Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN9482

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
01/839588-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen reden voor bewijsuitsluiting als gevolg van verkeerde vermeldingen van de vindplaats van goederen in dossier. Er kan geen misverstand over bestaan dat goederen in ingegraven tonnetjes in gemeentegrond zijn aangetroffen. Evenmin sprake van onrechtmatige doorzoeking. De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzettelijk een grote hoeveelheid cocaïne, hennep en hasjiesj aanwezig heeft gehad. Verder acht de rechtbank bewezen dat hij drie vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad en dat hij grote geldbedragen heeft witgewassen. De drugs en wapens zijn onder andere aan het hekwerk en onder de grond in het gemeenteplantsoen buiten het perceel van verdachte aangetroffen. Niet is bewezen dat verdachte wist dat het aan het hekwerk aangetroffen geld vals was. Een eerdere langdurige gevangenisstraf heeft verdachte niet weerhouden van het opnieuw plegen van soortgelijke feiten als waarvoor hij nu wordt veroordeeld. De rechtbank legt zeven jaar gevangenisstraf (met aftrek voorarrest) op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839588-09

Datum uitspraak: 06 oktober 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 april 2010, 30 juni 2010 en 22 september 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 maart 2010.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 30 juni 2010 en 22 september 2010 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat (een kopie van de vordering tot wijziging is aangehecht):

1.

hij op of omstreeks 22 december 2009 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 5,377 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, in ieder geval een (grote) hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 B/C van de Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 22 december 2009 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 58,67 kilogram hennep en/of 8,042 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep/hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesh een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Artikel 3 van de Opiumwet)

3.

hij op of omstreeks 22 december 2009 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk vierenvijftig, althans een of meer bankbiljetten van 200 euro (in totaal 10.800 euro) en/of een bankbiljet van 100 euro, dat/die verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij dat/die ontving, bekend was, met het oogmerk om dat/die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

(artikel 209 van het wetboek van strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 22 december 2009, te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen van een of meer voorwerpen, een bedrag van (in totaal) euro 54.875 en/of euro 8.230 althans van (een) (gro(o)t(e)) gelbedrag(en)(telkens) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten dat/die geldbedrag(en) was of wie bovenomschreven geldbedrag(en), (telkens) voorhanden had, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(art 420bis/ter/quater van het Wetboek van strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 22 december 2009 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen drie, althans een of meer (vuur)wapen(s) en/of munitie van categorie II en/of III, te weten vuurwapens en/of (daarbij behorende) munitie, heeft verhandeld en/of overgedragen, althans voorhanden heeft gehad, te weten

- revolver Smith & Wesson, model 638, kaliber .38, betreffende een wapen van categorie II onder 3 (in de zin van art. 1, onder 3, gelet op art. 2 lid 1) en/of

- revolver Herbert Schmidt, model 21, kaliber .22, betreffende een wapen van categorie III onder 1 (in de zin van art. 1, onder 3, gelet op 2 lid 1) en/of

- Pistool Astra, model Cub, kaliber 6.35, betreffende een wapen van categorie III onder 1 (in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1) en/of

- bijbehorende (scherpe) munitie;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art 26 juncto 55 van de Wet Wapens en Munitie)

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging begaan, is onder feit 5 tussen de woorden 'gelet op' en '2 lid 1' (regel 9) het woord 'artikel' weggevallen. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Onjuiste informatie in de processen-verbaal

De raadsvrouwe heeft allereerst aangevoerd dat stelselmatig onjuist in het strafdossier is geverbaliseerd dat zaken die in werkelijkheid op gemeentegrond zijn aangetroffen, op het perceel van verdachte of in de tuin van zijn woning zouden zijn aangetroffen. Het gaat daarbij onder meer om vuistwapens en munitie. Zij verwijst daartoe naar p. 35, 220, 229, 264, 267, 270 en 424. Het gaat daarbij met name over de vindplaats van de ingegraven tonnetjes. De rechtbank wordt daardoor, aldus de raadsvrouwe, op het verkeerde been gezet en er ontstaat een onjuiste perceptie van de feiten. Daarnaast wijst de raadsvrouwe er op dat ten onrechte is aangegeven op p. 35 dat 5671,14 gram coke werd aangetroffen in de woning van verdachte (p. 35 proces-verbaal). Tenslotte voert de raadsvrouwe aan dat de naam van een of meer bij de doorzoeking betrokken verbalisanten niet is vermeld. De raadsvrouwe heeft deze verweren geplaatst in de sleutel van de beoordeling van het bewijs. De rechtbank hecht er echter aan reeds nu op deze verweren in te gaan.

De rechtbank deelt de constatering van de raadsvrouwe dat vindplaatsen van diverse goederen (met name de ingegraven tonnetjes en de daarin aangetroffen goederen) op diverse pagina´s in het dossier soms te algemeen en deels onjuist zijn vermeld. Daar staat echter tegenover dat in de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de doorzoekingen duidelijk wordt gerelateerd dat de ingegraven tonnetjes zijn aangetroffen in de gemeentegrond gelegen naast de tuin van verdachte1, zodat daarover geen misverstand kan bestaan. Voor wat betreft de aangetroffen cocaïne verwijst de rechtbank naar de gebezigde bewijsoverwegingen. De rechtbank is verder niet gebleken van omstandigheden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat in enig proces-verbaal sprake is geweest van (bewuste) misleiding van de rechtbank. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan deze verweren consequenties te verbinden.

Onrechtmatigheid van de doorzoeking

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat bewijs dat vergaard is tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte dient te worden uitgesloten. Zij voert daartoe aan dat de huiszoeking mede is gelast naar aanleiding van CIE informatie inhoudende : [verdachte] verstopt veel criminale zaken zoals drugs en vuurwapens in plastic tonnen achter het hondenhok van zijn woning [adres] te [woonplaats]`. De raadsvrouwe voert in dat kader aan dat de betrouwbaarheid van deze informatie had kunnen worden gecheckt via afgraving van die gemeentegrond alvorens over te gaan tot schending van het huisrecht enkel op basis van CIE-informatie.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De doorzoeking in de woning heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de CIE-informatie zoals hierna onder de vaststaande feiten en meer specifiek het kopje aanleiding onderzoek is weergegeven. Op basis van die concrete CIE-informatie, zeker in samenhang met de uitkomst van het antecedentenonderzoek van verdachte, was sprake van voldoende verdenking als bedoeld in art. 97 van het Wetboek van Strafvordering. Er is niet disproportioneel gehandeld door gelijktijdig de woning en de gemeentegrond te doorzoeken. Er is derhalve geen reden voor bewijsuitsluiting van de bij de doorzoeking in de woning aangetroffen goederen.

Getuigenverzoek

De raadsvrouwe heeft de rechtbank ter zitting verzocht om, indien de meest verstrekkende verweren niet worden gehonoreerd, de volgende getuigen te (doen) horen:

a) [verbalisant 1], brigadier van politie

b) [verbalisant 2], brigadier van politie, danwel een deskundige van het NFI die kan verklaren omtrent vergelijking van cocaïnemonsters.

Ad a) De raadsvrouwe heeft het volgende betoogd. [verbalisant 3], inspecteur van politie, die pas op 20 september 2010 door de rechter-commissaris is verhoord, heeft ten aanzien van de door [verbalisant 1] gemaakte plattegrond (pagina 440 van het PV) verklaard dat de schaal daarvan niet klopt. Volgens [verbalisant 3] zijn de voorwerpen die in het gemeenteplantsoen zijn aangetroffen, vlak bij de uitgang van de familie [verdachte] naar het gemeenteplantsoen aangetroffen, en niet op de plaatsen waar de nummers zijn vermeld. De raadsvrouwe acht het van belang dat [verbalisant 1] wordt gehoord omtrent de precieze vindplaats van de voorwerpen.

De rechtbank toetst het verzoek aan het verdedigingsbelang en niet aan het (strengere) noodzakelijkheidscriterium, aangezien de verdediging reeds geruime tijd geleden om het horen van [verbalisant 3] heeft verzocht, dit verhoor pas kort geleden heeft kunnen plaatsvinden en het nieuwe verzoek voortvloeit uit dit verhoor.

De rechtbank wijst het verzoek af, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad door het afzien van het oproepen van deze getuige. Zowel uit de door [verbalisant 1] opgestelde plattegrond als uit de verklaring van [verbalisant 3] blijkt dat de tonnetjes (aangeduid als voorwerpen 2,3,4,5,6) zijn aangetroffen in het gemeenteplantsoen, bereikbaar vanaf de woning van verdachte en dat deze tonnetjes niet achter het perceel van verdachte, maar achter een of meer buurpercelen begraven lagen. De verdediging heeft erop gewezen dat de grond waarin de tonnetjes zijn aangetroffen, niet alleen vanaf het perceel van verdachte maar onder andere ook eenvoudig vanuit andere percelen bereikbaar was, hetgeen de rechtbank onderschrijft en bij haar oordeel meeweegt. De rechtbank is in het licht hiervan van oordeel dat de exacte afstand tussen de tonnetjes er niet toe doet. In een dergelijk geval is het niet strijdig met het verdedigingsbelang het verzoek tot het oproepen van een getuige af te wijzen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 9 november 2004, Nieuwsbrief Strafrecht 2004, 469).

Ad b) De raadsvrouwe heeft verzocht [verbalisant 2], danwel een NFI deskundige te horen ter verduidelijking van de conclusies van de door het NFI verrichte vergelijkend cocaïne onderzoek.2 Het rapport van 19 juli 2010 is reeds geruime tijd geleden aan de verdediging verstrekt. Het verzoek had redelijkerwijze eerder kunnen worden gedaan en wordt aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat het rapport helder is, dat duidelijk is op welke wijze het NFI tot zijn conclusies is gekomen (namelijk op grond van een vergelijking van de samenstelling op hoofdcomponenten, onzuiverhedenpatroon en oplosmiddelenpatroon) en dat het horen van de genoemde verbalisant of deskundige daarom niet noodzakelijk is.

Vaststaande feiten

Aanleiding onderzoek

Het dossier maakt onder meer melding van het volgende.

Op 16 december 2009 werd van de Criminele Inlichtingen Eenheid van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost een proces-verbaal CIE-informatie ontvangen, nummer 29-047259, met daarin de navolgende informatie. [verdachte] is momenteel in het bezit van gigantisch veel contant geld wat hij onlangs ontvangen heeft voor een drugstransactie medio december 2009. De grote partij geld is door hem verstopt in respectievelijk de woning [adres 2] en [adres 3] en zijn eigen woning [adres] in [woonplaats].

* [verdachte], wonende [adres] in [woonplaats], houdt zich momenteel weer vanuit zijn woning bezig met de kilohandel in cocaïne. De cocaïne die hij verkoopt verstopt hij in de grond rond zijn woning."

Tevens staat in deze CIE-informatie vermeld dat in het pand [adres] in [woonplaats] staat ingeschreven: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] en [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats]. De verstrekte informatie is als betrouwbaar aangemerkt.3

Op 21 december 2009 werd van de Criminele Inlichtingen Eenheid van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost een proces-verbaal CIE-informatie ontvangen, nummer 29-049987, met daarin de navolgende informatie:

* "[verdachte], die gebruik maakt van een blauwe Volkswagen VR6 met het kenteken [kentekennummer 1], verstopt criminele zaken zoals drugs en vuurwapens in plastic tonnen in de gemeentegrond achter het hondenhok van zijn woning [adres] in [woonplaats]. De ex-vrouw van [verdachte] maakt gebruik van een grijze Volkswagen Polo met het kenteken [kentekennummer 2].

* Vader [verdachte] en zijn zonen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zitten samen dik in de harddrugshandel in cocaïne en XTC-pillen, de vuurwapenhandel en de weedproductie en weedhandel. Alledrie zijn ze in het bezit van vuurwapens welke ze met regelmaat bij zich dragen. Ze verdienen met hun handel in drugs en vuurwapens ongeveer € 100.000 per week."

Tevens staat in deze CIE-informatie vermeld dat uit het onderzoek is gebleken dat met [verdachte] wordt bedoeld: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] en met [medeverdachte 1] wordt bedoeld: [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats].

De verstrekte informatie is als betrouwbaar aangemerkt.4

Doorzoeking woning en auto's

Op 22 december 2009 vindt vervolgens een doorzoeking plaats op het perceel [adres] te [woonplaats]. Op dit adres staan verdachte en zijn zoon ([medeverdachte 1]) ingeschreven. De roepnaam van verdachte is [roepnaam verdachte]. De roepnaam van [medeverdachte 1] is [roepnaam medeverdachte 1[.5

In de woning wordt de geur van hennep geroken. Op de zolder wordt een hennepdrogerij aangetroffen. Op de aanwezige droogrekken liggen bloemtoppen van hennepplanten, waarvan wordt gevoeld dat ze droog zijn. De aangetroffen hennep heeft een gezamenlijk gewicht van 41,81 kilogram. De hennep is indicatief getest met de M.M.C. International B.V. Cannabis test en de test reageerde positief op de aanwezigheid van hennep.6 Op zolder staan tevens twee plastic gripzakken met een hoeveelheid gedroogde hennep met een gezamenlijk gewicht van 1,244 kilogram. De hennep is indicatief getest met de M.M.C. International B.V. Cannabis test en de test reageerde positief op de aanwezigheid van hennep.7 Verder wordt op zolder verpakkingsmateriaal met daarin 0,33 gram cocaïne aangetroffen.8 Daar worden ook diverse wapenkoffers aangetroffen. Eén van de wapenkoffers betreft een wapenkoffer van wapenfabrikant Smith & Wesson en bevat een informatiesticker met typenummer 638, kaliber .38 en het serienummer DBF5770.9

In de badkamer wordt in een jas en trainingsbroek in totaal EUR 8.230,- aangetroffen.10

Ter hoogte van de inrit [adres] te [woonplaats] staat een personenauto, Dodge Ram Van.11

In de woning wordt in een jas in de badkamer een portemonnee aangetroffen met daarin de identiteitskaart van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats]. In diezelfde jas worden de sleutels van genoemde Dodge Ram Van aangetroffen.12 Verdachte heeft verklaard dat in de badkamer diverse jassen hingen, waaronder die van hem. In zijn jas zat zijn portemonnee en zijn legitimatiebewijs.13 Bij doorzoeking van de Dodge Ram Van wordt daarin het volgende aangetroffen:

- een kartonnen doos met gedroogde henneptoppen met een gewicht van 3,28 kilogram

- een kartonnen doos met gedroogde henneptoppen met een gewicht van 3,27 kilogram

- een boodschappentas met sealbags gevuld met gedroogde hennep met een totaalgewicht van 7,16 kilogram

- een plastic sealbag met gedroogde henneptoppen met een totaalgewicht van 0,38 kilogram

- een zilvergrijze verpakking gevuld met gedroogde henneptoppen met een totaalgewicht van 1,53 kilogram.

De hennepproducten zijn indicatief getest met de M.M.C. International B.V. Cannabis tests en de test reageerde positief op de aanwezigheid van hennep.

De inbeslaggenomen hennep werd door een verbalisant met jarenlange ervaring in de ambtelijke omgang met hennep herkend aan de uiterlijke kenmerken en de specifieke geur.14

De rechtbank stelt vast dat in de woning [adres] te [woonplaats] en voornoemde Dodge Ram Van in totaal 58,67 kilogram hennep is aangetroffen.15

Tijdens de doorzoeking blijkt naast de woning [adres] te [woonplaats] een personenauto, een grijze Volkswagen Golf met kenteken [kentekennummer 3], geparkeerd te staan. De auto staat op naam van [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1983.16 In de auto wordt een plastic tas aangetroffen met geld in een draagtas. In de plastic tas zitten twee pakketjes geld verpakt in plastic met daarop de tekst "20.000 broertjes", een envelop met daarop de tekst "10.000 Mo" en een envelop met daarop de tekst "4.875 Shuk". Op de vensterbank van de slaapkamer van verdachte wordt een briefje aangetroffen met daarop de tekst "2 x 20.000 broertjes 1 x 10.000 Mo 1 x 4.875 Shuk". In totaal wordt in deze auto een geldbedrag aangetroffen van ruim € 54.875,-.17

Aantreffen goederen aan hekwerk en in gemeenteplantsoen.

Verbalisanten belast met het doorzoeken van het erf met opstallen aan de [adres] te [woonplaats] hebben over de situatie ter plaatse het navolgende gerelateerd. Achter de woning was het erf volledig afgerasterd met zogenaamde bouwhekken geplaatst op voetblokken. De hekken waren vastgekoppeld met metalen klemmen en deels geblindeerd met een groen kunststof doek. Het afgesloten erf kon betreden worden door vanaf de [adres] gezien links langs de woning te lopen. Meteen links van de woning kon het afgesloten erf betreden worden door het openen van een van de hekken die met een kettinkje was vastgemaakt. Rechts op het erf zijn twee hondenverblijven geplaatst tegen de achtermuur van de schuur van de buren. De hondenhokken zijn met een houten schuurtje aan elkaar geschakeld. In het houten schuurtje worden drie lege witte kleine kunststof tonnetjes met rood schroefdeksel aangetroffen. De tonnetjes zijn met zand besmeurd. Achter de hondenhokken was een van de bouwhekken eveneens afgesloten met een kettinkje. Dit hek scharnierde op de muur van de schuur van de buren. Via dit hek hadden verbalisanten toegang tot een stuk gemeenteplantsoen. Links naast het scharnierend hekwerk staan vijf spaden tegen het hekwerk.18 Via het hek was er voor de bewoners eenvoudig toegang tot het gemeenteplantsoen.19

Bij afgraving van het stuk gemeenteplantsoen worden zeven soortgelijke tonnetjes opgegraven als welke in het houten schuurtje werden aangetroffen. Alle tonnetjes zijn verpakt in plastic vuilniszakken of plastic draagtassen. De inhoud van diverse tonnetjes komt hierna aan de orde. Nadat de heg aan de buitenzijde van het hekwerk verwijderd is, blijken aan de bovenzijde van het hekwerk vijf objecten aan de buitenzijde van het hekwerk te hangen: een dichtgeknoopte latexhandschoen en vier plastic pakketten welke met elektriciteitsdraad aan het hekwerk hangen.20 In de latexhandschoen zit 3,23 gram cocaïne.21

Onder de grond wordt een plastic wegwerptas aangetroffen met daarin een wit plastic tonnetje met rood schroefdeksel (SIN: AAAV4295NL) met daarin een revolver, Herbert Schmidt, model 21, kaliber .22, serienummer 709476, geladen met zes patronen .22, en een doosje munitie, 100 stuks scherpe kogelpatronen, kaliber .22.22 Voornoemde revolver betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.23 Deze revolver wordt bemonsterd en naar het NFI ingestuurd voor DNA-onderzoek.24 Van het celmateriaal in de bemonstering van de revolver is een DNA-mengprofiel verkregen waarin de DNA-kenmerken zichtbaar zijn van (minimaal) twee personen. Het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte 1] matcht met het DNA-mengprofiel, maar een zeldzaamheidswaarde van het aangetroffen DNA-profiel kon daarbij vanwege het ontbreken van informatie niet worden vastgesteld.25

Voorts wordt in een vuilniszak een wit plastic tonnetje met rood kunststof schroefdeksel aangetroffen (SIN:AAAV4298NL) met daarin het volgende26:

- een blok cocaïne van 1000 gram;

- een blok cocaïne van 575 gram;

- drie blokjes hasjiesj met een netto totaalgewicht van 293,52 gram;

- een plastic draagtas met zeven plastic zakjes met zogenaamde bolita's inhoudende 99,42 gram + 100,49 gram + 100,04 gram = 299,95 gram cocaïne. De inhoud van de niet door het NFI geteste bolita's reageerde positief op de aanwezigheid van cocaïne met de voorlopige narcoticatest. Het gewicht van deze bolita's bedroeg in totaal 401,18 gram (100,34 gram + 99,65 gram + 101,24 gram + 99,65 gram).

- een plastic draagtas met een blok cocaïne van 760 gram

- een plastic draagtas, met vijf plastic zakjes met bolita's, inhoudende 94,41 gram + 99,3 gram = 193,71 gram cocaïne De inhoud van de niet door het NFI geteste bolita's reageerde positief op de aanwezigheid van cocaïne met de voorlopige narcoticatest. Het gewicht van deze bolita's bedroeg in totaal 298,4 gram (99,8 gram + 99,6 gram + 99 gram).

- een plastic zakje met een bolita van 9,1 gram, een plastic zakje met brokjes met een totaalgewicht van 186,36 gram, een plastic zakje met 357 gram wit poeder, een plastic zakje met 22,47 gram witte brokjes en een plastic zakje van 41,8 gram. De inhoud van de vijf zakjes reageerde positief op de aanwezigheid van cocaïne met de voorlopige narcoticatest;

- 98,78 gram versnijdingsmiddel (bevat fenacetine);

- een pistool, merk Astra, model Cub, kaliber 6.35, betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.27,

- drie stuks munitie, kaliber 6.35.

Dit vuurwapen wordt ook bemonsterd en naar het NFI ingestuurd voor DNA-onderzoek.28 Van het celmateriaal in de bemonstering is een onvolledig DNA-profiel verkregen van een man. Dit onvolledige DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het sporenmateriaal in ongeveer één op 720. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is ongeveer één op 720.29

Tevens wordt aan het hekwerk in een plastic vuilniszak een wit plastic tonnetje met rood kunststof schroefdeksel (SINAAV403NL) aangetroffen met daarin een met scherpe kogelpatronen (kaliber .38) geladen revolver met holster van het merk Smith & Wesson, model 638, kaliber .38, met serienummer DBF5770, zestien scherpe kogelpatronen, kaliber .38 en 82,02 gram cocaïne.30 Voornoemde revolver betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie II onder 3 van de Wet Wapens en Munitie.31

Er worden diverse tonnetjes aangetroffen met daarin doosjes munitie. In één wit plastic tonnetje met kunststof rood schroefdeksel (SIN: AAAV4294NL) worden 16,5 halve pakketten gevonden. In totaal zitten daarin 49 bruine blokjes. Verbalisanten zien en ruiken dat de blokjes gelijkend zijn op hasjiesj. De blokjes hebben een totaalgewicht van 4.820 gram. Uit elk pakket wordt een blokje getest middels een voorlopige narcoticatest en verbalisanten zien dat de kristallen in alle testampullen positief reageerden op de aanwezigheid van vermoedelijk cannabisproducten en/of derivaten daarvan. Vier monsters worden door het NFI positief getest als zijnde hasjiesj.32

In een plastic vuilniszak zit een wit kunststof tonnetje met rood kunststof schroefdeksel verpakt met daarin doosjes munitie en een donkerbruin blokje. Verbalisanten zien en ruiken dat het blokje met een gewicht van 241,79 gram hen bekend voorkomt als gelijkend op hasjiesj. Het blokje test met een voorlopige narcoticatest positief op de aanwezigheid van vermoedelijk cannabisproducten en/of derivaten daarvan.33 In een dichtgeknoopte zwarte plastic vuilniszak worden in totaal acht bruine blokjes aangetroffen welke gelijkend zijn op de eerder genoemde 49 bruine blokjes uit een ander tonnetje. De blokjes hebben een totaalgewicht van 792 gram. Verbalisanten zien en ruiken dat het blokje met een gewicht van 241,79 gram hen bekend voorkomt als gelijkend op hasjiesj. Drie blokjes testen met een voorlopige narcoticatest positief op de aanwezigheid van vermoedelijk cannabisproducten en/of derivaten daarvan. Eén van de blokjes wordt bemonsterd en door het NFI positief getest als zijnde hasjiesj.34

In een dichtgeknoopte zwarte plastic vuilniszak met daarin een wegwerptasje wordt een blok cocaïne van 986,58 gram aangetroffen.35 Voorts zitten in de tas 103,01 gram crèmekleurige brokken en 99,9 gram crèmekleurige brokken met poeder, welke met een voorlopige narcoticatest positief reageren op de aanwezigheid van cocaïne.36

Op 30 juni 2010 stellen verbalisanten een onderzoek in aan de achterzijde van het woonwagenkamp liggend aan de [adres] te [woonplaats]. Zij constateren vanuit het gemeenteplantsoen aan de achterzijde van het woonwagenkamp dat ter hoogte van het pand nummer [nummer], in de buitenmuur van de schuur/garage een gat heeft gezeten van ongeveer 40 cm bij 60 cm en dat het gat thans is dichtgesmeerd met cement.37

De bewijsbeslissing

De goederen aan het hekwerk en in het gemeenteplantsoen

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte alle aan het hekwerk en in het gemeentegrond gevonden illegale goederen (opzettelijk) aanwezig/voorhanden heeft gehad.

Verdachte ontkent betrokkenheid bij de hem tenlastegelegde feiten en beroept zich voor het overige op zijn zwijgrecht. De verdediging heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het opzettelijk aanwezig / voorhanden hebben van de aan het hekwerk en in het gemeenteplantsoen aangetroffen goederen. Wat betreft het DNA op de latex handschoen (waarin 3,23 gram cocaïne is aangetroffen) voert de verdediging aan dat een door verdachte gebruikte handschoen gemakkelijk uit de vuilcontainer kan zijn gepakt en daarna door een ander zijn gebruikt om cocaïne te bewaren, en dat de aangetroffen cocaïne gebruiksvoorraad van verdachte kan zijn. De DNA-match met het Astra-pistool acht de verdediging van onvoldoende waarde, gelet op de zeldzaamheidswaarde van 1 op 720. De verdediging heeft benadrukt dat de aangetroffen goederen ook door anderen in de grond en aan het hekwerk kunnen zijn verstopt. Daarbij is ook gewezen op de mogelijkheid dat andere bewoners van het kamp, die volgens verdachte ook criminele antecedenten hebben, de goederen al dan niet via het gat in de muur in het gemeenteplantsoen hebben verstopt. Alternatieve mogelijkheden zijn volgens de verdediging onvoldoende onderzocht.

