Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BO1592

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
01/841313-07 36e
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van € 7.426,--. Betrokkene, ten tijde van het plegen van de feiten ambtenaar, is eerder veroordeeld voor onder meer valsheid in geschrift, verduistering en oplichting.

Het wederrechtelijk voordeel is verkregen in verband met het ten onrechte declareren van uren en aanschaffen van burgerkleding en goederen voor privégebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer ontneming: 01/841313-07

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[veroordeelde]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,

wonende te [woonplaatss,adres]

Onderzoek van de zaak:

De vordering van de officier van justitie van 28 augustus 2008 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 25.284,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 16 juli 2010 de vordering mondeling verminderd tot een bedrag van € 11.082,19.

De behandeling van de vordering ter terechtzitting van 16 juli 2010 is voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door de rechtbank ter terechtzitting van 2 april 2009 bepaald.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 september 2008, 2 april 2009 en 16 juli 2010.

De beoordeling van de vordering.

De vordering is tijdig ingediend.

De veroordeling in de hoofdzaak.

De rechtbank heeft bij vonnis d.d. 29 juli 2009 onder bovenvermeld parketnummer veroordeelde in de hoofdzaak veroordeeld ter zake van:

t.a.v. feit 1:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 2:

valsheid in geschrift, terwijl hij als ambtenaar bij het begaan van dit feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 3a:

verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking onder zich heeft, terwijl hij als ambtenaar bij het begaan van dit feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.

t.a.v. feit 3b:

oplichting, terwijl hij als ambtenaar bij het begaan van dit feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 4b:

oplichting, terwijl hij als ambtenaar bij het begaan van dit feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

In de rapportage wederrechtelijk verkregen voordeel, opgesteld door rapporteur [persoon 1] van de Rijksrecherche, gedateerd 12 juli 2007, wordt becijferd dat het door veroordeelde ten deze verkregen voordeel € 12.046,00 bedraagt indien wordt uitgegaan van de in deze zaak getroffen minnelijke regeling tussen de gemeente Veldhoven en veroordeelde (waarvan blijkt uit het hiervoor genoemde financieel rapport).

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 16 juli 2010 de vordering mondeling verminderd tot een bedrag van € 11.082,19. Het thans door de officier van justitie gevorderde wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op voornoemd financieel onderzoek (hierna te noemen: het financieel rapport), met dien verstande dat de officier van justitie uitgaat van de financiële berekening met inachtneming van de door veroordeelde getroffen compensatieregeling, opgenomen in de hiervoor bedoelde minnelijke regeling, hetgeen leidt tot een te ontnemen bedrag van € 12.046,00. Voorts is de officier van justitie met de raadsman van veroordeelde van mening dat de vordering nog kan worden verminderd met een bedrag van € 963,81 (in verband met een partiële vrijspraak van het in de hoofdzaak onder 2 tenlastegelegde), zodat thans een bedrag ad € 11.082,19 wordt gevorderd.

De rechtbank zal bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan (evenals de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde) van de berekening zoals weergegeven in het financieel rapport, met inachtneming van het volgende.

1. het wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met feit 1 (het wijzigen van presentielijsten).

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier (proces-verbaal bevindingen d.d. 26 juni 2007, document 119) blijkt dat door (de gemeentesecretaris van) de gemeente Veldhoven presentielijsten van de periode van 1 januari 2003 tot en met medio augustus 2006 beschikbaar zijn gesteld aan de Rijksrecherche ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek. Daaruit blijkt volgens het financieel rapport dat op grond van gewijzigde presentielijsten aan veroordeelde 173 uren zijn uitbetaald in een periode van 44 maanden. In het financieel rapport wordt op grond hiervan geconcludeerd dat in verband met de door veroordeelde gewijzigde presentielijsten gemiddeld 3,93 uur per maand teveel is uitbetaald.

Op grond van de verklaringen van veroordeelde en de verklaringen van getuigen ([getuige 1] en [getuige 2]) heeft de rapporteur de teveel uitbetaalde uren geëxtrapoleerd naar de periode van 1 maart 1993 tot en met medio augustus 2006.

De raadsman van veroordeelde heeft gesteld, onder verwijzing naar de schriftelijke opstelling van veroordeelde en zijn fiscaal adviseur d.d. 9 maart 2009, welke opstelling in het dossier is gevoegd, dat in het financieel rapport is uitgegaan van een onjuist gemiddeld uurloon in de jaren 1993 en 1994, dat een onjuist belastingtarief is toegepast, dat het aantal uitbetaalde uren met betrekking tot de presentielijsten met 77 moet worden verminderd en dat door de wijze van extrapolatie de berekening van het wederrechtelijk genoten voordeel onbetrouwbaar is te achten. De raadsman concludeert dat op grond van ten onrechte uitgekeerde uitrukvergoedingen wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten voor een bedrag van :

- ten hoogste € 11.215,-- indien rekening wordt gehouden met een wijziging in de belastingtarieven in het jaar 2000 waardoor in de periode van 2001-2006 een hoger dan het gehanteerde belastingtarief gold;

- € 9.465,46 indien er tevens rekening mee wordt gehouden dat het door de rapporteur in het financieel rapport berekende uurloon over 1993 en 1994 te hoog is;

- € 5.206,-- indien er voorts rekening mee wordt gehouden dat het aantal onterecht uitbetaalde uren van 173 wordt verminderd met 77. Volgens de raadsman is van 77 lijsten niet aannemelijk dat deze -in strijd met de werkelijkheid- zijn gewijzigd door de heer [veroordeelde].

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van de presentielijsten.

Het bewezen verklaarde feit betreft de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 juli 2006. De vordering tot ontneming heeft rechtstreeks betrekking op dit bewezen verklaarde feit (het gronddelict) voor zover het de ten onrechte in voornoemde periode genoten presentie-vergoedingen betreft. De rechtbank houdt voorts rekening met het voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen uit soortgelijke feiten nu er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde deze feiten heeft begaan. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat veroordeelde elk geval vanaf 1992 of 1993 met enige regelmaat in strijd met de waarheid op presentielijsten heeft ingevuld dat hij aanwezig was geweest en dat hij dientengevolge

ten onrechte uitrukvergoedingen heeft ontvangen. De verklaring van getuige [getuige 2] e.v. [persoon 2] houdt immers in dat zij veroordeelde in 1992 of 1993 voor het eerst heeft betrapt op het ten onrechte aankruisen van zijn naam op de presentielijsten. Veroordeelde heeft verklaard dat hij door [persoon 2] eens is betrapt, dat hij daarna een tijd lang de lijsten correct heeft ingevuld maar op een gegeven moment weer is begonnen met het incorrect invullen. De mogelijkheid tot het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel uit feiten die soortgelijk zijn aan het gronddelict is wettelijk ingevoerd met ingang van 1 maart 1993. De rechtbank zal derhalve de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 maart 1993 tot medio augustus 2006 schatten.

Op basis van door de gemeente Veldhoven ter beschikking gestelde presentielijsten over de jaren 2003 tot en met 2006 is in het financieel rapport een overzicht gemaakt van het totaal aantal uren dat op grond van een gewijzigde presentielijst is uitbetaald aan veroordeelde.

Uit dat overzicht blijkt in dat verband van 173 uren.

De raadsman heeft betoogd dat dit aantal onjuist is omdat 77 daarvan niet onterecht door verdachte zijn gedeclareerd. De rechtbank volgt de raadsman daarin niet gelet op de verklaring van [persoon 3] die bij de gemeente Veldhoven speciaal belast was met de definitieve verwerking van de presentielijsten, afgelegd op 16 mei 2009.

Uitgaande van 173 uren die ten onrechte zijn uitbetaald in een periode van 3 jaar en 8 maanden, is aan veroordeelde gemiddeld 3,93 uur per maand teveel uitbetaald.

Uitgaande van de periode van 1 maart 1993 tot medio augustus 2006 is over 161 maanden een totaal van 633 uren teveel uitbetaald.

De rechtbank neemt voor de schatting van het daarmee gemoeide voordeel als uitgangspunt het uurtarief van € 50,68 dat veroordeelde genoot per 1 februari 2006, in elk daaraan voorafgaand jaar verminderd met het gemiddelde indexcijfer over de jaren 1993 tot en met 2005, welk gemiddeld indexcijfer 3,6 % bedraagt. Met betrekking tot de jaren 1993 en 1994 heeft de raadsman aangevoerd dat het gehanteerde uurtarief te hoog is.

Uit het financieel rapport blijkt dat bij de berekening uitgegaan is van een geïndexeerd uurloon van € 33,15 in 1994 en € 32,00 in 1993. Naar het oordeel van de rechtbank is door de Rijksrecherche bij de berekening van het wederrechtelijk genoten voordeel een acceptabele methode gebruikt. De rechtbank onderschrijft deze methode. Wel neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat, gelet op de geldende belastingtarieven en de afdracht van sociale lasten het gemiddelde uurloon in de jaren 1993 en 1994 lager lag dan de in het financieel rapport gehanteerde bedrag. Gelet daarop zal de rechtbank het gemiddelde uurloon in de periode 1993-1994 schatten op een bedrag van € 27,50.

De raadsman heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met een belastingtarief van 60% in de periode 1993-2000 en een belastingtarief van 52% in de periode 2001-2006.

De rechtbank volgt hierin de raadsman niet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman van veroordeelde onvoldoende aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de over het jaar 1993 tot en met 2006 geldende maximale belastingtarieven de door de Rijksrecherche berekende netto-uitkomst te hoog is. Het had op de weg van veroordeelde gelegen nader te onderbouwen dat in zijn concrete situatie, in aanmerking genomen de over die jaren door de Belastingdienst te zijnen aanzien vastgestelde belastbare inkomens vermeerderd met de in aanmerking genomen bijtellingen feitelijk onder het door de raadsman gestelde belastingtarief zouden zijn gevallen.

De rechtbank gaat uit van het in het financieel rapport berekende gemiddeld belastingtarief van 52,5% op grond van bijlage 26 van het rapport (document 87).

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de in het financieel rapport gemaakte berekening die uitkomt op een genoten voordeel van € 13.447,-- onderschrijft (financieel rapport p. 28) met dien verstande dat een correctie dient plaats te vinden ten aanzien van het uurloon in 1993 en 1994.

De rechtbank berekent de bedragen aan netto uurloon over 1993 en 1994 als volgt:

1994: 47,16 x € 27,50 = € 1297,00 x 52,5 % = € 681,00.

1993: 39,30 x € 27,50 = € 1081,00 x 52,5 % = € 568,00.

Het verschil met het in het financieel rapport genoemde gemiddelde netto uurloon is:

1994: € 821,00 (netto uurloon financieel rapport) - € 681,00 = € 140,00;

1993: € 660,00 (netto uurloon financieel rapport) - € 568,00 = € 92,00.

De correctie die de rechtbank toepast op het volgens het financieel rapport genoten voordeel van € 13.447,-- is derhalve € 232,--.

De rechtbank schat het genoten wederrechtelijk voordeel ten aanzien van het wijzigen van presentielijsten derhalve op € 13.215,--.

2. het wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met feit 2 (de aanschaf van burgerkleding).

De rapporteur van de Rijksrecherche is in het financieel rapport uitgegaan van een aanschaf van burgerkleding ten bedrage van € 7.300,--.

De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank in de hoofdzaak verdachte heeft vrijgesproken van strafbaar handelen in relatie tot twee opdrachtbonnen, en dat deze opdrachtbonnen, met factuurbedragen van respectievelijk € 546,46 en € 417,35, wel zijn meegenomen bij de berekening door de rapporteur. De raadsman stelt dat het te ontnemen bedrag terzake dient te worden gematigd met een totaalbedrag van € 963,81 tot € 6.336,19.

Met de officier van justitie deelt de rechtbank het standpunt van de verdediging.

De rechtbank zal het terzake wederrechtelijk genoten voordeel schatten op een bedrag van

€ 6.336,19.

3. het wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met feiten 3 en 4 (verduistering en oplichting).

De raadsman heeft gesteld dat er in het financieel rapport onterecht van uit is gegaan dat de aanschafwaarde van de in het strafvonnis onder de feiten 3 en 4 bedoelde goederen, die door veroordeelde zijn aangeschaft, gelijk is aan het door veroordeelde wederrechtelijk genoten voordeel en dat het terzake wederrechtelijk genoten voordeel op nihil moet worden gesteld nu veroordeelde de bedoelde goederen aan de gemeente heeft teruggegeven.

De rechtbank stelt vast dat in de tussen de gemeente en veroordeelde terzake getroffen regeling, welke deel uitmaakt van het dossier, tussen partijen is overeengekomen dat de in bezit van veroordeelde zijnde goederen door veroordeelde worden teruggegeven.

Uit het financieel rapport blijkt dat de goederen daadwerkelijk zijn teruggegeven.

Het betreft:

- een generator, aanschafwaarde € 1554,53;

- een telescoopladder/trap, aanschafwaarde € 566,93;

- een haspel, aanschafwaarde € 117,00.

Daarnaast blijkt dat door veroordeelde voor eigen gebruik een hogedrukreiniger is aangeschaft ter waarde van € 367,--, welke door veroordeelde zelf is gebruikt, is stukgegaan en door veroordeelde is weggegooid.

De rechtbank zal bij de schatting van het wederrechtelijk genoten voordeel het gehele bedrag van de hogedrukreiniger in aanmerking nemen omdat dit goed door veroordeelde is verbruikt.

Voor wat betreft de overige goederen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde door het gebruik van deze goederen kosten heeft bespaard die hij zonder dat gebruik zou hebben gemaakt. In die zin heeft veroordeelde wederrechtelijk financieel voordeel verkregen.

De rechtbank zal bij de schatting van de hoogte van dit wederrechtelijk verkregen voordeel aanknopen bij de omstandigheid dat er door het gebruik gedurende een periode van één tot drie jaar sprake is van waardevermindering van de goederen. De rechtbank acht een waardevermindering van éénderde van de aanschafwaarde reëel en zal de kostenbesparing van de veroordeelde dienovereenkomstig vaststellen.

Aldus schat de rechtbank het terzake wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van:

€ 367,00 + [(566, 93 + 1554,53 + 117,00) : 3 ] = € 1.113,15.

4. De overeengekomen compensatieregeling.

De rechtbank schat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het wederrechtelijk verkregen voordeel op een (op hele euro's afgerond) bedrag van:

- wijzigen presentielijsten: € 13.215,00

- aanschaffen burgerkleding: € 6.336,00

- aangeschafte goederen: € 1.113,00

€ 20.664, 00

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat veroordeelde met de gemeente Veldhoven een minnelijke regeling heeft getroffen, inhoudende dat hij van het door hem opgebouwde saldo "tijd-voor-tijd", dat 721 uren bedroeg, afstand deed. De rechtbank zal op het geschatte bedrag van

€ 20.664,-- in mindering brengen de nettowaarde van het door veroordeelde in het kader van de minnelijke regeling ingeleverde saldo tijd-voor-tijd uren, zijnde 721 uren.

Deze nettowaarde wordt berekend door het hanteren van een uurtarief van € 34,97 (hetwelk door de verdediging niet wordt bestreden) en een gemiddelde belastingheffing van 47,5%. De raadsman wordt niet gevolgd in zijn verweer dat met een nettowaarde van 58% rekening zou moeten worden gehouden omdat veroordeelde inmiddels een pensioeninkomen heeft waarop de schaal van 42% van toepassing is. De waarde van de "tijd-voor-tijd" uren dient te worden berekend met ingang van het ontstaan van het recht op die uren.

Aldus brengt de rechtbank een bedrag van € 13.238,-- in mindering en stelt zij het wederechtelijk verkregen voordeel vast op € 7.426,--

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

De rechtbank:

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 7.426,00 (zevenduizend vierhonderdzesentwintig euro).

Legt aan [veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 7.426,00 (zevenduizend vierhonderdzesentwintig euro) ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. A.M. Bossink, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 26 oktober 2010.

De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.