Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN9772

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
08-10-2010
Zaaknummer
01/845440-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BU7306, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en zijn mededader hebben een van te voren gepland verkeersongeval veroorzaakt tussen een door verdachte bestuurde auto en een door het slachtoffer bestuurde auto. Het slachtoffer is aan de gevolgen van dit ongeval overleden. De mededader van verdachte gaf via de telefoon aan verdachte een teken wanneer verdachte met zijn auto moest oprijden om de aanrijding te kunnen veroorzaken. De rechtbank kwalificeert deze handelingen als "medeplegen van moord" en veroordeelt verdachte daarvoor tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaar en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 10 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845440-09

Datum uitspraak: 08 oktober 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in P.I. Vught,

locatie Nieuw Vosseveld 2 HvB regulier, te Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 januari 2010, 19 maart 2010, 21 april 2010, 30 juli 2010 en 24 september 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 december 2009. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 24 september 2010 gewijzigd. Aan verdachte is na de wijziging ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 oktober 2009 te Erp, gemeente Veghel, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, althans na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet:

- op/bij/in de buurt van een (T-)kruising op de Kraanmeer met een personenauto (merk Audi) gewacht en/of;

- (telefonisch) met elkaar in contact gestaan om elkaar(telefonisch) te waarschuwen op welk moment de auto van die [slachtoffer] genoemde (T-)kruising dicht genoeg was genaderd en/of

- is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) met die Audi met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid die (T-kruising) opgereden en/of;

- met de bedoeling met die Audi tegen de auto van die [slachtoffer] aan te rijden en/of te botsen en/of;

- is het door verdachte en/of zijn mededader(s) bestuurde voertuig (Audi) daarbij/vervolgens tegen de auto van die [slachtoffer] gereden en/of gebotst (op een moment dat die [slachtoffer] een behoorlijke snelheid had) en/of;

- ten gevolge waarvan de door die [slachtoffer] bestuurde auto tegen een boom is gebotst/gereden en/of;

- tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 289/287 en 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 oktober 2009 te Erp, gemeente Veghel, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, althans na kalm beraad en rustig overleg, zwaar lichamelijk letsel ((zeer ernstig) schedelhersenletsel), heeft toegebracht, door opzettelijk te handelen als volgt:

verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben:

- op/bij/in de buurt van een (T-)kruising op de Kraanmeer met een personenauto (merk Audi) gewacht en/of;

- (telefonisch) met elkaar in contact gestaan om elkaar (telefonisch) te waarschuwen op welk moment de auto van die [slachtoffer] genoemde (T-)kruising dicht genoeg was genaderd en/of;

- is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) met die Audi met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid die (T-kruising) opgereden en/of;

- met de bedoeling met die Audi tegen de auto van die [slachtoffer] aan te rijden en/of te botsen en/of;

- is het door verdachte en/of zijn mededader(s) bestuurde voertuig (Audi) daarbij/vervolgens tegen de auto van die [slachtoffer] gereden en/of gebotst (op een moment dat die [slachtoffer] een behoorlijke snelheid had) en/of;

- ten gevolge waarvan de door die [slachtoffer] bestuurde auto tegen een boom is gebotst/gereden, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

(artikel 302 en 303 en 47 Wetboek van Strafrecht)

Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 oktober 2009 te Erp, gemeente Veghel, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Kraanmeer, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te handelen als volgt: verdachte en/of (een) van zijn mededader(s) is - rijdende op de Kraanmeer - bij het naderen van de kruising van die weg met een ander deel van de Kraanmeer - met het door hem en/of (een) van zijn mededader(s) bestuurde motorrijtuig - onverhoeds en/of met aanzienlijke snelheid die kruising zonder te stoppen en/of althans zonder bijzondere voorzichtigheid te betrachten op en/of over gereden en daarbij de doorgang niet vrijgelaten waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aanrijding ontstond met/tussen dit door verdachte en/of (een) van zijn mededader(s), bestuurde motorrijtuig en de door de [slachtoffer] bestuurde personenauto en/of waardoor een ander (te weten die [slachtoffer]) werd gedood;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 en artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 1 oktober 2009 omstreeks 16.57 uur is door verdachte [verdachte] via het alarmnummer 112 een aanrijding gemeld. Betrokken zijn een bestelauto van TNT, merk Renault Kangoo, met bestuurder [slachtoffer], en een zwarte personenauto van het merk Audi A4 cabriolet, kenteken [kenteken Audi], met bestuurder verdachte [verdachte]. De aanrijding vond plaats op een T-splitsing van de Kraanmeer te Erp. Dit betrof een gelijkwaardige kruising. Door de aanrijding is de door [slachtoffer] bestuurde auto zijdelings van de weg geraakt, tegen een rechts van de weg staande boom gebotst en aldaar in een naast de weg gelegen sloot tot stilstand gekomen. Sporen op de boom duiden erop dat [slachtoffer] met zijn hoofd tegen de boom is geklapt. Met betrekking tot het overlijden van [slachtoffer] is door dr. Kubat van het NFI op 23 maart 2010 een sectierapport uitgebracht. Daaruit blijkt dat [slachtoffer] is overleden door zeer ernstig hersenletsel en daardoor opgetreden weefselschade. Er zijn volgens dr. Kubat geen letsels die duiden op het dragen van een autogordel. In het neuropathologisch rapport van dr. Kubat van 23 maart 2010 wordt bevestigd dat er zwaar hersenletsel was en dat deze letsels samen met de inklemming als verwikkeling van de letsels het overlijden zonder meer verklaren.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden heeft de officier van justitie geconcludeerd tot bewezenverklaring van medeplegen van moord.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken omdat aan verdachte geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het verkeersongeval, noch ten aanzien van het overlijden van [slachtoffer]. Van opzet is geen sprake. Volgens de verdediging had [slachtoffer] aan verdachte voorrang moeten verlenen op de T-kruising en is het ernstige letsel te wijten geweest aan het niet dragen van een autogordel, welke omstandigheid niet aan verdachte kan worden toegerekend. Het motief voor een opzettelijk veroorzaakte aanrijding, te weten het innen van verzekeringspenningen, wordt door de verdediging betwist.

Het oordeel van de rechtbank.

Beschrijving plaats ongeval:

Aan de hand van foto's en de beschrijving in het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek heeft de rechtbank ter zitting vastgesteld dat de Kraanmeer een weg betrof, bestaande uit een 0,7 meter brede uitwijkstrook, een 4,5 meter brede rijstrook en een 0,6 meter brede uitwijkstrook. De T-kruising waarop de aanrijding heeft plaatsgehad is verhoogd uitgevoerd en voor de kruising stond een waarschuwingsbord 'gevaarlijke kruising'. De maximumsnelheid ter plaatse bedroeg 60 km/uur. Vanaf de T-kruising, gaande in de richting Uden, stonden aan beide zijden van de weg bomen. Deze bomen stonden dicht op de weg. Achter de bomen aan de rechterzijde van de weg lag een droge sloot. Aan de linkerzijde van de weg ligt achter de bomen een fietspad. Ook voor de T-kruising stonden rechts langs de weg bomen en links van de weg witte betonnen palen. Te zien is dat op een aantal meter voor de T-kruising aan de linkerkant van de weg een bank stond. Het zicht kort voor de T-kruising naar rechts, gezien vanuit Erp in de rijrichting Uden, werd beperkt door een dicht op de hoofdrijbaan van de Kraanmeer staande woning met in de tuin struiken en bomen.

Toedracht ongeval:

Door de politie is aan beide voertuigen technisch onderzoek verricht. Daarbij is onder meer gebleken dat de Audi A4 cabriolet, kenteken [kenteken Audi], recente schade had, hierin bestaande dat de linker voorhoek was ontzet en beschadigd en dat er ter plaatse op de Audi oranje laksporen van mogelijk de Renault Kangoo zaten. De Audi functioneerde rijtechnisch naar behoren. Van de Audi zijn geen digitale gegevens bekend geworden. Bij de Renault Kangoo Express, kenteken [kenteken Renault], werd eveneens: recente schade vastgesteld aan de linkerflank en rechter achterhoek. Het linker voorscherm en linkerportier waren zwaar ontzet en beschadigd. Het linker voorwiel en geleidesysteem waren ontzet en losgebroken. Het rechter achterscherm was aan de hoek ontzet en beschadigd. De achterbumper aan de rechterzijde was ontzet en gedeeltelijk losgebroken. De velgrand van het rechter achterwiel was gedeeltelijk ontzet. In de auto was een boordcomputer gemonteerd. Bij het uitlezen van de digitale gegevens bleek dat om 16.56.35 uur de snelheid 0 km/uur was. Vier seconden eerder bedroeg de snelheid van de bestelauto volgens de computergegevens 70 km/uur, 3 seconden eerder 67 km/uur, 2 seconden eerder 52 km/uur en 1 seconde eerder 19 km/uur. De Renault werd rijtechnisch in orde bevonden. Volgens het rapport had de bestuurder geen gebruik gemaakt van zijn autogordel. Aan de hand van de schade aan beide auto's is de botspositie bepaald. De lengteassen van de Audi en Renault maakten ten tijde van de botsing een hoek van 135 graden ten opzichte van elkaar.

Blijkens de verkeersongeval-analyse door de deskundige Wismans, d.d. 19 april 2010, kan het ongeval in vier fasen worden verdeeld. In de eerste fase botste de Audi met de Renault. Deze botsing vond naar de inschatting van de deskundige drie seconden voor het einde van de registratie plaats, dus bij een snelheid van de Renault van 67 km/uur. Op basis van een computerprogramma (PC-Crash reconstructie) wordt de snelheid van de Audi op het moment van de aanrijding geschat op ongeveer 25 km/uur. De gevonden hoek tussen de lengteassen van de Audi en de Renault was ongeveer 135 graden. Dit betekent dat wanneer de lengteas van de Renault ongeveer parallel zou zijn aan de weg Kraanmeer op het moment van de botsing, de Audi dan ongeveer 45 graden in de richting van Uden (opmerking Rechtbank: en dus naar rechts) moet zijn afgebogen op het moment van de botsing met de Renault. In fase 2 verminderde de Renault snelheid tengevolge van een driftende/slippende beweging. In fase 3 botste de Renault met een snelheid van ongeveer 44 à 45 km/uur tegen de boom. De aanzienlijke schade ten gevolge van deze botsing bevond zich met name aan de linkerzijkant aan de voorzijde. De resterende snelheid van de Renault direct na de botsing met de boom wordt geschat op 28 km/uur. De laatste fase betreft de uitloop van de Renault in de berm.

De deskundige concludeert dat het schadebeeld aan beide auto's en de reconstructie van de botshoek door de politie, leiden tot de conclusie dat de Audi op het moment van de botsing ongeveer 45 graden in de richting van Uden en dus naar rechts is afgebogen.

De periode kort voor het verkeersongeval

De getuige [getuige 1] heeft op 2 oktober 2009 verklaard dat hij op 1 oktober 2009 omstreeks 17.00 uur in een zilvergrijze Mercedes Vito reed over de Kraanmeer vanuit de richting Erp gaande in de richting Uden. Hij zag aan de linkerzijde van de weg een jongen die stond te bellen op ongeveer 25 meter voor de T-kruising. De jongen had zijn blikveld een beetje in de richting van Erp. Vervolgens zag de getuige een donkerblauwe Audi Cabrio een stukje verder in een zijstraat staan. Hij schat dat de auto 5 à 6 meter in de zijstraat stond. De Audi stond stil. Op het moment dat hij op het kruisingsvlak was, zag de getuige dat de Audi in zijn richting kwam gereden. Hij was geschrokken, maar de Audi had hem niet geraakt. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] nog verklaard dat het een onoverzichtelijke kruising betrof en dat hij daar altijd afremde. In de zijstraat zag hij een donkere Audi Cabrio stilstaan. Toen hijzelf doorreed, zag hij ineens dat de Audi kwam oprijden.

De getuige [getuige 2] heeft op 2 oktober 2009 verklaard dat zij op 1 oktober 2009 omstreeks 16.40 uur van huis vertrok in haar blauwe Nissan Primera. Zij reed over de Kraanmeer te Erp in de richting Uden. Toen ze bij de kruising kwam waar op de hoek [getuige 3] woont, ging ze zachter rijden omdat dit een onoverzichtelijke kruising is. Toen ze vlak voor de kruising was, kwam er plotseling een auto van rechts de kruising oprijden. De bestuurder reed de kruising op zonder naar links of rechts te kijken. De auto was donkerblauw of zwart van kleur. Toen de auto aan de overkant van de weg was, draaide de bestuurder de auto en reed de auto terug naar de plaats waar de auto vandaan kwam. In de buurt stond een jongen met een telefoon aan zijn oor.

De getuige [getuige 4] heeft op 3 oktober 2009 verklaard dat hij op 1 oktober 2009 omstreeks 17.00 uur reed op de Kraanmeer te Erp. Hij reed in een rood met grijze VW Caddy. Op de laatste kruising kwam een auto van rechts langzaam de weg opgereden. Getuige reed 80-100 km/uur en heeft vol geremd. Hij kon niets anders omdat hij anders de bomen in moest en er van de andere kant tegenliggers kwamen. Hij stond een halve meter voor het bestuurdersportier van de ander auto stil. Het was een donkerblauwe Audi, naar hij meent een tweedeurs cabriolet. Hij keek de bestuurder nog aan en zag dat deze een grijns op zijn gezicht had en ook nog lachte. De getuige merkt nog op dat als je van Erp afkomt, je geen zicht hebt op auto's die vanuit die weg komen omdat er een boerderij staat. Als je heel dichtbij bent kun je pas zien of er iemand bij de boerderij staat te wachten.

De verklaring van [getuige 4] past bij de verklaring van de getuige [getuige 5], die op 5 oktober 2009 heeft verklaard dat hij op 1 oktober 2009 tussen 17.00 uur en 17.15 uur met een zwarte Alfa Romeo reed vanuit Uden over de Kraanmeer te Erp. Toen hij uit de bocht kwam ter hoogte van de eerste zijweg aan de linkerkant, zag hij in de tweede zijweg, net voor de drempel naast een boerderijtje, een zwarte Audi cabrio staan. De getuige zag een tegenligger komen aanrijden. Hij was zelf als eerste op de drempel van de kruising. De getuige zag de Audi vanuit stilstand heel hard optrekken en de drempel oprijden. Het leek vol gas. De bestuurder gooide zijn auto voor de tegenligger en stopte precies voor het midden van de weg. De bestuurder van de bedrijfsauto remde voluit. De getuige zag de Audi achteruit het straatje inrijden, waar die auto uitgekomen was. De Audi had niet mogen wegrijden want de getuige [getuige 5] kwam voor hem van rechts. De bestuurder van de Audi wilde niet rechts afslaan want hij reed recht de weg op. Zijn wielen waren niet ingedraaid maar stonden rechtuit.

Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij inderdaad met de door hem bestuurde Audi A4 cabriolet vanuit de zijweg de hoofdrijbaan van Kraanmeer is opgereden en dat een van links komende rode bedrijfsauto hard remde en pas op korte afstand van zijn auto tot stilstand kwam. Dit was kort voor de aanrijding met de Renault Kangoo gebeurd.

De bellende man:

De getuige [getuige 6] heeft op 1 oktober 2009 verklaard dat een zwarte Audi al langere tijd in de zijweg van de Kraanmeer stond. Enkele minuten voor de aanrijding met de PTT (hierna TNT)-auto, had de zwarte Audi ook bijna een aanrijding met een rode bestelauto. De rode bestelauto remde met piepende banden. Hij zag dat de Audi half op de Kraanmeer stond en daarna achteruit de zijweg weer inreed. Voor de woning van [betrokkene ] aan de Kraanmeer stond een man te bellen. Na de bijna aanrijding met de rode bestelauto lachte de bestuurder van de Audi en ook de man met de telefoon lachte. Vervolgens zag de getuige dat drie auto's uit de richting Erp de kruising overreden zonder te stoppen. 300 tot 400 meter achter deze auto's reed een TNT-bestelauto. De man met telefoon stond nog voor de woning van [betrokkene ]. Toen de TNT-bestelauto de kruising opreed, kwam de Audi A4 met een noodgang de Kraanmeer opgereden. Getuige [getuige 6] zag dat de zwarte Audi de TNT-bestelauto raakte aan de achterzijde en dat de TNT-auto de rechts van de weg gelegen sloot inreed. De Audi sloeg rechtsaf en parkeerde achter de TNT-auto. De man met telefoon stond nog steeds voor de woning van [betrokkene ] en kwam niet naar de plaats van het ongeval. De getuige [getuige 6] ging naar de aldaar wonende [getuige 3], die hem vertelde dat hij had gezien dat de Audi daar al een tijdje had gestaan. De bellende man kwam nog even bij [getuige 6] en [getuige 3] staan en begon over het ongeval, maar verdween korte tijd daarna. [getuige 3] had de man nog aangesproken.

De getuige [getuige 3] heeft op 1 oktober 2009 verklaard dat hij die dag bij thuiskomst ([getuige 3] woont op de hoek van de Kraanmeer bij de betreffende T-kruising) omstreeks 16.50-17.00 uur zag dat bij zijn woning een jongeman tegen een zwarte Audi geleund stond. De auto stond ter hoogte van de eerste boom op de weg met zijn neus in de richting van de hoofdrijbaan. Na 7 à 8 minuten waarschuwde [getuige 6] hem dat er een ongeval was gebeurd. Dezelfde zwarte auto was daarbij betrokken. De getuige [getuige 3] zag een jongeman weglopen en sprak hem aan. Deze vertelde hem dat hij niets met de aanrijding had te maken en dat hij had gebeld zodat ze hem kwamen halen. De man zei desgevraagd dat hij [medeverdachte] heette en uit Nistelrode kwam.

In zijn tweede verklaring op 30 oktober 2009 verklaarde [getuige 3] dat aan de linkerkant van de weg een jongen in de berm stond tussen de heg en het fietspad. Hij sprak na het ongeval de jongen aan. De jonge jongen zei dat hij er niets mee had te maken en dat hij stond te bellen omdat ze hem moesten ophalen. [getuige 3] liep terug naar de plaats van het ongeval, maar bedacht zich. Hij zag de jongen weglopen. Hij sprak de jongen nogmaals aan en vroeg hem zijn naam. De jongen zei: "Ik heet [medeverdachte] uit Nistelrode".

De getuige [getuige 7] heeft op 5 oktober 2009 verklaard dat zij op 1 oktober 2009 tussen 16.45 uur en 16.50 uur van Erp over de Kraanmeer in de richting van Uden reed. Vlak voor de onoverzichtelijke kruising zag zij aan de linkerkant van de weg een jongen op een bank zitten. Zij zag dat de jongen zat te bellen. Zij vond dat vreemd omdat daar nooit iemand zat. Zij reed twee jaar taxi en kwam daar vaak. Ze reed de drempel op en keek naar rechts. Daar zag ze een Audi staan, volgens haar een donkerblauwe auto.

De getuige [getuige 8] heeft op 9 oktober 2009 verklaard dat hij op 1 oktober 2009 omstreeks 16.44 uur van Erp naar Uden reed in een grijze VW Golf. Toen hij de kruising van Kraanmeer naderde, zag hij links van de weg op het fietspad een jongen staan bellen. De jonge jongen had een mobiel in zijn rechterhand en keek de getuige aan en vervolgens keek de jongen meerdere keren een zijstraat naar rechts in. Toen de getuige de kruising opreed, zag hij rechts een zwarte Audi cabrio stilstaan op ongeveer 25 meter van de kruising. Even verderop keerde de getuige zijn auto en reed terug. De kruising is volgens hem onoverzichtelijk, omdat een boerderij het zicht naar rechts belemmert. De Audi en de bellende jongen stonden er nog steeds.

Ook de getuige [getuige 9] heeft op 1 oktober 2009 verklaard dat voor haar woning aan de Kraanmeer omstreeks 17.00 uur een jonge jongen stond te bellen. Ze had gevraagd wat de jongen daar deed. Deze vertelde haar dat hij op een vriend stond te wachten.

Telefoongegevens

Op 1 oktober 2009 te 16.57 uur was er een 112- melding betreffende de aanrijding door [verdachte] met telefoon [telefoonnummer 1]. De stem van [verdachte] werd door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] herkend. [medeverdachte] had op 1 oktober 2009 telefoonnummer [telefoonnummer 2] op zijn naam staan. Volgens verbalisant [verbalisant 3] maakte [medeverdachte] gebruik van de telefoon in de periode rond 1 oktober 2009. Zij herkende zijn stem aan de hand van gesprekken met zijn vader [vader medeverdachte].

De historische printgegevens van [telefoonnummer 1] van [verdachte] zijn bij T-mobile opgevraagd en zijn telefoon werd uitgelezen. [verdachte] en [medeverdachte] hadden blijkens uitgelezen sms-berichten op 1 oktober 2009 viermaal contact en spraken af om elkaar om 15.30 uur te treffen. De rechtbank leidt dat af uit de inhoud van de uitgelezen berichten uit de telefoon van [verdachte], te weten:

1. 12.06.43 uur, uitgaand naar [medeverdachte]: 'Ben om half 4 bij mij dan heh pik';

2. 12.09.30 uur, inkomend van [medeverdachte]: 'Ja dan ben ik er zeker pikse....';

3. 12.10.14 uur, uitgaand naar [medeverdachte]: '..ik zie je straks me maatje luv you';

4. 12.11.20 uur, inkomend van [medeverdachte]: 'Haha oke is goed maatje...'

[verdachte] heeft ter zitting en tegenover de politie verklaard dat dit sms-verkeer betrof tussen hem en [medeverdachte]. Ook hieruit blijkt dat [medeverdachte] op 1 oktober 2009 gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2].

De verklaring van [verdachte] ter zitting dat [medeverdachte] een afspraak had met zijn vader past absoluut niet bij de inhoud van deze berichten en tegenover de politie heeft hij daar niets over verklaard toen hem die sms-berichten werden voorgehouden. De rechtbank schuift zijn verklaring als ongeloofwaardig terzijde.

Uit de analyse van de historische verkeersgegevens blijkt dat de telefoon in gebruik bij [verdachte], te weten [telefoonnummer 1], op 1 oktober 2009 om 16.45:24 uur gedurende 522 seconden (8 minuten en 42 seconden) en om 16.54:10 uur gedurende 141 seconden (2 minuten en 21 seconden) contact had met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] in gebruik bij [medeverdachte]. Om 16.57.11 uur belde [verdachte] 112 om de aanrijding te melden.

Ter zitting zijn de deskundige R.M. van der Knijf van het NFI en de deskundige J. de Bekker van de KLPD gehoord. De deskundigen hebben verklaard dat uit de analyse van de historische verkeersgegevens kan worden afgeleid dat voornoemde contacten tussen de telefoons hebben plaatsgehad en dat ten tijde van die contacten de telefoons zendmasten aanstraalden vanuit een dekkingsgebied waartoe ook de plaats van het ongeval behoorde. Volgens de verklaring van de deskundige Van der Knijf zijn er door hem geen aanwijzingen gevonden die er op duiden dat de telefonische contacten om 16.45:24 en 16.54:10 niet hebben plaatsgevonden. Uit zijn rapport volgt dat uit de verkeersgegevens kan worden afgeleid dat het contact dat aanving om 16.54.10 uur, werd beëindigd 26 seconden voordat de telefoon in gebruik bij [verdachte] contact zocht met het alarmnummer 112.

De eigendom en verzekering Audi A4 Cabriolet:

De getuige [getuige 10], heeft op 27 oktober 2009 verklaard de Audi A4 cabriolet, kenteken [kenteken Audi], te hebben gekocht voor 20.000 euro. Daarna heeft hij de auto verkocht aan zijn jongere broer [medeverdachte], waarbij door zijn broer een Mercedes Benz zou zijn ingeruild. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 10] verklaard dat hij de autopapieren aan zijn broer had meegegeven voordat hij gedetineerd werd.

De getuige [getuige 11], de vriendin van [getuige 10], heeft op 11 november 2009 verklaard dat [getuige 10] de Audi aan [medeverdachte] had gegeven. [medeverdachte] had er een Mercedes op ingeruild en daar moest nog geld bij. [medeverdachte] had geen geld. Volgens haar trokken [verdachte] en [medeverdachte] veel met elkaar op.

Blijkens gegevens van de RDW stond het kenteken van de Audi vanaf 24 september 2009 op naam van [verdachte]. Van 22 februari 2009 tot en met 22 september 2009 stond het kenteken op naam van [getuige 10]. De auto is van 25 februari 2009 tot en met 1 oktober 2009 WA-verzekerd geweest bij Centraal Beheer op naam van [getuige 10]. Vanaf 1 september 2009 heeft [medeverdachte] getracht de auto op zijn naam verzekerd te krijgen, maar dit werd door Centraal Beheer geweigerd. Van 23 september 2009 tot 2 oktober 2009 is de auto WA-verzekerd op naam van [verdachte].

De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte]:

[verdachte] heeft op 4 oktober 2009 verklaard dat de zwarte Audi A4 cabriolet sinds twee weken van hem is. De auto is WA-verzekerd bij Achmea. Hij kocht de auto van een jongen voor € 17.000,--. Over die jongen heeft hij niets te zeggen. Het klopte dat hij met de Audi A4 op de Kraanmeer in Erp was. Die weg kende hij goed en hij wist dat er vaak hard werd gereden. Hij reed die weg in het verleden vaak van Nistelrode naar Helmond. Hij wilde niet zeggen hoe hij in de zijweg van het Kraanmeer was gekomen. Hij wilde niets zeggen over [medeverdachte] of over de laatste keer dat zij contact hadden gehad. [verdachte] verklaarde dat hij vanuit de berm richting de kruising was gereden en linksaf wilde richting Erp. Hij trok op en toen "boem". Net voor het naar links afslaan had hij de TNT-auto met zijn linkervoorzijde geraakt. Hij zag dat de auto begon te slingeren. Hij wilde niet zeggen hoelang hij in de zijweg had gestaan, noch wie er die middag bij hem was. Hij moest wachten op iemand. Hij wilde niet zeggen op wie hij wachtte en hij wist niet hoe laat hij een afspraak had.

Op 9 november 2009 werd [verdachte] geconfronteerd met 6 foto's die in zijn telefoon waren aangetroffen. Op drie van de foto's stond [medeverdachte], terwijl hij in de Audi zat. [verdachte] verklaarde daarop dat het [medeverdachte] was en dat [medeverdachte] in zijn auto had gereden. Het betrof blijkens de datering foto's van 25/26 september 2009. Ook verklaarde [verdachte] dat het kon zijn dat hij met [medeverdachte] een afspraak had op 1 oktober 2009. Hij wist dat de Audi van [getuige 10] was toen hij de auto kocht. Nadat de vier sms'jes aan hem werden voorgehouden, verklaarde [medeverdachte] dat hij niet ontkende dat die berichten tussen hem en [medeverdachte] waren verzonden.

Ter zitting verklaarde [verdachte] dat hij de weg Kraanmeer goed kende en wist dat er voor en na de kruising waarop de aanrijding plaatsvond bomen langs de weg stonden. Hij had de weg vroeger vaak gereden en wist dat er te hard werd gereden. Verdachte heeft eveneens verklaard kort voor de aanrijding met het slachtoffer een bijna-aanrijding te hebben gehad met een rode Volkswagen Caddy. Hij zegt ten slotte dat hij voor de aanrijding met de auto van het slachtoffer linksaf in de richting van Erp wilde rijden.

[medeverdachte] heeft op 28 oktober 2009 verklaard dat [verdachte] een kameraadje van hem was. Op 29 oktober 2009 heeft hij verklaard dat het kon kloppen dat hij met [verdachte] contact had gehad voor een afspraak op 1 oktober 2009.

Overwegingen

Op grond van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 5] stelt de rechtbank vast dat zij als bestuurders van auto's, waarvan de eerste drie komende uit de richting Erp en gaande in de richting Uden, verklaren over een opmerkelijke manoeuvre van een op de T-kruising uit een zijweg komende soortgelijke personenauto als de door [verdachte] bestuurde zwarte Audi A4 cabriolet. Deze ervaring hadden zij op dezelfde T-kruising op dezelfde dag, in een tijdsperiode kort tot zeer kort voor de aanrijding waarbij [slachtoffer] en [verdachte] betrokken waren. [verdachte] heeft eveneens verklaard kort voor de aanrijding met [slachtoffer] een bijna aanrijding te hebben gehad met een rode Volkswagen Caddy.

De rechtbank hecht geloof aan de verklaringen van de getuigen. Van invloed op hun verklaringen door berichten in de media of op het internet is de rechtbank niet gebleken. Bovendien is een aantal getuigen onmiddellijk na de aanrijding gehoord en is het onaannemelijk dat zij op dat moment via de media of het internet informatie hadden vergaard. Hun verklaringen zijn bovendien gedetailleerd en komen waarheidsgetrouw over en de getuigen zijn bij de rechter-commissaris nogmaals gehoord en hebben ook na vragen door de verdediging volhard bij de door hen afgelegde verklaringen. Verdachte bevestigt bovendien ter zitting de bijna-aanrijding met de rode Volkswagen Caddy

De rechtbank is op grond van de getuigenverklaringen van oordeel dat er geen sprake is geweest van een ongelukkig verkeersongeval, maar dat de aanrijding door [verdachte] opzettelijk is veroorzaakt. Binnen een tijdsbestek van naar schatting één kwartier heeft [verdachte] met de door hem bestuurde Audi A4 op dezelfde T-kruising vanuit dezelfde zijweg een aanrijding gehad met de door [slachtoffer] bestuurde bestelauto en bijna aanrijdingen gehad met drie door andere bestuurders gereden auto's. Gelet daarop kan niet meer worden gesproken van toeval of een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar gaat het om een opzettelijk veroorzaakt ongeval. Daarbij komt dat [verdachte] geen verklaring heeft willen geven voor zijn aanwezigheid op de Kraanmeer die dag. Hij heeft geen enkele bijzonderheid willen geven over de afspraak met een persoon op die plaats. De rechtbank vindt dat deze houding veel meer past bij een verdachte die opzettelijk een aanrijding heeft veroorzaakt dan bij een bestuurder die betrokken is geweest bij een zeer ernstig verkeersongeval waaraan hij geen schuld zou hebben gehad. Ten slotte is voor de rechtbank van belang dat uit het rapport van de deskundige Wismans blijkt dat de auto van verdachte ongeveer 45 graden in de richting van Uden, dus rechtsaf, moet zijn afgebogen.

Op grond van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 6], [getuige 9], [getuige 7] en [getuige 8] stelt de rechtbank vast dat kort voor en op het moment van de aanrijding tussen de motorvoertuigen van [verdachte] en [slachtoffer] bij de T-kruising aan de linkerzijde van de hoofdrijbaan Kraanmeer een bellende man heeft gestaan. Uit de verklaring van de getuige [getuige 3], gecombineerd met de gegevens uit de analyse van de historische verkeersgegevens en de door [verdachte] met hem gemaakte afspraak, is dit [medeverdachte] geweest. Tussen 16.44 uur en de 112-melding van [verdachte] om 16.57 uur hebben verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte] 11 minuten telefonisch contact gehad. Zij hebben derhalve bijna onafgebroken in verbinding met elkaar gestaan. Dit was naar het oordeel van de rechtbank nodig omdat de [verdachte] vanuit zijn positie geen zicht had op het verkeer op de hoofdweg van de Kraanmeer uit de richting van Erp gaande in de richting Uden. Uit die omstandigheid en de positie die [medeverdachte] had ingenomen en het bijna voortdurende telefonische contact, leidt de rechtbank af dat het de taak van [medeverdachte] was om [verdachte] in te seinen wanneer hij de T-kruising moest oprijden. In haar oordeel dat [medeverdachte] nauw bij de uitvoering van de opzettelijke aanrijding was betrokken, wordt de rechtbank gesteund door de samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] bij de verwerving en verzekering van de Audi A4. De Audi A4 waarmee de aanrijding is veroorzaakt is door [verdachte] gekocht. De Audi A4 was van [getuige 10], de broer van [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft een Mercedes Benz bij [getuige 10] ingeruild tegen de Audi A4 en heeft getracht de auto op diens zijn naam verzekerd te krijgen. Toen dat niet lukte is het kenteken van de auto op naam van [verdachte] gezet en op zijn naam verzekerd. [medeverdachte] beschikte over de papieren van de auto en reed ook met [verdachte] in de auto.

Naar het oordeel van de rechtbank is er mitsdien bij de uitvoering van de opzettelijke veroorzaakte aanrijding sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte]. Uit de wijze waarop de aanrijding heeft plaatsgevonden blijkt van een planmatige aanpak. [verdachte] was de bestuurder van de auto. De auto stond ook op zijn naam en was op zijn naam verzekerd. [medeverdachte] was onmisbaar om een aanrijding op die plaats met enige kans van slagen te veroorzaken. Zijn rol was van groot belang. [verdachte] had immers totaal geen zicht naar links en [medeverdachte] moest hem tijdig waarschuwen voor aankomend verkeer uit de richting Erp. Tevoren was afgesproken elkaar die dag te treffen en de band tussen beiden en met de auto was sterk.

De rechtbank acht de verklaring van de getuige [getuige 3] geloofwaardig. Hij heeft meteen na het ongeval op de plaats van de aanrijding een politieambtenaar aangesproken en medegedeeld dat de bellende man tegen hem had gezegd [medeverdachte] uit Nistelrode te zijn. Van enige beïnvloeding door derden kan geen sprake zijn en een motief om verdachte [medeverdachte] vals te beschuldigen is geenszins aannemelijk geworden. De omstandigheid dat getuigen bij een Oslo-videoconfrontatie [medeverdachte] niet hebben herkend staat niet in de weg aan het oordeel dat hij wel de bellende persoon is geweest. De omstandigheid dat getuigen [verdachte] niet hebben zien bellen doet ook niet ter zake. [verdachte] had immers de mogelijkheid zijn telefoon die contact had met [medeverdachte] in zijn auto te leggen.

Uit de verklaringen van [verdachte] blijkt dat hij de situatie ter plaatse kende. [medeverdachte] heeft de situatie ter plaatse gezien, zodat ook hij op de hoogte is geweest van de verkeersituatie ter plaatse. Gelet op de omstandigheid dat de plaats van de aanrijding een voor het verkeer vanuit de richting Erp, gaande in de richting Uden onoverzichtelijke T-kruising betrof, dat dit verkeer geen zicht had op de in de zijweg naar rechts geparkeerd staande Audi A4, dat ter plaatse met een snelheid van 60 km/uur mocht worden gereden, dat [verdachte] heeft verklaard dat er vaak hard werd gereden, dat verdachte kort tevoren door een soortgelijke actie werd geconfronteerd met een bestuurder die slechts op een haar na een aanrijding kon voorkomen, dat kort na de T-kruising bomen links en rechts van de weg stonden, dat deze bomen dicht op de weg stonden en dat het een relatief smalle tweebaansweg betrof met tegenliggers en gelet op de omstandigheid dat naar algemene ervaringsregels een bestuurder van een auto die met een snelheid van 60 km/uur van de zijkant door een personenauto wordt aangereden, de controle over het stuur verliest, acht de rechtbank de kans aanmerkelijk dat bij de door [verdachte] opzettelijk veroorzaakte aanrijding de door [slachtoffer] bestuurde auto van de weg zou raken en hard tegen een boom zou botsen. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat de bestuurder daarbij dodelijk letsel oploopt, naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk. De rechtbank vindt daartoe ook steun bij de deskundige Wismans, die deze kans (bij een zijdelingse botsing althans) zelfs groot noemt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte [verdachte] en [medeverdachte] dat ook wisten. Gelet op de hiervoor genoemde feitelijke omstandigheden - dat zijn: de aard van de gedraging, die zeer is gericht op het hier bedoelde gevolg, en de omstandigheden waaronder deze is verricht - kan het niet anders dan dat zij deze kans hebben aanvaard toen zij de aanrijding planden en veroorzaakten. Niet aannemelijk is geworden dat bij hen het inzicht of de aanvaarding van deze aanmerkelijke kans op dit punt ontbrak. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het voorwaardelijk opzet van [verdachte] en [medeverdachte] was gericht op de dood van de bestuurder van de auto waartegen [verdachte] zou aanrijden, te weten [slachtoffer].

Het dodelijk letsel waaraan [slachtoffer] is overleden is, gelet op hetgeen omtrent het opzet is overwogen, in redelijkheid toe te rekenen aan [verdachte] en [medeverdachte]. Het niet dragen van een gordel door [slachtoffer] doorbreekt de causale keten tussen de opzettelijk veroorzaakte aanrijding en de dood van [slachtoffer] niet.

De voorbedachte rade blijkt uit de gedragingen van [verdachte] en [medeverdachte]. [verdachte] heeft driemaal getracht een aanrijding te veroorzaken, waarbij hij werd geholpen door [medeverdachte]. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] heeft gedurende die pogingen op meerdere momenten de gelegenheid gehad zich te bezinnen op het genomen besluit een aanrijding te veroorzaken en van hun voorgenomen plan af te zien. In plaats daarvan hebben zij echter telkens opnieuw getracht een aanrijding te veroorzaken en zij zijn daarin de laatste maal ook geslaagd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 1 oktober 2009 te Erp, gemeente Veghel, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben/is verdachte en/of zijn mededader met dat opzet:

- in de buurt van een T-kruising op de Kraanmeer met een personenauto (merk Audi) gewacht en

- (telefonisch) met elkaar in contact gestaan om elkaar (telefonisch) te waarschuwen op welk moment de auto van die [slachtoffer] genoemde T-kruising dicht genoeg was genaderd en

- verdachte vervolgens met die Audi die T-kruising opgereden

- met de bedoeling met die Audi tegen de auto van die [slachtoffer] aan te rijden en

- het door verdachte bestuurde voertuig (Audi) daarbij tegen de auto van die [slachtoffer] gereden op een moment dat die [slachtoffer] een behoorlijke snelheid had en

- ten gevolge waarvan de door die [slachtoffer] bestuurde auto tegen een boom is gebotst en

- ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

ten aanzien van het primair ten laste gelegde, medeplegen van moord:

* 14 jaar gevangenisstraf onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht

* verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen personenauto van het merk Audi A4, voorzien van het kenteken [kenteken Audi], de daarbij behorende kentekenbewijzen en een mobiele telefoon van het merk Nokia, type N96 met het IMEI-nummer [IMEI-nummer].

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft volledige vrijspraak bepleit en zich niet over de straf uitgelaten.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank let op de aard van wat bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank houdt ook rekening met de ernst van het gepleegde misdrijf in verhouding tot andere strafbare feiten. Daarvoor kijkt de rechtbank naar de maximumstraffen die in de wet staan en naar de straffen die rechters voor een feit als dit opleggen. Ten slotte let de rechtbank op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Op 1 oktober 2009 heeft verdachte met een mededader [slachtoffer] vermoord. Zij hebben zich met een auto en een telefoon bij een onoverzichtelijke kruising geposteerd en hebben het op een aanrijding gemunt gehad. De ene heeft gereden en de ander heeft zijn ogen gevormd, zoals de officier van justitie het heeft verwoord. Drie mensen zijn aan een botsing ontsnapt. De vierde automobilist was [slachtoffer] en hij heeft dat geluk niet gehad. Hij was op het verkeerde moment op de verkeerde plaats: zijn auto werd geramd en hij is tegen een boom gereden. Verdachte en zijn mededader hebben [slachtoffer] zo het belangrijkste en kostbaarste bezit dat hij heeft ontnomen. Zij hebben de nabestaanden en de omgeving daarmee groot leed toegebracht.

De rechtbank denkt met name aan de echtgenote [echtgenote slachtoffer] en de dochters [dochter 1] en [dochter 2]. Uit hun schriftelijke en mondelinge slachtofferverklaring is gebleken hoe onbevattelijk het verlies voor hen is en hoezeer zij hun man en vader missen als mens en bij de dingen van alledag. Ook heeft de rechtbank gedacht aan dorpsbewoners die elkaar kenden. Een verpleegkundige en een brandweerbevelhebber die ter plaatse zijn gekomen, hebben daardoor voor een gestorven bekende gewerkt. Noch tijdens het opsporingsonderzoek noch tijdens de zitting werd ook maar enigszins duidelijk dat verdachte met de nabestaanden heeft meegeleefd. De voor achterblijvers vaak zo belangrijke waaromvraag heeft bij gebrek aan een verklaring van verdachte en zijn mededader geen volledig zeker antwoord gekregen. Gelet op alle feiten en omstandigheden kan echter moeilijk anders worden geconcludeerd dan dat zij op verzekeringspenningen uit zijn geweest. Het motief van eigen financieel gewin heeft aan een medemens het leven gekost.

Verdachte is eerder met het openbaar ministerie en de rechter in aanraking geweest. Het ging toen wel om een relatief beperkt strafblad voor feiten die van heel andere ernst zijn dan waarvoor verdachte nu wordt veroordeeld. De rechtbank heeft ook gelet op de jonge leeftijd van verdachte.

Moord is een van de ernstigste misdrijven die de strafwet kent. Een ander verliest het leven en dit heeft de dader gewild en geweten en hij heeft zich - anders dan bij doodslag - op zijn besluit kalm kunnen beraden. Al kan geen straf het gepleegde misdrijf ongedaan maken, aan moordenaars worden daarom de strengste straffen in het vooruitzicht gesteld. Om reden van vergelding is het naar het oordeel van de rechtbank passend en noodzakelijk om verdachte een gevangenisstraf van de hiernavolgende duur op te leggen. Bij de bepaling van die duur neemt de rechtbank al het voorgaande in aanmerking. Maar van groot belang is ook het volgende. Ten eerste, de moord die verdachte met zijn mededader heeft gepleegd, lijkt niet op andere moordzaken. Het voor moord vereiste kalme beraad op een besluit, gaat meestal - bijvoorbeeld bij een afrekening of een schietpartij met een opgehaald of daarvoor meegebracht wapen - samen met een echt oogmerk op de dood. In dit geval was er echter sprake van - om ter zitting gebruikte woorden aan te halen - een gestoord plan, maar uit niets blijkt de rechtbank dat verdachte en zijn mededader de bedoeling hadden een ander te doden. Al was er kalm beraad, al bedoelden zij een aanrijding te veroorzaken, juridisch handelden zij met de lichtste vorm van opzet op andermans dood. In plaats van de dood echt te beogen, hebben zij, kort gezegd, het aanzienlijke risico daarop bewust op de koop toegenomen. Ten tweede, met de officier van justitie vindt de rechtbank bewezen dat verdachten mededaders zijn. Zij worden daarom ook niet veroordeeld als pleger en medeplichtige, maar als medeplegers van moord. De rechtbank maakt echter wel een onderscheid in rollen. Immers, wanneer de een kijkt en het sein geeft, hoeft de ander nog niet te gaan rijden. Dit rijden is voor de rechtbank een nieuw, strafwaardig en fataal beslismoment. Deze twee factoren - het ontbreken van een bedoeling te doden en een onderscheid in rol - maken dat de rechtbank een lagere gevangenisstraf oplegt dan geëist en de bestuurder anders straft dan de beller. Aan de wettelijke eisen voor een rijontzegging, na afloop van de gevangenisstraf, is voldaan en bij dit feit en deze verdachte past vanuit het oogpunt van vergelding en beveiliging van de samenleving alleen de maximale rijontzegging die een rechter volgens de wet kan opleggen.

De in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen zal de rechtbank verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat dit voorwerpen zijn met behulp van welke het feit is begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 27, 33, 33a, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en

179a van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Medeplegen van moord.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

* Gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

* Verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen goederen, te weten:

- een personenauto van het merk Audi A4 voorzien van het kenteken [kenteken Audi] en

- het bij die auto behorende kentekenbewijs en

- een telefoon van het merk Nokia, type N96, met IMEI-nummer [IMEI-nummer].

* Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van tien jaar, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop deze bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. P.J. Appelhof en mr. F. van Laanen, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 8 oktober 2010.