Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP2409

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
AWB 10/3710 en 10/3711
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gebruik privémotor voor een dienstmotortraining door een politieambtenaar Interregionaal Arrestatieteam Zuid-Nederland (IAT) in de zich hier voordoende omstandigheden niet volstrekt onbegrijpelijk. Wat betreft het gebruik van schaduwkentekenplaten op motorvoertuigen waarvoor die platen niet waren afgegeven was er ten tijde hier van belang bij het IAT geen duidelijk, schriftelijk kenbaar gemaakt, afkeurend beleid. Omdat de brandstof bij de uitoefening van de dienst was gebruikt, lag het in de rede om deze ook voor rekening van het IAT te laten komen.

Geen sprake van een bijzonder geval waarin het dienstbelang overplaatsing zou vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/3710

AWB 10/3711

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2011

inzake

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonende te respectievelijk [woonplaats A] en [woonplaats B], verzoekers,

gemachtigde mr. R.R. Ismail,

tegen

de Korpsbeheerder van de Politie Brabant Zuid-Oost, gevestigd te Eindhoven, verweerder,

gemachtigden mr. W.H. Janssen, S.C.M.A. Gommans en W.J.P. van Pelt.

Overwegingen

Verzoekers waren sinds jaren werkzaam als “senior arrestatieteam” bij het Interregionaal Arrestatieteam Zuid-Nederland (IAT). Op 23 juni 2010 hebben zij – na het verrichten van een duikopdracht tot ongeveer 15.00 uur – gedurende omstreeks een uur op de openbare weg getraind op de motorfiets. Hiervoor waren (in principe) twee dienstmotoren beschikbaar. Omdat één dienstmotor met een lege accu stond heeft verzoeker [verzoeker A] zijn (op de werkplek aanwezige) privémotor gebruikt. Teneinde met het oog op eventueel bijzonder rijgedrag niet traceerbaar te zijn heeft [verzoeker A] daarbij op zijn privémotor zogenaamde schaduwkentekenplaten bevestigd. Deze schaduwkentekenplaten waren niet voor die privémotor afgegeven. Na afloop van de training heeft [verzoeker A] zijn privémotor en de door verzoeker [verzoeker B] gebruikte dienstmotor met een diensttankpas afgetankt.

In verband met het vorenstaande heeft verweerder bij besluiten van 29 september 2010 verzoekers met ingang van 11 oktober 2010 van hun functie bij het IAT ontheven en hen overgeplaatst naar een andere functie bij een ander politie-onderdeel. Verweerder heeft hierbij overwogen – kort samengevat – dat [verzoeker A] niet integer zou hebben gehandeld en dat [verzoeker B] ten onrechte niet zou hebben ingegrepen dan wel ten onrechte een en ander niet eigener beweging achteraf zou hebben gemeld bij een leidinggevende.

Namens verzoekers is tegen genoemde besluiten bezwaar gemaakt. Tevens is namens hen bij verzoekschriften van 16 november 2010 aan de voorlopige voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoekschrift van [verzoeker A] is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 10/3710 en het verzoekschrift van [verzoeker B] onder nummer 10/3711. De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 24 januari 2011, waar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting door zijn gemachtigden laten vertegenwoordigen.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan in gevallen als de onderhavige een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gezien de grote belangen die voor verzoekers op het spel staan, gevoegd bij de aannemelijkheid dat naarmate de tijd voortschrijdt terugkeer naar het IAT voor verzoekers steeds moeilijker zal worden, acht de voorzieningenrechter hier voldoende spoedeisend belang aanwezig om inhoudelijk in te gaan op de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.

Artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie bepaalt, voorzover hier van belang, dat de ambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht is, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie uit te oefenen dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten. Voor de rechtmatigheid van de bestreden besluiten moet dus worden beoordeeld of zich hier een bijzonder geval voordoet waarin het belang van de dienst overplaatsing vordert.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat het gebruik van de eigen privémotor voor een dienstmotortraining in de zich hier voordoende omstandigheden niet volstrekt onbegrijpelijk was. Aanvankelijk was er op 23 juni 2010 voor de gehele dag een motortraining gepland, welke niet kon doorgaan in verband met een niet-geplande duikopdracht. Omstreeks 15.00 uur bleek er toch nog een mogelijkheid te zijn voor een beperkte motortraining. Het is voorstelbaar - juist bij voor de dienst gemotiveerde politieambtenaren - dat bij een technische belemmering daarvoor de ongebruikelijke oplossing van inzet van een privévoertuig wordt gekozen. Weliswaar valt niet uit te sluiten dat die inzet bij bijvoorbeeld een verkeersongeluk (ook) voor verweerder nadelige gevolgen had kunnen hebben, maar bij gebreke van duidelijke instructies omtrent het niet-inzetten van privévoertuigen hebben die eventuele gevolgen verzoekers niet ogenblikkelijk in alle helderheid voor de geest moeten staan. Wèl was het helder dat [verzoeker A] zelf het risico nam van schade aan zijn privémotor, hetgeen voor [verzoeker B] aanleiding was om aan [verzoeker A] te vragen of inzet van die motor wel “handig“ was. De achteraf door verweerder gesuggereerde oplossing – te weten: een gezamenlijke training op één motorfiets – kon, zo meent de voorzieningenrechter, nauwelijks leiden tot een voor beide politieambtenaren effectief trainingsuur.

Wat betreft het gebruik van schaduwkentekenplaten op motorvoertuigen waarvoor die platen niet waren afgegeven was er ten tijde hier van belang bij het IAT geen duidelijk, schriftelijk kenbaar gemaakt, afkeurend beleid. Verweerder heeft bij verweerschrift weliswaar gesteld dat krachtens een sinds enkele jaren vigerend vast beleid een dergelijk gebruik niet was toegestaan, maar het is onvoldoende uit de verf gekomen hoe en wanneer een dergelijk beleid zou zijn bekend gemaakt. Meergenoemd gebruik van schaduwkentekenplaten heeft dan ook nog tot in 2010 in de praktijk bij het IAT plaatsgevonden, vooral bij het maken van proefritten in nieuwe auto’s van dealers.

Ten aanzien van het aftanken met de diensttankpas wil de voorzieningenrechter opmerken dat de brandstof bij de uitoefening van de dienst was gebruikt, zodat het in de rede lag om deze ook voor rekening van het IAT te laten komen.

Gezien hetgeen in de voorgaande drie alinea’s is overwogen gaat het te ver om [verzoeker A] te beschuldigen van niet-integer handelen. Aldus is er ook geen sprake van een bijzonder geval waarin het dienstbelang overplaatsing zou vorderen. Hetzelfde geldt voor [verzoeker B], nu hem niet voor de voeten kan worden geworpen dat hij de gang van zaken bij de bewuste motortraining niet heeft voorkomen dan wel niet uit eigen beweging achteraf heeft aangemeld. Hierbij wil de voorzieningenrechter niet onvermeld laten dat beide verzoekers een uitstekende staat van dienst hebben.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zullen de bestreden besluiten wegens strijd met de wet in bezwaar dan ook geen stand kunnen houden. De voorzieningenrechter acht daarom termen aanwezig om die besluiten te schorsen tot zes weken na de bekendmaking van de besluiten op bezwaar. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat verzoekers binnen twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak weer worden toegelaten tot het verrichten van hun werkzaamheden van senior arrestatieteam bij het IAT en dat het aan die functie verbonden salaris, inclusief emolumenten, vanaf 17 november 2010 – de datum van ontvangst van de verzoeken om een voorlopige voorziening - vooralsnog aan verzoekers wordt uitbetaald. Anders dan de gemachtigde van verzoekers wenst ziet de voorzieningenrechter geen grond om verweerder met het oog op een eventuele niet-uitvoering van deze uitspraak een dwangsom op te leggen.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage ten aanzien van elk van beide zaken begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

Voor vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand laat de toepasselijke wettelijke regeling geen ruimte. Wèl zal de voorzieningenrechter genoemd bedrag van € 874,00 in beide zaken nog verhogen met het bedrag aan reiskosten per openbaar vervoer ad € 11,20.

Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat in elk van beide zaken door verweerder aan verzoekers het door hen gestorte griffierecht ad € 150,00 dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

in de zaak 10/3710:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat het overplaatsingsbesluit van 29 september 2010 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, dat verzoeker binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak weer wordt toegelaten tot het verrichten van zijn werkzaamheden als senior arrestatieteam bij het IAT en dat het aan die functie verbonden salaris, inclusief emolumenten, vanaf 17 november 2010 vooralsnog aan verzoeker wordt uitbetaald;

- gelast verweerder aan verzoeker te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 150,00;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 885,20;

in de zaak 10/3711:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat het overplaatsingsbesluit van 29 september 2010 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, dat verzoeker binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak weer wordt toegelaten tot het verrichten van zijn werkzaamheden als senior arrestatieteam bij het IAT en dat het aan die functie verbonden salaris, inclusief emolumenten, vanaf 17 november 2010 vooralsnog aan verzoeker wordt uitbetaald;

- gelast verweerder aan verzoeker te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 150,00;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 885,20.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter in tegenwoordigheid van mr. H.J. van der Meiden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2011.

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschriften verzonden: