Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN8662

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2010
Datum publicatie
05-10-2010
Zaaknummer
01/839025-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:5359, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld in vereniging.

Verdachte heeft bij de politie bekend en de medeverdachte heeft verdachte bij de politie als mededader aangewezen. Ter zitting heeft verdachte ontkend. De rechtbank heeft twijfels over de juistheid van de bekennende verklaring van verdachte bij de politie. Voorts kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid uitsluiten dat de mededader iemans anders dan verdachte buiten schot probeert te houden. Te veel twijfel over de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde overval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839025-10

Datum uitspraak: 04 oktober 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 september 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 april 2010.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 januari 2010 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres] heeft

weggenomen een tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan

en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor

te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad

aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij en/of zijn mededader(s) met

hantering/gebruik making van een wapen (Bibigun)

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben vastgepakt en/of (vervolgens) de woonkamer/woning

in geduwd; en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben aangevallen, althans vastgepakt; en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt en/of geslagen; en/of

- die [slachtoffer 1] met een op een vuurwapen gelijkend (hard)voorwerp/een wapen

(Bibigun), tegen de zij/het lichaam heeft/hebben geprikt/geduwd; en/of

- die [slachtoffer 2] (tegen de borst/ het lichaam) heeft/hebben geschopt; en/of

- die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd dat zij geld wilden hebben;

Tengevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan staat in de regels 5 en 8 "[slachtoffer 2]" vermeld in plaats van "[slachtoffer 2]". De rechtbank herstelt deze schrijffout en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 3 januari 2010 hebben twee personen de woning aan de [adres] te Mierlo overvallen. In de woning waren twee bejaarde personen aanwezig, mevrouw [slachtoffer 2] en de heer [slachtoffer 1]. Er is aangebeld. Mevrouw [slachtoffer 2] werd nadat zij de deur had geopend vastgepakt en gedwongen naar de woonkamer te lopen. De heer [slachtoffer 1] heeft de overvaller die mevrouw [slachtoffer 2] vast had in zijn gezicht geslagen. De heer [slachtoffer 1] is ten val gekomen. Bij de daarop volgende schermutselingen heeft mevrouw [slachtoffer 2] een van de overvallers met een koperen ketel op het hoofd geslagen. De overvallers zijn gevlucht. Bij het verlaten van de woning heeft een van de overvallers uit de hal een weekendtas weggenomen die toebehoorde aan de heer [slachtoffer 1].

Eén van de daders is [mededader], die een bekennende verklaring heeft afgelegd, en door de rechtbank voor zijn betrokkenheid bij de overval onherroepelijk is veroordeeld.

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de verdediging verschillen van mening over de vraag of verdachte bij de overval is betrokken. De officier van justitie acht de ten laste gelegde afpersing bewezen en baseert zich op de bekennende verklaring die verdachte op het politiebureau heeft afgelegd en op de verklaring van [mededader] die bij de politie de verdachte heeft genoemd als zijn mededader.

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend een van de overvallers te zijn. Zijn raadsman bepleit vrijspraak. Hij stelt dat de rechtbank geen waarde kan toekennen aan de door verdachte op enig moment afgelegde bekennende verklaring en voorts dat niet uitgesloten kan worden dat [mededader] zijn cliënt vals heeft beschuldigd en iemand anders uit de wind probeert te houden. Hij voert daarbij aan dat [mededader] niet uit eigen beweging de naam van verdachte heeft genoemd maar dat de politie tijdens het verhoor van [mededader] de naam [verdachte] als eerste heeft aangedragen. Hij benadrukt de ernstige problemen die verdachte heeft met de familie van zijn ex-vriendin, die probeert hem zwart te maken, en het feit dat [mededader] de ex-vriendin van verdachte en haar familie kent.

Het oordeel van de rechtbank

Ter zitting is [mededader] als getuige gehoord en hij bekende opnieuw een van de overvallers te zijn. Op de vraag wie de persoon was met wie hij de overval pleegde, stelt de getuige dat hij dat niet meer weet omdat hij ten gevolge van de detentie en zijn claustrofobie erg in de war is. De getuige verklaart uiteindelijk niets over de identiteit van de mededader.

Hoewel de rechtbank gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de verklaring van [mededader] bij de politie voldoende wettig bewijs heeft voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval zal zij verdachte niettemin vrijspreken.

Verdachte is meerdere keren langdurig verhoord. De verhoren zijn vastgelegd op DVD. Delen van deze DVD's zijn door de rechtbank voorafgaand aan de terechtzitting bekeken. De rechtbank stelt voorop dat van ontoelaatbare druk tijdens de verhoren géén sprake is. Verdachte heeft in vrijheid kunnen verklaren.

Tijdens de verhoren hebben de verhoorders aan verdachte beetje bij beetje informatie gegeven over de overval. Verdachte ontkende aanvankelijk zijn betrokkenheid en uitte zich daarbij herhaaldelijk onduidelijk in de zin van: áls ik er bij geweest ben, heb ik spijt. Uiteindelijk legt verdachte een bekennende verklaring af. Een deel van de informatie die hij in die verklaring over de overval geeft - het feit dat mevrouw [slachtoffer 2] was geschopt door een van de overvallers - wordt door de officier van justitie als daderinformatie bestempeld waarover verdachte alleen maar kan beschikken als hij bij de overval ter plaatse was. De rechtbank is op dit punt een ander oordeel toegedaan. Tijdens de uitzending van Omroep Brabant van 25 januari 2010 die door de officier van justitie op DVD ter beschikking is gesteld aan de rechtbank en welke door de rechtbank in raadkamer is bekeken, verklaart mevrouw [slachtoffer 2] voor de camera uitdrukkelijk dat zij door één van de verdachten is geschopt en dit schoppen maakt ook onderdeel uit van de op televisie vertoonde reconstructie van de overval. Verdachte is tijdens het verhoor bekend met de uitzending van Bureau Brabant (p. 207 dossier). Derhalve kan niet worden gesteld dat de bij verdachte bestaande wetenschap dat mevrouw [slachtoffer 2] is geschopt hem alleen maar bekend kan zijn als hij een van de daders is.

De rechtbank heeft twijfels over de juistheid van de bekennende verklaring van verdachte. Deze twijfel komt voort uit de persoon van verdachte zoals die blijkt uit zijn wijze van verklaren tijdens het politieverhoor. Hij verklaart - ook na zijn bekentenis - slechts in aarzelende bewoordingen. Daar komt bij dat de psycholoog A.M.J. de Kuiper in zijn rapport van 23 augustus 2010 beschrijft dat met name de taalvaardigheden van verdachte, waaronder zijn woordkennis, zeer zwak zijn ontwikkeld. Verdachte is zwak begaafd. Naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte gaandeweg het verhoor, gevoed door de informatie die de verhoorders hem steeds aan reikten, de gedachte heeft gekregen: dan zal ik het wel gedaan hebben, terwijl deze gedachte niet overeenkomt met zijn werkelijke herinnering.

Daar komt bij dat [mededader] ter zitting gehoord als getuige verdachte niet noemt als zijn mededader. De rechtbank hecht weliswaar geen geloof aan de verklaring van de getuige dat hij niet meer weet wie zijn mededader is, doch de rechtbank kan niet met voldoende zekerheid uitsluiten dat [mededader] iemand anders dan verdachte buiten schot probeert te houden. In dit licht bezien zet de rechtbank ook vraagtekens bij de verklaring van [mededader] afgelegd ten overstaan van de politie waarbij hij verdachte aanwijst als zijn mededader. Dit geldt eens te meer nu, afgaande op de schriftelijke weergave van het politieverhoor van [mededader], de verhoorders in eerste instantie zelf de naam van verdachte [verdachte] noemen (p. 246 dossier).

Alles afwegende bestaat er bij de rechtbank te veel twijfel over de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde overval. Zij zal verdachte daarom vrij spreken.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Nu verdachte van het hem tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken, dienen de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de vorderingen niet ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partijen zullen worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis is op 23 september 2010 reeds opgeheven.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. J.W.H. Renneberg en mr. E.C.P.M. Valckx, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 4 oktober 2010.