Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BO5039

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
AWB 10-3366
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Op 21 juli 2010 heeft het Catharina-Ziekenhuis te Eindhoven (verzoekster) verweerder met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur verzocht, om een afschrift van alle stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de vergunningverlening voor het verrichten van transcatheter hartklepinterventies aan het Leids Universitair Medisch Centrum, het St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein, het Amsterdam Medisch Centrum, het Academisch Ziekenhuis Maastricht en het Amphia Ziekenhuis Breda. Tevens is verzocht om een afschrift van alle stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de weigering om een dergelijke vergunning aan het Catharina-Ziekenhuis te Eindhoven en een aantal andere ziekenhuizen, te verlenen.

Bij besluit van 30 september 2010 heeft verweerder (gedeeltelijk) geweigerd afschriften van de gevraagde documenten te verstrekken. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens is de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende openbaarmaking van deze documenten. Verzoek ten aanzien van een drietal documenten toegewezen en voor het overige afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/3366

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 november 2010

inzake

Stichting Catharina-Ziekenhuis,

te Eindhoven,

verzoekster,

gemachtigde mr. K. Mous,

tegen

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

verweerder.

Belanghebbenden, als partij ex artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zijn:

- Amsterdam Medisch Centrum;

- Medisch Centrum Leeuwarden;

- St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein;

- Academisch Ziekenhuis Maastricht;

- Erasmus Medisch Centrum;

- Leids Universitair Medisch Centrum;

- Universitair Medisch Centrum Utrecht;

- Universitair Medisch Centrum Groningen;

- Nederlandse Vereniging voor Cardiologie;

- Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie.

Procesverloop

Op 21 juli 2010 heeft verzoekster verweerder met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verzocht, om een afschrift van alle stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de vergunningverlening voor het verrichten van transcatheter hartklepinterventies (hierna: THI’s) aan het Leids Universitair Medisch Centrum, het St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein, het Amsterdam Medisch Centrum, het Academisch Ziekenhuis Maastricht en het Amphia Ziekenhuis Breda. Tevens is verzocht om een afschrift van alle stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de weigering om een dergelijke vergunning aan het Catharina-Ziekenhuis te Eindhoven te verlenen. Bij brief van 9 september 2010 heeft verzoekster haar verzoek gespecificeerd en tevens verzocht om afschriften van alle stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de weigering om een vergunning te verlenen aan de andere ziekenhuizen.

Bij besluit van 30 september 2010 heeft verweerder, na kennisname van de zienswijzen van derdebelanghebbenden, (gedeeltelijk) geweigerd afschriften van de gevraagde documenten te verstrekken.

Tegen dit besluit heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 14 oktober 2010 heeft verzoekster tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij beslissing van 26 oktober 2010 heeft de rechtbank, naar aanleiding van verweerders mededeling als bedoeld in artikel 8:29 eerste lid, van de Awb, bepaald dat beperking van de kennisneming van de door verweerder ingezonden documenten waarop het verzoek om openbaarmaking betrekking heeft, gerechtvaardigd is.

Bij brief van 28 oktober 2010 heeft verzoekster toestemming gegeven, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van die documenten uitspraak te doen.

Bij beslissing van 15 november 2010 heeft de rechtbank, naar aanleiding van verweerders mededeling als bedoeld in artikel 8:29 eerste lid, van de Awb ten aanzien van de door verweerder op gelijke datum naar de rechtbank gezonden zienswijzen van de derdenbelanghebbenden, bepaald dat de beperking van de kennisneming van deze stukken niet gerechtvaardigd is.

Ter zitting van 16 november 2010 heeft verweerder, desgevraagd, als reactie op de beslissing van 15 november 2010, medegedeeld de betreffende stukken terug te willen.

De stukken zullen aan eiser worden geretourneerd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 16 november 2010, waar namens verzoekster is verschenen dr. P. Batenburg, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. E.D.C. Looyen en mr. M.G. Kleefkens.

