Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BO1688

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
01/839533-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek voorarrest en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege voor een gewapende overval op een juwelier, waarbij een van de slachtoffers meerdere malen met een mes is gestoken door verdachte.

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het opmaken van een psychiatrisch rapport. Gelet op de ernst van het feit en de inhoud van het psychologisch rapport en het (beperkte) rapport van de psychiater acht de rechtbank een terbeschikkingstelling met dwangverpleging nodig. Aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de maatregel van tbs is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839533-09

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: [PI].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 oktober 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 april 2010.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 18 november 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een horloge en/of een of meerdere ring(en) en/of

een rol met ketting(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [naam juwelierszaak] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s)

die [slachtoffer 2] bij de nek hebben vastgepakt/vastgehouden en/of

een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht en/of

gericht heeft/hebben gehouden op (het hoofd van) die [slachtoffer 2] en/of

(daarbij/vervolgens) die [slachtoffer 2] heeft/hebben geduwd en/of geslagen en/of

gestompt en/of de woorden toegevoegd dat "hij zou schieten als die [slachtoffer 2]

niet rustig zou blijven", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking en/of

die [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of die [slachtoffer 1] met voornoemd

vuurwapen heeft/hebben geslagen en/of

die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer messen,

althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), (in zijn lichaam)

heeft/hebben gestoken en/of

(daarbij/vervolgens) de keel van die [slachtoffer 1] heeft/hebben dichtgeknepen en/of

dichtgehouden;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 18 november 2009 heeft een gewapende overval plaatsgevonden op juwelierszaak [naam juwelierszaak] te Eindhoven. Hierbij zijn een horloge, ringen en kettingen weggenomen. De diefstal werd gepleegd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen de eigenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]1.

Medeverdachte [medeverdachte 1] is juwelierszaak [naam juwelierszaak] binnengegaan, heeft gevraagd naar een horlogebandje en kettingen2 en heeft een sms-bericht verstuurd naar zijn medeverdachten dat zij naar binnen konden gaan3. Vervolgens zijn verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de juwelierszaak binnengegaan4. Initiatiefnemer5 [medeverdachte 4] (alias [naam alias medeverdachte 4]) en [medeverdachte 5] zijn voor het raam van de juwelierszaak gaan staan6. [medeverdachte 6] wachtte in de auto7.

Verdachte en [medeverdachte 2] hadden ieder een mes bij zich en [medeverdachte 3] een (ongeladen) pistool8.

[slachtoffer 2] is door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] bij de nek vastgepakt/vastgehouden en is geslagen en gestompt9. [medeverdachte 3] heeft het pistool op haar gericht en gericht gehouden en haar de woorden toegevoegd dat zou worden geschoten als zij niet rustig zou blijven, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking10.

Ook is het pistool aan [slachtoffer 1] getoond. De keel van [slachtoffer 1] is dichtgeknepen en dichtgehouden en [slachtoffer 1] is meerdere malen met een mes in zijn lichaam gestoken11. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de juwelier met een mes in de rug heeft gestoken.

Aan de overval is planvorming voorafgegaan12 en na de overval hebben in ieder geval [medeverdachte 4], [medeverdachte 6], [medeverdachte 5], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in de buit gedeeld13.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het tenlastegelegde bewezen. De officier van justitie acht de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, dat hij het feit heeft gepleegd onder dwang van zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] (alias [naam alias medeverdachte 4]), onaannemelijk. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie ervaringsdeskundige is op het gebied van overvallen en zo ook werd gezien door zijn medeverdachten. Zo heeft medeverdachte [medeverdachte 6] verdachte om die reden betrokken bij de overval. Gelet op zijn verklaring heeft verdachte actief meegewerkt aan de planvorming; hij heeft tape geregeld, het vuurwapen bekeken en tie-rips uitgeprobeerd. Vervolgens heeft verdachte overeenkomstig de gemaakte afspraken uitvoering gegeven aan het plan en heeft hij het grootste aandeel gehad in het toegepaste geweld. De officier van justitie concludeert dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders de overval heeft gepleegd en dat geen sprake is geweest van dwang. Ten aanzien van het gebruik van verdovende middelen heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte de uitwerking daarvan op zijn gedrag kende en deze toch heeft gebruikt en aldus daarvoor verantwoordelijk is.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd, maar stelt ter terechtzitting dat hij het feit heeft gepleegd onder dwang van zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] (alias [naam alias medeverdachte 4]) en onder invloed van verdovende middelen.

Het oordeel van de rechtbank.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen. Hij heeft verklaard dat zij hem hebben geslagen, zijn keel dichtgeknepen en hem met een mes hebben gestoken. Een man ging op hem liggen en begon in zijn linkerarm te steken. Hij pakte diens rechterhand met daarin het mes vast. Deze man kneep zijn keel dicht. Vervolgens heeft de andere man hem gestoken14. [slachtoffer 1] heeft steekwonden in de buikstreek, op het boven- en onderbeen, op de rug, elleboog en heup en er zijn wurgtekenen op de hals geconstateerd15. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de juwelier met een mes in de rug heeft gestoken. De verklaring van verdachte komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 3] dat verdachte in gevecht was met de juwelier en dat hij heeft gezien dat verdachte de juwelier heeft gestoken met een mes16. Verdachte heeft verklaard dat hij niet meer weet hoe vaak hij heeft gestoken, maar de rechtbank acht aannemelijk geworden dat dit meerdere keren is geweest gelet op de verwondingen van [slachtoffer 1] in samenhang bezien met de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] dat zij na de overval van verdachte hoorden dat verdachte de juwelier meerdere malen had gestoken17. Gelet op de verklaring van [slachtoffer 1] acht de rechtbank wel aannemelijk geworden dat [slachtoffer 1] door twee personen, waaronder verdachte, is gestoken. De rechtbank heeft overigens niet kunnen vaststellen wie de tweede persoon is geweest. [medeverdachte 2] had een mes bij zich en op grond van het signalement dat [slachtoffer 2] over de tweede persoon heeft gegeven zou kunnen worden afgeleid dat [medeverdachte 2] met [slachtoffer 1] heeft gevochten18. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ontkennen dit echter19. [medeverdachte 3] heeft wel met de man gevochten, maar vast staat dat hij geen mes bij zich had. Ook anderszins is niet gebleken wie de tweede persoon is geweest.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het feit heeft gepleegd onder dwang van zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] (alias [naam alias medeverdachte 4]). [medeverdachte 4] zou verdachte voor de overval in "de studio" (de verblijfplaats van [medeverdachte 4]) en onderweg in de auto naar de juwelierszaak woordelijk hebben bedreigd en [medeverdachte 2] zou een mes achter de rug van verdachte hebben gehouden voor de ingang van de juwelierszaak. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. Verdachte heeft op dit punt wisselende verklaringen afgelegd en het vindt geen enkele steun in andere bewijsmiddelen. Uit de verklaringen van medeverdachten blijkt juist dat verdachte betrokken was bij de planvorming en daarin zelfs een groot aandeel had20. De rechtbank verwerpt het verweer.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij het feit heeft gepleegd onder invloed van verdovende middelen, te weten alcohol en drugs. Verdachte zou een joint hebben gerookt waarin een andere stof aanwezig was dan hij verwachtte. Verdachte is al sinds zijn 12e levensjaar verslaafd aan cannabis en drinkt regelmatig alcohol. Verdachte kent aldus de uitwerking daarvan op zijn gedrag, heeft dit toch gebruikt en is aldus daarvoor zelf verantwoordelijk. Verdachte heeft eerst ter terechtzitting verklaard dat in de joint een andere stof aanwezig zou zijn dan verdachte verwachtte en aangezien dit geen steun vindt in andere bewijsmiddelen acht de rechtbank dit niet aannemelijk geworden. Overigens doet dit niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van verdachte bij het gebruik van verdovende middelen. De rechtbank verwerpt het verweer.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 18 november 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge en ringen en kettingen, toebehorende aan [naam juwelierszaak] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders die [slachtoffer 2] bij de nek hebben vastgepakt/vastgehouden en een vuurwapen gericht en gericht hebben gehouden op het hoofd van die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 2] hebben geduwd en geslagen en gestompt en de woorden toegevoegd dat "hij zou schieten als die [slachtoffer 2] niet rustig zou blijven", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en die [slachtoffer 1] een vuurwapen hebben getoond en die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in zijn lichaam hebben gestoken en de keel van die [slachtoffer 1] hebben dichtgeknepen en dichtgehouden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar eis rekening gehouden met de omstandigheden dat sprake is van een brute overval, gepleegd in georganiseerd verband, waarbij fors geweld is gebruikt en het een wonder is dat het slachtoffer [slachtoffer 1] nog leeft. Verder heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheden dat verdachte pas 1 1/2 jaar op vrije voeten was na een eerdere forse veroordeling ter zake van soortgelijke feiten, dat overvallen leiden tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving en dat de strafmaat een afschrikwekkend effect dient te hebben op andere personen die overwegen een soortgelijk feit te gaan plegen. Ten slotte heeft de officier van justitie rekening gehouden met de door de rechtbank aan de medeverdachten opgelegde straffen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan en dat verdachte een gevaar is voor de samenleving.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen tot een bedrag van € 5.330,00 en ten aanzien van het overige niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [juwelierszaak van slachtoffers] in hun geheel toe te wijzen. Ten aanzien van alle vorderingen heeft de officier van justitie gevorderd deze te vermeerderen met de wettelijke rente, hoofdelijk toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dit komt overeen met het oordeel van de rechtbank in de vonnissen tegen de medeverdachten.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling nu de psychiater in zijn rapportage geen oordeel heeft gegeven omtrent de geestvermogens van verdachte in relatie tot het strafbare feit. De raadsman heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Voor wat betreft de hoogte van de straf heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte het feit heeft begaan onder invloed van de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, dat hij spijt heeft en dat hij een reële angst heeft voor eerwraak gelet op de culturele achtergrond van de slachtoffers. Gelet op vorenstaande en de door de rechtbank aan de medeverdachten opgelegde straffen denkt de raadsman aan een gevangenisstraf tussen 6 en 9 jaar.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman conform de officier van justitie verzocht aan te sluiten bij de vonnissen tegen de medeverdachten.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf en/of maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Specifiek

Verdachte heeft samen met zijn mededaders een brutale overval gepleegd op juwelierszaak [naam juwelierszaak] waarbij een horloge en sieraden zijn weggenomen. Op de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is een vuurwapen gericht en tegen beiden is geweld gebruikt. Verdachte heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht dat het vermogen, in het bijzonder de eigendom en het bezit van roerende zaken, beschermt alsmede de integriteit van het menselijk lichaam.

Strafverzwarende omstandigheden

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte het strafbare feit heeft gepleegd in georganiseerd verband en dat sprake was van een periode van voorbereiding en planvorming.

De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat tegen [slachtoffer 1] fors geweld is gebruikt waarin verdachte het grootste aandeel had. Verdachte heeft [slachtoffer 1] meerdere malen met een mes in zijn lichaam gestoken waardoor [slachtoffer 1] ernstig gewond is geraakt. Hij heeft twee weken op de intensive care gelegen en heeft voor verder herstel enige tijd in het ziekenhuis moeten verblijven. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] en de toelichting bij de vorderingen tot schadevergoeding blijkt dat de overval een zeer traumatische ervaring is geweest voor beide slachtoffers en een grote impact heeft gehad op het leven van de slachtoffers en op hun gezin. [slachtoffer 1] ondervindt nog dagelijks de fysieke gevolgen van het toegebrachte letsel en is nog niet in staat zijn werk in de zaak te hervatten. Ook [slachtoffer 2] heeft uiteengezet dat zij aan de overval nekletsel en psychische problemen heeft overgehouden waarvoor zij respectievelijk nog steeds pijnstillers slikt en onder behandeling is bij een psycholoog.

De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie pas 1 1/2 jaar vrij was na een veroordeling tot 54 maanden gevangenisstraf (4 1/2 jaar) ter zake van soortgelijke feiten.

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden dat verdachte na de overval is gevlucht naar Turkije en zich na terugkomst in Nederland niet heeft gemeld bij de politie terwijl zijn medeverdachten reeds waren aangehouden.

Strafmatigende omstandigheden

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door drs. B.Y. van Toorn van 15 juli 2010 blijkt dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

De straf en/of maatregel

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

Op 15 juli 2010 heeft drs. B.Y. van Toorn, psycholoog, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Dit rapport houdt onder meer in:

Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een eventuele autistische stoornis (uitgestelde diagnose), een zwakbegaafd niveau van intellectueel functioneren en een scheefgroei in de persoonlijkheid in de vorm van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk antisociale en narcistische kenmerken. Daarnaast is er sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van afhankelijkheid van middelen en misbruik van alcohol. Mocht in een latere fase blijken dat er inderdaad sprake is van een autistisch spectrum stoornis kan niet meer gesproken worden van een persoonlijkheidsstoornis maar nog slechts van pathologische persoonlijkheidstrekken. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. Hoewel het niet duidelijk geworden is op welke wijze, is het zeer aannemelijk dat de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in welke vorm dan ook, het gedrag van betrokkene beïnvloed heeft.

Hoewel niet met zekerheid uitspraken zijn te doen over de aard van de pathologie kent betrokkene hoe dan ook beperkingen in zijn functioneren die evident zijn toe te schrijven aan hetzij de gediagnosticeerde persoonlijkheidsstoornis hetzij een stoornis in het autistisch spectrum. In zijn algemeenheid is het bijvoorbeeld aannemelijk dat door de gebrekkige gewetensfuncties er onvoldoende interne remmingen op het gedrag geweest zijn en betrokkene het rationele besef van de wederrechtelijkheid van zijn handelen naast zich neergelegd heeft. Door het gebrek aan empathie heeft hij niet kunnen afstemmen op anderen en heeft hij geen rekening gehouden met het slachtoffer. Door de cognitieve beperkingen heeft betrokkene de consequenties van zijn handelen onvoldoende kunnen overzien. Voor wat betreft het gehanteerde geweld is het wel aannemelijk dat betrokkene daarin zijn wil niet volledig in vrijheid heeft kunnen bepalen, maar ook daar blijft weer de vraag open welke pathologie daarin verklarend is geweest: de narcistische persoonlijkheidskenmerken, de psychotische problematiek of de autisme spectrum stoornis (perseveratie).

Op basis van de weigerachtige houding van betrokkene, de onduidelijk gebleven diagnostiek en de tegenstrijdige verklaringen van betrokkene zelf met betrekking tot het ten laste gelegde kan de kans op recidive niet nauwkeurig ingeschat worden. Onderzoeker heeft een algemene inschatting gemaakt van de kans op recidive van grensoverschrijdend gedrag. Daarbij heeft zij gebruik gemaakt van de HKT30, een gestandaardiseerd risico-taxatie instrument. In de voorgeschiedenis kunnen als risicofactoren benoemd worden: de justitiële voorgeschiedenis, de al reeds jong in het leven ontstane gedragsproblemen en de mislukte eerdere hulpverleningstrajecten. Ook de verslavingsproblematiek is een belangrijke risicofactor. Tevens is de persoonlijkheidsproblematiek of de stoornis in het autistische spectrum een risicofactor voor toekomstig wederrechterlijk handelen. Als klinische verhoogde factoren gelden het gebrek aan probleeminzicht, de randpsychotische symptomen, het middelengebruik, het gebrek aan empathie, het gebrek aan zelfredzaamheid, de slecht ontwikkelde sociale en relationele vaardigheden, de negatieve attitude ten opzichte van behandeling en het onvermogen om verantwoordelijkheid te nemen voor het gedrag. Voor de toekomst gelden als belangrijke risicofactoren het gebrek aan sociale steun en netwerk, het ontbreken van een zinvolle dagbesteding, het gebrek aan copingmechanismen en situatieve factoren zoals bijvoorbeeld de accepterende houding met betrekking tot wederrechtelijk handelen en het criminele milieu waarin betrokkene zich begeeft. Op basis van de HKT30 komt onderzoeker tot de inschatting dat de kans op recidive hoog is.

Vervolgens is de kans op recidive ingeschat op klinische basis. Afgezien van het bovenstaande heeft onderzoeker nog meegewogen dat het gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht belangrijke risicofactoren zijn. Door zijn externaliserende houding neemt betrokkene geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en is ook de motivatie tot verandering minimaal. De combinatie van achterdocht en zwakbegaafd niveau van functioneren, alsmede de problemen die betrokkene heeft met de adequate interpretatie van sociale situaties maakt dat hij al snel over zou kunnen gaan tot onvoorspelbaar gedrag. Het is de verwachting dat hij door zijn snel te mobiliseren woede dan over zou kunnen gaan tot acting-out gedrag. Zorgwekkend is het ook dat er in de afgelopen jaren sprake geweest is van een steeds zich verder ontwikkelende en ernstiger gewelddadig gedrag. Daardoor zijn geweldsescalaties in de toekomst niet uit te sluiten. De negatieve attitude die betrokkene tot nu toe ten toon gespreid heeft ten opzichte van behandeling is een bijkomende risicofactor. Ook de moeite die hij heeft, op basis van zijn narcistische problematiek, om zich te conformeren aan richtlijnen en sturing verhoogt de kans op recidive omdat betrokkene daardoor moeilijk stuurbaar en begeleidbaar is. Zijn tegenstrijdige verklaringen en de neiging tot leugenachtigheid maakt begeleiding nog moeilijker. Uiteraard is een belangrijke risicofactor gelegen in de criminogene attitude, in casu het egocentrisme en de accepterende houding ten opzichte van antisociaal gedrag. Ook het gebrek aan pro-sociale factoren zoals werk en zinvolle daginvulling is een belangrijke risicofactor. Daar komen nog de achterdocht en de snel te mobiliseren vijandigheid bij. Ook op klinische basis komt onderzoeker dan tot de inschatting dat de kans op recidive fors verhoogd is.

Andere factoren en condities die hierbij in ogenschouw moeten worden genomen zijn dat betrokkene zich begeeft in het criminele milieu waardoor hij al snel zal worden meegezogen in het criminele gedrag van zijn vrienden. Het gebrek aan inkomsten zal zijn neiging om over te gaan tot verwervingscriminaliteit alleen maar verder versterken. Door de ontremmende werking van drugs zou betrokkene, na middelengebruik, sneller over kunnen gaan tot grensoverschrijdend gedrag.

Vanuit een gedragskundig forensisch oogpunt behoeft de problematiek van betrokkene in eerste instantie goede diagnostiek. Pas daardoor kan gekomen worden tot meer zorgvuldige forensische beschouwingen en een beter advies aangaande mate van toerekeningsvatbaarheid en kans op herhaling. Pas met een uitputtende en duidelijk diagnose kan er ook gekomen worden tot een goed behandelplan dat afgestemd is op de problematiek van betrokkene. Hierdoor kan de kans op recidive teruggebracht worden.

Voor zover onderzoeker dat op dit moment kan inschatten zou een behandeling zich moeten richten op de verslavingsproblematiek, het ontwikkelen van ziektebesef en ziekte-inzicht en het ontwikkelen van daderempathie. Daarnaast moet er gekomen worden tot het herkennen van risicovolle situaties en het aanleren van nieuwe copingvaardigheden om met risicovolle situaties om te gaan.

Indien Uw College van mening is dat een klinische observatie niet noodzakelijk is en dat de bevindingen in het onderhavige onderzoek voldoende zijn om te kunnen komen tot een behandeltraject, kan onderzoeker, gezien de hoog ingeschatte recidivekans, Uw College alleen maar adviseren een behandeling te laten plaatsvinden binnen het juridisch kader van een TBS met dwangverpleging. Naar mening van rapporteur is een behandeling in een voorwaardelijk kader zonder verdere verduidelijking van de problematiek niet haalbaar. Indien de diagnostiek duidelijk geweest was en betrokkene goed ingebed was geweest in een op zijn problematiek toegespitst zorgsysteem, had misschien nog volstaan kunnen worden met een TBS met voorwaarden. Zoals de zaken er echter nu voorliggen is een voorwaardelijk kader onvoldoende om therapietrouw te waarborgen. Deze is namelijk grotendeels afhankelijk van de mate waarin aansluiting bij betrokkene gevonden kan worden en dit zal hoogst waarschijnlijk pas lukken door een gespecialiseerd team. Bijkomend voordeel van het gedwongen kader is dat op deze manier ook de beperkte leerbaarheid als gevolg van de cognitieve beperking, ondervangen wordt. Op basis van het zwakbegaafde niveau van intellectueel functioneren is het immers de verwachting dat nieuw gedrag slechts langzaam door betrokkene geïnternaliseerd zal worden en dat nieuwe gedragingen als het ware ingeslepen zullen moeten worden. Binnen het juridisch kader van de TBS met dwangverpleging is hier de tijd en de ruimte voor. Bijkomend voordeel van de maatregel is dat betrokkene op deze manier verzekerd zal zijn van een stevig resocialisatie traject, waarbij men hem zal helpen bij het vinden van een zinvolle daginvulling, structuur en woonmogelijkheden. Dit zal zeker de kans op recidive dempen. Een nadeel van het juridisch kader van een maatregel met dwangverpleging is de mogelijk lange duur van een dergelijk traject. Gezien de problematiek van betrokkene is het de verwachting dat hij slechts beperkt behandelbaar zal zijn en bestaat de mogelijkheid van een zeer lange plaatsing in een TBS kliniek. Het is verder aan Uw College om af te wegen of een dergelijke lange vrijheidsberoving opweegt tegen de ernst van de feiten.

Op 26 april 2010 heeft de dr. H.P.J. van Eindhoven, psychiater, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Dit rapport houdt onder meer in:

Hoewel rapporteur, gezien de weigering van betrokkene om deel te nemen aan het psychiatrisch onderzoek, zelf niet tot eenduidige diagnostische conclusies kan komen, valt over de psychische gesteldheid van betrokkene toch het één en ander af te leiden uit de overige informatie die ter beschikking is gesteld. Dit betreft de verslaglegging van het gedrag van betrokkene, zoals weergegeven in het proces verbaal van de politie, de bevindingen tijdens het voorgeleidingsconsult door collega Trompenaars, het Uittreksel van het Justitieel Documentatie Register en de bevindingen van de eerdere in 2004 over betrokkene opgestelde rapportage Pro Justitia.

Uit de hierboven weergegeven informatie komt het beeld naar voren van een man bij wie, zoals gezegd, duidelijke aanwijzingen worden gevonden voor de aanwezigheid van reeds langdurig bestaande psychiatrische problematiek en een belaste levensgeschiedenis. Ondanks het feit dat de mogelijkheden om betrokkene adequaat te onderzoeken voor rapporteur sterk beperkt zijn geweest, sluiten de korte observaties tijdens het onderzoeksgesprek grotendeels aan bij de reeds eerder geformuleerde diagnostische overwegingen.

Uit de beschikbare informatie komt verder naar voren dat betrokkene in sociaal-maatschappelijk opzicht in moeizame omstandigheden verkeert en de kans dat hij opnieuw tot delictgedrag zal overgaan zeker als reëel wordt ingeschat. Wanneer alle beschikbare informatie tezamen wordt genomen ontstaat aldus het beeld van een man bij wie aanwijzingen gevonden worden voor de aanwezigheid van psychiatrische problematiek, die in moeizame sociaal-maatschappelijke omstandigheden verkeert en bij wie het risico op terugval in delictgedrag als reëel moet worden beschouwd.

De rechtbank neemt deze conclusies en adviezen en de gronden waarop zij berusten over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling. Artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht bevat de materiële voorwaarden voor toepassing van de maatregel van terbeschikkingstelling. De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van de rapportages is de rechtbank van oordeel dat aan deze materiële voorwaarden is voldaan.

Weliswaar heeft de wetgever in artikel 37a lid 3 juncto 37 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaald dat de rechtbank dient te beschikken over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines - waaronder een psychiater - die verdachte hebben onderzocht, maar de wetgever heeft deze voorwaarde in lid 3 van genoemd artikel 37 buiten toepassing verklaard in het geval dat verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van een psychiatrische rapportage. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

De rechtbank zal gelet op de ernst van het feit en de inhoud van de rapportages de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen en bevelen dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd, aangezien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist. De rechtbank overweegt dat het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank heeft ter terechtzitting het verzoek van de officier van justitie tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde verdachte, gelet op zijn weigering mee te werken aan het opmaken van een psychiatrische rapportage, ter klinische observatie in het Pieter Baan Centrum te plaatsen afgewezen. In raadkamer is de rechtbank niet tot een ander oordeel gekomen. Gelet op de weigering van verdachte om mee te werken aan het opmaken van een psychiatrische rapportage en een tweede psychologische rapportage gericht op de mogelijke aanwezigheid van een autisme spectrum stoornis, valt niet te verwachten dat verdachte wel zijn medewerking zal verlenen aan een klinische observatie. Bovendien is gelet op de rapportages reeds komen vast te staan dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, er is alleen niet komen vast te staan aan welke stoornis verdachte lijdende is. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat dit het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling niet in de weg staat. De exacte diagnose kan te zijner tijd worden gesteld in de TBS-kliniek alwaar verdachte zal worden opgenomen. Verder acht de rechtbank een andere strafmodaliteit, zoals een terbeschikkingstelling met voorwaarden of het volgen van een behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, niet aan de orde gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte zoals blijkt uit de rapportages, alsmede gelet op het aspect van de beveiliging van de samenleving.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank zal echter gelet op het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging de gevangenisstraf beperken tot de duur van 5 jaar, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank zal aldus dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezenverklaarde.

De vorderingen van de benadeelden partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [juwelierszaak van slachtoffers].

De rechtbank acht de vorderingen van [slachtoffer 2] en [juwelierszaak van slachtoffers] in haar geheel toewijsbaar, respectievelijk € 2.635,00 en € 1.892,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De vordering van [slachtoffer 2] bestaat uit € 2.500,00 immateriële schadevergoeding en

€ 135,00 materiële schadevergoeding (broek en tuniek).

De vordering van [juwelierszaak van slachtoffers] bestaat uit € 1.500,00 ter zake van eigen risico schadeverzekering en € 392,38 ter zake no-claim bonus.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] acht de rechtbank toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van

€ 5.330,00. Dit bedrag bestaat uit € 5.000,00 ter zake van immateriële schadevergoeding en € 330,00 ter zake van materiële schadevergoeding (overhemd, pantalon, ondergoed en schoenen) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, te weten kosten voor rechtsbijstand van € 849,66 en de immateriële schade voor zover dit het bedrag van € 5.000,00 te boven gaat, aangezien deze onderdelen niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van alle vorderingen benadeelde partij zal de rechtbank voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelden is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelden hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 37, 37a, 37b, 310, 312.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging

Maatregel van schadevergoeding van € 5.330,00 subsidiair 61 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 5.330,00 (zegge: vijfduizenddriehonderddertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 5.000,00 immateriële schade en € 330,00 materiële schade. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald. De toepassing van deze

vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 5.330,00 (zegge: vijfduizenddriehonderddertig euro), te weten € 5.000,00 immateriële schade en € 330,00 materiële schade. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) heeft/hebben voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Maatregel van schadevergoeding van € 2.635,00 subsidiair 36 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], van een bedrag van € 2.635,00 (zegge: tweeduizendzeshonderdvijfendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 2.500,00 immateriële schade en € 135,00 materiële schade. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 2.635,00 (zegge: tweeduizendzeshonderdvijfendertig euro), te weten € 2.500,00 immateriële schade en

€ 135,00 materiële schade. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) heeft/hebben voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Maatregel van schadevergoeding van € 1.892,38 subsidiair 28 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [juwelierszaak van slachtoffers], van een bedrag van € 1.892,38 (zegge: duizendachthonderdtweeënnegentig euro en achtendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

€ 1.892,38 materiële schade. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale

bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [juwelierszaak van slachtoffers] van een bedrag van € 1.892,38 (zegge: duizendachthonderdtweeënnegentig euro en achtendertig eurocent), te weten € 1.892,38 materiële schade. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) heeft/hebben voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. C.B.M. Bruens en mr. A.M. Bossink, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 26 oktober 2010.

1 Aangifte [slachtoffer 2], pagina 476-479, 481 en 489 van dossier regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Gezamenlijke Recherche Eindhoven, dossiernummer PL2200 2009.192908, (naam dossier) (hierna: dossier) en aangifte [slachtoffer 1], dossierpagina 505-509

2 Aangifte [slachtoffer 2], dossierpagina 477 en verklaring medeverdachte [medeverdachte], dossierpagina 920

3 Verklaring medeverdachte [medeverdachte], dossierpagina 920 en 937-938

4 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting, verklaring medeverdachte [medeverdachte 2], dossierpagina 826 en verklaring medeverdachte [medeverdachte 3] dossierpagina 876

5 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting en verklaring medeverdachte [medeverdachte 3] dossierpagina 873

6 Verklaring medeverdachte [medeverdachte 5], dossierpagina 717

7 Verklaring medeverdachte [medeverdachte 6], dossierpagina 658

8 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting, verklaring medeverdachte [medeverdachte], dossierpagina 920 en verklaring medeverdachte [medeverdachte 3] dossierpagina 874-875

9 Aangifte [slachtoffer 2], dossierpagina 477-479, verklaring medeverdachte [medeverdachte 3] dossierpagina 876 en verklaring medeverdachte [medeverdachte 2], dossierpagina 826 en 833

10 Aangifte [slachtoffer 2], dossierpagina 479 en verklaring medeverdachte [medeverdachte 3] dossierpagina 876

11 Aangifte [slachtoffer 1], dossierpagina 507 en medisch formulier, dossierpagina 511

12 Verklaring medeverdachte [medeverdachte 4], dossierpagina 764-766

13 Verklaring medeverdachte [medeverdachte 6], dossierpagina 658 en 660, verklaring medeverdachte [medeverdachte 5], dossierpagina 718, verklaring medeverdachte [medeverdachte 3] dossierpagina 878 en verklaring medeverdachte [medeverdachte 2], dossierpagina 830 en 835

14 Aangifte [slachtoffer 1], dossierpagina 507

15 Medisch formulier, dossierpagina 511

16 Verklaring medeverdachte [medeverdachte 3] dossierpagina 876

17 Verklaring medeverdachte [medeverdachte 4], dossierpagina 796 en 803 en verklaring medeverdachte [medeverdachte 5], dossierpagina 718

18 Aangifte [slachtoffer 2], dossierpagina 487

19 Verklaring medeverdachte [medeverdachte 2], dossierpagina 833 en verklaring [medeverdachte 3] dossierpagina 876

20 Verklaring medeverdachte [medeverdachte 6], dossierpagina 670, verklaring medeverdachte [medeverdachte 2], dossierpagina 830 en 839, verklaring medeverdachte [medeverdachte 3] dossierpagina 873 en verklaring medeverdachte [medeverdachte 4], dossierpagina 800 en 801