De rechtbank onderkent dat het gemeenteplantsoen waarin een deel van de tonnetjes is aangetroffen, ook voor anderen dan verdachte toegankelijk is. De verdediging heeft in dit verband terecht aandacht voor het gat in de muur gevraagd. Dit gat was blijkens de ter zitting getoonde beelden van You Tube ten tijde van de doorzoeking reeds afgetimmerd en is inmiddels dichtgemetseld, maar in een bepaalde periode was het gemeenteplantsoen dus eenvoudig en heimelijk toegankelijk voor buren van verdachte. Ontlastend voor verdachte is verder dat op twee munitiehouders vingerafdrukken zijn aangetroffen die niet met de vingerafdrukken van verdachte of zijn medeverdachten overeenkomen.38 Dat de munitiehouders door (een) ander(en) dan verdachte zijn gehanteerd, sluit zijn betrokkenheid bij die munitie overigens niet uit.

Tegenover de ontlastende feiten en omstandigheden staan de volgende feiten en omstandigheden die duiden op een mogelijk verband tussen verdachte en de goederen aan het hekwerk en in het gemeenteplantsoen.

- Verdachte had tonnetjes in zijn schuur, waarbij aan de buitenzijde van de tonnetjes zand zat. De tonnetjes vertonen overeenkomsten met de tonnetjes die aan het hekwerk en in de grond zijn aangetroffen. Het gaat om witte kunststof tonnetjes, met rode schroefdeksels, met vier handvatten/uitsteeksels op dezelfde plaats op de deksels.39 De rechtbank heeft geen verschillen gezien tussen de tonnetjes waarin de illegale goederen zijn aangetroffen en de tonnetjes die verdachte in zijn schuur had en de verdediging heeft ook niet op enige verschillen gewezen.

- Verdachte heeft in het verleden cocaïne onder de grond begraven,40 terwijl in de op 22 december 2009 gevonden tonnetjes ook onder meer cocaïne verpakt zat.

- Vanuit het perceel van verdachte was er via een scharnierend hekwerk eenvoudig toegang tot het gemeenteperceel en de plaats waar de tonnetjes waren begraven.

- Op het perceel van verdachte stonden naast het scharnierend hekwerk vijf spaden.

- De pakketten die aan het hekwerk hingen, waren vanaf het perceel van verdachte te bereiken. Op het perceel waakte een hond die alleen naar een aantal familieleden van verdachte luisterde en anderen verjoeg. Achter het hekwerk met de daaraan bevestigde pakketten bevond zich een dichte haag van bomen/struiken, die ook in de winter blad droegen.41 Na bestudering van het filmmateriaal waarop de haag te zien is, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verstopplaats aan het hekwerk niet of nauwelijks vanaf de buitenzijde van de haag zichtbaar en bereikbaar was.

- De handschoen die aan het hekwerk hing, waarin cocaïne zat, is aan binnen- en buitenzijde bemonsterd. Van de beide bemonsteringen zijn met elkaar matchende DNA-profielen van een man verkregen. Dat leverde een DNA-match met verdachte (en niet met de medeverdachten) op. De berekende frequentie van het aangetroffen DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit profiel is dus kleiner dan 1 op 1 miljard.

- DNA afkomstig van het Astra pistool, afkomstig uit een van de opgegraven tonnetjes, matchte met dat van verdachte (en niet met de medeverdachten). De berekende frequentie is 1 op 720. De kans dat het DNA- profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is dus ongeveer 1 op 720.

- Uit het NFI-onderzoek waarin monsters van de aangetroffen cocaïne met elkaar zijn vergeleken, komt naar voren dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de op de zolder van verdachte aangetroffen brokjes cocaïne en het cocaïnemonster afkomstig van een tonnetje aan het hekwerk beide uit dezelfde productiebatch afkomstig zijn dan dat deze uit verschillende productiebatches komen. Voorts blijkt uit het NFI-onderzoek dat veel waarschijnlijker is dat de op zolder aangetroffen cocaïne en de cocaïne afkomstig uit een van de opgegraven tonnetjes een gemeenschappelijke herkomst hebben dan dat deze een verschillende herkomst hebben.42

- Het serienummer van de Smith & Wesson revolver (DBF5770) die in een van de tonnetjes aan het hekwerk is aangetroffen komt overeen met het serienummer vermeld op de Smith & Wesson wapenkoffer die op zolder van verdachte is aangetroffen. Dit serienummer is volgens getuige [verbalisant 3], inspecteur van politie, uniek.43 Dit wordt door de verdediging niet weersproken.

De mogelijke verklaringen die de verdediging voor de belastende feiten en omstandigheden heeft gegeven, acht de rechtbank niet aannemelijk. De verdediging heeft de mogelijkheid geopperd dat de handschoen waarop verdachtes DNA is aangetroffen, eerst door hem is gebruikt en daarna door een ander uit de vuilniscontainer is gepakt. De rechtbank merkt daarover op dat alleen DNA dat matcht met verdachte op de handschoen is aangetroffen en geen spoor dat duidt op gebruik door een ander. Verder acht de rechtbank het uiterst onwaarschijnlijk dat een ander een door verdachte gebruikte handschoen uit een container vist en vervolgens op een niet of nauwelijks bereikbare plaats achter verdachtes woning hangt. De verdediging heeft ook aangevoerd dat de cocaïne in de handschoen verdachtes gebruiksvoorraad kan zijn, zonder dat dit samenhangt met de overige aangetroffen goederen. Als het om verdachtes gebruiksvoorraad gaat, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onwaarschijnlijk dat verdachte niet betrokken is bij de overige pakketten die op dezelfde van buiten niet of nauwelijks toegankelijke verstopplaats aan het hekwerk zijn aangetroffen. Wat betreft de Smith & Wesson wapenkoffer heeft verdachte verklaard dat hij deze jaren geleden leeg op een markt gekocht heeft, maar ter zitting heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat verdachte haar onlangs heeft verteld dat hij deze wapenkoffer van een van zijn buren heeft gekregen. Verdachte heeft zelf ter zitting geen verklaring hierover willen afleggen. De door of namens verdachte gegeven - onderling met elkaar strijdige - verklaringen acht de rechtbank ongeloofwaardig.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, indien zij tot een bewezenverklaring komt, verdachte alleen te veroordelen voor het bezit van de goederen waarvoor hard bewijs in de vorm van bijvoorbeeld DNA aanwezig is en hem van het overige vrij te spreken. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. Gelet op de hierboven opgesomde feiten en omstandigheden en de grote economische waarde van de verstopte drugs acht de rechtbank het volstrekt onwaarschijnlijk dat een ander, geheel buiten verdachte om, op dezelfde plaatsen (aan het hekwerk en in het gemeenteplantsoen achter de [adres]) en op dezelfde wijze verpakt (in de wit met rode plastic tonnetjes, in plastic verpakt) illegale goederen zou verstoppen, met het risico deze goederen bij ontdekking aan verdachte kwijt te raken.

De rechtbank weegt al het voorgaande tegen elkaar af en komt tot de volgende conclusie. In onderlinge samenhang wijzen de hierboven genoemde feiten en omstandigheden zo sterk op betrokkenheid van verdachte bij de aan het hekwerk en in het gemeenteplantsoen verstopte goederen, dat de rechtbank op grond daarvan bewezen acht dat verdachte deze goederen opzettelijk aanwezig / voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van feit 1 (cocaïne)

Uit het dossier blijkt dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte, aan het hekwerk en in het gemeenteplantsoen de volgende hoeveelheden witte poeder zijn aangetroffen, die blijkens NFI onderzoek, danwel volgens de door de politie uitgevoerde voorlopige narcoticatests cocaïne bevatten:

1000 gram + 575 gram + 299,95 gram + 401,18 gram + 760 gram + 193,71 gram + 298,4 gram + 9,1 gram + 186,36 gram + 357 gram + 22,47 gram + 41,8 gram + 82,02 gram + 3,23 gram + 0,33 gram = 4,230 kilogram.

Dat het in al deze gevallen daadwerkelijk om cocaïne ging, is niet door de verdediging weersproken. Gelet op de resultaten van de NFI-onderzoeken en de voorlopige narcoticatests gaat de rechtbank daar ook van uit.

In de tenlastelegging wordt een grotere hoeveelheid genoemd (5,377 kilogram), die kennelijk ontleend is aan pagina 242 van het PV en een aanvullend proces-verbaal waarin deze hoeveelheid ook staat genoemd, maar waarin de daaraan ten grondslag liggende berekening niet is terug te vinden.

De rechtbank heeft in het voorgaande uiteengezet waarom zij van oordeel is dat verdachte niet alleen de in zijn woning aangetroffen cocaïne, maar ook de cocaïne aan het hekwerk en in het gemeenteplantsoen verstopt, opzettelijk aanwezig heeft gehad. Op grond van die overwegingen en op grond van de vaststaande feiten voor zover deze betrekking hebben op de cocaïne, acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 22 december 2009 4,230 kilogram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 2 (hennep/hasjiesj):

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte 58,67 kilo hennep in bezit had en 6,147 kilo hasjiesj.

De rechtbank overweegt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder de vaststaande feiten is gerelateerd, het volgende.

Een deel van de hennep (43,054 kilogram) wordt aangetroffen op de zolder van de woning van verdachte, waar ook [medeverdachte 1] vaak verbleef, die op de hoogte was van het drogen van hennep.44 Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij deze hennep niet voor zichzelf hield, maar dat doet aan zijn bezit niet af. Het andere deel van de hennep bevindt zich in de Dodge Ram Van die ter hoogte van de inrit van de [adres] staat geparkeerd. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat deze auto niet van hem is, maar de sleutels van deze auto worden aangetroffen in een jas in de badkamer waarin zich ook de portemonnee en de identiteitskaart van verdachte bevindt. De rechtbank houdt het er voor dat het hier de jas van verdachte betreft temeer nu verdachte zelf heeft verklaard dat in de badkamer diverse jassen hingen, waaronder die van hem en dat in zijn jas zijn portemonnee en zijn legitimatiebewijs zaten.45 Dit leidt tot de conclusie dat deze auto bij verdachte in gebruik was en dat de erin aangetroffen goederen in bezit waren van verdachte.

Zoals hiervoor onder de vaststaande feiten gerelateerd, wordt in de diverse aangetroffen tonnetjes en in een zwarte plastic vuilniszak hasjiesj aangetroffen, in totaal voor 6,146 kilo.46

De rechtbank acht dan ook, mede onder verwijzing naar hetgeen in het voorgaande omtrent de aan het hekwerk en in het gemeenteplantsoen aangetroffen goederen is overwogen, bewezen dat verdachte 58,67 kilo hennep in bezit had en 6,146 kilo hasjiesj. Voor het gedeelte dat op de zolder is aangetroffen (43,054 kilogram hennep), geldt dat er sprake is van medeplegen.

Ten aanzien van feit 3 (vals geld)

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte vals geld in voorraad had en dat hij dat wist, gelet op de hoeveelheid, de locatie waar de biljetten zijn aangetroffen en het ontbreken van een verklaring van verdachte voor de aanwezigheid en/of herkomst van deze biljetten.

De raadsvrouwe van verdachte heeft aangevoerd dat er met het DNA op de latex handschoen en het zeer onvolledige DNA op het pistool - beide eveneens aangetroffen buiten aan het hek - onvoldoende bewijs is dat deze biljetten van verdachte waren.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte wist dat hij voor een bedrag van € 10.800,- aan valse bankbiljetten in voorraad heeft gehad. Deze biljetten zijn weliswaar aangetroffen aan de buitenzijde van de omheining rond de tuin van [adres], maar enig bewijs dat verdachte bij ontvangst van de biljetten wist dat het om vals geld ging ontbreekt. Niet uit te sluiten valt dat verdachte niet wist dat het geld vals was. Hieruit volgt dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 (witwassen):

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte een bedrag van € 8.230,-- aanwezig had, terwijl hij wist dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig was. De officier van justitie vraagt vrijspraak van het tenlastegelegde bedrag ad € 54.875.

De raadsvrouwe voert aan dat verdachte ten aanzien van het in de badjas aangetroffen geld een volkomen geloofwaardige verklaring heeft afgelegd inhoudende dat hij dat geld van zijn zoon [medeverdac[medeverdachte 1] had ontvangen. Het in de Volkswagen Golf aangetroffen geld kan afkomstig zijn uit legitieme werkzaamheden van zijn zoon [medeverdac[medeverdachte 1]. Zij concludeert tot vrijspraak voor beide geldbedragen.

De rechtbank overweegt als volgt:

Ten aanzien van het geldbedrag ad € 8.230,--

Bij de huiszoeking in de woning van verdachte is in de badkamer in een jas en trainingsbroek in totaal € 8.230,- aangetroffen.47

Verdachte heeft verklaard dat hij mogelijk geld in zijn trainingsbroek heeft zitten. Verder heeft hij verklaard dat hij van zoon [medeverdac[medeverdachte 1] contant een groot geldbedrag (zo´n € 3.000,--) heeft gekregen en dat hij dit geld in zijn jas in de badkamer heeft opgeborgen. Verdachte dacht dat dat geld afkomstig was uit de autohandel.48

De verklaring van verdachte dat hij een groot bedrag van zijn zoon [medeverdachte 1] had gekregen, komt de rechtbank volstrekt onwaarschijnlijk voor. Die verklaring vindt geen steun in een verklaring van zijn zoon [medeverdachte 1] en er is evenmin enige verifieerbare informatie over een mogelijke legale herkomst van dit bedrag.

Ten aanzien van het bedrag ad € 54.875,--

Tijdens de doorzoeking blijkt naast de woning [adres] te [woonplaats] een personenauto, een grijze Volkswagen Golf met kenteken [kentekennummer 3], geparkeerd te staan. De auto staat op naam van [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1983.49 In de woning van verdachte zijn de autosleutels van de betreffende Golf aangetroffen.50 In de auto wordt een plastic tas aangetroffen met geld in een draagtas. In de plastic tas zitten twee pakketjes geld verpakt in plastic met daarop de tekst "20.000 broertjes", een envelop met daarop de tekst "10.000 Mo" en een envelop met daarop de tekst "4.875 Shuk". Op de vensterbank van de slaapkamer van verdachte wordt een briefje aangetroffen met daarop de tekst "2 x 20.000 broertjes 1 x 10.000 Mo 1 x 4.875 Shuk". In totaal wordt een geldbedrag aangetroffen van ruim € 54.875,-.51

Ter zitting heeft de voorzitter van de rechtbank als waarneming van de rechtbank vermeld dat het handschrift van het op de slaapkamer van verdachte aangetroffen briefje grote overeenkomst vertoont met het handschrift van de gelijkluidende teksten in de auto. Verdachte heeft ook op dit punt geweigerd een verklaring af te leggen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte dit geldbedrag voorhanden heeft gehad. De enkele omstandigheid dat de auto op naam staat van [medeverdachte 1] en ook hoofdzakelijk door hem gebruikt wordt doet daar niet aan af.. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding om ten aanzien van het in de auto aangetroffen geldbedrag bewezen te verklaren dat verdachte dit geldbedrag tezamen en in vereniging met een ander aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van beide geldbedragen

De rechtbank stelt voorop dat bij verdachte, zoals uit de bewezenverklaring ter zake andere feiten volgt, aanzienlijke hoeveelheden hennep en cocaïne zijn aangetroffen. Gelet op de hoeveelheden drugs mag aangenomen worden dat er ook handel in deze drugs plaatsvindt. Het is een feit van algemene bekendheid dat met deze handel grote hoeveelheden contant geld gepaard gaan. Verdachte verklaart geen inkomen te hebben en over weinig geld te beschikken52, zodat een legale herkomst van een dergelijk bedrag kan worden uitgesloten. De rechtbank acht derhalve bewezen dat beide geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte wist dat dit geld van misdrijf afkomstig was.

Ten aanzien van feit 5 (wapens en munitie)

Op grond van de overwegingen omtrent de goederen die aan het hekwerk en in het gemeenteplantsoen waren verstopt, in samenhang met de vaststaande feiten omtrent de bij de doorzoeking aangetroffen wapens en munitie, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 22 december 2009 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 4,230 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 22 december 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 43,054 kilogram hennep en alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 15,62 kilo hennep en alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 6,146 kilogram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesh een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

op 22 december 2009, te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, een bedrag van in totaal euro 54.875 en alleen een bedrag van euro 8.230 voorhanden had, terwijl hij wist, dat die geldbedragen- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

5.

op 22 december 2009 te Eindhoven, drie (vuur)wapens en munitie van categorie II en III,

te weten onderstaande vuurwapens en daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad,

- revolver Smith & Wesson, model 638, kaliber .38, betreffende een wapen van categorie II onder 3 (in de zin van art. 1, onder 3, gelet op art. 2 lid 1) en

- revolver Herbert Schmidt, model 21, kaliber .22, betreffende een wapen van categorie III onder 1 (in de zin van art. 1, onder 3, gelet op 2 lid 1) en

- Pistool Astra, model Cub, kaliber 6.35, betreffende een wapen van categorie III onder 1 (in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1).

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 t/m 5 een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar geëist, met aftrek van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft een lagere straf bepleit, onder verwijzing naar de veel kortere gevangenisstraf die in 2001 voor vergelijkbare feiten aan verdachte is opgelegd. De verdediging heeft verder bepleit dat gelet op verzuimen in het opsporingsonderzoek strafvermindering dient plaats te vinden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank ten bezware van verdachte in het bijzonder rekening houden met de uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden dat verdachte terzake van strafbare feiten soortgelijk aan de door hem gepleegde feiten blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie reeds eerder werd veroordeeld, te weten in 2006 en 2001. De veroordeling in 2001 betrof een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, maar deze forse straf heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen.

Verdachte heeft grote hoeveelheden (hard)drugs aanwezig gehad, terwijl van algemene bekendheid is dat die verdovende middelen grote gevaren opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan en die gebruikers hun drugsgebruik veelal door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Voorts heeft verdachte een groot geldbedrag witgewassen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 3.

De rechtbank zal in de strafmaat niet het op de dagvaarding ad informandum vermelde feit meewegen, omdat verdachte ter terechtzitting heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. Voor een vermindering van de straf op grond van verzuimen in het opsporingsonderzoek acht de rechtbank geen aanleiding. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen blijkt immers niet van verzuimen die zulks rechtvaardigen.

Beslag.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen als volgt gevorderd:

- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen op de beslaglijst genummerd 1, 8, 23 t/m 28;

- onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen op de beslaglijst genummerd 10, 11, 12, 15 t/m 18, 22, 29, 32, 33, 34a t/m 41b;

- teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen goederen op de beslaglijst genummerd 3 t/m 7, 13, 14, 30 en 31;

- handhaving van het beslag op de voorwerpen op de beslaglijst genummerd 19 t/m 21.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn die aan de veroordeelde toebehoorden of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten zijn verkregen dan wel met betrekking tot welke de feiten zijn begaan.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan, dan wel die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd dan wel die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

De rechtbank neemt geen beslissing op de voorwerpen op de beslaglijst genummerd

19 t/m 21, nu de officier van justitie daarvan heeft aangegeven dat het beslag

gehandhaafd dient te worden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 2, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart hetgeen aan verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 4:

medeplegen van witwassen en witwassen

T.a.v. feit 5:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en

het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en

het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen

gepleegd, en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie,

meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 4, feit 5:

* Gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;

* Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: de goederen vermeld op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst onder de nummers 1, 8, 23 t/m 28;

* Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: de goederen vermeld op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst onder de nummers 10, 11, 12, 15 t/m 18, 22, 29, 32, 33, 34a t/m 41b;

Teruggave inbeslaggenomen goederen

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de goederen vermeld op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deeluitmakende beslaglijst onder de nummers 3 t/m 7, 13, 14, 30 en 31 aan verdachte.

De rechtbank neemt geen beslissing op de voorwerpen op de beslaglijst genummerd

19 t/m 21, nu de officier van justitie daarvan heeft aangegeven dat het beslag

gehandhaafd dient te worden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F.M. Pols, voorzitter,

mr. P.P.M. Rousseau en mr. Ch. Dunnewijk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans-Jongeneelen, griffier,

en is uitgesproken op 6 oktober 2010.

De griffier is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie onder meer het proces-verbaal van bevindingen p. 232 t/m 238 en het proces-verbaal van bevindingen p.438 t/m p.441

2 NFI rapport van 19 juli 2010, Vergelijkend cocaïne onderzoek, NFI zaaksnummer 2010.01.12.033.

3 Eind proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie recherche, met dossiernummer 221909106, afgesloten op 18 maart 2010 (hierna verder genoemd PV), proces-verbaal CIE-informatie d.d. 16 december 2009, p. 50.

4 PV, proces-verbaal CIE-informatie d.d. 21 december 2009, p. 52-53.

5 PV, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 december 2009, p 553, proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 21 januari 2010,, p. 642. Verklaring van verdachte ter zitting van 22 september 2010.

6 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 25 januari 2010, p. 132-140 met bijlagen, PV, proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 22 december 2009, p. 553-555.

7 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 25 januari 2010, p. 132-140 met bijlagen en proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 431.

8 Proces-verbaal Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie Recherche, Forensisch Technische Ondersteuning, (hierna: PV FTO) en PV, p 448.

9 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 10 februari 2010, p. 244-249.

10 PV, kennisgeving van inbeslagneming, p. 445 e.v.

11 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 25 januari 2010, p. 132-140 met bijlagen.

12 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 24 december 2009, p. 173.

13 PV, proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 23 december 2009, p. 556-561.

14 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 25 januari 2010, p. 132-140 met bijlagen.

15 Totaalgewicht aangetroffen hennep: 41,81 + 1,244 + 3,28 + 3,27 + 7,16 + 0,38 + 1,53 = 58,67 kilogram.

16 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 10 februari 2010, p. 244-249.

17 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 24 december 2009, p. 449, eigen waarneming rechtbank foto's p. 451-453 en bijlage inbeslaggenomen d.d. 22 december 2009, p. 454.

18 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 238-243.

19 PV, proces-verbaal verhoor [getuige] d.d. 23 december 2009, p. 537-575 en verklaring verdachte ter zitting van 22 september 2010.

20 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 238-243.

21 PV FTO d.d. 23 december 2009, NFI-rapport d.d. 24 maart 2010; daar waar in het vervolg sprake is van cocaine zonder vermelding van enige test wordt telkens bedoeld positief op cocaine getest materiaal als vermeld in het NFI-rapport d.d. 24 maart 2010.

22 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 238-243 en PV FTO d.d. 23 december 2009.

23 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 21 januari 2010, p. 267-277.

24 PV FTO d.d. 23 december 2009 en aanvullend proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4], proces-verbaalnummer 221909106, opgemaakt, gesloten en ondertekend d.d. 31 augustus 2010.

25 Rapport NFI d.d. 19 maart 2010 en PV, proces-verbaal d.d. 29 december 2009, p. 623-624.

26 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 238-243, PV FTO d.d. 23 december 2009, NFI-rapport d.d. 24 maart 2010 en Aanvullend eind proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie recherche, d.d. 6 april 2010.

27 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 21 januari 2010, p. 270-271.

28 PV FTO d.d. 23 december 2009 en aanvullend proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4], proces-verbaalnummer 221909106, opgemaakt, gesloten en ondertekend d.d. 31 augustus 2010.

29 Rapport NFI d.d. 19 maart 2010 en PV, proces-verbaal d.d. 23 december 2009, p. 551-552.

30 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 238-243, PV FTO d.d. 23 december 2009, NFI-rapport d.d. 24 maart 2010 en Aanvullend eind proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, divisie recherche, d.d. 6 april 2010, p. 26.

31 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 21 januari 2010, p. 264-265.

32 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 238-243, PV FTO d.d. 23 december 2009, NFI-rapport d.d. 24 maart 2010.

33 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 238-243, PV FTO d.d. 23 december 2009.

34 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 238-243, PV FTO d.d. 23 december 2009, NFI-rapport d.d. 24 maart 2010.

35 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 238-243, PV FTO d.d. 23 december 2009, NFI-rapport d.d. 24 maart 2010.

36 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 23 december 2009, p. 238-243, PV FTO d.d. 23 december 2009.

37 Aanvullend proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 5], [verbalisant 3], [verbalisant 6], opgemaakt, gesloten en ondertekend d.d. 1 juli 2010.

38 Proces-verbaal van sporenonderzoek van 23 maart 2010.

39 Pagina 239 PV, foto's op CD-rom aangeleverd, waarneming rechtbank en verklaring verdachte ter zitting van 22 september 2010.

40 Verklaring verdachte ter zitting van 22 september 2010.

41 Ten aanzien van de dichtheid van de haag pagina 239 PV, ter zitting vertoond fragment van YouTube (bestand aan dossier toegevoegd). Ten aanzien van de hond: Verklaring [getuige] p 756, verklaring verdachte ter zitting van 22 september 2010.

42 NFI rapport van 19 juli 2010, Vergelijkend cocaïne onderzoek, NFI zaaksnummer 2010.01.12.33.

43 Proces-verbaal van verhoor van getuige [verbalisant 3] bij de rechter-commissaris d.d. 20 september 2010.

44 PV, proces-verbaal verhoor verdachte pp. 557 en 653.

45 PV, proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 23 december 2009, p. 556-561.

46 293,52 + 4,820 + 241,79 +792 gram = 6,146 kilogram; idem: Proces-verbaal van aanvulling d.d. 23 mei 2010

47 PV, kennisgeving van inbeslagneming, p. 445 e.v. met name p. 447.

48 PV, proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 23 december 2009, p. 556-561.

49 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 10 februari 2010, p. 244-249.

50 PV, relaas proces-verbaal, p. 20 (doorgenummerd in het strafdossier)

51 PV, proces-verbaal bevindingen d.d. 24 december 2009, p. 449, eigen waarneming rechtbank foto's p. 451-453 en bijlage inbeslaggenomen d.d. 22 december 2009, p. 454.

52 PV, proces/verbaal verhoor van verdachte d.d.22 december 2009, p. 554.