Het Universitair Medisch Centrum Groningen heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. Lijffijt, het Academisch Ziekenhuis Maastricht heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.E.M. Paulussen en mr. S.A.R. Lely, het Erasmus Medisch Centrum heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Oosting, de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door dr. M. Daniëls.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in beginsel slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het uit het bestreden besluit voortkomend nadeel, met het oog op het spoedeisend belang, onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang.

3. Het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening strekt er toe dat de voorzieningenrechter een maatregel treft die inhoudt dat verweerder bevolen wordt om binnen drie werkdagen na zijn uitspraak de gevraagde documenten openbaar te maken, met dien verstande dat de voorzieningenrechter verweerder daarbij in algemene zin instrueert welke passages weggelakt mogen worden, dan wel bepaalt van welke passages de openbaarmaking achterwege moet blijven.

4. De voorzieningenrechter overweegt dat een dergelijke voorziening naar zijn aard het karakter van voorlopigheid ontbeert en in feite neerkomt op een definitief rechterlijk oordeel omtrent verweerders besluitvorming op het ingediende verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Wob. Voor een dergelijke ingrijpende voorziening is slechts bij hoge uitzondering plaats en wel in het geval ernstig moet worden getwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en, indien het besluit in bezwaar wordt gehandhaafd, dit besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.

5. Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

<u>Het spoedeisend belang</u>

6. Aanleiding voor het onderhavige geschil is het besluit van verweerder van 20 juli 2010, waarbij verzoeksters aanvraag om een vergunning te verlenen voor het verrichten van THI’s is afgewezen, alsmede de vergunningverlening aan vijf ziekenhuizen in Nederland. Het hiertegen door verzoekster gemaakte bezwaar zal op de hoorzitting van 30 november 2010 worden behandeld. Ter onderbouwing van dit bezwaarschrift wenst verzoekster inzage te hebben in de documenten die ten grondslag hebben gelegen aan verweerders besluitvorming omtrent de vergunningweigering en -verlening.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de geplande hoorzitting ter behandeling van het bezwaarschrift op 30 november 2010, het spoedeisend belang is gegeven.

Dat andere ziekenhuizen, volgens verweerder, in staat zijn gebleken om hun bezwaar te onderbouwen en verzoekster dit eveneens heeft gedaan, neemt niet weg dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij tijdige inzage in de gevraagde documenten om daaruit mogelijk nadere gronden te distilleren voor het bezwaarschrift tegen de weigering verzoekster een vergunning te verlenen voor het verrichten van THI's. Het is niet aan verweerder om in dit stadium van de procedure te bepalen of verzoeksters bezwaarschrift voldoende is onderbouwd.

<u>Het wettelijk kader</u>

8. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob, voor zover hier van belang, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wob, wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van die wet.

9. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

10. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

11. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

12. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

<u>Standpunten van partijen</u>

13. Verweerder heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de gevraagde documenten op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en artikel 11, eerste lid, van de Wob, geheel dan wel gedeeltelijk dienen te worden geweigerd. In de bij het bestreden besluit behorende bijlagen heeft verweerder een overzicht gegeven van deze documenten.

14. Verzoekster is van mening dat verweerder de uitzondering zoals genoemd in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob te ruim toepast. Niet valt in de zien dat de vergunningaanvragen, de ingevulde vragenlijsten met bijlagen, de visitatierapporten, de diverse registraties (waaronder complicaties en mortaliteitsgegevens), de dienstenroosters, de incidentenmeldingen, de protocollen, de presentaties en de bezoekformulieren gegevens bevatten waaruit informatie blijkt of kan worden afgeleid over de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers. Het gaat bij deze documenten om de door verweerder gehanteerde kwaliteitseisen en om de resultaten van de THI-verrichtingen, aldus verzoekster. De inhoud van deze documenten heeft volgens verzoekster geen betekenis voor concurrenten. Subsidiair wordt gesteld, dat onderdelen van de documenten openbaar gemaakt kunnen worden onder weglakking van de bedrijfs- of fabricagegegevens.

Volgens verzoekster is voorstelbaar - niet uitgesloten - dat enkele documenten medische gegevens bevatten van natuurlijke personen. Het gaat daarbij om vertrouwelijk verstrekte registraties met tot patiënten herleidbare bijzondere persoonsgegevens, waaronder gegevens over complicaties, incidenten en mortaliteit. Volgens verzoekster kunnen deze documenten echter onder weglakking van de persoonsgegevens openbaar gemaakt worden, zodat artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob geen beletsel vormt om delen van de gevraagde documenten te openbaren.

Hetzelfde geldt volgens verzoekster voor de toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.

Volgens verzoekster gaat het in de correspondentie tussen verweerder en een aantal ziekenhuizen om informatie over de voortgang van de procedure en niet om documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad met daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. De openbaarmaking van deze documenten kan volgens verzoekster niet met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob worden geweigerd. Het gaat immers niet om intern beraad binnen de overheid, aldus verzoekster, maar om een bestuurlijke aangelegenheid, waarbij verweerder nadat het interne beraad is afgerond naar buiten treedt. Hetzelfde geldt volgens verzoekster voor de informatie-uitwisseling tussen verweerder en de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie en de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie. Voor zover er wel sprake is van documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten, kunnen die volgens verzoekster openbaar gemaakt worden met weglating van die passages die persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. De e-mailberichten en nota's, omschreven in bijlage 4 van het bestreden besluit , heeft verweerder terecht als intern beraad aangemerkt. Verzoekster betwist echter ten aanzien van deze stukken dat het separaat verstrekken van de feitelijke gegevens niet mogelijk is.

15. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aan de orde gesteld dát en welke van de documenten zoals omschreven in de bij het bestreden besluit behorende bijlagen, niet aan de rechtbank zijn toegezonden. Tevens heeft de voorzieningenrechter toegelicht dat vanwege de aard van de procedure en de daarbij gestelde spoedeisendheid er voor is gekozen om de geplande zitting door te laten gaan in plaats van deze aan te houden in afwachting van de ontbrekende stukken.

Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om de ontbrekende documenten aan de hand van wel overgelegde, soortgelijke documenten te beoordelen. Het is volgens verzoekster vervolgens mogelijk om verweerder ten aanzien van deze documenten in algemene termen instructies omtrent openbaarmaking te geven.

<u>Het oordeel van de voorzieningenrechter</u>

16. Verzoeksters voorstel om de ontbrekende documenten, zonder kennis van de inhoud te dragen, te beoordelen aan de hand van soortgelijke, wel overgelegde documenten, wordt door de voorzieningenrechter in een procedure als hier aan de orde te verstrekkend geacht en verworpen. De omstandigheid dat een document qua onderwerp soortgelijk is, houdt immers niet in dat de inhoud ervan hetzelfde is.

17. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt ten aanzien van een aantal documenten niet langer gehandhaafd en zich bereid verklaard deze documenten alsnog te verstrekken. Het betreft de documenten met de nummers: VWS 01, 03, 04, 05, 08, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 18 en UMCG-09. Dat betekent, aldus de voorzieningenrechter, dat er ten aanzien van deze documenten geen belang meer bestaat het bestreden besluit te beoordelen.

18. Op grond van artikel 3, eerste en vijfde, van de Wob geldt als uitgangspunt dat een verzoek om informatie aangaande een bestuurlijke aangelegenheid wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

19. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de onder geheimhouding overgelegde documenten.

<u>Ten aanzien van de documenten waarvan de verstrekking op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob is geweigerd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.</u>

20. Volgens verweerder bevatten de vergunningaanvraag inclusief de ingevulde vragenlijsten met bijlagen, de visitatierapporten, de diverse registraties met bijzondere persoonsgegevens (verband houdende met complicaties en mortaliteit), de dienstroosters, de incidentenmeldingen, de protocollen, de presentaties en de bezoekformulieren dusdanig veel bedrijfsgevoelige informatie dat openbaarmaking daarvan in strijd komt met artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob.

21. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dient dit artikelonderdeel naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2010, LJN: BL1831).

Anders dan verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat gezien de gegevens die door belanghebbenden zijn overgelegd ter verkrijging van een vergunning voor het verrichten van THI's en die betrekking hebben op- kort samengevat - de voorbereiding, uitvoering en resultaten en daarmee de kwaliteit van deze behandeling, op grond van hetgeen verzoekster heeft aangevoerd vooralsnog niet de conclusie valt te rechtvaardigen dat die gegevens niet als bedrijfsgegevens in de zin van artikel artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob kunnen worden aangemerkt. Ziekenhuizen worden immers in toenemende mate gezien als concurrerende bedrijven waarbij naast de zorg voor een kwalitatief goede gezondheidszorg ook het bedrijfsresultaat een steeds prominentere rol speelt. Daarbij komt naar voorlopig oordeel dat het aantal aanvragen om een vergunning voor het verrichten van THI's het maximum aantal door verweerder verstrekte vergunningen in ruime mate overstijgt en bijgevolg niet ieder ziekenhuis THI's kan blijven verrichten, zodat de ziekenhuizen ook in dat verband als concurrerende bedrijven kunnen worden beschouwd.

22. Voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob is tevens vereist dat de gegevens vertrouwelijk aan verweerder zijn verstrekt. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat slechts bij enkele van de hiervoor genoemde documenten expliciet is aangegeven dat deze vertrouwelijk zijn. Ten aanzien van de overige documenten, met uitzondering van hetgeen hierna ten aanzien van AZM-08 wordt overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat vanwege de aard en het karakter van deze bedrijfsgegevens, verweerders standpunt dat deze gegevens zijn overgelegd voor juist moet worden gehouden. Anders dan verzoekster heeft betoogd, is de omstandigheid dat de gegevens zijn overgelegd in verband met de kwaliteitsbeoordeling van THI’s, een extra argument om aan te nemen dat belanghebbenden redelijkerwijs mochten worden geacht deze gegevens vertrouwelijk te hebben overgelegd.

23. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat verweerder ten aanzien van het verzoek om verstrekking van de ingevulde vragenlijsten met bijlagen, alsmede de visitatierapporten, de diverse registraties (waaronder complicaties en mortaliteitsgegevens), de dienstenroosters, de incidentenmeldingen, de protocollen, de presentaties en de bezoekformulieren terecht artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob van toepassing heeft geacht. De vergunningaanvragen, AMC-09, AMPH-14, CAT-11 en UMCU-19 blijven buiten beoordeling omdat deze documenten niet integraal door verweerder zijn overgelegd.

24. Verzoekster heeft subsidiair verzocht om gedeeltelijke openbaarmaking van de hiervoor genoemde documenten onder weglakking van de bedrijfsgegevens.

Namens het Academisch Ziekenhuis Maastricht is in dit kader verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 december 2009 (LJN: BK8206) en gesteld dat verweerder niet gehouden was per document of categorie van documenten aan te geven waarom openbaarmaking niet aan de orde kan zijn.

De voorzieningenrechter volgt deze uitspraak niet omdat naar vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2010, LJN BN2615), door verweerder moet worden onderzocht of gedeeltelijke openbaarmaking mogelijk is door bijvoorbeeld weg te lakken welke passages niet kunnen worden verstrekt. Verweerder heeft dit echter nagelaten, zodat het besluit op dit onderdeel in strijd wordt geacht met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel.

25. Hetgeen in rechtsoverweging 22 is overwogen geldt niet voor de patiënteninformatie (niet zijnde patiëntengegevens) met betrekking tot de THI's die door belanghebbenden aan de patiënten ter voorlichting over de te volgen behandeling wordt verstrekt zoals onder meer is opgenomen in de documenten AMC 11 en UMCU-11. Ten aanzien van deze documenten heeft verweerder ten onrechte het standpunt ingenomen dat deze in zijn geheel bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten en de verstrekking achterwege dient te blijven. Gelet hierop dienen deze documenten voor zover ze patiënteninformatie bevatten, als in de hiervoor beschreven zin, alsnog aan verzoekster te worden verstrekt.

26. Ten aanzien van het document AZM 08, voor zover het de notitie betreft met als titel "Omstandigheden (kleine) chirurgische en invasieve ingrepen", heeft verweerder eveneens ten onrechte artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob van toepassing geacht. Op dit document staat immers vermeld dat het onder vermelding van de auteur vrijelijk mag worden vermenigvuldigd en verspreid en dat de meest recente versie van dit document is te raadplegen op de website van de Stichting Werkgroep Infectie Preventie (www.wip.nl.). Daarmee kan dit document naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als vertrouwelijk overgelegd worden aangemerkt en dient het derhalve te worden verstrekt.

<u>Ten aanzien van de documenten waarvan de verstrekking op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob is geweigerd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.</u>

27. Enkele documenten bevatten volgens verweerder tot natuurlijke personen herleidbare bijzondere persoonsgegevens, zoals gegevens over complicaties, incidenten en mortaliteit, zodat de openbaarmaking daarvan geweigerd dient te worden op gerond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob.

Ten aanzien van de in verschillende documenten - zoals databases - voorkomende niet bijzondere persoonsgegevens is verweerder van oordeel dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het algemeen belang van openbaarmaking, zodat deze gegevens geweigerd moeten worden op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Hetzelfde geldt voor de persoonsgegevens van de medewerkers van de betrokken instellingen, zoals artsen en medisch specialisten, evenals van andere zorgverleners en van ambtenaren. Verweerder is van mening dat de namen, telefoonnummers en e-mailadressen van deze medewerkers zodanig van persoonlijke aard zijn dat openbaarmaking hiervan een inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Ook ten aanzien van de curricula vitae, de certificaten en de dienstroosters is verweerder van mening dat het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer dient te prevaleren.

28. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat voorstelbaar - in ieder geval niet uitgesloten - is dat de door verweerder niet verstrekte documenten persoonsgegeven bevatten als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens. Die gegevens kunnen echter worden weggelakt, waarna de documenten alsnog openbaar gemaakt kunnen worden.

29. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de in de bijlagen genoemde documenten, waaronder de gegevens over complicaties, mortaliteit en incidenten, terecht heeft geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob. Deze documenten maken alle onderdeel uit van documenten waarop openbaarmaking tevens op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob terecht achterwege is gebleven. Deze grond staat aan openbaarmaking van de stukken in de weg, ook als de persoonsgegevens zouden worden weggelakt zoals verzoekster heeft betoogd.

30. Ten aanzien van de documenten waarvan verweerder op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, openbaarmaking heeft geweigerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het algemeen belang van openbaarmaking. Beoordeling van de documenten die zien op de vergunningaanvragen blijft achterwege vanwege het niet integraal beschikbaar zijn van deze stukken.

Gezien de certificaten, curricula vitae en dienstenroosters bevatten deze documenten, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, dermate veel persoonsgegevens en zijn deze gegevens zo verweven met de overige in de documenten voorkomende gegevens dat het niet mogelijk is om deze documenten te ontdoen van persoonsgegevens in niet tot personen herleidbare vorm. Verweerder heeft ten aanzien van deze documenten derhalve terecht het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder laten wegen dan het algemene belang van openbaarmaking van de gevraagde gegevens.

<u>Ten aanzien van de documenten waarvan de verstrekking op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob is geweigerd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.</u>

31. In geschil is nog, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 17, het op deze grond niet verstrekken van de documenten VWS-02, VWS-06, VWS-07 en de documenten genoemd in bijlage 4 van het bestreden besluit.

