Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BO4468

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
01/845206-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van overtreding van artikel 293, juncto 45 Sr.

Geen sprake van een uitdrukkelijk en ernstig verlangen als bedoeld in de wet. De doodswens van de echtgenote van verdachte lijkt vooral te zijn ontstaan door de mededeling van verdachte dat hij uit het leven wilde stappen.

Ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging tot moord. Sprake van vrijwillige terugtred.

Het openbaar ministerie is in redelijkheid tot vervolging van verdachte gekomen.

Verdachte heeft op verzoek van zijn echtgenote haar polsen doorgesneden. Daarna heeft hij zijn eigen polsen doorgesneden.

Op enig moment heeft verdachte het alarmnummer 112 gebeld met de bedoeling te voorkomen dat zijn vrouw zou overlijden. De echtgenote is niet overleden. Het handelen van verdachte heeft in zeer grote mate bijgedragen aan het niet intreden van het oorspronkelijke gewilde gevolg. Het exacte tijdstip van het doorsnijden van de polsen laat zich op basis van de informatie in het dossier niet vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845206-10

Datum uitspraak: 22 november 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 november 2010.

Op 13 augustus 2010 heeft een onderzoek ter terechtzitting in een andere samenstelling van de rechtbank plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 juli 2010.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 november 2010 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat (een kopie van de vordering tot wijziging is aangehecht):.

hij op of omstreeks 6 mei 2010 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk het leven van [slachtoffer], op diens uitdrukkelijk en ernstig verlangen, te beëindigen, met dat

opzet (met een (stanley)mes) de polsen van die [slachtoffer] heeft

doorgesneden/opengesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

(Artikel 293 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 mei 2010 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met

voorbedachten rade [slachtoffer] (zijn echtgenote) van het leven te beroven, met

dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, de pols(en) van

die [slachtoffer] (met een Stanleymes) heeft doorgesneden/opengesneden, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikelen 45, 289 en 287 Wetboek van Strafrecht)

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte is van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

Het algemeen belang is niet gediend bij een strafrechtelijke vervolging van verdachte. Een (vrijwillig) begeleidings- c.q. hulptraject had eerder voor de hand gelegen. Het keihard confronteren van iemand die in psychische nood een fout maakt, met de hardheid en de ruwheid van het strafrechtelijk circuit is onwenselijk en inhumaan.

De belangenafweging had in casu in het voordeel van de individuele belangen van verdachte en die van zijn vrouw uit dienen te vallen. Het openbaar ministerie had na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot de vervolgingsbeslissing kunnen en mogen komen.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het openbaar ministerie realiseert zich dat de situatie waarin verdachte en zijn vrouw zich bevonden in en in triest was en heeft zich ook afgevraagd of dit een zaak voor de strafrechter is. Het openbaar ministerie is tot de conclusie gekomen dat een vervolging van verdachte opportuun is. Het gaat hier om een zaak waarbij verdachte wordt verdacht van poging tot opzettelijke levensberoving. Het openbaar ministerie heeft de maatschappelijke verantwoordelijkheid zaken, waarbij het gaat om opzettelijk inbreuk maken op zeer waardevolle rechtsgoederen als het menselijk leven, aan de rechter voor te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

De bevoegdheid van het openbaar ministerie om in deze zaak al dan niet tot vervolging van verdachte over te gaan wordt beperkt door de werking van de beginselen van een goede procesorde. Niet is gebleken dat er sprake is van schending van deze beginselen.

Op basis van artikel 167, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan van vervolging worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Daarbij dient er een belangenafweging plaats te vinden tussen enerzijds het algemeen belang dat met een vervolging kan zijn gediend en anderzijds het individuele belang van de verdachte om uit het strafrechtelijk circuit te blijven.

De belangenafweging omtrent al dan niet vervolgen is expliciet aan het openbaar ministerie toebedeeld. De rechtbank kan deze beslissing marginaal toetsen, waarbij beoordeeld moet worden of het openbaar ministerie, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.

Verdachte wordt ervan verdacht een opzettelijke inbreuk te hebben gemaakt op het rechtsgoed menselijk leven. De rechtbank acht het standpunt van de officier van justitie, dat zij het in deze zaak van maatschappelijk belang vindt deze zaak voor te leggen aan de rechter, niet onbegrijpelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie in deze zaak in redelijkheid tot vervolging van verdachte is gekomen.

De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman van verdachte.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten

Op 6 mei 2010 heeft verdachte zijn vrouw [slachtoffer] gebeld en aan haar verteld dat hij zelfmoord wilde plegen. Zij smeekte hem daarop om naar huis te komen en om er dan samen een einde aan te maken. Verdachte is naar zijn huis in [gemeente] gegaan en is daar om ongeveer 4 uur in de middag aan gekomen. Bij thuiskomst had zijn vrouw bloedverdunners, kalmeringsmiddelen en ontstekingsremmers klaargezet. Op enig moment hebben verdachte en zijn vrouw ieder voor zich de helft van deze medicijnen ingenomen en zijn zij naar de logeerkamer gegaan. Verdachte had een stanleymes. Op verzoek van zijn vrouw, die het zelf niet durfde, heeft verdachte terwijl zij beiden op bed lagen de polsen van zijn vrouw doorgesneden. Het bloed spoot er uit. Onmiddellijk daarna heeft verdachte zijn eigen polsen doorgesneden.1 Op enig moment heeft verdachte het met bloed doordrenkte bed verlaten en is hij naar de WC gegaan. Daar was het alsof hij een stem hoorde die tegen hem zei dat hij iets moest ondernemen om te zorgen dat ze gered zouden worden. Verdachte is daarop naar de slaapkamer gekropen en heeft het alarmnummer 112 gebeld.2 Het was toen ongeveer 23.52 uur.3 (Het exacte tijdstip valt uit het dossier niet af te leiden.) Politie en ambulance waren om 23.56 uur ter plaatse. Verdachte en zijn vrouw zijn naar het ziekenhuis gebracht. In de medische verklaring staat dat mevrouw [slachtoffer] een snijverwonding had aan de binnenzijde van beide polsen met uitgebreid vaat, zenuw- en buigpeesletsel. De rechterpols was vitaal bedreigd vanwege een doorsnijding van beide slagaders. Tevens was er sprake van een hoge dosering bloedverdunners en slaapmedicatie.4 Mevrouw [slachtoffer] heeft het overleefd.

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie is van oordeel dat er een vrijspraak dient te volgen voor het primaire feit omdat er geen sprake is van een (poging tot) levensbeëindiging op het uitdrukkelijk en ernstig verlangen van mevrouw [slachtoffer], zoals bedoeld in de wet. Zij verwijst daarbij naar de wetsgeschiedenis en rechtspraak. Zij vindt dat er voor het subsidiaire feit een veroordeling dient te volgen nu alle delictsbestanddelen zijn vervuld en er met name gelet op het tijdsverloop geen sprake kan zijn van een vrijwillige terugtred. Uitdrukkelijk rekening houdend met alle persoonlijke omstandigheden waaronder het gegeven dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is, vordert zij dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd gelijk aan het voorarrest van 160 dagen en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden met de verplichting de aanwijzingen van de reclassering te volgen ook indien dit inhoudt dat verdachte een poliklinische behandeling dient te volgen.

De verdediging is van oordeel dat het primaire feit niet van toepassing is en ten aanzien van het subsidiaire feit van oordeel dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging omdat er sprake is van vrijwillige terugtred. Daarbij betrekt de raadsman de stelling dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat er sprake is geweest van een slagaderlijke bloeding omdat de vrouw van verdachte dan vermoedelijk gelet op het tijdsverloop niet meer in leven zou zijn geweest.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het primaire feit

Art. 293, eerste lid, Sr. is slechts van toepassing indien de (poging tot) levensbeëindiging plaatsvindt op "uitdrukkelijk en ernstig verlangen" van de persoon die dood wil. Op 6 mei 2010 lijkt de doodswens van mevrouw [slachtoffer], die een keer eerder zelfmoord heeft proberen te plegen, vooral te ontstaan door de mededeling van verdachte dat hij uit het leven wil stappen. Mevrouw [slachtoffer] wil niet verder zonder haar man en vraagt dan om er samen een eind aan te maken waartoe zij na thuiskomst van verdachte daadwerkelijk gezamenlijk besluiten.5 In deze omstandigheden kan niet worden gesproken over een uitdrukkelijk en ernstig verlangen tot levensbeëindiging als bedoeld in de wet, waartoe naar het oordeel van de rechtbank ten minste een over een lange(re) periode herhaald verzoek noodzakelijk is. Derhalve zal verdachte worden vrijgesproken van het primaire feit.

Ten aanzien van het subsidiaire feit

Op grond van de hiervoor genoemde vaststaande feiten waaronder het gemaakte plan om er samen uit te stappen, het tevoren innemen van de medicijnen en het nadien naar boven gaan en het pakken van het stanleymes is de rechtbank van oordeel dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg de polsen van zijn vrouw heeft doorgesneden.

Gelet op de medische verklaring in het dossier verwerpt de rechtbank de stelling van de verdediging dat in werkelijkheid de slagaders niet waren doorgesneden en dat het letsel derhalve minder ernstig zou zijn geweest. De rechtbank verwerpt eveneens het verweer van de verdediging dat verdachte in een dusdanige psychische toestand verkeerde dat hij op het moment van het doorsnijden van de polsen niet opzettelijk kon handelen. Reeds uit de verklaringen van de verdachte zelf waarin hij zijn handelwijze beschrijft, afgelegd ten overstaan van de politie, de rechter-commissaris en ter zitting volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Niet aannemelijk is geworden - ook niet op basis van het rapport van de psycholoog Van Toorn -, dat bij verdachte sprake was van een dusdanige geestelijke afwijking dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 06 mei 2010 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] (zijn echtgenote) van het leven te beroven, met

dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de polsen van

die [slachtoffer] met een stanleymes heeft doorgesneden/opengesneden, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid van het feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

De verdediging heeft een beroep gedaan op vrijwillige terugtred. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijk verweer kan slagen, is het tijdsverloop tussen de daad en het moment van terugtreden een belangrijke factor. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet met zekerheid worden gesteld op welk tijdstip verdachte de polsen van zijn vrouw heeft doorgesneden. Enerzijds zijn er de verklaring van verdachte en zijn vrouw. Verdachte verklaart ter zitting dat hij zijn mobiele telefoon heeft weggelegd6 en dat hij en zijn vrouw daarna rond 17.00 - 17.10 uur naar de logeerkamer zijn gegaan en dat hij daar gelijk de polsen heeft doorgesneden.7 De verklaring van zijn vrouw sluit daar op aan. Zij stelt dat zij en verdachte na het innemen van de medicijnen rond 17.00 -17.15 uur naar boven zijn gegaan8 en tevens dat zij ergens tussen 17.00 en 18.00 uur op bed lagen.9 Anderzijds bevinden zich echter ook aanwijzingen in het dossier dat de polsen op een later tijdstip zijn doorgesneden. Getuige [getuige 1] verklaart dat zij rond de klok van 18.30 - 18.45 uur verdachte nog aan de telefoon heeft gehad en getuige [getuige 2] stelt dat zij verdachte om ongeveer 19.15 uur voorbij haar straat heeft zien rijden. In het gesprek dat verdachte omstreeks 23.52 voert met het alarmnummer 112 beantwoordt hij de vraag hoe laat de medicijnen zijn ingenomen. Hij zegt: "rond 6 zo ergens", maar tevens "anderhalf uur geleden of zo". Gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], het geconstateerde letsel bij mevrouw [slachtoffer], te weten een doorsnijding van de beide slagaders in de pols, in combinatie met het gegeven dat zij bloedverdunners heeft geslikt en de constatering dat zij om 23.56 uur nog in leven was, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte al tussen 17.00 en 18.00 uur de polsen van zijn vrouw heeft doorgesneden. Het exacte tijdstip van handelen laat zich echter op basis van de informatie die zich in het dossier bevindt niet vaststellen.

Verdachte heeft omstreeks 23.52 uur het alarmnummer 112 gebeld met de bedoeling te voorkomen dat zijn vrouw zou overlijden. Aldus heeft hij een gedraging verricht tegengesteld aan zijn aanvankelijke handelen dat was gericht op het doden van zijn vrouw. Als verdachte niet had gebeld was zijn vrouw naar het oordeel van de rechtbank gelet op de doorgesneden slagaders in haar pols met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid overleden. Het handelen van verdachte heeft dan ook in zeer grote mate bijgedragen aan het niet intreden van het oorspronkelijk gewilde gevolg namelijk de dood van zijn vrouw. Nu niet met zekerheid valt vast te stellen op welk tijdstip verdachte de polsen van zijn vrouw heeft doorgesneden en gelet op alle andere omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een vrijwillige teugtred als bedoeld in art. 46b Sr zodat de verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Het beslag

De eis van de officier van justitie met betrekking tot het beslag.

Verbeurdverklaring van de goederen genoemd onder 13,14, 21, 23 tot en met 32 en 34 tot en met 39 op de lijst van in beslag genomen goederen.

Teruggave aan verdachte van de goederen genoemd onder 20, 33, 40 en 41 op de lijst van in beslag genomen goederen.

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het beslag.

De officier van justitie heeft van een aantal goederen de verbeurdverklaring gevorderd.

Verbeurdverklaring kan alleen bij veroordeling wegens enig strafbaar feit worden uitgesproken. Bij ontslag van rechtsvervolging kan geen verbeurdverklaring worden opgelegd.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende. Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van strafvordering zich niet meer tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 45, 46b, 289.

DE UITSPRAAK

T.a.v. primair:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en

overtuigend bewezen.

Verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair

poging tot moord

Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar.

T.a.v. subsidiair:

Ontslag van alle rechtsvervolging.

Beveelt de teruggave van de in beslag genomen goederen, vermeld op de aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen goederen, aan de rechthebbende(n).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W. H. Renneberg, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 22 november 2010.

1 Proces-verbaal nummer, p. 55-56, verklaring [slachtoffer] en verklaring verdachte 10 mei 2010 bij de rechter-commissaris.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 8 november 2010.

3 P.v. p. 30, proces-verbaal van bevindingen.

4 P. v., p. 193, medische verklaring.

5 Verklaring verdachte bij de rechter-commissaris.

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 8 november 2010.

7 P.v. p. 110 verklaring verdachte.

8 P.v. p. 56, verklaring [slachtoffer].

9 P.v. p. 64, proces-verbaal van bevindingen.