Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BO5229

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
196963 - HA ZA 09-1719
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

betekenis 'vaste opslag' bij variabele hypotheek; wijzigingsbevoegdheid bank

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 196963 / HA ZA 09-1719

Vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.J.M.H. Stevens te Roermond,

tegen

de naamloze vennootschap

OBVION N.V.,

statutair gevestigd te Eindhoven en kantoorhoudende te Heerlen,

gedaagde,

advocaat mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eisers] en Obvion genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 december 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 7 april 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de door partijen overgelegde stukken, voor zover de inhoud daarvan niet is betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

2.2. [eisers] is eigenaar van een woning aan de [adres] te [woonplaats]. Uit ontevredenheid met zijn in verband met de aankoop van deze woning gesloten hypotheek bij de Rabobank is [eisers) op zoek gegaan naar een andere hypotheekverstrekker.(Eisers) wenste een hypotheek waarbij hij meer kon profiteren van veranderingen van de rentestand. Hiertoe heeft hij – na het verzamelen van informatie – in november 2004 contact gezocht met bemiddelaar IAK. Naar aanleiding van de wensen van [eisers] heeft IAK hem een hypotheek van Obvion geadviseerd.

2.3. De brief d.d. 12 januari 2005 behorende bij de op verzoek van [eisers] door Obvion opgemaakte offerte vermeldt met betrekking tot de rente op pagina 1:

Met de Obvion Variabele Rente volgt u gewoon de renteontwikkelingen op de markt. Daardoor profiteert u bij een dalende rente direct de volgende maand van lagere maandlasten.

terwijl de offerte van Obvion van diezelfde datum met betrekking tot de rente op pagina 4 vermeldt:

Het tarief wordt de 1e van iedere maand opnieuw vastgesteld op basis van de stand van de 1-maands EURIBOR rente per de laatste werkdag van de vorige maand + een vaste opslag + eventuele opslag(en) voor niet gegarandeerde leningen. Dit tarief is de gehele maand geldig.

2.4. Op pagina 7 van de offerte worden de algemene voorwaarden van Obvion van 1 november 2004 van toepassing verklaard op de lening. Artikel 21 van deze algemene voorwaarden luidt:

Rentevastperiode van een maand (variabele maandrente)

a. (…)

b. Het rentepercentage wordt gebaseerd op de zogenaamde ‘referentierente’ (1-maands Euribor) en kent een vaste opslag die periodiek door geldgever wordt bepaald, zie www.obvion.nl

c. (…)

d. (…)

2.5. [eisers] heeft de offerte geaccepteerd en ondertekend. Op basis hiervan is door Obvion aan [eisers] een hypothecaire lening verstrekt van EUR 228.000,-- met een looptijd van 30 jaar en een variabele rente. Op die basis is vervolgens op 17 februari 2005 de hypotheekakte opgemaakt en ten overstaan van de notaris verleden.

2.6. Het door [eisers] afgesloten product is in oktober 2002 door Obvion geïntroduceerd. In de periode van oktober 2002 tot en met 1 november 2008 bedroeg de in artikel 21 sub b van de Algemene voorwaarden bedoelde vaste opslag 0,65 %.

2.7. Op 3 november 2008 heeft Obvion [eisers] per brief medegedeeld dat zij in verband met de sterk gewijzigde omstandigheden op de financiële markten genoodzaakt was de vaste opslag van artikel 21 sub b van haar Algemene voorwaarden te verhogen naar 1,35 % met ingang van 1 november 2008. [eisers] heeft bij emailbericht van 6 november 2008 tegen de aangezegde verhoging geprotesteerd doch deze feitelijk wel betaald per de aangezegde ingangsdatum.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert – samengevat – het volgende:

a. een verklaring voor recht dat de bewuste opslag ‘vast’ in de zin van ‘onveranderlijk’ is en dientengevolge niet eenzijdig door Obvion mag worden verhoogd;

b. Obvion te verbieden hypotheekrente in rekening te brengen op basis van het tarief van 1,35 % en deze hypotheekrente ten laste van de rekening [eisers]sers] te brengen;

c. het percentage van de vaste opslag met terugwerkende kracht wederom te stellen op 0,65 % en dit tarief te fixeren voor de rest van de hypotheeklooptijd;

d. naleving van het onder b. en c. gevorderde dient te geschieden op straffe van een dwangsom ad EUR 5000,-- per (gedeelte van een) dag dat Obvion in gebreke blijft;

e. Obvion te veroordelen tot restitutie van de teveel geïncasseerde rente sinds 1 november 2008, te vermeerderen met de wettelijke rente;

f. buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;

g. proceskosten, inclusief nakosten ad EUR 205,-- c.q. 273,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;

h. dit alles bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.2. [eisers] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen primair aangevoerd dat Obvion tekort is geschoten in de nakoming van de verbintenissen, die voortvloeien uit de overeenkomst tussen partijen. Subsidiair heeft [eisers] zich op het standpunt gesteld dat Obvion onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, door met een beroep op haar algemene voorwaarden de vaste opslag te stellen op een percentage dat afwijkt van hetgeen partijen zijn overeengekomen. In dit verband verwijt [eisers] Obvion schending van de op haar als kredietinstelling rustende bijzondere zorgplicht alsmede het verstrekken van mogelijk misleidende reclame.

3.3. Obvion betwist de vordering. Daartoe heeft Obvion aangevoerd dat zij op basis van haar algemene voorwaarden gerechtigd was de vaste opslag te verhogen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

niet-nakoming van de overeenkomst

4.1. Volgens [eisers] bestaat de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst zijdens Obvion eruit, dat zij eenzijdig de opslag heeft gewijzigd, die in de overeenkomst is aangeduid als ‘vaste opslag’.

4.2. [eisers] stelt dat de term ‘vaste’ – als onderdeel van het begrip ‘vaste opslag’ – de betekenis toekomt van ‘onveranderlijk’. Ter onderbouwing van deze stelling citeert [eisers] onder punt 15 in de dagvaarding de betekenis van het woord ‘vast’ zoals opgenomen in het Van Dale woordenboek. ‘Vast’ wordt daar – onder meer – gedefinieerd als ‘onveranderlijk’. Nu het begrip ‘vaste opslag’ in deze zin moet worden gelezen, stelt [eisers] dat Obvion niet de bevoegdheid had deze opslag eenzijdig te verhogen.

4.3. Obvion volgt [eisers] niet in diens uitleg van het begrip ‘vaste opslag’. Obvion stelt daartoe dat zij op grond van de algemene voorwaarden bevoegd is de opslag te wijzigen. Op grond van artikel 21 van de algemene voorwaarden kan Obvion de vaste opslag immers periodiek bepalen. Obvion mag de vaste opslag derhalve aanpassen wanneer zij daartoe reden ziet. Hieruit volgt reeds dat deze opslag dus niet onveranderlijk is.

4.4. De rechtbank oordeelt als volgt. De vordering van[eisers] strekt tot nakoming van de overeenkomst door Obvion in de zin van artikel 3:296 BW. De vorderingen van [eisers] zien er immers op toe de verhoging van de vaste opslag met terugwerkende kracht ongedaan te maken en tevens voor de toekomst vast te stellen op het ‘oude’ tarief van 0,65 %.[eisers) stelt dat Obvion niet gerechtigd was tot het verhogen van de vaste opslag, vordert hij daarmee in feite dat Obvion de overeenkomst – zoals deze door [eisers] wordt geïnterpreteerd – zal nakomen.

4.5. Gezien de stellingen van partijen spitst de vraag of er sprake is van een niet-nakoming van de overeenkomst zijdens Obvion zich toe op de betekenis die partijen toekennen aan het woord ‘vast’ in de term ‘vaste opslag’. Daarmee wordt de inhoud van de overeenkomst tussen partijen aan de orde gesteld.

4.6. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Het komt daarbij tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-criterium).

4.7. Ten aanzien van de taalkundige uitleg die aan het begrip ‘vaste opslag’ moet worden toegekend overweegt de rechtbank als volgt. Wat er verder ook zij van de betekenis van de term ‘vaste’ in het begrip ‘vaste opslag’ volgens het Van Dale Woordenboek, volgt uit artikel 21 van de algemene voorwaarden – welke integrerend onderdeel uitmaken van de overeenkomst – voldoende duidelijk dat Obvion de bevoegdheid heeft de vaste opslag als hiervoor onder 2.3 aangehaald periodiek te bepalen en dat deze derhalve aan verandering onderhevig kan zijn. De stelling van [eisers], dat de door Obvion verstrekte informatie de indruk wekt dat het rentepercentage (nagenoeg) uitsluitend wordt bepaald door de 1-maands EURIBOR en dat artikel 21 van de algemene voorwaarden ziet op andere opslagen dan de vaste opslag als genoemd in de offerte, gaat dan ook niet op. Uit de aangehaalde bepaling blijkt immers dat de variabele rente bestaat uit de stand van de 1-maands EURIBOR rente, de vaste opslag en eventuele opslagen voor niet-gegarandeerde leningen. Artikel 21 merkt ten aanzien van de rentecomponent ‘vaste opslag’ op dat deze periodiek kan wijzigen, waaruit volgt dat deze – dus – niet onveranderlijk is zoals d[eisers]sers] wordt betoogd. Uit een louter taalkundige uitleg van de in het geding zijnde bepalingen volgt dan ook niet dat er sprake is van een vaste (in de zin van onveranderlijke) opslag.

4.8. Zoals onder 4.6 vooropgesteld dient echter niet alleen naar de louter grammaticale uitleg van de contractbepalingen gekeken te worden. Er zal ook gekeken moeten worden welke betekenis partijen – gelet op alle omstandigheden van het geval – redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en naar hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachte[eisers]sers] heeft in dit kader gesteld dat Obvion [eisers] onvoldoende heeft geïnformeerd over de renteopslag, op basis waarvan [eisers] een kredietovereenkomst met Obvion heeft gesloten. In het bijzonder had Obvion [eisers] duidelijk moeten maken dat ook de vaste opslag aan verandering onderhevig kan zijn. Uit het feit dat er verschil bestaat tussen de uitleg die [eisers] en Obvion aan het begrip ‘vaste opslag’ toekennen, blijkt volgens [eisers] dat Obvion hem onduidelijke en mogelijk misleidende informatie heeft verstrekt. Obvion heeft immers de indruk gewekt dat het rentepercentage geheel of nagenoeg uitsluitend wordt bepaald door de referentierente (zijnde de 1-maands EURIBOR) en een eventuele vaste opslag, die dus niet aan wijziging onderhevig is. Het had volgens [eisers] dan ook op de weg van Obvion gelegen om de term ‘vaste opslag’ nader te omschrijven. Omdat Obvion gelet op de door haar verstrekte informatie de stellige indruk heeft gewekt dat het rentepercentage geheel of nagenoeg uitsluitend wordt bepaald door de referentierente (de 1-maands Euribor) en eventuele opslagen vast zijn en dus niet aan verandering onderhevig mocht [eisers] er ook op vertrouwen dat de vaste opslag niet aan verandering onderhevig zou zijn

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank zijn door [eisers] geen omstandigheden aangedragen, waaruit moet worden afgeleid dat [eisers) de in het geding zijnde bepalingen aldus mocht begrijpen dat de vaste opslag een onveranderlijke component van de variabele rente was. De rechtbank licht dit als volgt toe. [eisers] zocht een hypotheek met een variabele rente. Ter comparitie heeft hij nader verklaard over de gang van zaken hieromtrent. Daarbij is in de eerste plaats naar voren gekomen dat de heer [eiser sub 1] met de heer [X] van IAK, de tussenpersoon bij wie hij de hypotheek heeft afgesloten, uitvoerig heeft gesproken over de hypotheek van Obvion en meer in het bijzonder over de rente, boetevrije aflossing en de vaste opslag. De heer [eiser sub 1] heeft daarbij niet gevraagd om een nadere uitleg van het begrip ‘vaste opslag’, omdat hij zelf een idee had wat dat inhield.

In de tweede plaats heeft de heer [eiser sub 1] verklaard dat aan te nemen valt dat hij de algemene voorwaarden voorafgaand aan het ondertekenen van de offerte heeft bekeken. Onder verwijzing naar het onder 4.7 overwogene wijst de rechtbank er op dat uit artikel 21 van deze algemene voorwaarden – bezien in combinatie met de offerte – blijkt dat Obvion de bevoegdheid had de vaste opslag te wijzigen.

Gegeven het feit dat (1) met [eisers] over de vaste opslag is gesproken, (2) [eisers] op dat moment niet eigener beweging heeft geïnformeerd naar de betekenis van deze term, ook niet om de juistheid te verifiëren van zijn idee met betrekking tot de betekenis die daaraan diende te worden toegekend, (3) Obvion door middel van haar offerte en de bijbehorende algemene voorwaarden eenduidige informatie heeft verstrekt op grond waarvan [eisers] heeft kunnen begrijpen dat de vaste opslag door Obvion kon worden gewijzigd, (4) [eisers] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst kennis heeft kunnen nemen van deze informatie en (5) [eisers] Obvion geen aanleiding heeft gegeven om aan te nemen dat [eisers] desondanks het begrip ‘vaste’ in de term ‘vaste opslag’ heeft opgevat als ‘onveranderlijk’ mocht Obvion er van uitgaan dat [eisers] deze term ook heeft begrepen en opgevat in de door Obvion bedoelde zin. [eisers] heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die – zo deze zouden komen vast te staan – met zich brengen dat [eisers] desondanks het begrip ‘vaste opslag’ heeft mogen begrijpen en opvatten in de door hem bedoelde zin.

4.10. Gezien het voorgaande kunnen de vorderingen van [eisers] niet op de aangevoerde grondslag worden toegewezen, aangezien Obvion op grond van haar overeenkomst met [eisers] bevoegd was om de rentecomponent ‘vaste opslag’ te wijzigen. Gebruikmaking van deze bevoegdheid levert derhalve geen tekortkoming jegens [eisers] op.

onrechtmatige daad

4.11. Subsidiair heeft [eisers] zich op het standpunt gesteld dat Obvion onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door met een beroep op haar algemene voorwaarden de vaste opslag te wijzigen. Op grond artikel 6:162 BW kan een handeling als onrechtmatig worden aangemerkt wanneer er sprake is van een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het wettelijk verkeer betamelijk is.

4.12. [eisers] heeft gesteld dat Obvion gehandeld heeft in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid. Dit onrechtmatig handelen bestaat er volgens [eisers] in de eerste plaats uit dat Obvion hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de renteopslag en over de omstandigheid dat ook de vaste opslag kon worden gewijzigd. [eisers] stelt dat Obvion, als professioneel handelende partij, hiermee zijn zorgplicht jegens [eisers] heeft geschonden. Obvion was volgens [eisers] verplicht hem op heldere en eenduidige wijze voor te lichten over de vaste opslag. Volgens [eisers] is Obvion tekortgeschoten in deze op Obvion rustende zorgplicht. Dat Obvion [eisers] onvoldoende heeft geïnformeerd, blijkt volgens [eisers] opnieuw uit de omstandigheid dat verschil bestaat tussen de uitleg die [eisers] en Obvion beiden aan het begrip ‘vaste opslag’ geven. Obvion heeft immers de indruk gewekt dat de rentecomponent ‘vaste opslag’ geen invloed had op de hoogte van het rentepercentage. [eisers] stelt dan ook dat Obvion een beroep op haar algemene voorwaarden moet worden ontzegd wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.

In de tweede plaats heeft [eisers] aangevoerd dat Obvion misleidende informatie heeft verstrekt door het onjuiste of onterechte gebruik van de term ‘vast’. Het verstrekken van deze misleidende informatie is volgens [eisers] in strijd met artikel 5 lid 4 jo. artikel 6 en 7 van de Europese Richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken (2005/29/EG).

4.13. Obvion heeft zich ook in dit verband op het standpunt gesteld dat uit haar algemene voorwaarden de bevoegdheid voortvloeit de vaste opslag periodiek te wijzigen. Bij lezing van de algemene voorwaarden had aan [eisers] duidelijk moeten zijn dat de opslag niet voor onbepaalde tijd onveranderbaar was. Met het ondertekenen van de aan de offerte gehechte acceptatieverklaring heeft [eisers] verklaard de in de offerte genoemde algemene voorwaarden te hebben ontvangen en aanvaard. Hiermee heeft Obvion haars inziens voldaan aan haar informatieplicht. Obvion wijst hierbij tevens op een aanbeveling van de Ombudsman inzake de verhoging van de vaste renteopslag door Obvion. Deze aanbeveling is door Obvion overgenomen.

4.14. De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank acht de stelling van [eisers], dat hem zijdens Obvion onvoldoende informatie is verstrekt betreffende de invulling van het begrip ‘vaste opslag’, onvoldoende onderbouwd. Blijkens de dagvaarding baseert [eisers] deze stelling op het feit dat verschil van mening is ontstaan over de inhoud van deze term. De enkele aanwezigheid van een dergelijk meningsverschil is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat Obvion tekort is geschoten in de voorlichting van [eisers].

4.15. Datzelfde geldt voor de stelling van [eisers] dat hem, in strijd met de Europese richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken, door Obvion misleidende informatie is verstrekt. Uit artikel 5 lid 4 jo. artikel 6 en 7 volgt dat een handelspraktijk als oneerlijk moet worden beschouwd wanneer er – kort gezegd – sprake is van misleidende handelingen of misleidende omissies. Onder dergelijke zaken valt onder meer het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie. [eisers] baseert zijn stelling dat daar in casu sprake van is opnieuw op het feit dat verschil van mening is ontstaan over de inhoud van het begrip ‘vaste opslag’. Onder verwijzing naar het onder 4.14 overwogene is de rechtbank ook in dit verband van oordeel [eisers] zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat partijen van mening verschillen omtrent de inhoud van een contractuele term maakt niet dat sprake is van misleidende informatie.

4.16. [eisers] voert terecht – en door Obvion onbestreden – aan dat op Obvion een bijzondere zorgplicht rust. Deze zorgplicht houdt in dat Obvion, als professioneel financieel dienstverlener, gehouden is om de zorg van een redelijk bekwaam en redelijk handelend financieel adviseur ten opzichte van een particuliere klant in acht te nemen. De rechtbank is echter van oordeel dat Obvion niet in deze zorgplicht is tekortgeschoten. De rechtbank baseert dit in de eerste plaats op hetgeen de heer [eiser sub 1] ter comparitie nader heeft verklaard over de gang van zaken rondom de totstandkoming van de overeenkomst. [eisers] zocht een hypotheek waarbij hij kon profiteren van veranderingen van de rentestand omdat hij naar zijn idee bij zijn Rabobankhypotheek onvoldoende profiteerde van ontwikkelingen op de geldmarkt. Door de bemiddelaar, IAK, is de heer [eiser sub 1] uitvoerig voorgelicht waarbij ook gesproken is over de vaste opslag, als onderdeel van de referentierente. [eisers] heeft bij die gelegenheid niet geïnformeerd naar de betekenis van het begrip ‘vaste opslag’ (zie ook onder 4.9.). Uit deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat niet is gebleken dat [eisers] niet in staat was of is gesteld zich nader te (doen) informeren over de betekenis van de term ‘vaste opslag’. Daarbij komt dat hij voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst de juiste inhoud van het begrip ‘vaste opslag’ heeft kunnen afleiden uit artikel 21 van de algemene voorwaarden, die hij heeft ontvangen en – naar hij aanneemt – bekeken. Voor zover [eisers] heeft nagelaten de algemene voorwaarden te lezen dient zulks voor zijn rekening te blijven en voor zover [eisers] na kennisneming van de relevante passages uit de offerte nog twijfel koesterde omtrent de betekenis van het begrip ‘vaste opslag’ had het op zijn weg gelegen daarnaar bij Obvion te informeren, hetgeen hij evenwel heeft nagelaten. Het lag in dezen niet op de weg van Obvion om het begrip ‘vaste opslag’ nader of uitvoeriger te omschrijven dan zij gedaan heeft in haar aanbieding aan [eisers]. De rechtbank is derhalve van oordeel dat op grond van het vorenoverwogene Obvion niet kan worden verweten [eisers] onvoldoende te hebben geïnformeerd en dientengevolge haar zorgplicht te hebben geschonden, zodat reeds hierom de op schending van deze verplichting gebaseerde vordering dient te stranden.

4.17. Nu op grond van het bovenstaande het handelen van Obvion evenmin als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd, dient ook deze grondslag – daargelaten in hoeverre deze kan dienen als basis voor de ingestelde vordering – als ondeugdelijk te worden verworpen

proceskosten

4.18. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Obvion worden begroot op:

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.166,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Obvion tot op heden begroot op EUR 1.166,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.