32. Verzoekster heeft ten aanzien van de documenten VWS-02, VWS-06, VWS-07 betwist dat deze stukken zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Het betreft immers correspondentie tussen verweerder en een externe beroepsorganisatie. De e-mailberichten en nota’s als omschreven in bijlage 4 heeft verweerder, volgens verzoekster, terecht aangemerkt als intern beraad. Betwist wordt echter dat het separaat verstrekken van de feitelijke gegevens ervan vanwege de verwevenheid, niet mogelijk is.

33. Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, is de toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Wob niet zo ruim dat ieder verzoek om verstrekking van een document dat een persoonlijke mening bevat, geweigerd dient te worden. Het moet ook gaan om documenten die ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Dit sluit niet uit dat documenten betreffende extern overleg met een adviesorgaan onder de uitzondering van artikel 11, eerste lid, van de Wob kunnen worden gerekend. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, pag. 13) gaat de Wob ervan uit dat externe personen of organen, die bij het interne beraad binnen de overheid worden betrokken, aan dat beraad kunnen deelnemen zonder dat dit afbreuk doet aan het interne karakter van het beraad. De Memorie van Toelichting vermeldt dat van intern beraad sprake kan zijn wanneer externe personen of organen bij het verzamelen van gegevens, het ontwikkelen van beleidsalternatieven en/of afronding van het beraad binnen het overheidsorgaan worden betrokken. Het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee het is opgesteld.

Blijkens de omschrijving in bijlage 3 van het bestreden besluit, zijn de documenten VWS-02 en VWSS-06 afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie en gericht aan verweerder en is document VWS-07 afkomstig van het Universitair Medisch Centrum Groningen en gericht aan verweerder. Weliswaar is de voorzieningenrechter, bij gebreke van toezending van deze stukken aan de rechtbank, niet in staat deze stukken inhoudelijk te beoordelen. Echter, verweerder heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat deze stukken zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie en het Universitair Medisch Centrum Groningen dienen te worden beschouwd als externe adviesorganen in de hiervoor beschreven zin. Het bestreden besluit is op dit onderdeel dan ook in strijd met het motiveringsbeginsel genomen.

34. Na kennisneming van de documenten zoals die zijn genoemd in bijlage 4 van het bestreden besluit, voor zover ze door verweerder zijn overgelegd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor zover in de e-mailberichten feiten zijn opgenomen, deze dermate nauw verweven zijn met de persoonlijke beleidsopvattingen dat separate verstrekking van deze feiten niet mogelijk is.

35. Gelet op hetgeen is geoordeeld in de rechtsoverwegingen 24, 25, 26 en 33 zal het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

36. Echter, niet is uitgesloten dat verweerder de in rechtsoverweging 24 en 33 geconstateerde gebreken, bij het te nemen besluit op bezwaar genoegzaam herstelt. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld, dat er ernstige twijfel bestaat ten aanzien van de rechtmatigheid van verweerders standpunt om de in deze rechtsoverwegingen besproken documenten, niet te openbaren. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening treffen inhoudende onmiddellijke openbaarmaking van deze documenten, dit mede vanwege het onomkeerbare karakter van een dergelijke maatregel. Het verzoek tot openbaarmaking wordt dan ook in zoverre afgewezen.

37. Onder verwijzing naar hetgeen is geoordeeld in de rechtsoverwegingen 25 en 26, zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, ten aanzien van de in die overwegingen genoemde documenten, wél worden toegewezen.

38. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00

• wegingsfactor 1.

39. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 298,00 dient te vergoeden.

40. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder de documenten met de nummers AMC-11 en UMCU-11, voor zover deze algemene patiënteninformatie betreffen, alsmede het document met nummer AZM-08, zover het de notitie betreft die als titel draagt "Omstandigheden (kleine) chirurgische en invasieve ingrepen", binnen één dag na de openbaarmaking van deze uitspraak aan verzoekster dient te verstrekken;

- schorst het primaire besluit van 30 september 2010 in zoverre;

- wijst het verzoek voor het overige af;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 298,00;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten vastgesteld op

€ 874,00.

Aldus gedaan door mr. M.L.P. van Cruchten als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. H.J. van der Meiden als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2010.

<HR>

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschriften verzonden: