Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BO3319

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
01/845296-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ3141, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van zedendelicten met minderjarigen (artikel 245 en 247 Sr) en het voorhanden hebben van GHB.

Opgelegd een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek voorarrest waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering, ook als dit inhoudt behandeling gericht op zedenproblematiek.

De rechtbank legt het geëiste beroepsverbod van 5 jaren niet op, gelet op het opgelegde toezicht van de reclassering, de te volgen behandeling en de omstandigheid dat verdachte bij een sollicatie op een school of een andere functie waarbij kinderen zijn betrokken een verklaring van goed gedrag moet overleggen. Bij de afweging een dergelijke verklaring wel of niet af te geven, wordt gebruik gemaakt van het strafblad en politieinformatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845296-10

Datum uitspraak: 10 november 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

wonende te [woonplaats, adres]

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 oktober 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 september 2010.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 1 juni 2010 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1997), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] hebbende verdachte (telkens)

- zijn pink, althans vinger, in de anus van die [slachtoffer 1] gebracht en/of geduwd en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gebracht en/of

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en/of

- de penis van die [slachtoffer 1] aangeraakt en/of gestreeld en/of vastgepakt en/of (daarbij) op- en neergaande bewegingen met zijn, verdachtes hand gemaakt en/of

- de penis van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, mond gebracht en/of aan die penis gezogen en/of

- de tepels van die [slachtoffer 1] betast/gedraaid en/of

- de buik en/of zaadballen van die [slachtoffer 1] betast;

(artikel 245 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van september 2008 tot en met juni 2010 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] (geboren (geboortedatum) 1996), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

- het betasten en/of draaien van de tepels van die [slachtoffer 2] en/of

- het betasten van de buik van die [slachtoffer 2] en/of

- het aanraken en/of betasten en/of strelen en/of vastpakken van en/of het knijpen in de penis en/of zaadballen van die [slachtoffer 2];

(artikel 247 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van september 2008 tot en met juni 2010 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 1997), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

- het betasten en/of draaien van de tepels van die [slachtoffer 3] en/of

- het aanraken en/of betasten en/of strelen en/of vastpakken van en/of het knijpen in de penis en/of zaadballen van die [slachtoffer 3];

(artikel 247 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 juli 2010 tot en met 15 juli 2010 te Sint Hubert, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 790 milliliter, althans een hoeveelheid, GHB (gamma-hydroxyboterzuur), zijnde GHB (gamma-hydroxyboterzuur) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangegeven krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

(artikel 3/11 Opiumwet)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Feit 1

Op meerdere momenten1 in de periode van 1 juli 2009 tot en met 1 juni 20102 hebben in de woning van verdachte te (woonplaats) 3, gemeente (gemeente), seksuele handelingen plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] is geboren op [geboortedatum] 1997 4 en had aldus de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren bereikt. De seksuele handelingen bestonden in ieder geval uit de volgende handelingen. Verdachte heeft zich laten aftrekken door [slachtoffer 1] verdachte heeft de penis van [slachtoffer 1] aangeraakt en vastgepakt en (daarbij) op- en neergaande bewegingen met zijn, verdachtes, hand gemaakt, verdachte heeft de penis van [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, mond gebracht en aan die penis gezogen, verdachte heeft de tepels van [slachtoffer 1] betast/gedraaid en verdachte heeft de buik en zaadballen van [slachtoffer 1] betast5.

Feit 2

Op meerdere momenten6 in de periode van september 2008 tot en met juni 20107 hebben in de woning van verdachte te (woonplaats)8, gemeente (gemeente), seksuele handelingen plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] is geboren op (geboortedatum) 1996 9 en had aldus de leeftijd van zestien jaren nog niet bereikt. De seksuele handelingen bestonden uit de volgende handelingen. Verdachte heeft de tepels van [slachtoffer 2] betast en gedraaid en verdachte heeft de penis van [slachtoffer 2] aangeraakt en betast en vastgepakt en daarin geknepen10.

Feit 3

Op meerdere momenten11 in de periode van september 2008 tot en met juni 201012 hebben in de woning van verdachte te [woonplaats]13, gemeente [gemeente], seksuele handelingen plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 3]. [slachtoffer 3] is geboren op [geboortedatum] 199714 en had aldus de leeftijd van zestien jaren nog niet bereikt. De seksuele handelingen bestonden uit de volgende handelingen. Verdachte heeft de tepels van [slachtoffer 3] betast en gedraaid en verdachte heeft de penis en/of zaadballen van [slachtoffer 3] aangeraakt en betast en vastgepakt en daarin geknepen15.

Feit 4

Verdachte heeft in de periode van 5 juli 201016 tot en met 15 juli 201017 te Venlo18 een fles met daarin ongeveer 790 milliliter19 GHB20 (gamma-hydroxyboterzuur)21 voorhanden gehad.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle vier feiten wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de seksuele handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1]. De officier van justitie acht komen vast te staan dat verdachte zijn pink in de anus van [slachtoffer 1] heeft gebracht gelet op de gedetailleerde verklaringen die verdachte daarover heeft afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris. De officier van justitie heeft aangevoerd dat geen sprake is van schending van Salduz nu de politie is begonnen met het sociale verhoor en het inhoudelijke verhoor vervolgens heeft plaatsgevonden nadat verdachte met zijn raadsvrouwe heeft gesproken.

Ten aanzien van feit 2 en 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat wel sprake is van ontuchtige handelingen. Het nippletwisten is gelet op het dossier een spelletje, maar zodra een volwassene zich daarmee gaat bemoeien krijgt dit een ontuchtig karakter. Het aanraken, betasten, strelen en/of vastpakken van en/of het knijpen in de penis en/of zaadballen is in ieder geval ontuchtig.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft verzocht verdachte vrij te spreken van feit 1, 2 en 3.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij zijn pink in de anus van [slachtoffer 1] heeft gebracht. Weliswaar heeft verdachte dit bij de politie en de rechter-commissaris wel bekend, maar nu [slachtoffer 1] hierover geen verklaring heeft afgelegd en de verklaring van verdachte geen steun vindt in andere bewijsmiddelen is dit onvoldoende. Bovendien stelt de raadsvrouwe dat Salduz is geschonden. De politie zou verdachte inhoudelijke vragen hebben gesteld voordat hij met de raadsvrouwe had gesproken, zodat die verklaring en de verklaringen van verdachte die daarna zijn afgelegd van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Ten aanzien van feit 2 en 3 heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat geen sprake is van ontuchtige handelingen. De raadsvrouwe stelt dat de handelingen moeten worden uitgelegd als een spelletje en niet in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, zodat het ontuchtig karakter ontbreekt.

De raadsvrouwe heeft met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 4 geen verweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de seksuele handelingen mede bestonden uit het binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1]. De rechtbank acht komen vast te staan dat verdachte zijn pink in de anus van [slachtoffer 1] heeft gebracht. De rechtbank baseert haar oordeel op de verklaring van [slachtoffer 1] dat verdachte met zijn, verdachtes, vinger over de anus van [slachtoffer 1] heeft gestreeld22 in onderlinge samenhang bezien met de spontane en gedetailleerde bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie23 en later bevestigd bij de rechter-commissaris. De rechtbank acht deze verklaringen van verdachte geloofwaardig. De rechtbank is wel van oordeel dat Salduz is geschonden, aangezien de politie reeds met het inhoudelijke verhoor was begonnen in afwezigheid van de raadsvrouwe24, maar de rechtbank zal daaraan geen consequenties verbinden nu verdachte zijn bekennende verklaring bij de rechter-commissaris heeft herhaald.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn penis in de mond van [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gebracht. Weliswaar heeft verdachte ook hierover een bekennende verklaring afgelegd bij de politie25, maar nu deze seksuele handeling ook enige medewerking vereist van de zijde van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] ten stelligste ontkent dat dit is gebeurd aangezien hij dit vies vond26, acht de rechtbank niet komen vast te staan dat hiervan sprake is geweest.

Gelet op de vaststaande feiten en hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte het tenlastegelegde onder 1 heeft begaan zoals hierna bewezen is verklaard.

Feit 2 en 3

De rechtbank dient vast te stellen of sprake is van ontuchtige handelingen. Handelingen hebben een ontuchtig karakter als het gaat om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De rechtbank is van oordeel dat het aanraken en betasten en vastpakken van en het knijpen in de penis en/of zaadballen van beide jongens handelingen zijn van seksuele aard. Gelet op het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en de jongens zijn deze handelingen in strijd met de sociaal-ethische norm. De rechtbank heeft daarbij mede gelet op de aard en de frequentie van die handelingen alsmede op de intentie van verdachte. De rechtbank concludeert dat de handelingen een ontuchtig karakter hebben. Ook het zogenaamde nippletwisten, het betasten en draaien van de tepels, acht de rechtbank ontuchtig. Weliswaar werd dit nippletwisten gezien als een spelletje tussen leeftijdsgenoten, maar verdachte is een volwassene. Gelet op het leeftijdsverschil, de intentie van verdachte en gelet op het gelijktijdig verrichten van andere seksuele handelingen, is de rechtbank van oordeel dat ook dit ontuchtige handelingen betroffen.

Gelet op de vaststaande feiten en hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte het tenlastegelegde onder 2 en 3 heeft begaan zoals hierna is bewezenverklaard.

Feit 4

Gelet op de vaststaande feiten is de rechtbank van oordeel dat verdachte het tenlastegelegde onder 4 heeft begaan zoals hierna is bewezenverklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de periode van 1 juli 2009 tot en met 1 juni 2010 te [plaats], gemeente [gemeente], met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1997), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] hebbende verdachte

- zijn pink in de anus van die [slachtoffer 1] gebracht en

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en

- de penis van die [slachtoffer 1] aangeraakt en vastgepakt en (daarbij) op- en neergaande bewegingen met zijn, verdachtes, hand gemaakt en

- de penis van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, mond gebracht en aan die penis gezogen en

- de tepels van die [slachtoffer 1] betast/gedraaid en

- de buik en zaadballen van die [slachtoffer 1] betast;

2.

in de periode van september 2008 tot en met juni 2010 te [plaats]], gemeente [gemeente], met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1996), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten en draaien van de tepels van die [slachtoffer 2] en

- het aanraken en betasten en vastpakken van en het knijpen in de penis van die [slachtoffer 2];

3.

in de periode van september 2008 tot en met juni 2010 te [plaats], gemeente [gemeente], met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 1997), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten en draaien van de tepels van die [slachtoffer 3] en

- het aanraken en betasten en vastpakken van en het knijpen in de penis en/of zaadballen van die [slachtoffer 3];

4.

in de periode van 5 juli 2010 tot en met 15 juli 2010 in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 790 milliliter GHB (gamma-hydroxyboterzuur), zijnde GHB (gamma-hydroxyboterzuur) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De straf en/of maatregel.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling, gericht op zedenproblematiek, in De Waag, Kairos of een soortgelijke instelling. Ten aanzien van de algemene voorwaarde heeft de officier van justitie een proeftijd van 5 jaren gevorderd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een beroepsverbod voor de duur van 5 jaren ten aanzien van het werken op een school.

De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar eis in het nadeel van verdachte rekening gehouden met de ernst van met name de feiten 1, 2 en 3, dat dergelijke feiten doorgaans een diepe impact hebben op het leven van de slachtoffers en dat verdachte misbruik heeft gemaakt van hun vertrouwen. In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat blijkens de psychologische en psychiatrische rapportage sprake is van een enigszins respectievelijk een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. De officier van justitie heeft verder rekening gehouden met het strafadvies zoals is weergegeven in het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verzoeken van de raadsvrouwe tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte dienen te worden afgewezen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie acht toewijsbaar de post "voorschot immateriële schade" tot een bedrag van € 2.500,00, de post "reiskosten" tot een bedrag van € 50,00 en de post "telefoon- en portikosten" tot een bedrag van € 25,00. De officier van justitie acht het causaal verband tussen de post "voorschot studievertraging" en het strafbare feit onvoldoende komen vast te staan. Hetzelfde geldt voor de post "kosten huiswerkbegeleiding". Ten aanzien van de post "gemiste werkdagen ouders" is geen sprake van rechtstreekse schade. De officier van justitie heeft gevorderd de post "kosten voor rechtsbijstand" toe te wijzen conform het liquidatietarief kantonzaken. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De straf en/of maatregel.

De raadsvrouwe heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De raadsvrouwe heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte first offender is, dat er sprake is van een verminderde toerekeningsvatbaarheid, dat verdachte bereid is een behandeling te ondergaan, dat verdachte spijt heeft van zijn gedragingen en dat hij excuusbrieven heeft geschreven aan de slachtoffers en ten slotte dat verdachte zijn baan is verloren.

De raadsvrouwe heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen subsidiair te schorsen opdat verdachte kan starten met het volgen van een ambulante behandeling.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De raadsvrouwe heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de door haar verzochte vrijspraak ten aanzien van feit 1 en subsidiair aangezien deze niet van eenvoudige aard is. Meer subsidiair acht de raadsvrouwe het bedrag van € 2.500,00 ten aanzien van de post "voorschot immateriële schade" niet redelijk. De raadsvrouwe heeft verder aangevoerd dat ten aanzien van de posten "voorschot studievertraging en kosten huiswerkbegeleiding" geen sprake is van rechtstreekse schade en ten slotte dat de proceskosten dienen te worden vastgesteld conform het liquidatietarief kantonzaken.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Specifiek

Verdachte heeft gedurende een langere periode ontuchtige handelingen gepleegd met drie jongens die de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt. De ontuchtige handelingen die verdachte pleegde met [slachtoffer 1] bestonden mede uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte heeft daarmee gehandeld in strijd met de artikelen 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht dat jeugdigen beschermt tegen het ondergaan van (ernstige) seksuele handelingen.

Verdachte heeft GHB, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, voorhanden gehad. Verdachte heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 3 onder C juncto 11 lid 2 van de Opiumwet.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aangetast. Verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem stelden, mede gelet op zijn hoedanigheid als conciërge van hun vroegere basisschool. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedendelicten nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden.

Strafmatigende omstandigheden

Uit de psychologische rapportage opgemaakt door drs. Labrijn d.d. 15 oktober 2010 en de psychiatrische rapportage opgemaakt door dr. C.G. Huisman d.d. 7 oktober 2010 blijkt dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, pedofilie, en een aanpassingstoornis met een stoornis van emoties en gedrag. Verder blijkt uit de rapportages dat de gepleegde strafbare feiten in enigszins respectievelijk licht verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat verdachte bereid is een behandeling te volgen in een op zedenproblematiek gerichte instelling.

De straf en/of maatregel.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur van 24 maanden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf, te weten 12 maanden, zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de proeftijd van 3 jaren aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de bijzondere voorwaarde naleeft van reclasseringstoezicht, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling, gericht op zedenproblematiek, in De Waag, Kairos of een soortgelijke instelling, zoals is geadviseerd in het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 25 oktober 2010. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank zal geen beroepsverbod (van 5 jaren) opleggen. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat verdachte zich na vrijlating gedurende drie jaren onder toezicht dient te stellen van de reclassering en een behandeling zal volgen gericht op zedenproblematiek. Bovendien is, in het geval verdachte wederom solliciteert op een school of een andere functie wenst uit te oefenen waarbij kinderen zijn betrokken, een verklaring van goed gedrag, af te geven door de burgemeester van de gemeente waar verdachte woonachtig is, vereist. De burgemeester zal bij zijn of haar afweging om wel of geen verklaring van goed gedrag te verstrekken gebruik maken van het strafblad van verdachte en politie-informatie.

De rechtbank zal aldus een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank zal gelet op vorenstaande de verzoeken van de raadsvrouwe tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte afwijzen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,00, de post "reiskosten" tot een bedrag van € 50,00 en de post "telefoon- en portikosten" tot een bedrag van € 25,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 820,00 voor kosten van rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken. Dit bedrag omvat kosten voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier alsmede kosten voor de behandeling ter terechtzitting. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de post "gemiste werkdagen ouders", aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de posten "voorschot studievertraging" en "kosten huiswerkbegeleiding" alsmede in de immateriële schade voor zover dit het bedrag van € 2.500,00 te boven gaat, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 245, 247

Opiumwet art. 3, 11.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde onder 1, 2, 3 en 4 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

T.a.v. feit 2:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 3:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3

jaren en de bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling, gericht op zedenproblematiek, in De Waag, Kairos of een soortgelijke instelling.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Wijst af de verzoeken tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van € 2.575,00 subsidiair 35 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.575,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderdvijfenzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en € 75,00 materiële schadevergoeding (posten reis-, telefoon- en portikosten tot € 75,00). De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 2.575,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderdvijfenzeventig euro), te weten een bedrag van € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en € 75,00 materiële schadevergoeding (posten reis-, telefoon- en portikosten tot € 75,00). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 820,00 voor kosten van rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. J.W.H. Renneberg en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 10 november 2010.

mr. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring [slachtoffer 1], pagina 132, 133 en 135 van dossier regiopolitie Brabant-Noord, divisie Informatie en Opsporing, DIO Tactische en Thematische Opsporing, DIO Team Zedencriminaliteit, registratienummer PL21T4 2010077133-1 (hierna: dossier) en verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting

2 Verklaring verdachte, dossierpagina 153, 160 en 166

3 Verklaring [slachtoffer 1], dossierpagina 127 en verklaring verdachte dossierpagina 160 en 161

4 Verklaring [slachtoffer 1], dossierpagina 116

5 Verklaring [slachtoffer 1], dossierpagina 127-133 en verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting

6 Verklaring [slachtoffer 2], dossierpagina 191 en 195-196 en verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting

7 Verklaring [slachtoffer 2], dossierpagina 195-196

8 Verklaring verdachte, afgelegd ter terechtzitting

9 Verklaring [slachtoffer 2], dossierpagina 190

10 Verklaring [slachtoffer 2], dossierpagina 191en 195-196 en verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting

11 Verklaring [slachtoffer 3], dossierpagina 86 en 89-90 en verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting

12 Verklaring [slachtoffer 3], dossierpagina 88, verklaring verdachte, dossierpagina 217 en verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting

13 Verklaring [slachtoffer 3], dossierpagina 88

14 Verklaring [slachtoffer 3], dossierpagina 85

15 Verklaring [slachtoffer 3], dossierpagina 86 en 89-90 en verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting

16 Verklaring verdachte, dossierpagina 157

17 Proces-verbaal bevindingen, dossierpagina 224

18 Verklaring verdachte, dossierpagina 158

19 Proces-verbaal bevindingen, dossierpagina 226

20 NFI-rapport, onderwerp Opiumwet, verdachte (verdachte), pagina 2 en verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting

21 NFI-rapport, onderwerp Opiumwet, verdachte (verdachte), pagina 2

22 Verklaring [slachtoffer 1], dossierpagina 134

23 Verklaring verdachte, dossierpagina 164 en 165

24 Verhoor verdachte, dossierpagina 152-154

25 Verklaring verdachte, dossierpagina 164

26 Verklaring [slachtoffer 1], dossierpagina 132-133