Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BP1513

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
01/993205-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van ambtelijke corruptie (vragen en aannemen van giften) door een ambtenaar en zijn echtgenote. Dagvaarding partieel nietig wegens innerlijke tegenstrijdigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM, zetelend te ‘s-Hertogenbosch

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/993205-09

Datum uitspraak: 19 januari 2011

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, zetelend te ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juni 2010, 8 december 2010 en 5 januari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 mei 2010.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 december 2010 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:

I

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de

periode van 01 januari 2005 tot en met 27 januari 2009 te Voerendaal en/of

Maastricht en/of Meerssen, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als ambtenaar (in de functie

van medewerker technisch beheer wegen bij Provinciale Wegen) van de provincie

Limburg

(om) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en),

te weten

- schilderwerkzaamheden aan/in zijn, verdachtes, woning en/of

- (een) rolluik(en) en/of (een) hor(ren) en/of (een) screen(s) en/of een

overkapping en/of een sectionaaldeur (inclusief plaatsing) en/of

- een dakkapel (inclusief plaatsing) en/of

- een aanrechtblad (inclusief plaatsing) en/of

- een airconditioningsinstallatie (inclusief plaatsing) en/of

- meerdere, althans een, contant(e) geldbedrag(en) en/of

- aanleg(werkzaamheden) van/in een tuin behorende bij zijn, verdachtes, woning

en/of

- een kraam-/babyborrel bij [naam restaurant],

althans enige gift en/of belofte en/of dienst,

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 1] (in zijn hoedanigheid

van projectleider bij [bedrijf 1]) en/of [medeverdachte 2] (in zijn

hoedanigheid van projectleider bij [bedrijf 1]) en/of [medeverdachte 3](in zijn hoedanigheid van projectleider of regiomanager bij [bedrijf 1]

en/of [medeverdachte 4] (in zijn hoedanigheid van directeur van

[bedrijf 1]) en/of (een) andere medewerker(s) van [bedrijf 1] en/of (namens) [bedrijf 1]

A. heeft aangenomen terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of

belofte(n) en/of dienst(en) hem en/of zijn mededader(s) werd(en) gedaan

teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te

doen of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of

belofte(n) en/of dienst(en) hem en/of zijn mededader(s) werd(en) gedaan

tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in strijd met zijn plicht

in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of nagelaten (sub 2)

en/of

B. heeft gevraagd

(telkens) teneinde hem, verdachte, te bewegen om in strijd met zijn plicht in

zijn bediening iets te doen of na te laten (sub 3) en/of

(telkens) tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, in

strijd met zijn plicht, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of

nagelaten (sub 4)

te weten het (telkens)

- (anders dan om zakelijke redenen) begunstigen van [bedrijf 1]

en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4]

en/of (een) andere medewerker(s) van [bedrijf 1] en/of

- verstrekken/delen van geheime en/of vertrouwelijke en/of

interne/provinciale en/of niet-openbare en/of concurrentie gevoelige

informatie aan/met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of

[medeverdachte 4] en/of (een) andere medewerker(s) van [bedrijf 1]

en/of

- (anders dan om zakelijke redenen) ten gunste van [bedrijf 1]

en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4]

en/of (een) andere medewerker(s) van [bedrijf 1] verstrekken

van (eenzijdige) informatie ten behoeve van besluitvormingsprocedures

(binnen de provincie Limburg) en/of

- (anders dan om zakelijke redenen) (adviseren tot) verstrekken en/of gunnen

van werken en/of opdrachten en/of projecten aan [bedrijf 1]

en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of (een) andere medewerker(s) van [bedrijf 1] en/of

- (anders dan om zakelijke redenen) goedkeuren van en/of opdracht geven tot

het doen van meerwerk en/of verrichten van aanvullende werkzaamheden

door/aan [bedrijf 1] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of

[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of (een) andere medewerker(s) van

[bedrijf 1] en/of

- verschaffen van informatie voor het opstellen van een of meerdere fictieve

offerte(s) en/of het (vervolgens) verstrekken van een of meerdere fictieve

opdracht(en) aan [bedrijf 1] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of (een) andere

medewerkers(s) van [bedrijf 1];

(artikel 363 Wetboek van Strafrecht)

en/of

II

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode

van 01 januari 2005 tot en met 27 januari 2009 te Voerendaal en/of Maastricht

en/of Meerssen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met

(een) ander(en), althans alleen, als ambtenaar (in de functie van medewerker

technisch beheer wegen bij Provinciale Wegen) van de provincie Limburg

(om) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en),

te weten

- schilderwerkzaamheden aan/in zijn, verdachtes, woning en/of

- (een) rolluik(en) en/of (een) hor(ren) en/of (een) screen(s) en/of een

overkapping en/of een sectionaaldeur (inclusief plaatsing) en/of

- een dakkapel (inclusief plaatsing) en/of

- een aanrechtblad (inclusief plaatsing) en/of

- een airconditioningsinstallatie (inclusief plaatsing) en/of

- meerdere, althans een, contant(e) geldbedrag(en) en/of

- aanleg(werkzaamheden) van/in een tuin behorende bij zijn, verdachtes, woning

en/of

- een kraam-/babyborrel bij [naam restaurant],

althans enige gift en/of belofte en/of dienst,

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 1] (in zijn hoedanigheid

van projectleider bij [bedrijf 1]) en/of [medeverdachte 2] (in zijn

hoedanigheid van projectleider bij [bedrijf 1]) en/of [medeverdachte 3]

(in zijn hoedanigheid van projectleider of regiomanager bij[bedrijf 1]) en/of [medeverdachte 4] (in zijn hoedanigheid van directeur van

[bedrijf 1]) en/of (een) andere medewerker(s) van [ bedrijf 1] en/of (namens) [bedrijf 1]

A. heeft aangenomen terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of

belofte(n) en/of dienst(en) hem en/of zijn mededader(s) werd(en) gedaan

teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te

handelen, in zijn bediening iets te doen of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of

belofte(n) en/of dienst(en) hem en/of zijn mededader(s) werd(en) gedaan

tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, zonder daardoor in strijd

met zijn plicht te handelen, in zijn huidige en/of vroegere bediening is

gedaan of nagelaten (sub 2)

en/of

B. heeft gevraagd

(telkens) teneinde hem, verdachte, te bewegen om, zonder daardoor in strijd

met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen of na te laten

(sub 3) en/of

(telkens) tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte,

zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn huidige en/of

vroegere bediening is gedaan of nagelaten (sub 4)

te weten het (telkens)

- (anders dan om zakelijke redenen) begunstigen van [bedrijf 1]

en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4]

en/of (een) andere medewerker(s) van [bedrijf 1] en/of

- (anders dan om zakelijke redenen) verstrekken/delen van interne/provinciale

informatie aan/met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of

[medeverdachte 4] en/of (een) andere medewerker(s) van [bedrijf 1]

en/of

- (anders dan om zakelijke redenen) ten gunste van [bedrijf 1]

en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4]

en/of (een) andere medewerker(s) van [bedrijf 1] verstrekken

van (eenzijdige) informatie ten behoeve van besluitvormingsprocedures

(binnen de provincie Limburg) en/of

- (anders dan om zakelijke redenen) (adviseren tot) verstrekken en/of gunnen

van werken en/of opdrachten en/of projecten aan [bedrijf 1]

en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4]

en/of (een) andere medewerker(s) van [bedrijf 1] en/of

- (anders dan om zakelijke redenen) goedkeuren van en/of opdracht geven tot

het doen van meerwerk en/of verrichten van aanvullende werkzaamheden

door/aan [bedrijf 1] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of

[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of (een) andere medewerker(s) van

[bedrijf 1];

(artikel 362 Wetboek van Strafrecht)

De geldigheid van de dagvaarding.

De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt.

In de tenlastelegging onder II wordt aan verdachte verweten dat hij zich als ambtenaar heeft laten omkopen, waarbij het oogmerk van de omkoper gericht was op handelingen van verdachte die niet in strijd zijn met zijn ambtsplicht. In de tenlastelegging zijn de door de omkoper beoogde handelingen van verdachte vervolgens nader uitgewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de in deze nadere uitwerking omschreven feitelijke gedragingen echter steeds strijd met de ambtsplicht op. Met name de zinsnede ‘anders dan om zakelijke redenen’ impliceert naar het oordeel van de rechtbank steeds een handelen van de ambtenaar (in casu verdachte) dat in strijd is met de op hem rustende plicht om belanghebbenden op gelijke voet en zonder onderscheid te behandelen. Dit maakt de tenlastelegging onder II innerlijk tegenstrijdig. Het is immers onmogelijk om beoogd handelen dat niet in strijd is met de ambtsplicht nader te omschrijven door middel van feitelijke gedragingen die per

definitie hiermee wél in strijd zijn. Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank de dagvaarding nietig voor zover het betreft het onder II tenlastegelegde.

Voor het overige voldoet de dagvaarding aan alle wettelijke eisen en is derhalve geldig.

De overige formele voorvragen.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte alle in de tenlastelegging genoemde giften heeft aangenomen, wetende dat deze hem werden gedaan met het oogmerk hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening handelingen te verrichten ten gunste van [bedrijf 1].

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank ter terechtzitting verzocht om zijn cliënt

vrij te spreken ten aanzien van al hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd, waarbij de raadsman aangeeft dat de beweerdelijke giften weliswaar zijn ontvangen, maar dat verdachte hiervoor betaald heeft minus de in rekening gebrachte BTW.

Verdachte heeft hiervoor, aldus de raadsman, geen tegenprestaties geleverd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank beziet aan de hand van de volgende vragen of het tenlastegelegde, voor zover hierboven niet nietig verklaard, wettig en overtuigend bewezen is.

1. Had verdachte ten tijde van het tenlastegelegde de hoedanigheid van ambtenaar?

2. Is sprake van een gift gedaan door [medeverdachte 4] of [medeverdachte 3] of een andere medewerker van [bedrijf 1] aan verdachte?

3. Had deze gift ten doel om verdachte te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten?

4. Had verdachte hiervan wetenschap of een redelijk vermoeden?

5. Strekte het doel van de gift zich ook uit tot het bewegen van verdachte om in strijd met zijn ambtsplicht te handelen en had verdachte ook hiervan wetenschap of een redelijk vermoeden?

6. Is in casu sprake van medeplegen?

Ad 1: Had verdachte ten tijde van het tenlastegelegde de hoedanigheid van ambtenaar?

Verdachte is blijkens het proces-verbaal (p. 030122) sinds februari 2000 als ambtenaar in dienst van de provincie Limburg.

Ad 2: Is sprake van een gift gedaan door [medeverdachte 4] of [medeverdachte 3] of een andere medewerker van [bedrijf 1] aan verdachte?

Verdachte heeft ter zitting het verweer gevoerd dat er ten behoeve van hem en zijn vrouw vriendendiensten verricht zijn door medewerkers van [bedrijf 1].

Verdachte betaalde de rekeningen voor deze diensten, exclusief de berekende BTW.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Verdachte heeft ten overstaan van de Rijksrecherche met geen woord gerept over het vermeende BTW-voordeel, hij heeft in geen enkel tapgesprek richting zijn gesprekspartner (zijnde een medewerker van [bedrijf 1]) gesproken over het BTW-voordeel en komt pas ter

terechtzitting met dit verhaal.

De rechtbank acht het verweer van verdachte, dat hij alle hierna te noemen giften contant heeft betaald minus de in rekening gebrachte BTW daardoor ongeloofwaardig. Het verweer wordt derhalve verworpen.

De rechtbank acht op grond van de verklaring van verdachte ter zitting, bewezen dat alle hierna te noemen giften door hem en/of zijn echtgenote aan een medewerker van [bedrijf 1] zijn gevraagd en vervolgens van een medewerker van [bedrijf 1] zijn aangenomen.

Ad 3. Had deze gift ten doel om verdachte te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten?

Verdachte kon in zijn functie als medewerker technisch beheer Wegen veel voor [bedrijf 1] betekenen. Vanuit zijn positie kon hij veel informatie als ook zelfstandig opdrachten verstrekken (o.a. verklaring [getuige 1] p. 032699-032706, verklaring [getuige 2] p. 032180 en verklaring [getuige 3] p. 032860). Verdachte had gedurende de tenlastegelegde periode geregeld zakelijk contact met (een) medewerker(s) van [bedrijf 1], welke medewerker(s) wist(en) wat zijn positie inhield en wat hij eventueel voor [bedrijf 1] kon betekenen.

Gezien de voor de medewerker(s) van [bedrijf 1] kenbare positie van verdachte binnen de Provincie Limburg en de aard en de omvang van de giften, acht de rechtbank bewezen dat bij de respectievelijke medewerkers van [bedrijf 1] het oogmerk aanwezig was om verdachte (de ambtenaar) door middel van de betreffende giften te bewegen in zijn bediening iets te doen.

Ad 4. Had verdachte hiervan wetenschap of een redelijk vermoeden?

Het opzet kan volgens de Hoge Raad (NJ 2000/557) worden afgeleid uit feiten en omstandigheden. De rechtbank acht gelet op hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen en de hierna te noemen omstandigheden, bewezen dat verdachte heeft geweten dat de giften door de medewerker(s) van [bedrijf 1] aan hem werden gedaan teneinde een tegenprestatie te verkrijgen zoals in de bewezenverklaring is omschreven.

- de (aanzienlijke) omvang van de giften;

- het niet melden van de giften bij de leidinggevende (verklaring verdachte ter zitting 8 december 2010);

- de bekendheid van verdachte met het provinciaal integriteitbeleid (p. 030138-030142);

- de leugens over het dienstverband bij [bedrijf 1] (verklaring [getuige 4] p. 030673);

- het daadwerkelijk over en weer gaan van giften/handelingen (verklaring verdachte ter zitting 8 december 2010).

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte onvoorwaardelijk opzet had toen hij om de giften vroeg en deze ook aannam.

Ad 5. Strekte het doel van de gift zich ook uit tot het bewegen van verdachte om in strijd met zijn ambtsplicht te handelen en had verdachte ook hiervan wetenschap of een redelijk vermoeden?

De rechtbank is van oordeel dat, op grond van - onder meer - de volgende bewijsmiddelen uit het dossier in onderlinge samenhang bezien, bewezen kan worden dat het oogmerk van de gevers gericht was op het bewegen van verdachte om handelingen in strijd met zijn ambtsplicht ten gunste van [bedrijf 1] te verrichten, te weten het anders dan om zakelijke redenen begunstigen van [bedrijf 1], in de tenlastelegging genoemd onder het eerste gedachtestreepje en dat verdachte hiervan wist en dat hij ook bereid was hieraan zijn medewerking te verlenen.

Gezien het feit dat een direct verband tussen de afzonderlijke giften en bepaalde concrete 'tegenprestaties' vaak niet is vast te stellen, acht de rechtbank niet bewezen dat het oogmerk van de gevers op het moment dat de giften werden gedaan al specifiek gericht was op de in de tenlastelegging onder de tweede en volgende gedachtestreepjes genoemde feitelijke handelingen.

- Tapgesprek tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] d.d. 1 april 2008, 16:57 uur (p. 031217 en p. 031249);

- Tapgesprek tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] d.d. 11 april 2008, 16:46 uur (p. 031257);

- Tapgesprek tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] d.d. 14 april 2008, 12:41 uur (p. 031258- p. 031259);

- Tapgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] d.d. 5 december 2008, 10:54 uur (p. 033212);

- Verklaring [getuige 2] (p. 032183- p. 032185);

- Verklaring [getuige 3] (p. 032866- p. 032867 en p. 033507- p. 033508);

- Verklaring [getuige 1] (p. 032300- p. 32309 en p. 032304-p. 032305);

- Verklaring [getuige 5] (p. 033524).

Ad 6. Is in casu sprake van medeplegen?

Medeplegen vereist nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Niet nodig is dat alle medeplegers de uitvoeringshandeling(en) mede verrichten.

Voor het medeplegen van een kwaliteitsdelict als artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht is niet vereist dat alle medeplegers in het bezit zijn van de vereiste kwaliteit. Voldoende is dat één van hen de kwaliteit bezit en dat de ander daar weet van heeft of althans bewust de kans daarop aanvaardt (HR 21 juni 1926, NJ 1926, p. 955 en HR 10 april 1973, NJ 1973, 468 en HR 28 februari 2006, LJN AU9096).

De Hoge Raad heeft bepaald (30 mei 2008, NJ 2008, 318) dat onder “wetende dat” ook het zogenaamde voorwaardelijk opzet is begrepen.

De wetsgeschiedenis geeft geen aanleiding daarover ten aanzien van de artikelen 362 en 363 van het Wetboek van Straf anders te oordelen.

Voldoende is derhalve dat de (mede)verdachte redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat de gift niet belangeloos is gedaan. De (mede)verdachte had bij enig nadenken kunnen vermoeden dat de gift hem/haar (mede) werd gedaan met het doel de ambtenaar gunstig te stemmen en de ambtenaar te bewegen om – in strijd met zijn plicht – te handelen.

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 5] (actief) betrokken is geweest bij het aanvaarden van de hierna bewezen verklaarde giften dan wel het verdoezelen van de herkomst van een bepaalde gift (o.a. de verklaring van [verdachte] ter zitting d.d. 8 december 2010, de verklaring van [getuige 6], (p. 030410), de verklaring van [getuige 4] (p. 030673) en de verklaring van [getuige 7] (p. 031912)).

De rechtbank is voorts van oordeel dat [medeverdachte 5] moet hebben beseft, dat de giften, die zij en haar echtgenoot/[verdachte], van wie zij weet dat hij ambtenaar is bij de Provincie Limburg belast met het onderhoud en de aanleg van provinciale wegen, van [bedrijf 1] - een wegenbouwer - hebben aanvaard en waarvoor zij niet hebben hoeven betalen, niet vrijblijvend aan hen zijn geschonken. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 5], door te handelen als hierboven beschreven, het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het

handelen door haar echtgenoot in strijd met zijn ambtsplicht, bij wijze van tegenprestatie voor de ontvangen giften.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, in de zin van medeplegen, giften van (medewerkers van) [bedrijf 1] heeft gevraagd en aangenomen wetende dat deze hem werden gedaan met het oogmerk hem te bewegen om in strijd met zijn ambtsplicht [bedrijf 1] te begunstigen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

I

in de periode van 01 januari 2005 tot en met 27 januari 2009 in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander, als ambtenaar in de functie van medewerker technisch beheer wegen bij Provinciale Wegen van de provincie Limburg

giften,

te weten

- schilderwerkzaamheden aan/in zijn, verdachtes, woning en

- rolluiken en horren en screens en een overkapping en een sectionaaldeur inclusief plaatsing en

- een dakkapel inclusief plaatsing en

- een aanrechtblad inclusief plaatsing en

- een airconditioningsinstallatie inclusief plaatsing en

- aanleg(werkzaamheden) van/in een tuin behorende bij zijn, verdachtes, woning

en

- een kraam-/babyborrel bij [naam restaurant],

gedaan door medewerkers van [bedrijf 1]

B. heeft gevraagd

en

A. heeft aangenomen

terwijl hij, verdachte,

telkens wist dat deze giften hem en zijn mededader werden gedaan

teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te

doen

te weten het

- anders dan om zakelijke redenen begunstigen van [bedrijf 1]

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Bewezenverklaring van hetgeen onder I ten laste is gelegd.

Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig het gestelde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een proeftijd van 2 jaar.

Ontzetting uit het recht om een ambt te bekleden in rijks-, provinciaal- of gemeentelijk verband dan wel in enige andere organisatie met overheidsstatus, voor een duur die de hoofdstraf 2 jaar te boven gaat.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het aannemen van steekpenningen door ambtenaren is een ernstig delict. Het bevoordelen van [bedrijf 1] heeft andere aannemers benadeeld en de overheid geld gekost door het uitschakelen van normale concurrentie. Integriteit van ambtenaren behoort tot de fundamenten van de rechtsstaat. Het maatschappelijk belang van een onkreukbare overheid is groot. De leden van de samenleving moeten er zonder meer op kunnen vertrouwen dat ambtenaren hun positie niet misbruiken ten behoeve van hun privébelang. Verdachte heeft dat vertrouwen beschaamd.

Tegen ambtenaren die opzettelijk en voor eigen gewin het vertrouwen in de overheid schaden, moet dan ook doeltreffend en passend strafrechtelijk worden opgetreden.

Ten bezware van verdachte weegt de rechtbank in het bijzonder mee dat het in casu om een aanzienlijk aantal giften gaat, dat het initiatief hiertoe veelal van verdachte kwam (hij vroeg zelf om de giften) en dat verdachte geen enkel inzicht heeft getoond in het laakbare karakter van zijn handelen.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte naar aanleiding van deze zaak is ontslagen en dat hij sinds zijn aanhouding twee jaar in onzekerheid heeft verkeerd over de afloop van de strafzaak.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door

invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 19.450,= excl. BTW (materiële schadevergoeding) (post “Reparatie Viaral N281 Nijswiller-Hoensbroek”) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de overige onderdelen van de vordering, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal, nu beide partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 29, 36f, 47, 57, 363.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart de dagvaarding nietig, voor zover het betreft het onder II tenlastegelegde.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

medeplegen van als ambtenaar een gift vragen teneinde hem te bewegen om, in

strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd

en

medeplegen van als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan

wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening

iets te doen, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren

Ontzetting uit het recht om een ambt te bekleden in rijks-, provinciaal- of gemeentelijk verband dan wel in enige andere organisatie met overheidsstatus, voor een duur die de hoofdstraf 2 jaar te boven gaat.

Maatregel van schadevergoeding van € 19.450,- subsidiair 132 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] van een bedrag van € 19.450,- (zegge: negentienduizend vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 132 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 19.450,- materiële schadevergoeding (post “Reparatie Viaral N281 Nijswiller-Hoensbroek”).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], van een bedrag van € 19.450,- (zegge: negentienduizend vierhonderdvijftig euro), te weten € 19.450,- materiële schadevergoeding (post “Reparatie Viaral N281 Nijswiller-Hoensbroek”).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,

mr. S.J.O. de Vries en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Etteger-Lubbers en mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffiers,

en is uitgesproken op 19 januari 2011.