Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:12892

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-11-2011
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
238207 / HA ZA 11-1582
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 's-Hertogenbosch

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 238207 / HA ZA 11-1582

Vonnis van 14 november 2012

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

NORBERT LITTA COMBINATIE '03,

gevestigd te Lith (gemeente Oss),

eiseres in de hoofdzaak in conventie,

verweerster in de hoofdzaak in reconventie,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.Th.L. van Zandvoort te Oss,

tegen

1 [eiser 1]

2. [eiser 2],

Beiden wonende te Lith,

gedaagden in de hoofdzaak in conventie,

eisers in de hoofdzaak in reconventie,

eisers in het incident,

advocaat mr. R.H. Kuiper te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna NLC’03 en [eiser 1] en [eiser 2] genoemd worden. [eiser 1] en [eiser 2] zullen tezamen ook [eiser 2] c.s. genoemd worden.

1 De verdere procedure

1.1.

Deze blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 maart 2012

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    de brief zijdens [eiser 2] c.s. van 22 augustus 2012 met productie G24 en G25

  • -

    het faxbericht zijdens NLC’03 van 24 augustus 2012 met productie 9 t/m 11

  • -

    het faxbericht zijdens NLC’03 van 27 augustus 2012 met productie 12 t/m 16

  • -

    het faxbericht zijdens [eiser 2] c.s. van 28 augustus 2012

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 augustus 2012.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] is in de periode van 9 januari 2010 tot 27 juni 2011 penningmeester geweest van NLC’03.

2.2.

[Accountancykantoor] heeft de door [eiser 1] gevoerde kasadministratie beoordeeld, productie 1 bij dagvaarding. [Accountancykantoor] constateerde dat er onder andere kasboekingen ontbraken, er uitgaven door [eiser 1] waren opgevoerd waaraan geen kassabon ten grondslag lag, er bedragen op facturen waren veranderd, reeds betaalde facturen van een vorig boekjaar weer in de administratie werden verwerkt nadat de datum was aangepast aan het huidige boekjaar en er door [eiser 1] uitgaven dubbel waren geboekt. Volgens [Accountancykantoor] is er dientengevolge een kastekort ontstaan.

2.3.

Bij e-mailbericht van 27 april 2011 bericht [eiser 1] aan [bestuursleden van NLC'03] het navolgende, productie 3 bij dagvaarding:

“Na goed overleg met vrienden en mensen die het goed voor hebben met NLC’03, ons dorp Lith en met ons gezin hebben we in goed overleg beslist om het tekort wat is ontstaan aan gelden binnen de voetbalclub NLC’03 aan te vullen. Graag hoor ik van je wat het exacte bedrag is wat aangevuld dient te worden. Om voor alle partijen verder leed te besparen zijn we tot deze beslissing gekomen. Graag verzoek ik je om de uitnodiging voor de ledenvergadering niet op de site te plaatsen.”

2.4.

Op 25 april 2011 is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, productie 4 bij dagvaarding. Deze overeenkomst houdt onder meer het navolgende in:

“In overleg dd 23/04/2011 tussen[eiser 1], [eiser 2] en het bestuur van NLC’03 ([bestuursleden van NLC'03]) hebben [eiser 1] en [eiser 2] aangegeven € 30.000 te zullen storten op [bankrekeningnummer] van NLC’03. Het bedrag zal uiterlijk 9 mei 2011 op genoemde bankrekeningnummer bijgeschreven zijn.

Reden van storting van dit bedrag is het ontstaan van geldelijke tekorten bij NLC’03 waarvan het bestuur van NLC’03 van mening is dat dit door haar penningmeester veroorzaakt is. Het opgestelde accountantsrapport dient als referentie voor het terug te vorderen bedrag. Het bestuur van NLC’03 is reeds klaar met haar onderzoek en Sabine en Marcel zullen hun eigen onderzoek nu starten. Afgesproken is om uiterlijk 1 juni 2011 alle onderzoeken afgerond te hebben waarna het definitieve bedrag vastgesteld zal worden. Indien dan zou blijken dat NLC’03 méér teruggevorderd heeft dan waar ze recht op heeft, zal het teveel aan geld weer teruggestort worden naar [eiser 1] en [eiser 2].

Indien genoemde € 30.000 niet op 9 mei 2011 in het bezit is van NLC’03 zal alsnog een ledenvergadering bijeen geroepen worden waarin uitleg gegeven wordt over de financiële situatie binnen NLC’03 en zal de leden gevraagd worden om [eiser 1] te schorsen.”

Zowel [eiser 1] als [eiser 2] hebben deze overeenkomst ondertekend.

3 Het geschil

in de hoofdzaak in conventie

3.1.

NLC’03 vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [eiser 2] c.s. hoofdelijk des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van:

  1. € 30.000,00,

  2. € 1.814,05 aan buitengerechtelijke kosten en rente,

  3. de wettelijke rente van 4% per jaar over € 30.000,00 vanaf 5 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening,

  4. kosten rechtens

en voorts [eiser 1] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om aan NLC’03 te betalen een bedrag van € 4.511,75 te vermeerderen met wettelijke rente van 4% per jaar over € 4.511,75 vanaf 5 oktober 2011 tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiser 2] c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in het incident

3.4.

De rechtbank begrijpt dat [eiser 2] c.s. in de hoofdzaak in conventie beoogt een incidentele vordering ex artikel 843a Rv in te stellen in de procedure in conventie.

3.5.

[eiser 2] c.s. vordert in dit incident bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad NLC’03 te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan haar kopieën af te geven van:

-het door de kascommissie ondertekende formulier ten behoeve van de algemene ledenvergadering van NLC’03 van 18 januari 2011;

-de notulen van de algemene ledenvergadering van 23 mei 2011 en van 27 juni 2011;

-de gevoerde financiële administratie door [de voormalige penningmeester van NLC'03];

-de goedgekeurde verklaring van de kascommissie van de door [de voormalige penningmeester van NLC'03] gevoerde administratie;

telkens op straffe van een te verbeuren dwangsom van € 1.000,00 per dag, een gedeelte van een dag te rekenen als een gehele dag, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, dat NLC’03 in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen.

3.6.

NLC’03 voert verweer

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de hoofdzaak in reconventie

3.8.

[eiser 2] c.s. vordert:

  1. te verklaren voor recht dat NLC’03 onrechtmatig jegens [eiser 2] c.s. heeft gehandeld;

  2. NLC’03 te verbieden om in het vervolg uitlatingen te doen die de eer en goede naam van [eiser 2] c.s. en in het bijzonder van [eiser 1] aantasten door zich uit te laten en of te suggereren dat [eiser 1] als voormalig penningmeester gelden van NLC’03 heeft verduisterd of anderszins zich onrechtmatig heeft toegeëigend en dat [eiser 2] hierbij op enigerlei wijze is betrokken, zulks op straffe van een onmiddellijk aan [eiser 2] c.s. te verbeuren dwangsom van € 10.000,00 per keer dat NLC’03 niet (volledig) aan dit verbod voldoet;

  3. NLC’03 te bevelen om binnen 72 uur na betekening van dit vonnis, op haar kosten, de navolgende tekst te publiceren op de website van NLC’03 www.nlc’03.nl in een lettertype en een grootte dat tenminste gelijk is aan publicatie van de bestuursmededeling op deze website van 27 juli 2011, een en ander op straffe van een onmiddellijk aan [eiser 2] c.s. te verbeuren dwangsom van € 10.000,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat NLC’03 binnen 72 uur na betekening van dit vonnis niet (volledig) aan dit bevel voldoet, waarbij in de te publiceren tekst van de datum van het vonnis van onderhavige bevel moet worden opgenomen de tekst:

“rectificatie:

NLC’03 heeft in een gerechtelijke procedure tegen [eiser 1], voormalig penningmeester van onze vereniging de mededeling gedaan dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van gelden van NLC’03, althans jegens NLC’03 onrechtmatig heeft gehandeld. Ook heeft NLC’03 meermalen op andere wijze gesuggereerd dat hiervan sprake zou zijn,

Deze uitlatingen zijn niet gebaseerd op concrete en geverifieerde feiten. Op grond daarvan heeft de rechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij vonnis van (datum vonnis) geoordeeld dat deze uitlatingen onrechtmatig zijn jegens [eiser 1] en NLC’03 veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie op straffe van een dwangsom”

4. NLC’03 te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 25.000,00 bij wijze van immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding d.d. 14 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening

5. NLC’03 te veroordelen in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.9.

NLC’03 voert verweer.

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in het incident

3.11.

De rechtbank begrijpt dat [eiser 2] c.s. beoogt een incidentele vordering ex artikel 223 Rv in te stellen in de procedure in reconventie.

3.12.

[eiser 2] c.s. vordert in dit incident bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad NLC’03 te verbieden om met onmiddellijke ingang uitlatingen te doen de eer en goede naam van [eiser 2] c.s en in het bijzonder van [eiser 1] aantasten door zich uit te laten en/of te suggereren dat [eiser 1] als voormalig penningmeester gelden van NLC’03 heeft verduisterd of anderszins zich onrechtmatig heeft toegeëigend en dat [eiser 2] hierbij op enigerlei wijze is betrokken, zulks op straffe van verbeurte van een onmiddellijk aan [eiser 2] c.s. te verbeuren dwangsom van €10.000,00 per keer dat NLC’03 niet (volledig) aan dit verbod voldoet.

3.13.

NLC’03 voert verweer

3.14.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In de hoofdzaak

4 De beoordeling

in conventie

in het incident

4.1.

De rechtbank zal de incidentele vordering ex artikel 843a Rv afwijzen bij gebreke van een voldoende rechtens te respecteren belang, gelet op het hiernavolgende.

4.2.

[eiser 2] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de kosten van dit incident aan de zijde van NLC’03 op € 226,00 (1/2 punt van tarief € 452,00).

In de hoofdzaak

4.3.

NLC’03 vordert primair nakoming van de vaststellingsovereenkomst als gesloten tussen partijen op 25 april 2011. [eiser 2] c.s. stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een schuldbekentenis maar van een verklaring dat zij bereid is een bedrag van € 30.000,00 onder NLC’03 in depot te storten, dit in afwachting van een nader onderzoek door [eiser 2] c.s. naar de vermeende geldtekorten.

Voor zover er sprake is van een schuldbekentenis roept van [eiser 2] c.s. de vernietiging van deze overeenkomst in op grond van dwang, artikel 3:44 lid 2 BW. Indien [eiser 2] c.s. de overeenkomst niet zou ondertekenen zou er een Algemene Ledenvergadering worden belegd op 9 mei 2011 waarin openheid van zaken zou worden gegeven over de door Leendert gevoerde financiële administratie.

uitleg vaststellingsovereenkomst

4.4.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht, HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635.

4.5.

Blijkens de tekst van de overeenkomst (productie 4 bij dagvaarding), dient [eiser 2] c.s. een bedrag van € 30.000 te storten po de rekening van NLC’03 ter delging van een ontstaan geldelijk tekort. Tevens is overeengekomen dat ieder der partijen onderzoekt of het geldelijk tekort het bedrag van € 30.000,00 overstijgt dan wel dat er teveel is teruggevorderd. Indien het laatste het geval blijkt zal het surplus worden teruggestort. Uit de tekst van deze overeenkomst volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er een betaling gedaan dient te worden door [eiser 2] c.s. en niet een depot storting als door [eiser 2] c.s. gesteld. Deze uitleg sluit ook aan bij de tekst van de mail van [bestuurslid van NLC'03] van 22 april 2011, productie 12 bij conclusie van antwoord. In deze mail wordt gesproken over het terug te betalen bedrag van € 30.000,00 dat op de rekening van NLC’03 dient te komen staan op een bepaalde datum. In de mail wordt ook gesproken over het eventueel terugbetalen van het teveel teruggevorderde.

4.6.

Daar komt bij dat blijkens de tekst van de e-mail van [eiser 1] van 22 april 2011, productie 3 bij dagvaarding, [eiser 2] c.s. overleg heeft gehad met vrienden en mensen die het goed voor hebben met NLC’03 en heeft beslist om het tekort dat is ontstaan aan gelden binnen de voetbalclub NLC’03 aan te vullen.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande dat [eiser 2] c.s. het tekort aan NLC’03 wenste te vergoeden hetgeen ook volgt uit de tekst van de overeenkomst. Dat de bewoordingen van overeenkomst een andere betekenis toekomt als door [eiser 2] c.s. gesteld, is gelet op het vorenstaande niet aannemelijk geworden. [eiser 2] c.s. heeft geen omstandigheden gesteld waaruit zulks kan volgen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de tekst van de vaststellingsovereenkomst weergeeft wat volgens NLC’03 tussen partijen is overeengekomen.

bedreiging

4.8.

Een rechtshandeling lijdt aan een wilsgebrek indien de wil en verklaring van de handelingen weliswaar overeenstemmen, maar de wil op onzuivere wijze is tot stand gekomen, zoals in het onderhavige geval op grond van bedreiging als voor [eiser 2] c.s. gesteld. Wel is vereist dat de betrokkene de overeenkomst niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.

4.9.

Door [eiser 2] c.s. is aangevoerd dat zij onder bedreiging de vaststellingsovereenkomst convenant hebben ondertekend. Wil sprake zijn van een rechtens relevante bedreiging moet de bedreiging een ongeoorloofd karakter hebben; dit karakter kan zowel worden ontleend aan de inhoud als aan het doel van het dwangmiddel. Ongeoorloofd naar zijn inhoud is het dwangmiddel bijvoorbeeld indien bedreigd wordt met enig misdrijf tegen persoon of goed. Ongeoorloofd is naar zijn doel, als men een op zichzelf geoorloofd middel aanwendt teneinde voordelen te verkrijgen waarop men geen aanspraak heeft, of indien van een op zichzelf rechtmatig middel misbruik wordt gemaakt. Of het op zichzelf geoorloofde dwangmiddel is misbruikt, hangt in casu dus af van een feitelijke waardering van het overeengekomene.

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van ongeoorloofdheid naar zijn inhoud. Nog daargelaten dat terzake niets is gesteld of gebleken staat onbetwist vast dat NLC’03 op grond van haar statuten de leden dient te informeren over onder andere de financiële positie van de club. In beginsel is NLC’03 derhalve gehouden tot het oproepen tot een algemene ledenvergadering om haar te informeren ook over mogelijke onregelmatigheden.

4.11.

Voor wat betreft beantwoording van de vraag of er sprake is van ongeoorloofdheid naar zijn doel oordeelt de rechtbank dat ook zulks niet het geval is. Uit de overgelegde verslagen van de besprekingen tussen bestuursleden van NLC’03 en [eiser 2] c.s., van respectievelijk 9 maart, 22 maart, 15 april en 23 april 2011, productie 2 bij dagvaarding, zijn de gestelde onregelmatigheden terzake de kasgeldstromen uitvoerig met [eiser 2] c.s. besproken. Naar aanleiding van deze gesprekken heeft [eiser 2] c.s., na daartoe “goed overleg” te hebben gevoerd met “vrienden en mensen die het met de vereniging goed voor hebben” productie 3 bij dagvaarding, besloten om tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst over te gaan, mede om te voorkomen dat de gestelde onregelmatigheden bekendheid zouden krijgen binnen de vereniging en daarmee binnen hun woonplaats Lith. Naar het oordeel van de rechtbank is het aangaan van de vaststellingsovereenkomst een weloverwogen beslissing geweest van [eiser 2] c.s met een beoogd resultaat. [eiser 2] c.s. is de door haar aangegane verplichting tot betaling niet nagekomen tengevolge waarvan de algemene ledenraad is ingelicht. Nu op grond van het verenigingsrecht dan wel de statuten deze verplichting op NLC’03 rust kan deze verplichting bezwaarlijk als bedreiging worden gezien. Door [eiser 2] c.s. zijn geen andere omstandigheden gesteld, noch zijn deze gebleken, waaruit volgt dat NLC’03 aldus heeft getracht voordelen te verkrijgen waarop zij geen aanspraak heeft of misbruik heeft gemaakt van haar rechten. Het beroep op bedreiging kan dan ook niet slagen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij de geoorloofdheid van het wegcontracteren van een dergelijke (wettelijke) informatieplicht, middels de vaststellingsovereenkomst, in het midden laat.

4.12.

Op grond van het hiervoor overwogene is [eiser 2] c.s. gehouden tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst inhoudende betaling van een bedrag van € 30.000,00 aan NLC’03.

rente

4.13.

De rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal worden toegewezen vanaf de datum van verzuim, zijnde 22 juli 2011, productie 6 bij dagvaarding.

4.14.

NLC’03 vordert voorts een bedrag van € 4.511,75. Blijkens onderzoek zou dit het surplus aan schade betreffen door het onrechtmatig handelen van [eiser 1], aldus NLC’03.

4.15.

Beantwoording van de vraag of door [eiser 1] onrechtmatig is gehandeld laat de rechtbank in het midden aangezien de vordering reeds op een andere grond niet kan slagen. Ter onderbouwing van de door NLC’03 gestelde schade ad € 4.511,75 verwijst NLC’03 naar een financieel overzicht, productie 5 bij dagvaarding. Uit voormeld overzicht valt het bedrag van € 4.511,75 niet (op eenvoudige wijze) te herleiden. Het is aan NLC’03 om haar vordering op deugdelijke wijze te onderbouwen en het ligt niet op de weg van de rechtbank of de wederpartij om zelfstandig onderzoek te doen naar de samenstelling van de vordering. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat er in de kostenberaming advocaatkosten zijn begrepen die tevens separaat bij de proceskosten gevorderd worden, kosten van [Accountancykantoor] zijn begrepen die onder artikel 6:96 BW zijn begrepen en rentekosten zijn begrepen die (deels) tevens separaat in conventie gevorderd worden. Een en ander leidt er toe dat deze vordering als onvoldoende onderbouwd dient te worden afgewezen.

buitengerechtelijke kosten

4.16.

NLC’03 vordert een bedrag van € 1.000,00 van [eiser 2] c.s. terzake buitengerechtelijke kosten. Naar het oordeel van de rechtbank is niet dan wel onvoldoende gesteld en is evenmin gebleken dat er daadwerkelijk buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het uit handen geven van een vordering aan een deurwaarder, het inwinnen van inlichtingen, het aanleggen van een dossier en het zenden van enkele sommaties zijn werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden, zodat het hierop betrekking hebbende gedeelte van de vordering als kennelijk ongegrond zal worden afgewezen.

4.17.

[eiser 2] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de procedure in conventie in de kosten daarvan worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten in de procedure in conventie aan de zijde van NLC’03 op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 96,76

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 1.744,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.998,76

in reconventie

in het incident

4.18.

De rechtbank zal de incidentele vordering ex artikel 223 Rv afwijzen, waarbij direct eindvonnis wordt gewezen in de hoofdzaak, gelet op het hiernavolgende.

4.19.

[eiser 2] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit incident worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van NLC’03 op € 226,00 (1/2 punt van tarief € 452,00).

In de hoofdzaak

4.20.

[eiser 2] c.s. legt aan de vordering ten grondslag dat NLC’03 onrechtmatig jegens haar gehandeld heeft door op zijn minst te suggereren in de algemene ledenvergadering en in de pers dat [eiser 1] heeft gefraudeerd zonder dit voldoende feitelijke te kunnen onderbouwen, terwijl NLC’03 zich kon bedenken dat dit zeer nadelige gevolgen voor [eiser 1] zou hebben. [eiser 1] stelt hierdoor in haar eer en goede naam te zijn aangetast.

4.21.

Nu [eiser 1] penningmeester was van NLC’03 en het mitsdien de door haar uitgevoerde werkzaamheden onderwerp van geschil zijn en bovendien feiten noch omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan het gestelde handelen van NLC’03 onrechtmatig zou zijn jegens [eiser 2], gaat de rechtbank er vanuit dat de vordering terzake aantasting eer en goede naam enkel zijdens [eiser 1] is ingesteld. Voor zover deze vordering toch zijdens [eiser 2] zou zijn ingesteld, dient deze om voormelde reden jegens [eiser 2] te worden afgewezen.

4.22.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:106 BW heeft de benadeelde die in zijn eer of goede naam is aangetast recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De rechtbank zal in de eerste plaats dienen te beoordelen of er sprake is van onrechtmatig handelen door NLC’03, in die zin dat zij de eer en goede naam van [eiser 1] heeft aangetast, zoals door [eiser 1] gesteld. Daarbij dient het belang bij het niet lichtvaardig worden blootgesteld aan uitlatingen die de eer en goede naam aantasten en het belang van een vrijheid van meningsuiting in de zin van artikel 10 EVRM in de beoordeling te worden betrokken.

4.23.

Tussen partijen staat vast dat in de algemene ledenvergadering van respectievelijk 23 mei en 27 juni 2011, productie 2 en 3 bij conclusie van antwoord in het incident, het onderwerp “financiële positie” onderwerp van bespreking is geweest. Zoals hiervoor reeds overwogen onder 4.10 is NLC’03 gehouden haar leden te informeren over de financiële positie van de club. Bovendien is zij op grond van artikel 16 lid 2 van de statuten van NLC’03 verplicht van het verhandelde in elke algemene vergadering notulen te maken en deze te publiceren in het clubblad of op een andere wijze ter kennis van de leden te brengen, als door NLC’03 onbetwist gesteld. Uit de notulen van 23 mei 2011 blijkt dat de inhoudelijke constateringen uit de boekhouding zijn besproken, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank tot de taak van het bestuur hoort. Uit de notulen van 27 juni 2011 volgt dat het bestuur de leden heeft geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek van de ingestelde commissie die de boekhouding onderzoekt. Waar in de notulen zou worden gesuggereerd dat [eiser 1] gefraudeerd zou hebben wordt door [eiser 1] niet nader onderbouwd. Het is niet aan de rechtbank om hiertoe zelfstandig onderzoek naar te doen.

4.24.

Voorts beroept [eiser 1] zich op twee krantenartikelen, productie 14 en 15 bij conclusie van antwoord. Productie 14 betreft een geplaatst bericht op Klik Nieuws waarin wordt vermeld dat er een ledenvergadering is geweest op 23 mei 2011 waarin wordt vermeld dat de penningmeester duizenden euro’s achterover zou hebben gedrukt. Door NLC’03 is betwist dat deze tekst van haar afkomstig is. Door [eiser 2] c.s. is haar (blote) stelling dat het hier een uitlating van NLC’03 zou betreffen, gelet op de betwisting door NLC’03 op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank gaat derhalve aan deze stelling van [eiser 2] c.s. voorbij.

4.25.

Productie 15 betreft een artikel in het Brabants Dagblad van 24 mei 2011 naar aanleiding van de ledenvergadering van NLC’03 op 23 mei 2011. In dit artikel wordt door [journalist] (Brabants dagblad) verslag gedaan van een gesprek dat hij met [bestuurslid van NLC'03], voorzitter van NLC’03, heeft gehad aansluitend aan de ledenvergadering. In dit artikel wordt het vermoeden geuit dat de penningmeester gefraudeerd heeft, dat er terzake een onderzoek loopt en dat het bestuur terzake geen uitspraken mag doen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit in overeenstemming met hetgeen tijdens de algemene ledenvergadering is besproken en waarvan de notulen op internet voor eenieder ter inzage staan. De vraag of hier sprake is van het doen van onjuiste en ongefundeerde, althans onvoldoende gefundeerde, uitlatingen die een onjuist beeld hebben geschapen van [eiser 1] en geen, althans onvoldoende, rekening is gehouden met de rechten van [eiser 1], vereist is om tot onrechtmatig handelen te kunnen concluderen, wordt door de rechtbank ontkennend beantwoord. Dat de kop van het artikel met vet zwartgedrukte letters vermeldt “Onderzoek naar fraude bij NLC Lith”, is de keuze van de redactie van het Brabants Dagblad en kan niet aan NLC’03 worden tegengeworpen.

4.26.

Het vorenstaande brengt met zich dat de vorderingen in reconventie worden afgewezen.

4.27.

[eiser 2] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de procedure in reconventie in de kosten daarvan worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten van de procedure in reconventie aan de zijde van NLC’03 op:

- dagvaarding € 0,00

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 579,00 (1 punt × tarief € 579,00)

Totaal € 579,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

in het incident

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser 2] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan NLC’03 te betalen een bedrag van € 226,00 (tweehonderdzesentwintig euro),

in de hoofdzaak

5.3.

veroordeelt [eiser 2] c.s. hoofdelijk zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan NLC’03 te betalen een bedrag van € 30.000,00 (dertigduizend euro), vermeerderd met de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 22 juli 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [eiser 2] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van NLC’03 tot op heden begroot op € 2.998,76,

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

in het incident

5.7.

wijst de vordering af,

5.8.

veroordeelt [eiser 2] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan NLC’03 te betalen een bedrag van € 226,00 (tweehonderdzesentwintig euro),

in de hoofdzaak

5.9.

wijst de vorderingen af,

5.10.

veroordeelt [eiser 2] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van NLC’03 tot op heden begroot op € 579,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.A.J.M. Lavrijssen en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2012.