Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN9965

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
01/849353-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij een huiszoeking in de woning van verdachte wordt een hoeveelheid drugs, verboden geneesmiddelen en wapens met daarbij behorende munitie aangetroffen. De binnentreding in de woning van verdachte is onrechtmatig geweest, maar leidt niet tot bewijsuitsluiting van de resultaten van de huiszoeking. Het door de raadsman gevoerde “salduz-verweer” wordt door de rechtbank verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849353-10

Datum uitspraak: 12 oktober 2010

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: [PI].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 september 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 augustus 2010.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 28 september 2010 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat (een kopie van de vordering tot wijziging is aangehecht):

1. primair:

hij op of omstreeks 02 juni 2010 te Schaijk, gemeente Landerd, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 6760 zogenaamde XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende XTC (MDA, MDEA, MDMA), zijnde XTC (MDA, MDEA, MDMA) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Artikel 2 Opiumwet)

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 juni 2010 te Schaijk, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk een of meer geneesmiddelen, waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten (ongeveer) 6760 pillen/tabletten, bevattende mCPP (metachlorophenylpiperazine en/of chloorfenylpiperazine), in voorraad heeft gehad;

(artikel 40 onder 2 en 130 van de Geneesmiddelenwet):

2.

hij op of omstreeks 02 juni 2010 te Schaijk, gemeente Landerd, een of meer wapens van categorie II en/of categorie III, te weten (respectievelijk) een

stroomstootwapen/tacer (merk Security Plus) en/of een alarmrevolver (merk BBM, kaliber 9 mm knal), en/of munitie van categorie III, te weten 57 althans een

(aantal) stuk(s) patro(o)n(en) (merk Lapua, kaliber .22 Long Platz/kaliber 6 mm) en/of twee/een stuk(s) patro(o)n(en) (merk G.F.L. 9 mm knal), voorhanden

heeft gehad;

artikel 26 Wet Wapens en Munitie)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij op of omstreeks 02 juni 2010 te Schaijk, gemeente Landerd, een wapen van categorie I, onder 7, te weten replica van een bestaand vuurwapen te weten

een nabootsing van een pistool (merk Smith en Wesson, model SW40F),;

(artikel 13 Wet Wapens en Munitie)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Geldigheid dagvaarding feit 3:

Uit de telastelegging onder feit 3 blijkt onvoldoende duidelijk welk feit aan verdachte ten laste is gelegd, zodat niet is voldaan aan de eisen zoals gesteld in artkel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Derhalve zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van dit feit nietig verklaren.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding ten aanzien van de feiten 1 en 2 geldig is, de rechtbank bevoegd is van het tenlastegelegde onder 1 en 2 kennis te nemen en de officier van justitie in zijn vervolging ten aanzien van feit 1 en 2 kan worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging terzake feit 1 en 2.

Vrijspraak

Ten laste is gelegd dat verdachte ongeveer 6760 pillen voorhanden zou hebben gehad met daarin de werkende stoffen MDA, MDEA, en/of MDMA, zijnde een middel dat zich bevindt op lijst 1 van de Opiumwet. Uit het rapport van het NFI blijkt dat uit de hoeveelheid pillen die voor nader onderzoek zijn aangeboden enkele pillen een zeer lage hoeveelheid amfetamine bevatten en dat er meerdere pillen waren die slechts de stof mCPP bevatten en dat er veel pillen waren die alleen hulp- en/of vulstoffen bevatten. mCPP staat niet vermeld op één der lijsten behoren bij de Opiumwet. Verdachte wordt derhalve van het ten laste onder 1 primair vrijgesproken.

De bewijsbeslissing ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2

Onrechtmatig binnentreden.

De raadsman heeft aangevoerd dat het binnentreden in de caravan van verdachte onrechtmatig is geweest, dat het bewijs hierdoor onrechtmatig is verkregen en dat de onderzoeksresultaten derhalve moet worden uitgesloten, hetgeen tot vrijspraak dient te resulteren. In dat verband is tevens gesteld dat de onderhavige CIE-informatie onvoldoende was om een machtiging tot het binnentreden te rechtvaardigen en dat, zo er wel sprake zou zijn van een rechtmatige machtiging, er geen noodzaak was om hier gebruik van te maken.

Subsidiair is aangevoerd dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat de in de caravan aangetroffen goederen ook van verdachte zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank oordeelt dat de opsporingsambtenaren in het bezit hadden moeten zijn van een schriftelijke machtiging tot binnentreden. Aan dit oordeel kan niet afdoen dat het binnentreden heeft plaatsgevonden in het kader van een doorzoeking, waarvoor de rechter-commissaris een machtiging heeft afgegeven en welke doorzoeking de rechter-commissaris in persoon heeft bijgewoond nadat de situatie na het binnentreden van de opsporingsambtenaren in afwachting van de komst van de rechter-commissaris was bevroren. De rechtbank verwijst in dit verband naar het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 13 mei 2003, NJ 2004/40. Dit oordeel leidt in het onderhavige geval tot de conclusie dat de opsporingsambtenaren weliswaar op grond van art. 96, tweede lid, Sv bevoegd waren om de situatie te bevriezen, maar dat het betreden van de caravan slechts met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) kon geschieden. Art. 2, eerste lid, Awbi kent uitzonderingen op het vereiste van een schriftelijke machtiging voor bepaalde functionarissen, zoals voor rechters en leden van het openbaar ministerie, maar geen van die uitzonderingen doet zich hier voor, terwijl evenmin de uitzondering die art. 97, vierde lid, Sv op bedoeld vereiste maakt en die geldt voor de hulpofficier van justitie die door de rechter-commissaris is gemachtigd een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken, hier van toepassing is.

Het verweer van de verdediging dat een schriftelijke machtiging ten onrechte ontbreekt treft derhalve doel. De rechtbank volgt de raadsman evenwel niet in zijn stelling dat de CIE-informatie onvoldoende was om een machtiging tot het binnentreden te rechtvaardigen en dat, zo er wel sprake zou zijn van een rechtmatige machtiging, er geen noodzaak was om hier gebruik van te maken. Daarbij overweegt de rechtbank dat naast de CIE-informatie (die als betrouwbaar kan worden aangemerkt) ook de bij verbalisanten ambtshalve bekende en door de campingexploitant bevestigde informatie beschikbaar was dat verdachte als enige gebruik maakte van de caravan. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank de noodzaak om met spoed binnen te treden, gelet op de aanwezige informatie, voldoende aannemelijk geworden.

Wegens het ontbreken van de schriftelijke machtiging oordeelt de rechtbank dat het binnentreden door de politie onrechtmatig is geweest. Echter in aanmerking genomen de aard van het verzuim en de omstandigheid dat de rechter-commissaris vervolgens rechtmatig een doorzoeking heeft verricht en daarbij de onderhavige pillen en wapens en munitie in beslag heeft genomen, oordeelt de rechtbank dat kan worden volstaan met de vaststelling dat het binnentreden door de politie onrechtmatig was en dat deze onrechtmatigheid niet leidt tot bewijsuitsluiting van de onderzoeksresultaten die zijn verkregen bij de doorzoeking.

Voorhanden hebben van goederen.

De raadsman stelt zich namens zijn cliënt op het standpunt dat niet met zekerheid gezegd kan worden dat de in zijn caravan aangetroffen goederen hem toebehoren. Niet valt uit te sluiten dat ook anderen, op al dan niet rechtmatige wijze, toegang kunnen krijgen tot de caravan. Volgens de raadsman wordt dit onder meer bevestigd door [getuige 1] (pv verhoor 22 september 2010) die verklaart dat het mogelijk is om de camping ongezien en zonder te worden gecontroleerd van diverse kanten te betreden. Voorts is het gemakkelijk om via ramen van de caravan naar binnen te gaan omdat die eenvoudig geopend en gesloten kunnen worden zonder dat dit achteraf te merken is. Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting aangegeven dat anderen de pillen en wapens in zijn caravan neergelegd hebben. Hij voert daartoe onder meer aan dat hij elders woonachtig is en niet elke dag aanwezig was in de caravan; dat er een gat in de bodem aanwezig was en ook dat het glas van een van de ramen kapot was waardoor anderen gemakkelijker de caravan konden betreden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.

Op 2 juni 2010 vond onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaats in de caravan gelegen aan de [adres camper] te Schaijk. In de caravan zijn in enkele laden van twee kasten 6770 pillen aangetroffen en een hoeveelheid wapens en munitie. In het proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming (d.d. 2 juni 2010) is gerelateerd dat de opsporingsambtenaren de caravan zijn binnengetreden door het indrukken van de deur waarbij het slot is ontzet. Binnen werd een hond aangetroffen die was voorzien van water en voedselbrokken. Uit het proces-verbaal van aanvulling en bevindingen (d.d. 27 september 2010) blijkt dat bij een goede inspectie geen gaten in de caravan zijn gezien waardoor mogelijk iemand ongezien of zonder dat het gemerkt werd de caravan kon binnenkruipen. Ook bleken alle ramen te zijn afgesloten en geblindeerd en had de aanwezige hond niet de mogelijkheid om door een gat in en uit te gaan. De aluminium raampjes zaten van binnen vergrendeld en konden van buiten niet geopend worden anders dan ze met geweld open te breken. De verbalisant relateert voorts dat de inbeslaggenomen goederen zijn aangetroffen in de laden van 2 kasten naast de toegangsdeur.

Volgens [getuige 2] (pv verhoor 22 september 2010), eigenaar en exploitant van camping [naam camping], blijkt uit de beschikbare administratie dat verdachte de caravan op de locatie [adres camper] sinds 20 januari 2008 huurde en dat hij daar alleen woonde. Verdachte kwam zijn maandelijkse betalingsverplichtingen altijd netjes na. [getuige 2] zag verdachte nagenoeg dagelijks via de camera van het bewakingssysteem of in persoon op de camping lopen. Verder had verdachte hem nooit had verteld dat anderen op illegale wijze gebruik maakten van zijn caravan doordat zij zich op een gemakkelijke manier de toegang konden verschaffen. Hij heeft er bovendien geen ervaring mee dat onbevoegden zich op de camping bevinden en er wordt slechts sporadisch ingebroken. Ten slotte is nimmer door de exploitant of door de politie een melding ontvangen dat zwervers illegaal gebruik maakten van leegstaande of tijdelijk niet gebruikte caravans.

Voor bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde 'voorhanden hebben' van wapens en munitie en 'geneesmiddelen' in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie en art. 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van die goederen en dat hij hierover beschikkingsmacht had. De rechtbank is van oordeel dat hiervan gelet op de hiervoor aangegeven feiten en omstandigheden sprake is.

De inbeslaggenomen goederen zijn aangetroffen in twee kasten van een caravan waarvan voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte de enige is die daar regelmatig verblijft. Zonder schade aan te richten is het onmogelijk gebleken de caravan te betreden en niet is gebleken dat zich 'gaten' in de bodem of zijwand bevonden.

De enkele, niet met nadere gegevens onderbouwde en eerst pas ter zitting ingebrachte stelling van verdachte dat niet kan worden uitgesloten dat de aangetroffen goederen aan kwaadwillende onbevoegden toebehoren heeft verdachte overigens op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht deze verklaring dan ook ongeloofwaardig. De verklaring afgelegd door [getuige 1] waarin hij aangeeft dat er zich regelmatig zwervers in caravans op het terrein bevinden en dat de ramen van de caravan van verdachte gemakkelijk van buiten te openen zijn zonder dat de bewoner het merkt, acht de rechtbank eveneens ongeloofwaardig.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 tenlastegelegde wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. subsidiair:

op 2 juni 2010 te Schaijk, opzettelijk geneesmiddelen, waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten pillen/tabletten bevattende mCPP (metachlorophenylpiperazine en/of chloorfenylpiperazine), in voorraad heeft gehad.

2.

op 02 juni 2010 te Schaijk, gemeente Landerd, wapens van categorie II en/of categorie III, te weten (respectievelijk) een stroomstootwapen/tacer (merk Security Plus) en een alarmrevolver (merk BBM, kaliber 9 mm knal), en munitie van categorie III, te weten 57 patronen (merk Lapua, kaliber .22 Long Platz/kaliber 6 mm) en patronen (merk G.F.L. 9 mm knal), voorhanden heeft gehad;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Het bewezen verklaarde onder feit 1, subsidiair is als misdrijf voorzien bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, junctis de artikelen 1, aanhef en onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn voorts geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van feit 1 primair:

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en 2 en 3:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk proeftijd 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder de draagkracht van verdachte.

Salduz.

De raadsman heeft aangevoerd dat de politie heeft gehandeld in strijd met de Salduz-rechtspraak. Zijn cliënt had op 7 juni 2010 contact opgenomen nadat hem bekend was geworden dat er 'iets' was voorgevallen. Hij wist niet precies wat er was gebeurd maar hij had wel een vermoeden. Vervolgens heeft de raadsman de mogelijke gang van zaken met zijn cliënt besproken waarna die zich op 16 juni vrijwillig bij de politie heeft gemeld. Bij binnenkomst op het politiebureau heeft zijn cliënt aangegeven dat hij met zijn advocaat wilde spreken alvorens in verhoor te gaan. Ondanks dit verzoek is het eerste verhoor bij de politie afgenomen zonder dat vooraf consultatie van een raadsman mogelijk is geweest. De raadsman geeft aan dat sprake is van verkeerde interpretatie van de Salduz-rechtspraak en verzoekt de rechtbank hiermee rekening te houden bij de bepaling van de strafmaat.

De rechtbank oordeelt omtrent het verweer als volgt.

Bij zijn aanhouding en inverzekeringstelling op 16 juni 2010 is verdachte door de politie gewezen op het recht gebruik te maken van consultatiebijstand door een raadsman. Hierop gaf verdachte aan met zijn advocaat gesproken te hebben alvorens hij zich aan het politiebureau te Uden kwam melden en dat hij het advies had gekregen geen verklaring af te leggen. Vervolgens heeft verdachte aangegeven zijn raadsman (wederom) te willen raadplegen. Volgens de stukken in het dossier is zowel om 12.30 als om 13.00 uur de raadsman door de politie ingelicht waarna verdachte tussen het eerste en tweede verhoor door hem is bezocht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, voordat hij zich vrijwillig vervoegde op het politiebureau, contact heeft gezocht met zijn raadsman en bij hem advies heeft ingewonnen. Op 26 juli 2010 (LJN BN2751) heeft het gerechtshof Den Bosch geoordeeld dat verdachten die niet zijn aangehouden maar die zich, al dan niet op verzoek van de politie, vrijwillig presenteren op het politiebureau, anders dan aangehouden verdachten, de mogelijkheid hebben om voorafgaande aan deze presentatie een advocaat te raadplegen. Hun aanspraak op rechtsbijstand wordt dus niet geschonden indien zij voor de aanvang van het verhoor door de politie niet worden gewezen op hun recht op raadpleging van een advocaat. In het onderhavige geval is verdachte, voordat hij zich vrijwillig op het politiebureau meldde, in de gelegenheid geweest een raadsman te consulteren en heeft hij hiervan ook gebruik gemaakt. Onder verwijzing naar de voormelde overwegingen van het gerechtshof oordeelt de rechtbank dat de Salduz-aanspraken van verdachte niet zijn geschonden. Hieraan doet niet af dat verdachte nadat hij was aangehouden heeft aangegeven dat hij wederom zijn raadsman wilde raadplegen en dat deze pas nadat het eerste verhoor had plaatsgevonden op het politiebureau is verschenen. Om deze reden verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.

De rechtbank overweegt dat de door het NFI onderzochte pillen blijkens het NFI-rapport van 9 september 2010 metachloorphenylpiperazine (mCPP) bevatten en dat, mede gelet op de overwegingen van het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch d.d. 6 november 2008, LJN BG3606, mCPP buiten het reguliere medische circuit wordt gebruikt als vervanger van de zogeheten XTC-achtigen, waarmee een stimulerend effect, vergelijkbaar met dat van zogeheten peppillen wordt beoogd en daarmee voldoet mCPP aan het criterium genoemd onder artikel 1, eerste lid, onder b, ten derde, van de Geneesmiddelenwet: het anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch effect te bewerkstelligen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat in het bijzonder in het uitgaansleven pillen met een stimulerend effect, zoals de zogeheten "XTC-pillen", worden verkocht met een verschijningsvorm zoals de onderhavige pillen (pillen met een diepdruklogo). Met het in voorraad hebben van een grote hoeveelheid pillen met een dergelijke verschijningsvorm, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat die pillen een stimulerend middel zoals mCPP bevatten.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank voorts in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte werd terzake van strafbare feiten soortgelijk aan de door hem gepleegde feiten blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie reeds eerder veroordeeld;

- verdachte heeft de onderhavige strafbare feiten gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling in 2009;

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf nu de gevorderde straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezen verklaarde, ondanks het feit dat de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van feit 3 nietig verklaart.

Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat het gebruik van genoemde geneesmiddelen als pepmiddel ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren wanneer deze niet binnen het reguliere medische circuit worden gebruikt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken.

De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen, te weten

6760 roze pillen in 13 plastic zakken a 500 pillen

1 plastic zakje met 200 pillen en

6 gripzakjes met in totaal 60 pillen, welke zijn voorzien van een logo in de vorm van een hartje met een totaalgewicht van 13.53.3 gram,

1 gripzakje met daarin 1.3 gram amfetamine en

1 digitale grammenbalans/weegschaal, merk Best Home, en

1 zwart lederen schouderholster;

1 replica vuistvuurwapen pistool met patroonhouder, merk Smith & Wesson, model SW40F, voorzien van nummer 734843;

1 alarmrevolver, merk BBM, model Olympic 38, kaliber 9 mm knal,

1 blikje met 57 stuks patronen merk Lapua, kaliber .22 long Platz (kaliber 6 mm knal) en 2 stuks patronen, merk G.F.L. 9 mm knal, in totaal 59 knalpatronen en

1 stroomstootwapen/tacer, merk Security Plus,

vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang;

Ten aanzien van het inbeslaggenomen vuistvuurwapen pistool merkt de rechtbank op dat dit een nabootsing is van een pistool, dat voor wat betreft de vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Smith & Wesson model SW 40F. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van de 6 wollen bivakmutsen, ieder voorzien van twee ooggaten, is de rechtbank van oordeel dat deze verbeurd verklaard zullen worden nu verdacht ontkent dat deze bivakmutsen hem toebehoren en niet verder kan worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 57, 91

Wet wapens en munitie art. 2, 26, 55

De Geneesmiddelenwet 40 lid 2, 134

De Wet op de economische delicten 1, 2, 6, 87.

DE UITSPRAAK

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank verklaart de dagvaarding van verdachte ten aanzien van feit 3 nietig, aangezien is gebleken dat deze niet voldoet aan de vereisten, gesteld

bij art. 261 van het Wetboek van Strafvordering, immers de dagvaarding bevat niet een begrijpelijk opgave van dit feit.

Ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte van dit feit vrij.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Subsidiair:

overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 40 tweede lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan

T.a.v. feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie (mbt wapens)

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie (mbt munitie)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

6760 roze pillen in 13 plastic zakken a 500 pillen;

1 plastic zakje met 200 pillen;

6 gripzakjes met in totaal 60 pillen, welke zijn voorzien van een logo in de vorm van een hartje met een totaalgewicht van 13.53.3 gram,

1 gripzakje met daarin 1.3 gram amfetamine;

1 digitale grammenbalans/weegschaal, merk Best Home en

1 zwart lederen schouderholster;

1 replica vuistvuurwapen pistool met patroonhouder, merk Smith & Wesson, model SW40F, voorzien van nummer 734843;

1 alarmrevolver, merk BBM, model Olympic 38, kaliber 9 mm knal,

1 blikje met 57 stuks patronen merk Lapua, kaliber .22 long Platz (kaliber 6 mm knal) en 2 stuks patronen, merk G.F.L. 9 mm knal, in totaal 59 knalpatronen en

1 stroomstootwapen/tacer, merk Security Plus.

Verklaart verbeurd:

6 wollen bivakmutsen, ieder voorzien van twee ooggaten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M.H. de Koning, voorzitter,

mr. I.M. Nusselder en mr. M.E. Becking, leden,

in tegenwoordigheid van Y.A.M. Janssen, griffier,

en is uitgesproken op 12 oktober 2010.

Mr. Nusselder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.