Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN5850

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/1372
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank Breda, bij uitspraak van 10 juni 2008 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN:BD5050), oordeelt de rechtbank dat met artikel 6 van de Verordening niet de in artikel 27 van de WWB toegekende bevoegdheid is overschreden door een verlaging van de bijstandsnorm voor te schrijven in de situatie waarin huurkosten en hypotheeklasten ontbreken, zonder daarbij rekening te houden met het wel aanwezig zijn van overige woonlasten, zoals zakelijke lasten en onderhoudskosten. Wel dient verweerder te onderzoeken of er aanleiding bestaat voor een individuele afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB, gelet op het gegeven dat eiser een parkbijdrage van EUR 100,00 per maand dient te betalen naast een aantal andere kosten met betrekking tot zijn chalet, waaronder onroerend zaakbelasting, waterschapsbelasting en onderhoudskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/1372

Uitspraak van de meervoudige kamer van 30 augustus 2010

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo,

verweerder,

gemachtigde mr. J.H.P.G. Teuwissen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 3 maart 2009 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 31 maart 2010, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak is met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb doorverwezen naar een meervoudige kamer.

De behandeling van het beroep ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 20 juli 2010, waar eiser is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden in bezwaar de afwijzing van eisers aanvraag om bijstand heeft gehandhaafd.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.

3. Eiser is alleenstaand en is woonachtig op [park], gelegen aan de [adres] te [plaats]. Eiser bewoont een hem in eigendom toehorend chalet dat is gebouwd op eigen grond. Op het chalet en de grond rusten geen hypotheek. Eiser heeft inkomen in de vorm van een WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (wet WIA) welke uitkering per 1 juli 2008 € 802,05 netto per maand bedroeg. Op 1 september 2008 heeft eiser zich gemeld bij het toenmalige Centrum voor Werk en Inkomen om een aanvullende WWB-uitkering aan te vragen.

4. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen, omdat eiser geen woonkosten heeft. Daarom moet op de voor eiser geldende bijstandsnorm, die bestaat uit een bedrag van € 636,69 vermeerderd met een toeslag van € 254,67 zijnde 20% van het minimumloon, een bedrag van € 187,50 in mindering worden gebracht. Eiser kan derhalve voor een bijstandsuitkering van € 703,86 per maand in aanmerking worden gebracht. Omdat dit bedrag lager is dan de inkomsten van eiser uit zijn uitkering ingevolge de wet WIA, is de aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van artikel 11 van de WWB afgewezen.

5. Eiser stelt zich daarentegen op het standpunt dat hij weliswaar geen hypotheeklasten heeft maar dat hij wel woonlasten heeft. Eiser moet maandelijks een bedrag van circa € 100,00 aan parkbijdrage betalen in verband met het gebruik van de parkfaciliteiten. De parkbijdrage is volgens eiser te vergelijken met de servicekosten die huurders en eigenaren van appartementen voor de gezamenlijke ruimten betalen. In de parkbijdrage is ook de rioolbelasting verwerkt. Het element aan woonlasten, dat begrepen is in de parkbijdrage, bedraagt volgens eiser zeker € 10,00 per maand. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij tevens onroerend zaakbelasting en waterschapsbelasting dient te betalen en onderhoudskosten heeft voor zijn chalet.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

8. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WWB verhoogt het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a en b, met een toeslag voorzover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bedraagt de toeslag ten hoogste € 254,67 per kalendermaand.

9. Op grond van artikel 27 van de WWB kan het college de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21, of de toeslag, bedoeld in artikel 25, lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.

10. Artikel 30, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad vaststelt voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt ingevolge artikel 30, vierde lid, van de WWB plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB.

11. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 van de WWB.

12. Ter uitvoering van de artikelen 8 en 30 van de WWB heeft de raad van de gemeente Geldrop-Mierlo de Inkomensverordening Werk Wet werk en bijstand gemeente Geldrop- Mierlo 2007 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

13. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van de Verordening moet onder woonkosten worden verstaan: de door de belanghebbende verschuldigde huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag of hypotheeklasten verbonden aan de door hem bewoonde woning.

14. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de Verordening worden onder overige kosten in verband met het wonen verstaan: kosten zoals de vaste lasten, verzekeringen en belastingen, kosten van contributies en abonnementen, en kosten van duurzame gebruiksgoederen die verbonden zijn aan de woning.

15. In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening is bepaald dat de toeslag bedoeld in artikel 25 van de wet 20% van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande en alleenstaande ouders als in de woning niet een ander zijn hoofdverblijf heeft.

16. Artikel 6 van de Verordening luidt als volgt.

De bijstandsnorm of de toeslag verminderen wij op grond van artikel 27 van de wet als de alleenstaande (ouder) of het echtpaar een woning bewoont waaraan voor de belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten zijn verbonden;

1. De verlaging is gelijk aan het maximum huurbedrag waarbij nog geen aanspraak bestaat op huurtoeslag zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag

2. De verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag.

17. Op grond van de Wet op de huurtoeslag gold in het jaar 2008 voor eenpersoonshuishoudens in de groep met een inkomen onder of gelijk aan het minimum-inkomensijkpunt een basishuur van € 202,51. Voor deze groep alleenstaanden bestond pas bij een maandelijkse huurlast boven dit bedrag recht op huurtoeslag. Toepassing gevend aan artikel 6 van de Verordening zou de toeslag kunnen worden verlaagd met € 202,51. Een verlaging van de toeslag met € 187,50 per maand gaat dit bedrag niet te boven.

18. Niet in geschil is tussen partijen dat in de woning van eiser geen ander zijn hoofdverblijf heeft en dat eiser in beginsel op grond van artikel 4 van de Verordening in aanmerking komt voor een toeslag van 20% van de gehuwdennorm.

19. De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van artikel 27 van de WWB bevoegd is de toepasselijke toeslag te verlagen voor zover de belanghebbende als gevolg van zijn woonsituatie lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet. Het gaat daarbij om een discretionaire bevoegdheid. De gemeenteraad van verweerders gemeente heeft de verlaging van de toeslag in verband met de woonsituatie geregeld in artikel 6 van de Verordening, onder verwijzing naar artikel 27 van de WWB. Ingevolge artikel 6 van de Verordening wordt de toeslag verlaagd, indien een woning wordt bewoond waaraan voor de belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten zijn verbonden.

20. Anders dan de rechtbank Breda, (uitspraak van 10 juni 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN:BD5050), oordeelt de rechtbank dat met artikel 6 van de Verordening niet de in artikel 27 van de WWB toegekende bevoegdheid is overschreden door een verlaging van de bijstandsnorm voor te schrijven in de situatie waarin huurkosten en hypotheeklasten ontbreken, zonder daarbij rekening te houden met het wel aanwezig zijn van overige woonlasten, zoals zakelijke lasten en onderhoudskosten.

21. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat de Verordening moet worden aangemerkt als een op de WWB berustend algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Het behoort niet tot de taak van de rechter om de innerlijke waarde of billijkheid van dit wettelijk voorschrift te beoordelen. Gelet op de aard van de wetgevende functie en de positie van de rechter in ons staatsbestel, kan de toetsing van dit wettelijk voorschrift slechts met terughoudendheid geschieden. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 april 2010, LJN: BM3430. Daar komt bij dat artikel 27 van de WWB geen limitatieve opsomming geeft van de gevallen waarin de norm kan worden verlaagd in verband met de woonsituatie. Gelet op de terughoudende rechterlijke toetsing van de Verordening en in aanmerking genomen de uit artikel 27 van de WWB voortvloeiende beoordelingsvrijheid bij de toepassing van dit wetsartikel, kan niet worden gesteld dat het verweerder niet vrij zou staan om, onder toepassing van artikel 6 van de Verordening, de bijstandsnorm te verlagen daar waar er weliswaar geen huur of hypotheeklasten zijn, maar er anderszins wel sprake is van andere woonlasten.

22. Het voorgaande laat onverlet de mogelijkheid om de toeslag met een lager bedrag dan € 187,50 per maand te verlagen of van verlaging af te zien op grond van artikel 30, vierde lid, van de WWB in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de WWB. In deze artikelen is de verplichting opgenomen de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokkene. Gelet op het gegeven dat eiser een parkbijdrage van € 100,00 per maand dient te betalen, naast een aantal andere kosten met betrekking tot zijn chalet, waaronder onroerend zaakbelasting, waterschapsbelasting en onderhoudskosten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder nader had dienen te onderzoeken of er aanleiding bestaat voor een individuele afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB. Dit onderzoek is ten onrechte achterwege gelaten.

23. In verband hiermee zal het beroep van eiser gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

24. De rechtbank zal verweerder opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank zal verweerder op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar. Die termijn wordt bepaald op uiterlijk 6 weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

25. Nu niet is gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank ziet wel aanleiding te bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad

€ 41,00 dient te worden vergoed.

26. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 41,00.

Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman als voorzitter en mr. E.H.B.M. Potters en mr. B. Fijnheer als leden, in tegenwoordigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2010.

<HR>

<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>

Afschriften verzonden: