Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:10070

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
AWB 10-1909
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nihilstelling subsidie voor gecombineerd luchtwassersysteem.

Op grond van de toepasselijke regelgeving mag niet met de te subsidiëren activiteiten worden aangevangen vóór de ontvangstbevestiging van de subsidieaanvraag. Eiseres is vóór de ontvangstbevestiging verplichtingen aangegaan met betrekking tot het plaatsen en installeren van de luchtwasser. Verweerder was daarom bevoegd de subsidie lager vast te stellen. De rechtbank acht de vaststelling van de subsidie op nihil niet kennelijk onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/1909

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2011

inzake

[eiseres],

te Reusel,

eiseres,

gemachtigde drs. ing. R.J.G. Timmermans (werkzaam bij Uniqfill B.V.)

tegen

de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder,

gemachtigde mr. P.M. Bakker Schut.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2010 heeft verweerder de subsidie van eiseres in het kader van de Regeling LNV subsidies, onderdeel gecombineerde luchtwassystemen (hierna: de Regeling) op nihil vastgesteld.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 7 mei 2010.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 oktober 2010 waar partijen zijn verschenen bij hun gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.

Op 16 april 2007 heeft verweerder de subsidieaanvraag van 12 april 2007 van eiseres ontvangen voor een investering in één gecombineerd luchtwassysteem type BWL 2006.14 ten behoeve van haar varkensbedrijf aan de [adres]. Bij besluit van
15 augustus 2007 heeft verweerder de aanvraag goedgekeurd en subsidie verleend voor maximaal € 54.425 voor de aanschaf van één gecombineerd luchtwassysteem type BWL 2006.14. Op 14 december 2009 heeft verweerder het verzoek van eiseres tot subsidievaststelling voor het gecombineerde luchtwassysteem type BWL 2006.14 voor [adres] ontvangen. Bij besluit van 1 maart 2010 heeft verweerder de subsidie op nihil vastgesteld.

3.

Verweerder heeft - kort weergegeven – de subsidie op nihil vastgesteld omdat eiseres niet voldoet aan bepaalde in artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling. De opdrachtbevestiging voor de aanschaf van het luchtwassysteem dateert van 10 april 2007. Verweerder heeft de subsidieaanvraag op 16 april 2007 ontvangen. Eiseres is volgens verweerder vóór de datum van ontvangstbevestiging van de aanvraag tot subsidieverlening verplichtingen met betrekking tot de aanschaf van de luchtwasser aangegaan.

4.

Eiseres heeft - kort weergegeven - tegen het besluit aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een opdrachtbevestiging op 10 april 2007. Volgens eiseres is haar op 10 april 2007 een offerte aangeboden ter ondertekening. Eiseres heeft de opdracht (definitief) bevestigd op 18 april 2007. Zij stelt keurig te hebben gewacht met het aangaan van de verplichting tot na het ontvangen van de ontvangstbevestiging. Volgens eiseres is daarmee na de datum van ontvangstbevestiging van de aanvraag begonnen met de uitvoering van de investering in het gecombineerde luchtwassysteem type BWL 2006.14.

5.

Het wettelijk kader luidde ten tijde van belang als volgt.

Ingevolge artikel 4:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toont de aanvrager bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de activiteiten wordt vastgesteld.

Artikel 4:46, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vaststelt.

Ingevolge artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling, kan subsidie uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die zijn aangevangen op of na de datum van de ontvangstbevestiging die volgt op de aanvraag tot subsidieverlening.

6.

De rechtbank overweegt dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat bij de subsidievaststelling toepassing is gegeven aan artikel 4:46, tweede lid, onder b, van de Awb. Eiseres heeft volgens verweerder niet voldaan aan de verplichting dat pas met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt mag worden aangevangen op of na de datum van ontvangstbevestiging die volgt op de aanvraag tot subsidieverlening.

7.

Uit artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling blijkt dat niet met de te subsidiëren activiteiten mag worden aangevangen vóór de ontvangstbevestiging van de subsidieaanvraag. De aanvraag van eiseres tot subsidieverlening dateert van 12 april 2007. Vaststaat dat verweerder de aanvraag op 16 april 2007 heeft ontvangen. Verweerder heeft deze ontvangst bevestigd bij brief van 28 juni 2007. Tussen partijen is niet in geschil dat de datum van ontvangst van 16 april 2007 bepalend is voor het antwoord op de vraag of in strijd met de vorenbedoelde verplichting is gehandeld. Ook de rechtbank gaat hiervan uit. De rechtbank gaat er verder met partijen van uit dat onder het aanvangen van de activiteiten ook het aangaan van verplichtingen met betrekking tot die activiteiten moet worden verstaan. Gelet hierop is de vraag aan de orde of eiseres vóór 16 april 2007 verplichtingen met betrekking tot de gesubsidieerde activiteiten is aangegaan. Bij de beantwoording van deze vraag is van belang dat, ingevolge het bepaalde in artikel 4:45, eerste lid, van de Awb, op eiseres de last rust om aan te tonen dat zij niet vóór 16 april 2007 verplichtingen met betrekking tot de luchtwasser is aangegaan.

8.

Eiseres heeft verweerder verzocht de subsidie vast te stellen. Verweerder heeft eiseres om aanvullende informatie verzocht, waaronder een kopie van de opdrachtbevestiging van Uniqfill Air BV. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres verweerder op 8 februari 2010 een kopie van een opdrachtbevestiging van Uniqfill Air BV toegezonden voor de levering en installatie van de luchtwasser. De opdrachtbevestiging dateert van 10 april 2007. Op de opdrachtbevestiging is onder meer vermeld: “Wij verzoeken u bijgaande kopie voor akkoord getekend aan ons retour te zenden.”. De toegezonden kopie omvat vier bladzijden. Het voorblad en de laatste bladzijde zijn ondertekend door [persoon 1] van Uniqfill Air BV. De tussenliggende bladzijden zijn door [persoon 1] geparafeerd. De opdrachtbevestiging is niet ondertekend of geparafeerd namens eiseres.

Bij faxbericht van 24 februari 2010 heeft de gemachtigde van eiseres (werkzaam bij Uniqfill Air BV) een kopie van de opdrachtbevestiging aan verweerder toegezonden. Het stuk bevat dezelfde tekst als de eerder toegezonden kopie. Op de eerste bladzijde staat niet alleen de handtekening van [persoon 1], maar ook een handtekening namens eiseres. De tweede en derde bladzijde zijn alleen geparafeerd door [persoon 1]. De vierde bladzijde is alleen ondertekend door [persoon 1].

Bij het bezwaarschrift van 22 maart 2010 heeft de gemachtigde van eiseres weer een kopie van de meerbedoelde opdrachtbevestiging gevoegd. Deze kopie omvat ook vier bladzijden en is gelijkluidend aan de eerder toegezonden kopieën. De eerste bladzijde bevat zowel een handtekening van [persoon 1] als een handtekening namens eiseres. De tweede en de derde bladzijde bevatten niet alleen de paraaf van [persoon 1], maar ook een andere paraaf, gelijkend op het begin van de handtekening die namens eiseres is geplaatst. Onder de getypte tekst van de vierde pagina is met de hand geschreven “akkoord: 18 -4-2007 te Reusel”. Daaronder staat een handtekening die lijkt op de handtekening die op de eerste bladzijde namens eiseres is geplaatst.

9.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat sprake is van discrepanties tussen de ondertekening en datering van de drie overgelegde kopieën van de opdrachtbevestiging. Op basis van de eerste kopie kan worden vastgesteld dat de overeenkomst van opdracht op
12 april 2007 of eerder tot stand is gekomen. Op die datum heeft de opdrachtnemer (Uniqfill Air BV) de opdrachtbevestiging ondertekend. Een opdrachtbevestiging is in beginsel een bevestiging van een eerder (eventueel mondeling) overeengekomen opdracht. De omstandigheid dat eiseres de opdrachtbevestiging nog niet had ondertekend, doet hieraan niet af. Uit de tweede kopie volgt hetzelfde als uit de eerste kopie, met dien verstande dat de tweede kopie een ook door eiseres ondertekend exemplaar van de opdrachtbevestiging betreft. De derde kopie wijkt daarvan af doordat er een handgeschreven tekst aan is toegevoegd waaruit zou volgen dat eiseres pas op 18 april 2007 akkoord is gegaan met de opdrachtbevestiging.

10.

Eiseres heeft de volgende verklaring aangevoerd voor de discrepanties.
Uniqfill BV heeft destijds twee exemplaren van de opdrachtbevestiging aan eiseres toegestuurd met het verzoek om, als eiseres akkoord zou gaan met de opdrachtbevestiging, één van deze exemplaren te ondertekenen en terug te sturen. Eiseres heeft de opdrachtbevestiging op 18 april 2007 voor akkoord ondertekend en aan Uniqfill B.V. geretourneerd. Dit exemplaar met de opmerking “akkoord: 18-4-2007 te Reusel” is opgeborgen in het archief van Uniqfill BV. Eiseres heeft zelf een exemplaar bewaard dat zij niet had ondertekend. Eiseres heeft per abuis een kopie van haar eigen exemplaar aan verweerder gestuurd. In de bezwaarfase is het exemplaar uit het archief van Uniqfill BV toegezonden. Daarop is aangegeven dat eiseres op 18 april 2007 akkoord is gegaan met de opdracht, aldus eiseres.

11.

De rechtbank overweegt dat eiseres aangeeft waarom de eerste en de laatste toegezonden kopie van elkaar verschillen. Daarmee heeft zij echter geen verklaring gegeven voor het feit dat de eerste kopie geen handtekening van eiseres bevat, de tweede kopie wel een handtekening van eiseres bevat maar geen datum van akkoordverklaring door eiseres en de derde kopie zowel een handtekening van eiseres als een datum van akkoordverklaring door eiseres bevat. Dit leidt tot ernstige twijfel aan de juistheid van de derde kopie. Daar komt bij dat de derde kopie namens eiseres is toegezonden nadat zij ervan op de hoogte was dat de datering van de opdrachtbevestiging vóór 16 april 2007 tot de nihilstelling van de subsidie had geleid. Op deze derde kopie stond voor het eerst een datum van akkoordverklaring van na 16 april 2007 vermeld. Dit doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van de stelling van eiseres dat de derde kopie de juiste gegevens met betrekking tot de datum van akkoordverklaring met de opdrachtbevestiging bevat. Onder deze omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen uitgaan van de juistheid van de kopie van de opdrachtbevestiging die eiseres als eerste aan verweerder heeft toegezonden. Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd omtrent de vaste werkwijze van Uniqfill BV, leidt niet tot een andere conclusie.

12.

Uit de datering van de eerste kopie van de opdrachtbevestiging kan worden afgeleid dat eiseres vóór 16 april 2007 verplichtingen is aangegaan met betrekking tot het plaatsen en installeren van de gesubsidieerde luchtwasser. Dat brengt met zich dat eiseres in strijd met artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling vóór 16 april 2007 is begonnen met de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. Verweerder was daarom op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bevoegd de subsidie lager vast te stellen.

13.

Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid. Nu eiseres opdracht heeft verleend voor de levering en installatie van de luchtwasser voordat de subsidieaanvraag door verweerder was ontvangen, mocht verweerder ervan uitgaan dat eiseres de betreffende investeringen ook zonder de subsidie zou hebben verricht. Gelet hierop acht de rechtbank de vaststelling van de subsidie op nihil niet kennelijk onredelijk.

14.

Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

15.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. D.J. Hutten als rechter in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2011.

De griffier is buiten staat
de uitspraak te ondertekenen.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: