Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN4530

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
205757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident ex artikel 843a en 843b Rv. Vordering wordt deels afgewezen wegens gebrek aan belang bij de eisende partij omdat de verlangde stukken bij antwoord in het incident worden overgelegd. Voor het overige wordt de vordering afgewezen omdat niet is voldaan aan het vereiste van het hebben van een rechtmatig belang als bedoeld in artikel 843a Rv en niet is voldaan aan het vereiste dat het moet gaan om bepaalde bescheiden. Het in algemene bewoordingen stellen belang te hebben bij inzicht in niet nader omschreven regelingen die de pandhouder met debiteuren zou hebben getroffen is onvoldoende. Eiser in het incident wordt in de kosten veroordeeld. Hoewel een aantal van de gevraagde bescheiden bij antwoord in het incident zijn overgelegd, verwerpt de rechtbank de stelling dat het aanhangig maken van het incident de enige manier was om de stukken in handen te krijgen. Eiser in het incident heeft niet eens geprobeerd de stukken op andere wijze te verkrijgen, terwijl uit niets blijkt dat gedaagde in het incident een rechtstreeks verzoek om de stukken zou hebben afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2014/94

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 205757 / HA ZA 10-192

Vonnis in incident van 11 augustus 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap

FORTIS COMMERCIAL FINANCE N.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H.J. Alberts te Tilburg,

tegen

1. [V],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. S.A.H.J. Warringa te Rotterdam,

2. [D],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagde,

niet verschenen,

3. [F],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna FCF en [V] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de incidentele conclusie ex artikel 843a jo. 843b Rv,

- de incidentele conclusie van antwoord, tevens houdende akte vermeerdering van eis in de hoofdzaak.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. FCF vordert in de hoofdzaak dat [V], [D] en [F] ieder afzonderlijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 200.000,00, vermeerderd met rente en kosten. FCF legt daaraan ten grondslag dat [V], [D] en [F] zich ieder afzonderlijk borg hebben gesteld tot maximaal voormeld bedrag voor de vordering die FCF uit hoofde van verstrekte financiering heeft op (de inmiddels failliet verklaarde vennootschappen) Intermedium B.V. en Footwear International B.V.

2.2. In het incident vordert [V] op de voet van artikel 843a Rv veroordeling van FCF tot overlegging van de volgende bescheiden:

(1) het opvolgend addendum bij de Factorovereenkomst van omstreeks eind oktober 2008,

(2) een overzicht uit de administratie van FCF van 10 respectievelijk 13 maart 2009 ter zake de vordering van FCF op Footwear International B.V. en Intermedium B.V. ten tijde van de surseance van betaling respectievelijk het faillissement van beide vennootschappen,

(3) een overzicht van het verloop van de vordering van FCF op Footwear International B.V. en Intermedium B.V. van 1 april 2008 tot 10 maart 2009,

(4) een overzicht van het verloop van de vordering van FCF op Footwear International B.V. en Intermedium B.V. vanaf 13 maart 2009 tot een zo recent mogelijke datum, waarbij tevens inzicht wordt verschaft in regelingen die getroffen zijn met aan FCF verpande vorderingen op debiteuren van beide vennootschappen.

[V] vordert voorts op grond van het bepaalde in artikel 843b Rv veroordeling van FCF tot overlegging van (5) een kopie van een akte van borgtocht zoals genoemd in het addendum van 1 april 2008 (prod. 1 dagv.).

[V] legt aan de vordering ten grondslag dat kennisname van de genoemde bescheiden vereist is teneinde zich te kunnen verweren tegen de vordering van FCF in de hoofdzaak.

2.3. FCF voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.4. FCF heeft bij antwoord in het incident als productie 20 een addendum van 20 oktober 2008 op de Factorovereenkomst in het geding gebracht. Voorts heeft FCF als producties 21 en 22 gecombineerde rekeningoverzichten per respectievelijk 10 en 13 maart 2009 overgelegd, waaruit de vordering van FCF op Footwear International B.V. en Intermedium B.V. per die datums blijkt. Als productie 23 heeft FCF overgelegd gecombineerde rekeningoverzichten betreffende beide hiervoor genoemde vennootschappen over de periode van 1 april 2008 tot en met 25 maart 2010, waaruit het verloop van de vordering van FCF gedurende die periode op beide vennootschappen blijkt. FCF heeft bovendien als productie 24 een kopie van de akte van borgtocht overgelegd waarbij [V] zich borg heeft gesteld voor een bedrag van EUR 50.000,00. De rechtbank constateert dat daarmee de bescheiden zoals hiervoor onder 2.2 sub 1-3 en 5 bedoeld in het geding zijn gebracht. [V] heeft daarom geen belang meer bij toewijzing van wat zij ter zake die bescheiden vordert.

2.5. De bescheiden zoals genoemd onder 2.2 sub 4 zijn deels ook in het geding gebracht middels productie 23. Wat ontbreekt is het door [V] verlangde inzicht in de regelingen die FCF met de debiteuren van de aan haar verpande vorderingen heeft getroffen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Wil de vordering ex artikel 843a Rv kunnen worden toegewezen dan moet in de eerste plaats aan alle drie in lid 1 van dit artikel gestelde voorwaarden zijn voldaan:

a. de wederpartij van degene die bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, moet rechtmatig belang hebben bij inzage, afschrift of uittreksel daarvan,

b. de vordering moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden en

c. de bescheiden moeten een rechtsbetrekking betreffen waarin de wederpartij van degene die ze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, partij is.

Verder moet zich geen van de drie in de leden 3 en 4 vervatte uitzonderingen voordoen:

d. hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn,

e. degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn en

f. degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

2.6. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde ter zake het inzicht in de door FCF met debiteuren van Footwear International B.V. en Intermedium B.V. getroffen regelingen afstuit op de hiervoor onder a en b vermelde vereisten. [V] stelt slechts in zijn algemeenheid dat hij belang heeft bij kennisname van de bedoelde gegevens voor zijn verweer in de hoofdzaak, zonder dit nader toe te lichten. De rechtbank acht dit onvoldoende om te kunnen oordelen dat er sprake is van een rechtmatig belang als bedoeld in artikel 843a Rv. Voorts is niet voldaan aan het vereiste dat het moet gaan om bepaalde bescheiden. [V] vordert slechts in algemene bewoordingen “inzicht” in “de regelingen” die met aan FCF verpande debiteuren zijn getroffen. Het gevorderde op dit onderdeel zal daarom worden afgewezen.

2.7. De slotsom luidt dat de incidentele vordering van [V] zal worden afgewezen. [V] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld, welke aan de zijde van FCF worden begroot op EUR 452,00. De rechtbank verwerpt de stelling van [V] dat FCF in de kosten dient te worden veroordeeld omdat het aanhangig maken van het incident de enige manier was om de bedoelde bescheiden in handen te krijgen. De rechtbank overweegt daartoe dat hoewel FCF een aantal van de door [V] verlangde bescheiden inderdaad na het indienen van de incidentele vordering in het geding heeft gebracht, zowel uit de incidentele conclusie van [V] als de antwoordconclusie van FCF volgt dat [V] geen enkele inspanning heeft ondernomen om de door hem gewenste gegevens rechtstreeks van FCF te verkrijgen, wat wel op zijn weg had gelegen. Uit niets blijkt dat FCF zou hebben geweigerd aan een daartoe strekkend verzoek van [V] te voldoen, zodat niet valt in te zien waarom [V] direct voor het thans ingezette zware middel van 843a en 843b Rv heeft gekozen.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt [V] in de kosten van het incident, aan de zijde van FCF tot op heden begroot op EUR 452,00,

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 september 2010 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2010.