegenheid worden gesteld om het verzoekschrift in te trekken.

De beslissing

De kantonrechter:

stelt partijen in kennis van haar voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van een verandering in de omstandigheden te ontbinden met ingang van

14 februari 2011, onder toekenning aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] van een vergoeding van € 100.000,- bruto;

stelt [verzoekster] in de gelegenheid om tot uiterlijk 10 februari 2011 haar verzoek in te trekken middels een schriftelijke verklaring aan de griffier, alsmede aan de gemachtigde van [verweerder];

bij handhaving van het verzoek:

ontbindt de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst op grond van een verandering in de omstandigheden met ingang van 14 februari 2011;

kent aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] een vergoeding toe van € 100.000,- bruto en veroordeelt [verzoekster] om deze vergoeding binnen veertien dagen na de ontbinding aan [verweerder] te betalen;

kent aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] een vergoeding toe van € 10.000,- aan kosten voor rechtsbijstand;

bepaalt dat verder iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt;

en bij intrekking van het verzoek:

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verweerder] gevallen en begroot op € 10.000,-, aan salaris voor de gemachtigde van [verweerder].

Deze beschikking is gegeven door mr E.J. Spoor, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2011.

Zaak/rolnummer: 729093 blad 9

beschikking