Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN4531

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
198964
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid advocaat op grond van de Gedragscode voor Europese Advocaten. Nederlandse advocaat spreekt Duitse advocaat persoonlijk aan voor betaling van facturen ter zake van werkzaamheden die de Nederlandse advocaat ten behoeve van een cliënt van de Duitse advocaat heeft verricht in een procedure voor de Nederlandse rechter. De Nederlandse advocaat heeft zich daarbij beroepen op artikel 5.7 van de Gedragscode. De Duitse advocaat voert als verweer dat hij conform dat artikel in een kennisgeving aan de Nederlandse advocaat zijn eigen aansprakelijkheid voor de toekomst heeft uitgesloten. De rechtbank volgt hem daarin. Ook geen overeenkomst van opdracht tussen de Nederlandse en Duitse advocaat. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 198964 / HA ZA 09-2078

Vonnis van 18 augustus 2010

in de zaak van

de maatschap BOGAERTS & GROENEN ADVOCATEN,

gevestigd te Boxtel,

eiseres,

advocaat mr. A.A.H.M. van der Wijst te Boxtel,

tegen

[gedaagde],

wonende te Westerstede (Duitsland),

gedaagde,

advocaat mr. E.G.M. van Ewijk te 's Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna de maatschap en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 oktober 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 8 februari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij brief van 4 april 2002 heeft [gedaagde] de maatschap verzocht om zijn cliënt Uwe Marken GmbH (verder: Uwe Marken) te vertegenwoordigen in een procedure voor de rechtbank te Assen. [gedaagde] heeft in die brief onder andere aan de maatschap geschreven:

“in einer für Sie neuen Sache der von mir vertretenden Uwe Marken GmbH gegen Firma Groen Groep Eelde B.V. bitte ich Sie, die Interessenvertretung meiner Mandantin vor dem Arrondissementsgericht Assen wahrzunehmen. […]”

2.2. De maatschap heeft vervolgens ten behoeve van Uwe Marken juridische werkzaamheden verricht. Ondanks aanmaningen door de maatschap heeft Uwe Marken de met die werkzaamheden samenhangende declaraties tot een bedrag van EUR 14.520,04 onbetaald gelaten.

2.3. Per 1 december 2006 is Uwe Marken in staat van faillissement geraakt.

2.4. Bij brief van 25 mei 2007 heeft de maatschap [gedaagde] verzocht het gedeclareerde bedrag te voldoen.

3. Het geschil

3.1. De maatschap vordert, samengevat:

1. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 22.378,75, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over EUR 17.361,06 vanaf 1 juni 2009;

2. het vonnis te laste van [gedaagde] te waarderen als een Europese Executoriale Titel;

3. veroordeling van de maatschap in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente en met een bedrag van EUR 131,-, danwel - indien betekening van het in dezen te wijzen eindovonnis plaatsvindt - met een bedrag van EUR 199,- voor nakosten.

3.2. De maatschap legt hieraan ten grondslag dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, waarbij [gedaagde] als haar opdrachtgever heeft te gelden. Ingevolge artikel 6:248 BW heeft een overeenkomst ook de rechtsgevolgen die uit de gewoonte voortvloeien. Tot die gewoonte behoren de regels uit de Gedragscode voor Europese Advocaten, opgesteld door de Raad van de Balies in de Europese Unie (hierna: de Gedragscode). Op grond van artikel 5.7 van die Gedragscode is [gedaagde] persoonlijk verplicht tot betaling van de facturen van de maatschap. De maatschap vordert daarom van [gedaagde] een bedrag van EUR 14.520,04 als hoofdsom, EUR 4.420,07 ter zake handelsrente tot 1 juni 2009, EUR 2.841,02 ter zake buitengerechtelijke kosten en EUR 597,62 ter zake vertaalkosten; in totaal derhalve EUR 22.378,75.

3.3. [gedaagde] voert - kort samengevat - de volgende verweren:

1. Er is geen overeenkomst van opdracht tot stand gekomen tussen de maatschap en [gedaagde]; [gedaagde] is het honorarium van de maatschap derhalve niet als opdrachtgever van de maatschap op grond van een overeenkomst van dienstverlening verschuldigd.

2. [gedaagde] heeft uitdrukkelijk zijn aansprakelijkheid voor de toekomst afgewezen, waartoe artikel 5.7 van de Gedragscode de mogelijkheid biedt.

3. [gedaagde] betwist dat de maatschap de door haar opgevoerde uren heeft gemaakt.

4. Het uurloon is niet overeengekomen en buitensporig hoog.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de onderhavige vorderingen kennis te nemen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 5, aanhef en onder 1 van de in deze zaak toepasselij¬ke Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgelijke en handelszaken (EEX-Vo). De verbintenis die aan de voorliggende eis ten grondslag ligt, is immers in Nederland uitgevoerd. Daarbij is van belang dat ingevolge genoemde bepaling de plaats van uitvoering van een verbintenis uit een overeenkomst tot verstrekking van diensten, gelijk is aan de plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.

4.2. In de onderhavige zaak is het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980 (bekend als het EEG-Overeenkomstenverdrag 1980, Trb. 1980, 156) toepasselijk. In navolging van partijen gaat de rechtbank uit van de toepasselijkheid van het Nederlands recht.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat in hun onderlinge verhouding de Gedragscode van toepassing is. De rechtbank zal eerst beoordelen of de vordering toewijsbaar is op basis van hetgeen in de beroepsmatige betrekkingen tussen partijen heeft te gelden, als neergelegd in de Gedragscode.

Artikel 5.7 van de Gedragscode luidt als volgt:

“5.7 Financiële aansprakelijkheid

In de beroepsmatige betrekkingen tussen advocaten van balies van verschillende lidstaten is de advocaat die een zaak aan een correspondent toevertrouwt of deze raadpleegt tenzij hij zich ertoe beperkt een andere advocaat aan te bevelen of deze bij een cliënt te introduceren persoonlijk verplicht tot betaling van het honorarium, de onkosten en verschotten, die verschuldigd zijn aan de buitenlandse correspondent, zelfs indien de cliënt insolvent is. De betrokken advocaten mogen echter bij het begin van hun samenwerking een bijzondere afspraak hierover maken. Bovendien mag de opdrachtgevende advocaat te allen tijde zijn persoonlijke aansprakelijkheid beperken tot het bedrag aan honorarium, onkosten en verschotten, verschuldigd vóór zijn kennisgeving aan de buitenlandse advocaat dat hij verdere aansprakelijkheid voor de toekomst afwijst.”

Anders dan waar de maatschap in haar dagvaarding nog vanuit gaat (vgl. dv sub 9b), heeft [gedaagde] zich in deze procedure niet op het standpunt gesteld dat hij zich ertoe heeft beperkt om de maatschap bij Uwe Marken aan te bevelen of om haar bij Uwe Marken te introduceren, in welk geval er volgens artikel 5.7 van de Gedragscode geen aansprakelijkheid zijdens [gedaagde] zou bestaan. Hieruit volgt dat [gedaagde] op grond van de Gedragscode in beginsel persoonlijk is verplicht om het honorarium, de kosten en de verschotten, die Uwe Marken verschuldigd is aan de maatschap, te betalen.

4.4. Van dat uitgangspunt kan evenwel worden afgeweken door een bijzondere afspraak (in de Duitstalige versie van artikel 5.7 genoemd een “anderweitige Vereinbarung”) dan wel een kennisgeving van de opdrachtgevende advocaat - in casu [gedaagde] - waarin verdere aansprakelijkheid voor de toekomst wordt afgewezen (in de Duitse tekst: “ […] mitteilt, dass er nicht mehr haften werde.”).

Het bestaan van een bijzondere afspraak tussen partijen op het punt van de aansprakelijkheid voor het honorarium, de onkosten en de verschotten, is gesteld noch gebleken. Volgens [gedaagde] heeft hij wel aan de maatschap een kennisgeving in voormelde zin verzonden. Daarbij heeft [gedaagde] zich beroepen op zijn brief aan de maatschap van 28 augustus 2002 (dv prod. 3), welke brief is gevolgd op een door de maatschap op 26 augustus 2002 aan [gedaagde] gerichte - en op zijn naam uitgebrachte - (eerste) nota voor de werkzaamheden van de maatschap ten behoeve van Uwe Marken. [gedaagde] heeft in zijn brief geschreven:

“in der oben genannten Angelegenheit bitte ich Sie unter Bezugnahme auf Ihr Schreiben vom 26. August 2002 um Hergabe einer auf meine Mandantin ausgestellten Rechnung, da die Kosten nicht von mir, sondern von der Uwe Marken GmbH getragen werden.”

De maatschap heeft betwist dat deze brief kan worden opgevat als een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.7 van de Gedragscode. [gedaagde] heeft in zijn brief slechts verzocht om de tenaamstelling van de eerste declaratie te wijzigen in Uwe Marken. In de brief kan niet gelezen worden dat [gedaagde] daarmee verdere persoonlijke aansprakelijkheid in de toekomst aangaande het honorarium van de maatschap heeft afgewezen, aldus de maatschap (dv sub 10).

4.5. De rechtbank volgt [gedaagde] in dezen en overweegt daartoe als volgt. Ter comparitie heeft [gedaagde] onbetwist gesteld dat advocaten in Duitsland met de door [gedaagde] in zijn brief van 28 augustus 2002 gebruikte bewoordingen - te weten dat de kosten niet door hem, maar door een ander gedragen worden (“getragen werden”) - onderling hun aansprakelijkheid uitsluiten. De maatschap heeft ter comparitie hieromtrent wel naar voren gebracht dat [gedaagde] had moeten aangeven dat hij niet langer wil “haften”, met welk woord zij aansluiting heeft gezocht bij de hiervoor in 4.4 weergegeven Duitstalige tekst van artikel 5.7 van de Gedragscode. Zonder een nadere toelichting van de zijde van de maatschap, die zij niet heeft gegeven, valt echter niet in te zien waarom een advocaat enkel door het gebruik van het Duitse woord “haften”, de aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 5.7 van de Gedragscode voor de toekomst kan afwijzen. Er bestond voor [gedaagde] ook geen aanleiding om te vermoeden dat de maatschap de mededeling in zijn brief van 28 augustus 2002 anders had opgevat dan als een afwijzing van zijn aansprakelijkheid voor de toekomst. Daarbij heeft [gedaagde] er terecht op gewezen dat hij na zijn brief van 28 augustus 2002 aan de maatschap van haar geen enkele nota meer op zijn naam heeft ontvangen, dat de maatschap hem vervolgens steeds heeft verzocht om de nota’s aan Uwe Marken door te sturen en bij Uwe Marken aan te dringen op betaling, dat de maatschap meermaals heeft gedreigd haar werkzaamheden te beëindigen als Uwe Marken de nota niet zou betalen en dat de maatschap ook nimmer aan [gedaagde] heeft gevraagd de nota’s te betalen, waarvan de niet-betaling aan voortzetting van de werkzaamheden in de weg stond.

Het verweer van [gedaagde] onder 2 slaagt derhalve in zoverre, dat hij zijn persoonlijke aansprakelijkheid heeft beperkt tot het bedrag aan honorarium, kosten en verschotten, verschuldigd vóór 28 augustus 2002, de datum van de in artikel 5.7 van de Gedragscode bedoelde kennisgeving aan de maatschap. De in deze procedure door de maatschap gevorderde factuurbedragen zien echter op werkzaamheden die de maatschap ná die datum heeft verricht.

4.6. Daarmee ligt thans ter beoordeling voor of de vordering op andere gronden, te weten dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht, toewijsbaar is. De maatschap heeft gesteld dat zij de brief van 4 april 2002 van [gedaagde] aan haar heeft kunnen en mogen opvatten als een opdracht van [gedaagde] tot het verrichten van juridische werkzaamheden ten behoeve van Uwe Marken. De maatschap heeft [gedaagde] voortdurend als haar (formele) opdrachtgever gezien.

4.7. De rechtbank volgt [gedaagde] in zijn verweer dat de tekst van de brief van 4 april 2002 onvoldoende is om te kunnen oordelen dat [gedaagde] voor zichzelf is opgetreden. Ter comparitie heeft [gedaagde] daaromtrent gesteld dat de zinsneden in de brief van 4 april 2002 die hiervoor onder 2.1 zijn weergegeven, betekenen dat het gaat om een zaak waarin [gedaagde] aangeeft zijn cliënte te vertegenwoordigen en dat hij dus enkel optreedt als belangenbehartiger. Niet gezegd kan worden dat de brief zo niet kan worden uitgelegd. Tegen deze achtergrond vormen de door de maatschap gestelde omstandigheden dat de maatschap bij de behandeling van de zaak voortdurend contact heeft gehad met [gedaagde], dat zij stukken met hem besprak en dat zij haar eerste declaratie aan [gedaagde] heeft gericht, een onvoldoende feitelijke onderbouwing van de stelling van de maatschap dat [gedaagde] in eigen naam is opgetreden.

4.8. De vordering komt gezien het voorgaande niet voor toewijzing in aanmerking. De overige verweren behoeven geen nadere bespreking.

4.9. De maatschap zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 490,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.648,00

5. De beslissing

De rechtbank,

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt de maatschap in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.648,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2010.