Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN8399

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
27-09-2010
Zaaknummer
590552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval. Art. 7:658 lid 1, 2 en 4 BW, art. 7:611 BW en 6:248 BW, artikel 6:170 BW en 6:162 BW.

Als vaststaand dient te worden aangenomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade c.q. letsel heeft opgelopen wegens een arbeidsongeval. Daarmee is op grond van artikel 7:658 lid 2 BW in beginsel gegeven dat de werkgever of degene die daarmee gelijk wordt gesteld, aansprakelijk is. De werkgever kan zich van aansprakelijkheid daarvoor bevrijden door te stellen en zonodig te bewijzen dat hij de in lid 1 van dat artikel genoemde (zorg)verplichtingen is nagekomen. In dit geval heeft SGB niet weersproken dat zij gelijk moet worden gesteld met de werkgever van [eiser].

Nu niet vaststaat of SGB haar (zorg)verplichtingen uit artikel 7:658 BW heeft geschonden, ligt dit nu eerst ter beoordeling voor. De kernvraag is of er ten tijde van het ongeval een leuning aanwezig was rondom het roostergat in het mezzaninedek waardoor [eiser] naar beneden is gevallen. Als niet, althans onvoldoende weersproken staat immers vast dat [eiser] door het desbetreffende roostergat naar beneden is gevallen en dat, indien geen leuning om het roostergat aanwezig was ten tijde van de val van [eiser], dit in strijd is met de door de werkgever te betrachten zorgverplichtingen als voornoemd.

[eiser] stelt dat ten tijde van het ongeval geen leuning aanwezig was rondom het roostergat in het mezzaninedek. SGB heeft dit gemotiveerd weersproken. [eiser] heeft op zijn beurt voldoende concrete feitelijke gegevens aangevoerd om het verweer van SGB te betwisten.

Gelet op de strekking van artikel 7:658 BW alsmede gelet op al het vorenstaande waaronder de concrete betwisting van [eiser] van het verweer van SGB, rust op SGB de bewijslast dat er ten tijde van het ongeval een leuning aanwezig was rondom het roostergat in het mezzaninedek. SGB heeft een uitdrukkelijk bewijsaanbod gedaan. Desalniettemin wordt de zaak naar de rol verwezen om SGB de gelegenheid te geven zich uit te laten of zij wil worden toegelaten tot bewijslevering en zo ja of zij getuigen wil doen horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0783

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, lokatie Helmond

Zaaknummer : 590552

Rolnummer : 08-3825

Uitspraak : 11 augustus 2010

HK

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [adres],

eiser,

gemachtigde: mr. A.E.A. Breekland, advocaat te Assen,

t e g e n :

1) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heerema Zwijndrecht B.V. voorheen h.o.d.n. Grootint B.V.,

statutair gevestigd te Zwijndrecht;

2) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SGB Holland B.V.,

statutair gevestigd te Helmond,

gedaagden,

gemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen, advocaat te Arnhem.

1. De procedure

Eiser heeft bij dagvaarding, tevens houdende voorwaardelijke incidentele vorderingen ex artikel 843a Rv en incidenteel verzoek ex artikel 22 Rv, gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagden zijn in rechte verschenen en hebben een conclusie van antwoord genomen, tevens houdende incidentele conclusie van antwoord in het voorwaardelijke incident ex artikel 22 en 843a Rv. Bij rolbeslissing van 14 januari 2009 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft plaatsgevonden op 8 april 2009 en is voortgezet op 21 oktober 2009. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens werden de conclusies na comparitie van partijen gewisseld. Daarna is vonnis bepaald.

Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Eiser zal verder worden aangeduid als '[eiser]'.

2. Vaststaande feiten

2.1. In dit geschil wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten, zijnde gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende weersproken en verder blijkend uit de in het geding gebrachte stukken en in zoverre niet bestreden producties.

2.2. [eiser] was van 6 juni 2002 tot 6 juni 2003 in dienst bij ZSB Steigerbouw B.V. (hierna te noemen ZSB) in de functie van 1ste monteur steigerbouwer. ZSB was een onderneming die zich bezighield met de detachering van steigerbouwers bij steigermateriaalparkbeheerders. Hij verdiende bruto ongeveer € 11,97 per uur. Sinds begin december 2002 was [eiser] ingeleend door SGB Holland B.V. (hierna te noemen SGB). SGB is een onderneming die zich feitelijk bezighoudt met de vervaardiging van, de handel in, de huur en verkoop en (de)montage van steigermaterialen, bekistingmateriaal en andere hulpmiddelen ten behoeve van de bouwnijverheid. SGB heeft [eiser] vervolgens sinds begin december 2002 tewerkgesteld op het terrein van Grootint B.V., thans h.o.d.n. Heerema Zwijndrecht B.V. (hierna te noemen Heerema). Heerema is een onderneming die zich bezighoudt met de handel in- en de exploitatie van constructiemateriaal.

2.3. Op 8 januari 2003 omstreeks 21.00 uur is [eiser], destijds 23 jaar oud, een bedrijfsongeval overkomen ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen.

Ten tijde van het ongeval werd er in twee fabriekshallen van Heerema gewerkt aan een zevental modules in opbouw. Al deze modules waren voorzien van steigerwerk. In beide fabriekshallen van Heerema was ingeleend personeel van SGB tewerkgesteld, waarbij er door de steigerbouwers gewerkt werd in groepen van twee of drie personen. [eiser] werkte gewoonlijk samen met de aan hem ondergeschikte hulpmonteur [A]. Hij werkte voornamelijk in fabriekshal 1 en zijn werkzaamheden bestonden uit het monteren, demonteren en het ombouwen van steigers. [eiser] en [A] werkten gewoonlijk niet in fabriekshal 2.

Toen [eiser] op 8 januari 2003 samen met [A] in fabriekshal 2 op zoek was naar steigermateriaal dat in fabriekshal 1 niet meer voorradig was, kwamen zij op het mezzaninedek - een tussenverdieping bestaande uit een roostervloer - de voorman van de stellingbouwers van ZSB tegen, de heer [X] (hierna te noemen [X]). [X] vertelde dat het door hen gezochte materiaal ook in fabriekshal 2 niet meer voorradig was en heeft [eiser] en [A] daarop de opdracht gegeven om in fabriekshal 2 aanpaswerk te verrichten. Daarop zijn [eiser] en [A] naar de desbetreffende steiger toegelopen. [eiser] heeft vervolgens [A] opdracht gegeven om op de steiger te klimmen, 2,5 meter boven het mezzaninedek, en aan de pijpfitters te vragen wat voor soort aanpaswerk er diende te worden verricht. [A] is vervolgens op de steiger geklommen. [eiser] bleef op het mezzaninedek staan. Daarop hoorde [eiser] [A] liggers van de steigerleuning losslaan. Vervolgens heeft [A] geknield op de steigervloer aan [eiser] één voor één twee zogenoemde kortelingen aangereikt. Nadat [eiser] de tweede ligger had aangepakt, is hij door een opening in de roostervloer van het mezzaninedek naar beneden gevallen en bijna vijf meter lager, op een lager gelegen dek, terechtgekomen.

2.4. Direct na het ongeval is [eiser] per ambulance naar het Erasmus MC, locatie Dijkzigt te Rotterdam gebracht. Daar werd er geconstateerd dat er bij [eiser] sprake was van een openliggende verbrijzelde linker elleboog en bovenarm. Ook was zijn linker spaakbeen gebroken en had hij meerdere botten gebroken in zijn linker pols. Verder waren het middenhandsbot van zijn pink en zijn ringvinger ontwricht, waarbij er sprake was van een open wond aan zijn linker handpalm. Aan deze verwondingen is [eiser] diverse keren geopereerd, voor de laatste keer op 12 februari 2004. Tot op heden heeft [eiser] last van continu aanwezige, brandende pijn in zijn linkerarm. Bij het gebruik van zijn linkerarm nemen de pijnklachten, vooral in zijn pols en elleboog, toe. Hierdoor is [eiser] beperkt in het reiken, tillen, dragen, duwen, stoten en trekken. Ook is hij beperkt in het klimmen op ladders en steigeronderdelen en het werken boven schouderhoogte.

Na het ongeval heeft [eiser] lange tijd niet gewerkt. Na het ongeval heeft [eiser] van 8 januari 2003 tot 6 juni 2003 ziekengeld ontvangen. Daarop is hij per einde wachttijd voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Van 6 juni 2003 tot 9 januari 2004 heeft [eiser] een ZW-uitkering ontvangen. Van 9 januari 2004 tot 18 augustus 2004 heeft [eiser] een WAO-vervolguitkering ontvangen met een aanvullende WW-uitkering (met periodes dat hij door ongevalgerelateerde operaties een ZW-uitkering kreeg). Daarop is hij op 27 februari 2004 voor 35-45% arbeidsongeschikt verklaard. Bij besluit van 2 februari 2005 is zijn WAO-uitkering met ingang van 18 augustus 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Dit percentage is ongewijzigd gebleven. Pas sinds 22 oktober 2007 is [eiser], met behoud van zijn WAO-uitkering, voor 20 uur per week via een uitzendovereenkomst ingeleend bij Ella Tools & Tromelco Steigerwerken te Dongen als voorman van de steigerbouwers.

2.5. Na het ongeval heeft Heerema de Arbeidsinspectie ingeschakeld. Een inspecteur van de Arbeidsinspectie heeft diezelfde avond, omstreeks 23.00 uur een onderzoek verricht, waarbij deze heeft geconstateerd dat rondom de opening in het mezzaninedek een doelmatige leuning was geplaatst die aan de wettelijke vereisten voldeed. Er werd door de Arbeidsinspectie geen verband vastgesteld tussen enige overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en het ongeval.

[eiser] heeft daarover op 17 januari 2003 tegenover de Arbeidsinspectie verklaard: "Ik heb geen leuningwerk gezien die rondom de opening in de roostervloer stond waarin ik gevallen ben. Ik ben niet over een leuning heen geklommen om bij de betreffende opening in de roostervloer te komen." Vervolgens heeft hij op 14 februari 2003 tegenover de Arbeidsinspectie verklaard: "Ik weet zeker dat er geen leuningwerk rondom de betreffende opening van de roostervloer heeft gestaan anders was ik niet in de opening gevallen. Ik droeg een veiligheidsgordel".

[A] heeft met betrekking tot het roostergat en het leuningwerk op 21 januari 2003 tegenover de inspecteur van de Arbeidsinspectie verklaard:

"(...) Ik liep de stellingladder op. Ik zag dat er een opening in de roostervloer was. Ik zag dat er geen leuningwerk was rondom deze opening. Ik zag Osman naast de stellingladder blijven staan. Ik heb hem niet gewaarschuwd voor de opening in de roostervloer. Ik heb op de steiger één ligger los gemaakt en aan Osman gegeven. Ik zag dat Osman deze ligger aanpakte. Ik zag dat hij naast de opening in de roostervloer stond en ik heb hem niet gewaarschuwd. Ook de tweede ligger pakt hij aan en zag hem deze weg leggen. Toen ik de derde ligger wilde aan geven zag ik Osman nergens (...). Ik heb Osman niet zien vallen."

2.6. Bij brief van 30 oktober 2003 heeft [eiser] SGB en Heerema voor de gevolgen van zijn arbeidsongeval van 8 januari 2003 aansprakelijk gesteld.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert in de hoofdzaak dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval van 8 januari 2003, gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade van [eiser] die het gevolg is van dat ongeval, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag ad

€ 30.000,00 bij wijze van voorschot op de aan [eiser] toekomende vergoeding van reeds geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te berekenen vanaf de datum der dagvaarding, gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 18.136,75 aan buitengerechtelijke incassokosten en gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. Indien een nadere motivering wordt verlangd van [eiser] van zijn betwisting van de stellingen van gedaagden, of indien van de juistheid van de stellingen van gedaagden wordt uitgegaan ondanks het door [eiser] geleverde tegenbewijs, dan bevat de inleidende dagvaarding tevens voorwaardelijke incidentele vorderingen ex artikel 843a Rv en een voorwaardelijk incidenteel verzoek ex artikel 22 Rv, die luidt als volgt:

- gedaagden op voet van artikel 22 Rv te bevelen inlichtingen te verschaffen over wie de werknemers waren die ten tijde van het ongeval op het mezzaninedek en op de Subsea Module aan het werk waren en wie de pijpfitters waren die op het moment van het ongeval op de onderhavige steiger aan het werk waren en voor wie het aanpaswerk diende te worden verricht;

- gedaagden op de voet van artikel 843a Rv dan wel artikel 22 Rv te bevelen om de onder punt 53 van de inleidende dagvaarding genoemde interne ongevalsrapportages en de rapportage over de gebeurtenissen na de ongevalsmelding in het geding te brengen;

- gedaagden op de voet van artikel 843a Rv dan wel artikel 22 Rv te bevelen om de onder punt 62 van de inleidende dagvaarding genoemde foto's en rapportage die zijn gemaakt van de afwijkende steigersituaties in het geding te brengen.

3.3. [eiser] baseert zijn vordering in de hoofdzaak op de vaststaande feiten en op het volgende.

[eiser] heeft inkomens- en pensioenschade geleden doordat hij ten gevolge van het ongeval niet meer kan functioneren als vóór het ongeval. Daarnaast is er immateriële schade, schade wegens verlies van vermogen tot huishoudelijke werkzaamheid, wegens verlies van vermogen tot zelfwerkzaamheid en wegens toename van economische kwetsbaarheid en overige materiële schade. Deze posten zullen nog worden gespecificeerd.

Gedaagden, Heerema en SGB, zijn als materieel werkgevers primair op grond van artikel 7:658 lid 1, 2 en 4 BW aansprakelijk voor de schade van [eiser]. Naar het oordeel van [eiser] hebben gedaagden niet aan de op hen rustende zorgplicht jegens hem voldaan:

- ten tijde van de val van [eiser] was er geen doelmatige leuning aanwezig ter voorkoming van valgevaar;

- door gedaagden zijn onvoldoende passende maatregelen genomen en voorschriften gegeven om [eiser] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden te beschermen;

- gedaagden hebben geen behoorlijke verzekering afgesloten voor [eiser] en hebben [eiser] onvoldoende gewezen op de noodzaak van het zelf afsluiten van een verzekering of aanvullende verzekering.

Subsidiair zijn SGB en Heerema gehouden de schade van [eiser] te vergoeden op grond van artikel 7:611 BW, respectievelijk artikel 6:248 BW omdat zij zich niet als goed werkgever jegens [eiser] hebben gedragen.

[eiser] heeft buitengerechtelijke kosten moeten maken. Gedaagden zij ook aansprakelijk voor deze schade die € 18.136,75 bedraagt.

3.4. Gedaagden hebben, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.

Gedaagden betwisten de vordering van [eiser] en de gronden waarop deze berusten. Artikel 7:658 BW mist toepassing ter zake van de vordering van [eiser] op Heerema, omdat Heerema noch de formele, noch de materiële werkgever was van [eiser]. Subsidiair stellen gedaagden dat zij hun zorgplicht ex artikel 7:658 BW jegens [eiser] niet hebben geschonden. Meer subsidiair stellen zij niet aansprakelijk te zijn op grond van artikel 7:611 BW en 6:248 BW jegens [eiser].

Ten tijde van de val van [eiser] was wèl een leuning aanwezig rondom het roostergat.

De (omvang van) de gestelde schade wordt betwist. [eiser] zal moeten bewijzen wat de omvang is en dat hij de schade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden.

Er is geen aanleiding [eiser] een voorschot te betalen omdat hij deze niet afdoende heeft onderbouwd. Uit niets blijkt dat het eindvonnis niet kan worden afgewacht.

De buitengerechtelijke kosten moeten worden gezien als kosten ter instructie van het geding. Overigens wordt betwist dat voor zover er buitengerechtelijke kosten gemaakt zijn deze daadwerkelijk zijn betaald door [eiser].

Voor zover aansprakelijkheid wordt aangenomen refereren gedaagden zich ten aanzien van de schadestaatprocedure.

Gezien het restitutierisico dient het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard te worden, althans er moeten voorwaarden aan verbonden worden ten aanzien van de door [eiser] te stellen zekerheid.

4. De beoordeling

Artikel 7:658 lid 4 BW

4.1. Gedaagden hebben met een beroep op artikel 7:658 lid 4 BW tegengesproken dat op Heerema ten aanzien van [eiser] een zorgplicht geldt. De kantonrechter zal dit als eerste bespreken.

4.2. Artikel 7:658 lid 4 BW ziet op inleensituaties. In dit geval bestond er een inleensituatie waarin de werknemer ([eiser]) voor zijn formele werkgever (ZSB) bij (en voor) de materiële opdrachtgever (SGB) werkzaamheden verrichtte, waarin de materiële werkgever (SGB) feitelijk zeggenschap had over de arbeidsomstandigheden van de werknemer. SGB stelde [eiser] te werk bij Heerema. In de fabriekshallen van Heerema verrichtten meerdere werkgevers werkzaamheden. Het feit dat Heerema conform de op haar rustende verplichting één of meer veiligheidscoördinatoren aanstelde die ook feitelijk toezicht uitoefenden op de bouwplaats, en dat deze veiligheidscoördinatoren aanwijzingen konden geven aan de werkgevers, is feitelijk onvoldoende om aan te nemen dat Heerema moet worden beschouwd als de materiële werkgever van [eiser] met feitelijke zeggenschap over de arbeidsomstandigheden van [eiser].

[eiser] heeft geen feiten gesteld op grond waarvan desondanks, en ondanks het werken onder leiding van een voorman van SZB, Heerema als de materiële werkgever van [eiser] moet worden aangemerkt.

Hieruit volgt, zoals door gedaagden terecht is betoogd, dat artikel 7:658 lid 4 BW in casu niet van toepassing is op Heerema.

Artikel 7:611 BW en 6:248 BW

4.3. Nu is vastgesteld dat Heerema niet de werkgever is van [eiser] noch hiermee op grond van artikel 7:658 lid 4 BW kan worden gelijkgesteld, is een vordering op grond van artikel 7:611 BW, respectievelijk artikel 6:248 BW, evenmin toewijsbaar.

Artikel 6:170 BW en 6:162 BW

4.4. Voor zover [eiser] de subsidiaire grondslag van zijn vordering bij conclusie na comparitie ten aanzien van Heerema heeft aangevuld met de artikelen 6:170 BW en 6:162 BW, oordeelt de kantonrechter dat het ingevolge artikel 150 Rv op de weg van [eiser] ligt om te stellen en bewijzen dat (een ondergeschikte van) Heerema in dit geval onrechtmatig gehandeld zou hebben jegens [eiser]. [eiser] heeft daartoe onvoldoende gesteld. Hij heeft - onder verwijzing naar een drietal verklaringen van collega steigerbouwers - weliswaar aangevoerd dat het praktijk was dat verschillende medewerkers van Heerema in strijd met de geldende arbeidsomstandighedenwetgeving zelf steigers (de)monteerden en ombouwden en daarna situaties onveilig achterlieten, deze stelling is echter onvoldoende concreet. Vorenstaande brengt met zich mee dat aan nadere bewijslevering op dit punt niet kan worden toegekomen.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van [eiser] jegens Heerema niet toewijsbaar is. Deze vordering zal dus te zijner tijd in zoverre worden afgewezen.

Hierna zal alleen de vordering jegens de gedaagde partij SGB worden behandeld.

Artikel 7:658 lid 1 en 2 BW

4.6. Als vaststaand dient te worden aangenomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade c.q. letsel heeft opgelopen wegens een arbeidsongeval. Daarmee is op grond van artikel 7:658 lid 2 BW in beginsel gegeven dat de werkgever of degene die daarmee gelijk wordt gesteld, aansprakelijk is. De werkgever kan zich van aansprakelijkheid daarvoor bevrijden door te stellen en zonodig te bewijzen dat hij de in lid 1 van dat artikel genoemde (zorg)verplichtingen is nagekomen. In dit geval heeft SGB niet weersproken dat zij gelijk moet worden gesteld met de werkgever van [eiser].

4.7. Nu niet vaststaat of SGB haar (zorg)verplichtingen uit artikel 7:658 BW heeft geschonden, ligt dit nu eerst ter beoordeling voor. De kernvraag is of er ten tijde van het ongeval een leuning aanwezig was rondom het roostergat in het mezzaninedek waardoor [eiser] naar beneden is gevallen. Als niet, althans onvoldoende weersproken staat immers vast dat [eiser] door het desbetreffende roostergat naar beneden is gevallen en dat, indien geen leuning om het roostergat aanwezig was ten tijde van de val van [eiser], dit in strijd is met de door de werkgever te betrachten zorgverplichtingen als voornoemd.

4.8. [eiser] stelt dat ten tijde van het ongeval geen leuning aanwezig was rondom het roostergat in het mezzaninedek. SGB heeft dit gemotiveerd weersproken. [eiser] heeft op zijn beurt voldoende concrete feitelijke gegevens aangevoerd om het verweer van SGB te betwisten. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.

4.9. Bij dagvaarding heeft [eiser] zijn stelling, dat ten tijde van het ongeval geen leuning aanwezig was rondom het roostergat, onderbouwd met zijn eigen getuigenverklaring tegenover de arbeidsinspectie, de verklaring van zijn collega [A], alsmede de verklaringen van twee collega's steigerbouwers (genaamd [Y] en [Z]) die hebben verklaard dat [X] hen na het ongeval heeft gevraagd een leuning te plaatsen rondom het roostergat waar [eiser] doorheen was gevallen. Verder heeft [eiser] gesteld dat het plaatsen van zo'n leuning binnen een paar minuten kan zijn voltooid. Ook heeft [eiser] gewezen op het feit dat de wettelijke veiligheidsregel dat het monteren, demonteren en ombouwen van steigers is voorbehouden aan gecertificeerde steigerbouwers, bij Heerema niet werd nageleefd; verschillende werklui deden dit vaak zelf, waarna de situatie onveilig werd achtergelaten. [eiser] heeft deze stelling gestaafd met getuigenverklaringen van collega steigerbouwers.

4.10. SGB heeft op haar beurt ondermeer gewezen op het ongevalsrapport van de arbeidsinspectie, een incidentenrapport van SGB en een expertiserapport van de verzekering van SGB, die allemaal tot dezelfde conclusie komen als de arbeidsinspectie. Zij wijst voorts op de omstandigheden rondom het voorlopig getuigenverhoor van 10 maart 2005 en de contra-enquête van 31 maart 2005, die hebben plaatsgevonden bij de rechtbank Dordrecht, sector kanton. De kantonrechter die het voorlopig getuigenverhoor heeft behandeld, heeft aangifte van meineed gedaan. Twee getuigen, [Y] en [Z], zijn hierop in eerste aanleg veroordeeld voor meineed. Beiden zijn in hoger beroep vrijgesproken.

SGB stelt zich op het standpunt dat er ten tijde van het ongeval wel een leuning aanwezig was rondom het roostergat en dat [X] [Y] en [Z] geen opdracht heeft gegeven een leuning aan te brengen na het ongeval. SGB wijst voorts op de verklaringen van verschillende medewerkers van ZSB, Heerema en SGB dat zowel vóór als na het ongeval een leuning aanwezig was. Verder heeft SGB weersproken dat het eenvoudig was om in de periode na het ongeval een leuning aan te brengen, sterker nog, volgens hen was het volstrekt onmogelijk om de leuning voorafgaand aan de komst van de inspecteur van de arbeidsinspectie nog snel aan te brengen.

4.11. Tijdens de (voortgezette) comparitie zijn foto's bekeken, alsmede een door SGB in het geding gebrachte computersimulatie.

Door [eiser] is hierna - ter ondersteuning van zijn stellingen in de conclusie na comparitie van partijen - een CD met video-opnamen in het geding gebracht, waarop te zien is hoe [eiser] met steigermateriaal de situatie heeft nagebouwd ten tijde van het ongeval. In zijn conclusie na comparitie heeft [eiser] concreet gemotiveerd aangegeven op welke punten de computersimulatie van gedaagden volgens hem niet juist kan zijn.

Het primaire verweer van SGB dienaangaande, dat moet worden uitgegaan van de situatie ter plaatse van het ongeval zoals die op de computersimulatie is weergegeven, wordt niet gevolgd. De kantonrechter oordeelt de intrekking van de bevestiging van [eiser] ter comparitie zoals opgenomen in het proces-verbaal ter zitting - dat de simulatie overeenkomt met de in de procedure overgelegde foto's - niet ongeloofwaardig, zoals SGB heeft betoogd. [eiser] heeft immers ter comparitie van 21 oktober 2009 pas voor het eerst kennisgenomen van deze (technische en geavanceerde) computersimulatie, terwijl hij SGB en de kantonrechter vooraf bij brief van 15 oktober 2009 heeft bericht in het kader van een adequate voorbereiding dringende behoefte te hebben hiervan tijdig kennis te nemen. [eiser] heeft - ondanks dit uitdrukkelijk (herhaald) verzoek - de computersimulatie niet ontvangen voorafgaand aan de comparitiezitting.

Zodoende is niet onbegrijpelijk dat hij pas later, bijvoorbeeld toen hij zelf de steiger heeft nagebouwd, heeft beseft dat hij een aantal aannames zoals gepresenteerd in de computersimulatie niet kan onderschrijven. Gezien de complexiteit van de zaak komt aan het enkele gegeven dat [eiser] op enig moment heeft gemeend dat de computersimulatie wel klopte, niet de betekenis toe dat hij niet alsnog op grond van nader onderzoek tot een ander standpunt zou mogen komen.

4.12. [eiser] heeft de stelling van SGB - dat het gezien de tijdstippen waarop de leuning rondom het roostergat op het mezzaninedek nog door medewerkers van Heerema, SGB en ZSB is gezien, volstrekt onmogelijk is dat de leuning niet aanwezig was ten tijde van het ongeval van [eiser] - voldoende concreet betwist. Kortheidshalve verwijst de kantonrechter daartoe naar pagina 30 e.v. van de conclusie van [eiser] na comparitie, vanaf paragraaf 4.2.5. punt 88. In punt 100 stelt [eiser] resumerend: "de L-vormige leuning om de opening was aan twee uiteinden vastgemaakt. [Y] en Tüfekci hebben alleen twee horizontale schakels geplaatst. Het overige deel van de leuning was reeds aanwezig. Het materiaal had vaste afmetingen. De uiteinden van de schakels waren zo gemaakt dat deze gemakkelijk waterpas aan ander steigermateriaal kon worden verbonden. Ook de omgeving waarin de twee steigerstukken werden geplaatst was al recht. De bewering van SGB Holland en Grootint dat het niet mogelijk zou zijn geweest de dubbele leuning in een paar minuten recht en waterpas aan te brengen, is derhalve niet juist."

4.13. Nogal wat betrokkenen hebben verklaringen afgelegd over de mogelijke bewegingen van [eiser] voorafgaande aan zijn val. Die verklaringen zijn niet gebaseerd op waarnemingen maar op gissingen. Uiteindelijk is zijdens SGB verklaard dat [eiser] over de leuning zal zijn geklommen, omdat hij dan gemakkelijker de hem aangereikte kortelingen (de onderdelen van de door [A] gedemonteerde dubbele leuning) kon aannemen. Blijkens de laatste stellingname van SGB bij de voortzetting van de mondelinge behandeling heeft [eiser] in een rechte lijn willen staan en ook gestaan ten opzichte van zijn collega [A] en is hij daarom over de leuning geklommen, en is hij in verband daarmee zich gaan bevinden in de onveilige zone. Dat [eiser] inderdaad over de leuning geklommen is, blijkt echter uit niets.

4.14. Van belang is dat onaannemelijk is dat [eiser], een ervaren steigerbouwer die al zes jaar steigerbouwer was ten tijde van het ongeval, die ook op de dag van het ongeval zijn veiligheidsgordel droeg, zonder gebruik te maken van zijn veiligheidsgordel, en zonder dat [A] dit vermeld zou hebben tegenover de arbeidsinspectie, over een leuning zou zijn geklommen. [eiser] heeft bovendien voldoende feiten gesteld (met name met een beroep op de foto's productie 56 en 57) op grond waarvan voorshands aannemelijk is dat hij ook op andere plekken probleemloos het door [A] aangereikte materiaal kon aanpakken, dus zonder over een eventuele leuning te klimmen.

4.15. Gelet op de strekking van artikel 7:658 BW alsmede gelet op al het vorenstaande waaronder de concrete betwisting van [eiser] van het verweer van SGB, rust op SGB de bewijslast dat er ten tijde van het ongeval een leuning aanwezig was rondom het roostergat in het mezzaninedek.

4.16. SGB heeft een uitdrukkelijk bewijsaanbod gedaan. Desalniettemin wordt de zaak naar de rol verwezen om SGB de gelegenheid te geven zich uit te laten of zij wil worden toegelaten tot bewijslevering en zo ja of zij getuigen wil doen horen.

4.17. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

In de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 8 september 2010 om SGB de gelegenheid te geven zich uit te laten of zij gebruik wil maken van de mogelijkheid om te bewijzen dat er ten tijde van het ongeval een leuning aanwezig was rondom het roostergat in het mezzaninedek;

bepaalt voor het geval SGB getuigen wil doen horen dat bewijslevering zal plaats vinden op een nader in overleg met partijen te bepalen locatie (sector kanton locatie Helmond of locatie Eindhoven) datum en tijdstip;

verzoekt partijen voor dat geval hun verhinderdata door te geven;

In de hoofdzaak en in het voorwaardelijk incident:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. C.J. Harts, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 590552 blad 9

vonnis