Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BP7273

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2010
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
AWB 08/3063
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV7246, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke lus - gebrek niet hersteld - bouwovergangsrecht legaliseert niet - verweerder had tevens behoren te onderzoeken of het mogelijk is om voor het bouwplan een bouwvergunning te verlenen op grond van artikel 19 van de WRO hetgeen verweerder ook met de herstelpoging heeft nagelaten - bouwvergunning verlenen op grond van een geschorst bestemmingsplan (waarin het bouwplan is gelegaliseerd) niet mogelijk.

[Zie ook uitspraak LJN: BP7276]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/3063 TUSSENUITSPRAAK

Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2010

inzake

[eiser] en [eiseres],

te [woonplaats], Frankrijk,

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaren,

verweerder,

gemachtigde mr. S.M.W. Verouden.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder], te [woonplaats], vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft verweerder aan vergunninghouder een reguliere bouwvergunning en vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van de woning op het perceel [perceel] te [plaats], kadastraal bekend [kadastergegevens].

Het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 8 juli 2008 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 4 december 2009. Eisers zijn daar verschenen in persoon, bijgestaan door hun toenmalige gemachtigde R. van Laarhoven. Verweerder is niet ter zitting verschenen. Vergunninghouder is verschenen in persoon. Ter zitting is het onderzoek geschorst, in afwachting van nadere gegevens van vergunninghouder en reactie daarop van partijen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 oktober 2010, waar eisers in persoon zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen in persoon.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om een reguliere bouwvergunning en – binnenplanse – vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de WRO te verlenen ten behoeve van het op 12 oktober 2006 door vergunninghouder ingediende bouwplan. Dit bouwplan voorziet in de het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van het dak van de woning, het plaatsen van een overkapping (veranda) en het plaatsen van een dakkapel. De bouwaanvraag strekt tot legalisering van reeds geheel verwezenlijkte bouwwerkzaamheden.

2. Het wettelijk kader luidt als volgt.

3. Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) in werking is getreden. Ingevolgde artikel 9.1.7, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, blijft, nu het verzoek om bouwvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro, het vóór dat tijdstip geldende recht van toepassing. Van een dergelijke situatie is in dit geval sprake, nu het verzoek om bouwvergunning is ingediend op 12 oktober 2006.

4. Ingevolge artikel 40, eerste lid,aahef en onder a, van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

5. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

6. Ingevolge artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Ww wordt een aanvraag om bouwvergunning, die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO, geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

7. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1994’, waarin het perceel is bestemd tot ‘Woondoeleinden, W(d)’.

8. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de huisvesting van huishoudens van één of meer personen in kleine woningen alsmede voor woongebruik in ruime zin van zowel de woningen met bijgebouwen als de bijbehorende tuinen, erven en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9. Ingevolge artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op de voor ‘woondoeleinden, W(d)’ bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd c.q. aanwezig zijn, gebouwen ten dienste van woondoeleinden met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits aan de volgende regels wordt voldaan:

a. t/m d. (…);

e. de inhoud van een woning bedraagt niet meer dan 300m³.;

f. de goothoogte daarvan bedraagt niet meer dan 3,50 m., de nokhoogte is maximaal 5,00 m.;

g. t/m j ( …).

10. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de planvoorschriften (maatvoering en begrenzing) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de maximale en minimale hoogte-, breedte- en oppervlaktematen voor bebouwing, zoals omschreven in hoofdstuk III, mits:

a. de afwijking van enige maat ten hoogste 10 % bedraagt;

b. de bebouwingsgrens dan wel het bouwblok aan de wegzijde niet wordt overschreden;

c. de belangen van derden niet in onevenredige mate worden of kunnen worden geschaad.

11. Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften mag een bouwwerk dat op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van dit plan bestond of in uitvoering was, dan wel is gebouwd of kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend, en dat afwijkt van het in dit plan bepaalde ten aanzien van de toelaatbaarheid van bebouwing, mits de bestaande afwijkingen ook naar hun aard niet worden vergroot en behoudens onteigening:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits dit geen algehele vernieuwing of verandering van het in de aanhef bedoelde bouwwerk tot gevolg heeft;

2. (…);

3. met niet meer dan 15% van de oppervlakte van het in de aanhef bedoelde bouwwerk worden uitgebreid, met inachtneming van de grenzen welke ten aanzien van het bouwen ter plaatse bij het plan zijn bepaald.

12. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het bouwplan weliswaar in strijd is met artikel 32, tweede lid, van de bestemmingsplanvoorschriften, doch dat - wat betreft de dakkapel - vrijstelling kan worden verleend op grond van artikel 46, eerste lid, van die voorschriften. Op de wijzigingen aan het dak en de overkapping is volgens verweerder het bouwovergangsrecht van toepassing zoals neergelegd in artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften, nu de woning op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan reeds een grotere inhoud had dan was toegestaan. In dit verband heeft verweerder zich laten leiden door de uitspraak van deze rechtbank van 26 juni 2007 (AWB 06/3757 en AWB 07/1483). Gezien het feit dat eisers geen hoger beroep hebben ingesteld tegen genoemde uitspraak acht verweerder zich gebonden aan het in die uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank inzake de mogelijkheid van legalisering van de onderhavige bouwwerkzaamheden op grond van het overgangsrecht.

13. De rechtbank volgt verweerder niet in diens opvatting dat hij is gebonden aan hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 26 juni 2007 op dit punt heeft overwogen. Deze uitspraak had – voor zover hier van belang – betrekking op een besluit van verweerder inzake de handhaving van de, toen nog, zonder bouwvergunning gerealiseerde bouwwerkzaamheden. In dat kader heeft de rechtbank een oordeel gegeven over mogelijkheid tot legalisering daarvan. Deze uitspraak betrof derhalve een oordeel over een ander besluit, in een ander geschil. Zoals blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) (zie onder meer de uitspraken van 15 maart 2006, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=AV5040" target="_blank" >AV5040</a>, en van 17 januari 2007, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=AZ6366" target="_blank" >AZ6366</a>) strekt de rechtskracht van een rechterlijk oordeel zich slechts uit tot het geschil en het besluit ten aanzien waarvan dat oordeel is gegeven. Verweerder noch de rechtbank is in de onderhavige zaak derhalve gebonden aan het eerdere oordeel van deze rechtbank omtrent de mogelijkheid tot legalisering van de bouwwerkzaamheden zoals die thans zijn vergund.

14. De rechtbank stelt vast dat verweerder er bij zijn besluitvorming van is uitgegaan dat het bouwplan wat betreft de vernieuwing van het dak en de realisering van de veranda strijdig is met de in artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften neergelegde bebouwingsvoorschriften. Nu deze werkzaamheden vallen binnen het bereik van het in artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht en kunnen zij evenwel met toepassing daarvan worden vergund, aldus verweerder. Ook de plaatsing van de dakkapel acht verweerder strijdig met voornoemde bebouwingsvoorschriften, nu de maximaal toelaatbare inhoud van de woning van 300m³ reeds is overschreden. Het overgangsrecht kan volgens verweerder echter geen grondslag bieden voor verlening van bouwvergunning ten behoeve de plaatsing van de dakkapel, aangezien daardoor de inhoud van de woning verder wordt vergroot en aldus sprake is van een op grond van het overgangsrecht niet toelaatbare vergroting van de bestaande afwijking. De vergroting van de inhoud van de woning blijft echter binnen de in artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften genoemde grens van 10% van de ten hoogste toelaatbare inhoud van 300 m³. Door met toepassing van dit voorschrift vrijstelling te verlenen heeft verweerder beoogd de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan ook op dit punt op te heffen.

15. Eisers betwisten dat de gevraagde bouwvergunning met toepassing van het overgangsrecht kan worden verleend. In dit verband betwisten zij de juistheid van de door verweerder en vergunninghouder ter zitting van 4 december 2009 nader ingenomen stelling dat de werkzaamheden waarvoor vergunning is gevraagd, reeds waren voltooid op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1994’. Voorts hebben zij aangevoerd dat de vernieuwing van het dak, ook zonder daarbij de plaatsing van de dakkapel in aanmerking te nemen, ertoe heeft geleid dat de inhoud van de woning is toegenomen. Ook in zoverre is derhalve sprake van een op grond van het overgangsrecht niet toelaatbare vergroting van de bestaande afwijking.

16. De rechtbank overweegt als volgt.

17. Het betoog van eisers dat het bouwovergangsrecht geen grondslag kan vormen voor de verlening van de gevraagde bouwvergunning treft doel. De partijen verdeeld houdende vraag of de werkzaamheden reeds tot stand waren gekomen vóór dan wel na de in artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften bedoelde peildatum, is in dit verband evenwel niet relevant. Immers, volgens vaste jurisprudentie legaliseert bouwovergangsrecht bestaande, met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken niet (zie de uitspraak van de AbRS van 31 december 2008, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BG8652" target="_blank" >BG8652</a>). Voor zover derhalve sprake is van reeds ten tijde van de hier relevante peildatum gerealiseerde werkzaamheden, kan in artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften geen grond worden gevonden deze werkzaamheden niet als strijdig met het bestemmingsplan aan te merken. Voor zover de werkzaamheden pas na de peildatum zijn gerealiseerd, kan – in ieder geval wat de vernieuwing van het dak betreft – het bouwovergangsrecht evenmin de grondslag vormen voor verlening van bouwvergunning. Er met verweerder van uitgaande dat de woning reeds ten tijde van de peildatum een grotere inhoud had dan 300 m³, moet de conclusie worden getrokken dat met vernieuwing van het dak een vergroting van de inhoud van de woning is tot stand gekomen. Weliswaar is de mate waarin het dak als gevolg van de vernieuwing is verhoogd tussen partijen in geschil, doch dàt sprake is van een verhoging wordt ook door verweerder niet betwist. In aanmerking genomen dat de inhoud van de woning volgens artikel 2 van de planvoorschriften buitenwerks dient te worden gemeten, heeft verhoging van het dak een vergroting van de inhoud van de woning tot gevolg. Deze vergroting moet worden aangemerkt als een vergroting van de bestaande afwijking van het bestemmingsplan. Daardoor wordt niet voldaan aan in artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften. Daarbij merkt de rechtbank op dat dit artikellid in onderdeel 3 slechts de mogelijkheid biedt de oppervlakte van het onder de werking van het overgangsrecht vallen bouwwerk uit te breiden en niet de inhoud.

18. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuiste toepassing van artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften. Verweerder is op grond hiervan ten onrechte tot de conclusie gekomen dat ten behoeve van de verlening van de gevraagde bouwvergunning met verlening van vrijstelling op grond van artikel 46, aanhef, en eerste lid, van de planvoorschriften kon worden volstaan. Niet in geschil is immers dat met toepassing van dat voorschrift niet tevens vrijstelling ten behoeve van de verhoging van het dak kan worden verleend.

19. Een en ander betekent evenwel niet zonder meer dat verweerder de bouwvergunning had moeten weigeren. Immers, ingevolge artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Ww, had verweerder tevens behoren te onderzoeken of het mogelijk is om voor het bouwplan een bouwvergunning te verlenen op grond van artikel 19 van de WRO. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten.

20. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en deswege tevens niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het is derhalve genomen in strijd met de artikelen 7:12, eerste lid, en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

21. De rechtbank acht het van belang dat het geschil zo spoedig mogelijk finaal wordt beslecht. In verband hiermee ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit die naar het oordeel van de rechtbank tot vernietiging daarvan zouden moeten leiden, te herstellen.

22. Verweerder dient in dat kader in elk geval te bezien of ten behoeve van het bouwplan vrijstelling kan worden verleend als bedoeld in artikel 19 van de WRO. Verweerder zal daarbij mogen betrekken de ruimere mogelijkheden die het op 9 juli 2009 door de raad van de gemeente Haaren vastgestelde bestemmingsplan ‘Buitengebied’ biedt voor uitbreiding van de onderhavige woning. Weliswaar is dit bestemmingsplan, wat het onderhavige perceel betreft, door de voorzitter van de AbRS bij uitspraak van 25 januari 2010 geschorst, doch aan die uitspraak ligt geen inhoudelijk oordeel omtrent de aanvaardbaarheid van die mogelijkheden ten grondslag.

Voor het geval verweerder het gebrek wenst te herstellen door middel van het alsnog verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO zal de rechtbank bepalen dat voorbereiding van het nieuwe besluit niet overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb hoeft te geschieden.

23. De rechtbank verzoekt verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, kenbaar te maken of gebruik wordt gemaakt van de geboden gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen.

24. De termijn waarbinnen verweerder de hiervoor genoemde gebreken dient te herstellen en de rechtbank op de hoogte moet brengen van zijn bevindingen, bepaalt de rechtbank op acht weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

25. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank,

- draagt verweerder op zo spoedig mogelijk maar binnen uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak, aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de door de rechtbank geconstateerde gebreken te herstellen;

- draagt verweerder op, indien hij gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, te handelen overeenkomstig hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 22;

- draagt verweerder op, indien hij gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, de rechtbank zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na verzending van deze uitspraak, schriftelijk mee te delen op welke wijze de gebreken zijn hersteld en tot welke bevindingen of nader besluit hij is gekomen;

- bepaalt dat de voorbereiding van het nieuwe besluit niet overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb hoeft te geschieden.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als rechter in tegenwoordigheid van mr. E.C.J. Kohl als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 november 2010.

<HR>?

<i>Eerst samen met de einduitspraak staat hoger beroep open tegen deze tussenuitspraak.</i>

Afschriften verzonden: