Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP3054

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-01-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
223493 FT RK 10.1911
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toewijzing dwangakkoord: De wetgever heeft in artikel 287a Fw een nieuwe mogelijkheid gecreëerd om schulden door tussenkomst van de rechter te saneren. Deze bevoegdheid wordt gerechtvaardigd door het maatschappelijk belang dat is gediend met een verantwoorde en evenwichtige schuldsaneringsregeling, die kan uitmonden in een dwangakkoord. De meerwaarde van de regeling is onder meer dat de rechter in het kader van artikel 287a Fw de beschikking heeft over een (compleet) verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, zodat – anders dan in het kader van een kort geding bij de voorzieningenrechter – op basis van volledige en objectieve gegevens rekening kan worden gehouden met de belangen van de in het geding verschenen partijen, maar evenzeer met de belangen van andere schuldeisers die door de weigering worden getroffen. Dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden geweigerd, staat derhalve niet in de weg aan een gedwongen schuldenregeling. Een andere uitleg strookt niet met de tekst van artikel 287a Fw, waarin aan de rechter is overgelaten te beoordelen in welke omstandigheden van een onredelijke weigering sprake is. In de wetsgeschiedenis (met name Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, blz. 17-18) is evenmin enig voorbehoud gemaakt ten aanzien van de beoordelingsvrijheid van de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

rekestnummer: 223493 / FT RK 10.1911

uitspraakdatum: 14 januari 2011

bevel in te stemmen met schuldregeling

in de zaak van

[verzoekster]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres],

hierna te noemen: verzoekster,

tegen

Santander Consumer Finance Benelux B.V. (t.h.o.d.n. Comfort Card),

gevestigd en kantoorhoudende te Winthontlaan 171, 3526 KV Utrecht,

vertegenwoordigd door mr. G.J. Houweling, advocaat te Bleiswijk,

hierna te noemen: verweerster.

1. De procedure

1.1. Namens verzoekster is tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Fw ingediend om verweerster, zijnde een schuldeiser die weigert mee te werken aan de namens verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

1.2. Het verzoek is op 6 januari 2011 ter zitting behandeld. Ter zitting zijn verzoekster en de heer [X], verbonden aan de Gemeentelijke Kredietbank ’s-Hertogenbosch, verschenen. Namens verweerster is nadat op 27 december 2010 schriftelijk was bericht dat noch verweerster noch haar advocaat ter zitting zal verschijnen, niemand ter zitting verschenen.

2. Het verzoek

2.1. Namens verzoekster is op 22 oktober 2009 een schuldregeling aangeboden aan haar vijf schuldeisers, inhoudende een aanbod van 11,13% van elke vordering tegen finale kwijting voor het restant van de vordering. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerster in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot weigering van de instemming met de voorgestelde schuldregeling.

3. Het verweer

3.1. Namens verweerster is bij schrijven van 27 december 2010 verweer gevoerd, luidende:

“Verzoekster is eerder toegelaten tot de wettelijke schuldsanering gedurende de periode van 2004 tot 2006. De bestedingen met Comfort Card zijn indertijd aangemeld bij de bewindvoerder. De schuldsanering is beëindigd omdat verzoekster zich niet hield aan de voorschriften. Aansluitend is verzoekster failliet verklaard, welk faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven.

Er is derhalve eerder een gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen. Nu bij een onderhands akkoord de waarborgen ontbreken die de faillissementswet biedt en er sprake is geweest van een eerder niet behoorlijk nakomen van een gedwongen schuldregeling, kan van schuldeisers niet worden verwacht dat zij instemmen met een minnelijk akkoord. Zulks klemt temeer nu verzoekster zelfs niet meer in aanmerking komt voor de WSNP op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 2 onder d Fw.

De leeftijd van verzoekster, de hoogte van de totale schuld, haar persoonlijke omstandigheden en verdiencapaciteit maken daarenboven dat niet van een problematische schuldsituatie kan worden gesproken. Met de nodige inspanning moet het haalbaar zijn om de volledige schuldenlast af te lossen. Bij afwijzing van het dwangakkoord bestaat daarbij de bereidheid om een regeling te treffen, onder meer inhoudende het bevriezen van de rente en afbetaling in maandelijkse termijnen.”

4. De beoordeling

4.1. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting, blijkt het navolgende.

4.1.1. De totale schuldenlast van verzoekster bedraagt € 14.999,80. De vordering van verweerster bedraagt € 6.211,87. Het aandeel van deze vordering in de totale schuldenlast van verzoekster bedraagt derhalve 41,41%.

4.1.2. Bij vonnis van 18 juni 2004 werd de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard op verzoekster. Deze schuldsaneringsregeling werd beëindigd bij vonnis van 21 februari 2006, onder meer op grond van het niet voldoen aan de inspanningsverplichting. Blijkens het door de rechtbank aangehouden dossier van deze schuldsaneringsregeling heeft verzoekster destijds aangevoerd rugklachten te hebben, maar zijn deze medische klachten onvoldoende aannemelijk geworden.

4.1.3. Verzoekster is manisch depressief. Zij gebruikt medicijnen en wordt behandeld. De inkomenssituatie van verzoekster is na 21 februari 2006 niet gewijzigd. Vanuit de uitkeringsinstanties heeft vanaf die datum geen sollicitatieverplichting gegolden. Inmiddels heeft verzoekster zich onder beschermingsbewind laten stellen en heeft zij zich aangemeld bij stichting MEE. Verzoekster verwacht niet dat in haar (medische) situatie enige wijziging zal optreden.

4.1.4. Onderdeel van het verzoekschrift is een berekening van het vrij te laten bedrag van 15 december 2010, waaruit blijkt dat verzoekster geen enkele afloscapaciteit heeft.

4.2. Ingevolge artikel 287a lid 5 Fw kan een verzoek als het onderhavige slechts worden toegewezen indien verweerster in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de voorgestelde schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat verweerster heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van verzoekster en/of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

4.3. Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering staat het belang van verweerster bij weigering van instemming met de schuldregeling vast. Het effect van het niet slagen van een schuldregeling zal zijn dat verzoekster mogelijk in het kader van een schuldsaneringsregeling onder toezicht wordt geplaatst van een door de rechtbank aangestelde onafhankelijke bewindvoerder, die erop toeziet dat verzoekster zich maximaal zal inspannen om haar schuldeisers zoveel mogelijk te voldoen.

4.4. Ten aanzien van verzoekster is minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend, de schuldsaneringsregeling van toepassing geweest. Dit gegeven weegt weliswaar in het nadeel van verzoekster, maar heeft geen doorslaggevende betekenis. De hiervoor bedoelde termijn van tien jaar is als imperatieve afwijzingsgrond in de Faillissementswet opgenomen om de toegang tot de schuldsaneringsregeling te beperken. Er is geen aanwijzing in de wet of de wetsgeschiedenis te vinden voor het standpunt dat hiermee eveneens werd beoogd de mogelijkheden van een gedwongen schuldregeling te beperken.

4.5. De wetgever heeft in artikel 287a Fw een nieuwe mogelijkheid gecreëerd om schulden door tussenkomst van de rechter te saneren. Deze bevoegdheid wordt gerechtvaardigd door het maatschappelijk belang dat is gediend met een verantwoorde en evenwichtige schuldsaneringsregeling, die kan uitmonden in een dwangakkoord. De meerwaarde van de regeling is onder meer dat de rechter in het kader van artikel 287a Fw de beschikking heeft over een (compleet) verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, zodat – anders dan in het kader van een kort geding bij de voorzieningenrechter – op basis van volledige en objectieve gegevens rekening kan worden gehouden met de belangen van de in het geding verschenen partijen, maar evenzeer met de belangen van andere schuldeisers die door de weigering worden getroffen. Dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden geweigerd, staat derhalve niet in de weg aan een gedwongen schuldenregeling. Een andere uitleg strookt niet met de tekst van artikel 287a Fw, waarin aan de rechter is overgelaten te beoordelen in welke omstandigheden van een onredelijke weigering sprake is. In de wetsgeschiedenis (met name Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, blz. 17-18) is evenmin enig voorbehoud gemaakt ten aanzien van de beoordelingsvrijheid van de rechter.

4.6. Van belang is dat verzoekster na beëindiging van de schuldsaneringsregeling in 2006 maatregelen heeft getroffen om haar situatie te stabiliseren. Het ingestelde beschermingsbewind draagt hieraan bij. Het is aannemelijk geworden dat verzoekster niet opnieuw schulden zal maken. Een duidelijk aanwijzing hiervoor is te vinden in het gegeven dat de schuldensituatie van verzoekster vanaf 2006 stabiel is gebleven.

4.7. Verzoekster komt niet in aanmerking voor toepassing van een schuldsaneringsregeling gedurende een periode van tien jaar na de beëindiging. Dit betekent dat verweerster erop mag rekenen dat zij pas dertien jaar na 2006 weer kan worden geconfronteerd met een zogenaamde “schone lei”. In het onderhavige geval is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster gedurende deze periode geen aanvullende afloscapaciteit zal krijgen, ook niet wanneer zij – na verloop van tien

jaar – onder toezicht zal worden geplaatst van een door de rechtbank benoemde bewindvoerder. Verzoekster heeft op dit moment geen afloscapaciteit. Het is voldoende aannemelijk geworden dat deze situatie – gelet op haar ziektebeeld – niet zal veranderen. De schuldregeling, die voorziet in een uitkering van 11,13% op ieders vordering, is derhalve in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Het belang van de overige schuldeisers bij het slagen van de schuldregeling is er voorts in gelegen dat zij deze aflossing binnen afzienbare termijn zullen ontvangen. Daar komt bij dat de meerderheid van de schuldeisers, die tevens het grootste gedeelte van de schuldenlast van verzoekster vertegenwoordigen, met de schuldregeling instemmen.

4.8. Gelet op al het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek ex artikel 287a lid 1 Fw toewijzen. Derhalve komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

5. De beslissing

De rechtbank:

- beveelt Santander Consumer Finance Benelux B.V. (t.h.o.d.n. Comfort Card)

- in te stemmen met de aangeboden schuldregeling;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 14 januari 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.