Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN3854

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
AWB 10-2430
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzingen van de aanvraag om afgifte van een vergunning voor het verrichten van transcatheter hartklepinterventies (THI’s).

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (de Minister) heeft bij besluit van 20 juli 2010 de aanvraag van verzoekster om afgifte van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (WBMV) voor het verrichten van THI’s, afgewezen. De zaak is onvoldoende uitgekristalliseerd om een adequate prognose te kunnen maken van de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de weigering verzoekster een vergunning te verlenen. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het staken van de THI’s in de relatief korte periode tot aan het besluit op bezwaar tot een dermate groot verlies aan kennis en ervaring zou leiden, dat zij de THI’s daarna niet meer zou kunnen voorzetten. Derhalve ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen met het oog op de onzekere uitkomst van de bezwaarprocedure.

Bij besluit van 27 juli 2010 heeft de Minister de periode voor het afbouwen van de werkzaamheden met betrekking tot THI’s verlengd tot en met 15 augustus 2010. Verzoekster heeft om een langere overgangstermijn verzocht. Op grond van artikel 6, vierde lid, van de WBMV heeft de Minister een discretionaire bevoegdheid om de overgangsregeling desgevraagd verder te verlengen. Uit het besluit van 27 juli 2010 blijkt niet of de Minister rekening heeft gehouden met de belangen van verzoekster. Op grond hiervan is dit besluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig. Tevens is niet voldaan aan het advies van de Inspectie voor de Gezondheidszorg om een plan op te stellen voor de overgangssituatie. Ook als dit de taak is van de ziekenhuizen ligt het op de weg van de minister om zich ervan te vergewissen dat er een plan is en dat daarmee voldoende wordt gewaarborgd dat de patiënten tijdig worden behandeld in één van de vergunninghoudende ziekenhuizen. Dit heeft de Minister niet gedaan. De Minister heeft de verlenging van de overgangstermijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet kunnen beperken tot een termijn van bijna vier weken. De overgangstermijn moet verlengd worden tot drie maanden na de dag van bekendmaking van de weigering van de vergunning, derhalve tot en met 20 oktober 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/2430

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 augustus 2010

inzake

Stichting Catharina-Ziekenhuis,

te Eindhoven,

hierna: het Catharina-ziekenhuis,

[gemachtigde]

tegen

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, te 's-Gravenhage,

hierna: de Minister,

[gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft de Minister de aanvraag van het Catharina-ziekenhuis om afgifte van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen (hierna: de WBMV) voor het verrichten van transcatheter hartklepinterventies (hierna: THI's) in het Catharina Ziekenhuis, afgewezen. Daarbij is bepaald dat zij de periode tot en met 1 augustus 2010 kan gebruiken om de werkzaamheden met betrekking tot THI's af te bouwen.

Bij brief van 21 juli 2010 heeft het Catharina-ziekenhuis de Minister verzocht te bepalen dat zij THI's mag blijven uitvoeren gedurende de fase van bezwaar en beroep totdat het besluit van de Minister onherroepelijk is geworden.

Bij besluit van 27 juli 2010 heeft de Minister de periode voor het afbouwen van de werkzaamheden met betrekking tot THI's verlengd tot en met 15 augustus 2010.

Op 29 juli 2010 heeft het Catharina-ziekenhuis een bezwaarschrift ingediend tegen de besluiten van 20 juli 2010 en 27 juli 2010.

Bij brief van 29 juli 2010 heeft het Catharina-ziekenhuis de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld op de zitting van 5 augustus 2010, waar het Catharina-ziekenhuis zich heeft doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is verschenen dr. [...], interventie-cardioloog werkzaam bij het Catharina-ziekenhuis en dr. [...], voorzitter van de Raad van Bestuur van het Catharina-ziekenhuis. De Minister is verschenen bij gemachtigde. Verder is voor de Minister verschenen [gemachtigde], werkzaam als senior inspecteur bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan dit criterium meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Het gaat in deze zaak om het mogen verrichten van transcatheter hartklepinterventies (THI's). Tot 6 december 2009 hebben ziekenhuizen deze verrichting uitgevoerd op basis van hun vergunning voor openhartoperaties en catheterinterventies. Sinds de inwerkingtreding van het Planningsbesluit PCI's, ICD's en THI's (Stcrt. 4 december 2009, nr. 18730, hierna: het Planningsbesluit) op 6 december 2009, geldt een specifieke vergunningplicht voor THI's. De Minister heeft de ziekenhuizen in het Planningsbesluit tot 1 januari 2010 de tijd gegeven om een vergunning aan te vragen voor THI's. De Minister heeft ook bepaald dat de ziekenhuizen tijdens de behandeling van hun vergunningaanvraag mogen doorgaan met THI's, mits zij voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen.

Feiten

3. Vijftien ziekenhuizen hebben een vergunning voor THI's aangevraagd.

4. Op 29 januari 2010 heeft de Minister de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: de Inspectie) verzocht hem te adviseren welke vijf ziekenhuizen op basis van kwaliteitsaspecten een voorlopige vergunning zouden moeten krijgen. Voorafgaand aan de kwaliteitsbeoordeling door de Inspectie is gebleken dat vier ziekenhuizen geen of minimale ervaring op het terrein van THI's hadden opgedaan. Deze ziekenhuizen is verzocht direct te stoppen met het verrichten van THI's. De andere elf ziekenhuizen zijn bezocht door de Inspectie. De Inspectie heeft de kwaliteit van de zorg bij THI's beoordeeld op basis van de prestaties van de ziekenhuizen vóór 1 november 2009. Vervolgens heeft de Inspectie een advies opgemaakt dat op 29 juni 2010 naar de Minister is verzonden. In dit advies heeft de Inspectie de overgebleven elf ziekenhuizen in volgorde van kwaliteit gerangschikt. Het Catharina-ziekenhuis staat op de zesde plaats.

5. De Minister heeft op 20 juli 2010 vergunningen verleend voor het verrichten van THI's aan de vijf ziekenhuizen die volgens de Inspectie kwalitatief het beste functioneren. Op diezelfde datum heeft de Minister de aanvragen voor een vergunning van de andere ziekenhuizen afgewezen.

Standpunten partijen

6. Bij het bestreden besluit van 20 juli 2010 is de aanvraag van het Catharina-ziekenhuis afgewezen. De Minister heeft bepaald dat het Catharina-ziekenhuis met ingang van

2 augustus 2010 geen THI's meer mag verrichten en haar patiënten voor deze verrichting dient door te sturen naar de vergunninghoudende instellingen. Aan dit besluit heeft de Minister, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

De Inspectie heeft de instellingen op basis van de vergunningaanvragen, de verstrekte antwoorden op de vragenlijst en eventueel daarop volgende bezoeken beoordeeld. Aangezien er op grond van het Planningsbesluit aan maximaal vijf instellingen een vergunning wordt verleend, is de Inspectie gevraagd welke van de vergunningaanvragende instellingen het beste functioneren, afgezet tegen de kwaliteitskenmerken uit het Consensusdocument, maar ook tegen overige kwaliteitseisen voor verantwoorde zorg waar instellingen zich aan dienen te houden op grond van de Kwaliteitswet zorginstellingen. De Minister heeft geconstateerd dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. De Minister volgt het advies van de Inspectie waaruit blijkt dat het Catharina-ziekenhuis niet tot de vijf best functionerende instellingen behoort gelet op de eisen uit het Planningsbesluit, de kwaliteitseisen uit het Consensusdocument dat door de beroepsgroepen van cardiologen en thoraxchirurgen is opgesteld, en overige kenmerken voor verantwoorde zorg. Vergunningverlening zou daarmee strijdig zijn met het bepaalde in het Planningsbesluit. Onder verwijzing naar artikel 6, eerste lid, van de WBMV juncto artikel 5 van de WBMV heeft de Minister het Catharina-ziekenhuis daarom geen vergunning verleend voor het uitvoeren van THI's.

7. Bij het bestreden besluit van 27 juli 2010 heeft de Minister het verzoek van het Catharina-ziekenhuis om verlenging van de overgangstermijn afgewezen. De Minister heeft evenwel aangegeven dat er een administratieve vergissing heeft plaatsgevonden en alle vergunningaanvragende instellingen de brief van 20 juli 2010 later hebben ontvangen dan de bedoeling was. Om die reden is de Minister bereid de overgangsperiode met twee weken te verlengen tot en met 15 augustus 2010. Dit betekent dat de zes instellingen die geen vergunning hebben gekregen vanaf 16 augustus 2010 geen THI's meer mogen verrichten.

8. Het Catharina-ziekenhuis heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat zij THI's mag blijven uitvoeren totdat de besluiten van de Minister onherroepelijk zijn geworden, (subsidiair) totdat op het bezwaarschrift is beslist of (meer subsidiair) tot een datum die de voorzieningenrechter passend vindt.

Ter onderbouwing van dit verzoek heeft het Catharina-ziekenhuis - kort gezegd - aangevoerd dat de besluiten van de Minister evident op onjuiste gronden berusten en dat de besluiten uitgaan van een onjuiste beoordeling van de relevante feiten en omstandigheden. Daarbij acht het Catharina-ziekenhuis in het bijzonder van belang dat de Minister zijn besluiten heeft gebaseerd op een onzorgvuldig tot stand gekomen advies van de Inspectie omdat de Inspectie de vraagstelling van de Minister eenzijdig heeft aangepast en uitgebreid. Het Catharina-ziekenhuis verzet zich tegen het achteraf aanvullen van de selectiecriteria zonder dat dit tijdig kenbaar was gemaakt aan de instellingen die een vergunning hebben aangevraagd. De Inspectie heeft ten onrechte geen betekenis toegekend aan het lage mortaliteitspercentage bij de THI's die in het Catharina-ziekenhuis zijn verricht. Voorts heeft de Inspectie op sommige onderdelen ten onrechte een lage score aan het Catharina-ziekenhuis toegekend en heeft de Inspectie geen hoor en wederhoor toegepast. De Minister had het advies van de Inspectie niet mogen overnemen.

De besluiten zijn in strijd met de belangen van een goede patiëntenzorg omdat ze leiden tot (nodeloze) vernietiging van opgebouwde kennis en expertise. Als het Catharina-ziekenhuis moet stoppen met het uitvoeren van THI's, moet zij patiënten doorverwijzen naar ziekenhuizen die een hoger mortaliteitspercentage hebben dan zijzelf.

De Minister heeft niet onderzocht of de vijf centra die wel een vergunning hebben gekregen over voldoende capaciteit beschikken om de patiënten van het Catharina-ziekenhuis adequaat en tijdig te behandelen. Deze centra beschikken niet over voldoende capaciteit om per direct alle patiënten van het Catharina-ziekenhuis, en de andere afgewezen centra, over te nemen. Daarbij dient bedacht te worden dat de levensverwachting van de groep patiënten waar het om gaat bij het uitblijven van een behandeling buitengewoon beperkt is. Het Catharina-ziekenhuis wijst erop dat in de besluiten geen argumenten zijn genoemd voor het opleggen van een afbouwperiode van nog geen vier weken. Het Catharina-ziekenhuis ziet niet in welke redelijke bezwaren de Minister zou kunnen hebben tegen het toestaan van een ruime afbouwperiode. Met het opleggen van een extreem en nodeloos korte afbouwperiode negeert de Minister het advies van de Inspectie om - met het oog op de patiëntveiligheid - in samenwerking met de betrokken instellingen een plan op te stellen voor de patiënten die anders bij het Catharina-ziekenhuis behandeld zouden worden om te voorkomen dat zij onnodig lang hoeven te wachten.

9. De Minister heeft ter zitting bevestigd dat de Inspectie heeft geadviseerd dat een korte overgangsperiode in acht moet worden genomen en dat in samenwerking met de centra die een vergunning krijgen een plan moet worden opgesteld zodat patiënten niet onnodig lang hoeven te wachten. De Minister heeft aangevoerd dat bij de vergunninghoudende centra is nagevraagd of ze de patiënten van het Catharina-ziekenhuis en de overige vijf centra op korte termijn kunnen overnemen. Daaruit is gebleken dat de vergunninghoudende centra op korte termijn de patiënten kunnen overnemen waardoor een overgangstermijn van twee weken voldoende is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de Minister ter zitting twee e-mailberichten en een brief overgelegd. Voorts heeft één van de gemachtigden van de Minister een aan hem gericht sms-bericht getoond.

Het wettelijk kader

10. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de WBMV, kan indien gewichtige belangen daartoe aanleiding geven, Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat het verboden is zonder zijn vergunning medische verrichtingen van een bij de regeling aangegeven aard uit te voeren.

11. Ingevolge artikel 5 van de WBMV bepaalt Onze Minister bij ministeriële regeling de omvang van de behoefte aan verrichtingen en apparatuur, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b, alsmede de wijze waarop in die behoefte kan worden voorzien.

12. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de WBMV, kan een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, slechts worden geweigerd indien het verlenen daarvan in strijd zou zijn met het bepaalde krachtens artikel 5.

Indien bij het in werking treden van een regeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b, de daarin aangegeven verrichtingen reeds werden uitgevoerd, niet in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet, mag dit, mits hieraan geen uitbreiding wordt gegeven, ingevolge artikel 6, vierde lid, van de WBMV worden voortgezet gedurende drie maanden. Onze Minister kan desgevraagd deze termijn verlengen.

13. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit aanwijzing bijzondere medische verrichtingen 2007, is het verboden zonder vergunning van Onze minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bijzondere interventies aan het hart, inhoudende hartchirurgie en alle vormen van therapeutische interventiecardiologie met inbegrip van de implantatie van een defibrillator uit de voeren of te doen uitvoeren.

14. Op 1 december 2009 heeft de Minister het Planningsbesluit vastgesteld. Dit is een regeling ter uitvoering van artikel 5 en artikel 6, tweede lid, van de WBMV. In bijlage 1 is de omvang van de behoefte aan THI's, de wijze waarop in deze behoefte kan worden voorzien en de voorschriften waaraan uitvoerende centra moeten voldoen, neergelegd. In deze bijlage is ten aanzien van THI's onder meer het volgende bepaald:

"Een transcatheter hartklepinterventie (THI) is een nieuwe behandelmethode (...). Aangezien deze verrichting nog volop in ontwikkeling is, zijn er nog geen kwaliteitsrichtlijnen vastgesteld door de beroepsgroepen van cardiologen en thoraxchirurgen. Wel is er door deze beroepsgroepen een consensusdocument opgesteld waarin kwaliteitseisen zijn opgesteld voor het uitvoeren van klepvervangingen. Het ontbreken van kwaliteitsrichtlijnen bij nieuwe verrichtingen is een overweging om vanuit de overheid het aanbod van deze verrichting tijdelijk binnen een aantal instellingen te beperken. Hierdoor kan kennis en ervaring met betrekking tot deze relatief nieuwe behandelvorm geconcentreerd tot ontwikkeling komen. Ik wil THI's vooralsnog concentreren in die instellingen waar al langer ervaring is opgedaan met deze verrichtingen.". (... ) Instellingen dienen bij de vergunningaanvraag aan te tonen of zij voldoen aan de criteria en kwaliteitseisen uit het Consensusdocument THV van 4 mei 2009, of nadien door de beroepsgroep geformuleerde criteria en kwaliteitseisen in consensusdocumenten of richtlijnen. Ik beschouw deze criteria en kwaliteitseisen als de standaard. Ik zal de Inspectie vragen mij te adviseren welke vergunningaanvragende instellingen het beste functioneren, gelet op deze kwaliteitseisen, en in aanmerking komen voor een vergunning. Op basis van dit advies zal ik aan ten hoogste vijf instellingen een vergunning voor THI's verstrekken.".

Beoordeling verzoek

15. Het Catharina-ziekenhuis heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopig rechtmatigheidoordeel te geven over de weigering haar een vergunning voor THI's te verlenen. Het Catharina-ziekenhuis heeft echter ook aangegeven dat zij de bezwaargronden in een later stadium nog zal aanvullen. Dit betekent dat haar standpunt in deze zaak nog niet volledig bekend is. Ook is niet bekend welke bezwaren het Catharina-ziekenhuis tegen de besluiten tot vergunningverlening aan de vijf andere ziekenhuizen zal inbrengen. Evenmin is bekend wat de reactie van deze vergunninghoudende ziekenhuizen zal zijn. De uitkomst van die vijf bezwaarprocedures hangt samen met de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de weigering het Catharina-ziekenhuis een vergunning te verlenen, omdat op grond van het Planningsbesluit slechts maximaal vijf vergunningen mogen worden verleend. Het voorgaande betekent dat de zaak onvoldoende is uitgekristalliseerd om een adequate prognose te kunnen maken van de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de weigering het Catharina-ziekenhuis een vergunning te verlenen.

16. De voorzieningenrechter voegt daaraan toe dat het om een complexe materie gaat. Een beoordeling van de inhoudelijke kanten van deze zaak, zoals bijvoorbeeld de vraag welke rol het mortaliteitspercentage zou moeten spelen, vergt een gedegen onderzoek. Daarvoor is geen plaats in deze procedure. Er moet immers op zeer korte termijn uitspraak worden gedaan.

17. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven over het besluit van 20 juli 2010, waarbij is geweigerd het Catharina-ziekenhuis een vergunning te verlenen. Het is niet uitgesloten dat het Catharina-ziekenhuis naar aanleiding van de bezwaarprocedure alsnog een vergunning zal krijgen. Dit is echter onzeker. Als de bezwaarprocedure zou leiden tot vergunningverlening, zou dat betekenen dat het Catharina-ziekenhuis de THI's weer mag voortzetten, nadat zij die eerst voor een korte periode heeft gestaakt. Dit heeft nadelen voor het Catharina-ziekenhuis. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat het om onoverkomelijke nadelen gaat. Het Catharina-ziekenhuis heeft niet aannemelijk gemaakt dat het staken van de THI's in de relatief korte periode tot aan het besluit op bezwaar tot een dermate groot verlies aan kennis en ervaring zou leiden, dat zij de THI's daarna niet zou kunnen voortzetten. Tegenover het belang van het Catharina-ziekenhuis staat het gerechtvaardigde belang van de Minister om de THI's uit een oogpunt van kwaliteit zo spoedig mogelijk te concentreren bij vijf ziekenhuizen. Deze belangen afwegende ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen met het oog op de onzekere uitkomst van de bezwaarprocedure.

18. De voorzieningenrechter zal wel een voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven over het besluit van 27 juli 2010, waarbij de overgangstermijn is verlengd tot en met 15 augustus 2010. Vervolgens zal de voorzieningenrechter het belang van het Catharina-ziekenhuis bij een voorlopige voorziening afwegen tegen het belang van de Minister bij onmiddellijke uitvoering van de bestreden besluiten.

19. Op grond van artikel 6, vierde lid, van de WBMV is de schorsing van het verbod om zonder vergunning THI's uit te voeren beperkt tot drie maanden na de inwerkingtreding van de regeling waarbij het verbod wordt ingevoerd. De Minister is bevoegd deze termijn te verlengen. De Minister heeft gebruik gemaakt van deze bevoegdheid door in het Planningsbesluit te bepalen dat de ziekenhuizen tijdens de behandeling van hun vergunningaanvraag mogen doorgaan met THI's, mits zij aan de kwaliteitseisen voldoen.

20. Het Catharina-ziekenhuis heeft het besluit tot weigering van de vergunning op 21 juli 2010 ontvangen. Op dat moment wist zij pas dat zij moest stoppen met de THI's. Nu zij vóór die datum niet wist of zij wel of geen vergunning zou krijgen, kon zij niet eerder beginnen met het afbouwen van de werkzaamheden met betrekking tot de THI's en het overdragen van patiënten.

21. De Minister heeft op grond van artikel 6, vierde lid, van de WBMV een discretionaire bevoegdheid om de overgangstermijn desgevraagd verder te verlengen. De Minister heeft de termijn op verzoek van het Catharina-ziekenhuis verlengd, maar slechts tot en met 15 augustus 2010. Uit het besluit van 27 juli 2010 blijkt niet of de Minister daarbij rekening heeft gehouden met de belangen van het Catharina-ziekenhuis. Het Catharina-ziekenhuis heeft terecht aangevoerd dat de Minister niet heeft gemotiveerd waarom hij voor deze korte termijn heeft gekozen. Op grond hiervan is dit besluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig.

22. De voorzieningenrechter gaat er op grond van het verhandelde ter zitting van uit dat de Minister conform het advies van de Inspectie wil handelen. In dit advies is aangegeven dat het nodig is om de overgang van vijftien naar vijf centra uit het oogpunt van patiëntveiligheid in goede banen te leiden. Het advies luidt:

"Centra die stoppen met THI hebben mogelijk reeds patiënten geaccepteerd voor een THI. In samenwerking met de centra die de tijdelijke vergunning krijgen moet een plan opgesteld worden, zodat deze patiënten niet onnodig lang hoeven te wachten.".

23. Ter zitting is gebleken dat de Minister er niet van op de hoogte is hoeveel patiënten al zijn geaccepteerd voor een THI door de zes ziekenhuizen die nog wel THI's uitvoeren, maar daar geen vergunning hebben verkregen. Hij heeft hierover geen informatie (laten) inwinnen. Hierdoor is niet duidelijk of een overgangstermijn van bijna vier weken voldoende is om de patiënten die al zijn geaccepteerd door de zes ziekenhuizen die geen vergunning hebben gekregen, waaronder het Catharina-ziekenhuis, tijdig te laten behandelen door de vijf vergunninghoudende ziekenhuizen.

24. Eén van de gemachtigden van de Minister heeft enkele dagen vóór de zitting contact opgenomen met vier van de vijf vergunninghoudende ziekenhuizen en geïnformeerd naar de capaciteit om patiënten uit de zes andere ziekenhuizen over te nemen. Dit heeft geresulteerd in twee e-mailberichten, een brief en één sms-bericht (waarvan de tekst is opgenomen in het proces-verbaal van deze zitting). Deze berichten dateren van 3, 4 en 5 augustus 2010. Eén e-mail is zelfs 43 minuten vóór de zitting verzonden. Uit deze berichten blijkt dat deze vier vergunninghoudende ziekenhuizen bereid zijn hun capaciteit voor het verrichten van THI's uit te breiden, waarbij één ziekenhuis het voorbehoud maakt dat de uitbreiding additioneel gefinancierd wordt. Uit de berichten blijkt onvoldoende op welk moment genoeg capaciteit zal zijn gerealiseerd om de patiënten uit de andere ziekenhuizen tijdig te kunnen behandelen. Ook bevatten deze berichten geen plan voor de opvang van deze patiënten.

25. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldaan aan het advies van de Inspectie om een plan op te stellen voor de overgangssituatie. De stelling van de Minister dat het op de weg van de ziekenhuizen ligt om een plan te maken, leidt niet tot een ander oordeel. Ook als dit de taak van die ziekenhuizen is, ligt het op de weg van de Minister om zich ervan te vergewissen dat er een plan is en dat daarmee voldoende wordt gewaarborgd dat de betrokken patiënten tijdig worden behandeld in één van de vergunninghoudende ziekenhuizen. De Minister heeft dat niet gedaan.

26. Het ontbreken van een plan klemt temeer nu het gaat om ernstig zieke patiënten. Het Catharina-ziekenhuis heeft gesteld dat ongeveer vijftig procent van deze patiënten na enkele maanden zal overlijden als behandeling uitblijft. De Minister heeft hier weliswaar tegenover gesteld dat het niet om een spoedingreep gaat, maar heeft het mortaliteitspercentage van circa 50% na enkele maanden niet betwist. Dit maakt de aanwezigheid van een plan om de patiëntveiligheid te waarborgen des te belangrijker.

27. De Minister heeft aangegeven geen ruimere overgangstermijn te willen geven omdat hij het van belang acht dat de THI's zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd door de vijf ziekenhuizen die op dit gebied de beste kwaliteit leveren. Dit is een gerechtvaardigd belang van de Minister. Daarmee is echter niet gezegd dat een wat ruimere overgangsregeling uit een oogpunt van kwaliteit niet aanvaardbaar zou zijn. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het Catharina-ziekenhuis al enige tijd THI's heeft uitgevoerd, dat het Catharina-ziekenhuis volgens het advies van de Inspectie de zesde plaats inneemt uit een oogpunt van kwaliteit van de zorg bij THI's en dat ter zitting namens de Minister is aangegeven dat het van belang is respect tot uiting te brengen voor de zorg die het Catharina-ziekenhuis levert.

28. Gelet op het al het voorgaande, heeft de Minister de verlenging van de overgangstermijn naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet kunnen beperken tot een termijn van bijna vier weken. De voorzieningenrechter ziet na afweging van de betrokken belangen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorziening houdt in dat het Catharina-ziekenhuis een wat langere overgangstermijn krijgt om de THI's af te bouwen en haar patiënten over te dragen aan de vergunninghoudende ziekenhuizen. Het Catharina-ziekenhuis heeft tijdens de zitting van 5 augustus 2010 aangegeven dat 20 van haar patiënten een THI zouden moeten ondergaan en dat zij acht THI's per maand kan uitvoeren. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor verlenging van de overgangstermijn tot drie maanden na de dag van bekendmaking van de weigering van de vergunning. De overgangstermijn duurt dus van 21 juli 2010 tot en met 20 oktober 2010.

29. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig de Minister te veroordelen in de door het Catharina-ziekenhuis gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal

EUR 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt EUR 437,00

* wegingsfactor 1.

30. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat de Minister aan het Catharina-ziekenhuis het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 297,00 dient te vergoeden.

31. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het Catharina-ziekenhuis bij wijze van overgangsregeling moet worden behandeld als ware de termijn waarbinnen zij zonder vergunning transcatheter hartklepinterventies mag blijven verrichten, verlengd tot en met 20 oktober 2010;

- wijst het verzoek voor het overige af;

- bepaalt dat de Minister aan het Catharina-ziekenhuis het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van EUR 297,00;

- veroordeelt de Minister in de door het Catharina-ziekenhuis gemaakte proceskosten vastgesteld op EUR 874,00.

Aldus gedaan door mr. D.J. Hutten als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van B.C.T. Rabou-Coort LLB als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2010.