Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN3313

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
AWB 10-1238
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gebiedsverbod Burgemeester op grond van artikel 172,derde lid, van de Gemeentewet.

De burgemeester heeft eiser op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevolen om zich te verwijderen en verwijderd te houden van het grondgebied van zijn gemeente zolang met eiser onder justiele titel geen concrete resocialisatie, toezicht- en/of zorgafspraken zijn gemaakt.

Eisers bezwaar tegen dit bevel is door de burgemeester ongegrond verklaard.

De rechtbank acht eiser ontvankelijk in zijn beroep.Voorts acht de rechtbank de burgemeester bevoegd om op grond van artikel 172,derde lid, van de Gemeentewet een bevel te geven als ook een gebiedsverbod.

De rechtbank is echter van oordeel dat het in deze opgelegde gebiedsverbod qua omvang en duur niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit.

Het gebiedsverbod maakt een ongeoorloofde inbreuk op eisers grondrechten( waaronder het recht op bewegingsvrijheid).

Het beroep van eiser wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/304

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/1238

Uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2010

inzake

[verzoeker],

verblijfplaats onbekend,

eiser,

[gemachtigde]

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven,

verweerder,

[gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2009 heeft verweerder op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, eiser bevolen zich met ingang van zondag 20 september 2009 verwijderd te houden en te verwijderen van het grondgebied van de gemeente Eindhoven zolang met eiser onder justitiële titel geen concrete resocialisatie- of zorgafspraken gemaakt zijn (hierna: bevel).

Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 27 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Hertogenbosch (www.rechtspraak.nl, LJN: BK1271) het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het bevel geschorst tot en met zes weken nadat op het bezwaar is beslist.

Op 1 maart 2010 heeft de Commissie voor bezwaarschriften verweerder geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren en het bevel in stand te laten met aanpassing van de gebiedsbeperking.

Bij besluit van 13 april 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 28 april 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Hertogenbosch (www.rechtspraak.nl, LJN: BM2862) het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het besluit van 13 april 2010 geschorst totdat op het beroep is beslist.

Bij brief van 29 april 2010 heeft eiser nog stukken in het geding gebracht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 juni 2010 heeft verweerder aangekondigd ter zitting mee te zullen brengen de [deskundige 1], werkzaam als zedenrechercheur bij de politieregio Brabant Zuid-Oost en [deskundige 2], sociaal cultureel antropoloog. Hierbij heeft verweerder tevens verzocht om de zitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden.

Eiser heeft zich tegen dit verzoek van verweerder verzet.

Bij beslissing van 2 juli 2010 heeft de rechtbank bedoeld verzoek van verweerder afgewezen.

Bij brief van 6 juli 2010 heeft verweerder op verzoek van de rechtbank toegezonden de brief van verweerder aan het openbaar ministerie van 3 november 2009.

De zaak is behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 8 juli 2010, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Aan de zijde van verweerder is tevens verschenen [de heer], directeur veiligheid van de gemeente Eindhoven. Tevens waren ter zitting aanwezig de door verweerder aangekondigde deskundigen.

Bij brief van 13 juli 2010 heeft eiser, zoals ter zitting was afgesproken, een kopie doen toekomen van het door hem ingestelde cassatieberoep.

Overwegingen

1. Aan de orde is of het besluit van 13 april 2010, waarbij het bevel is gehandhaafd, in rechte stand houdt.

Feiten en omstandigheden

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Bij arrest van 22 juni 2009 heeft het Gerechtshof van ’s-Hertogenbosch (hierna: gerechtshof) (www.rechtspraak.nl, LJN: BK1556) eiser veroordeeld wegens – kort gezegd – ontucht met vier minderjarigen, jonger dan zestien jaar, waaronder in één geval ook het seksueel binnendringen van het lichaam. Hierbij is aan eiser een gevangenisstraf opgelegd van 36 maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, waarbij een proeftijd van vijf jaren is opgelegd. Het gerechtshof heeft als bijzondere voorwaarde gesteld dat eiser zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van de reclassering en zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van eiser. Eiser heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Bij arrest van 30 maart 2010 heeft de Hoge Raad (www.rechtspraak.nl, LJN: BL7813) het arrest van het gerechtshof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de bewezenverklaring van één tenlastegelegd feit en de strafoplegging, en de zaak terugverwezen naar het gerechtshof.

Bij arrest van 29 juni 2010 heeft het gerechtshof (www.rechtspraak.nl, LJN: BM9469) het bedoelde tenlastegelegde feit opnieuw bewezenverklaard. Het gerechtshof heeft aan eiser ter zake daarvan en ter zake van de andere drie door het gerechtshof bij arrest van 22 juni 2009 tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feiten, dezelfde gevangenisstraf en dezelfde proeftijd opgelegd en daarbij dezelfde bijzondere voorwaarde gesteld als in het arrest van

22 juni 2009. Eiser heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

4. Eiser woonde ten tijde van het plegen van de strafbare feiten en voorafgaand aan zijn detentie in Eindhoven en meer in het bijzonder in dezelfde wijk als zijn slachtoffers.

5. De strafbare feiten hebben plaatsgevonden in Eindhoven. Drie van de vier slachtoffers van eiser zijn van Turkse afkomst.

6. Voorafgaand aan de vrijlating van eiser heeft verweerder met eiser gesproken over diens terugkeer naar Eindhoven na diens detentie. De gemeente Eindhoven heeft hiertoe een overeenkomst opgesteld waarin onder meer het volgende is bepaald.

De gemeente Eindhoven schort de tenuitvoerlegging van het aan de overeenkomst gehechte bevel op zolang eiser zich aan de voorwaarden in de overeenkomst houdt. Eiser zal zich gedurende een periode van vijf jaar na ondertekening, of zoveel korter als de gemeente Eindhoven mogelijk acht, aan de volgende voorwaarden houden. Eiser zal zich niet bevinden in de gemeente Eindhoven, in het gebied ten oosten van de Boschdijk (de Boschdijk zelf daaronder niet begrepen), ten zuiden van de A58, ten westen van de

John F. Kennedylaan en ten noorden van de Fellenoord. In uitzondering hierop is het eiser wel toegestaan in dat gebied te komen om een bezoek te brengen aan een in dat gebied gevestigde huisarts of een in dat gebied gelegen ziekenhuis, voor de duur van dat bezoek, en de reistijd naar en van een dergelijk bezoek. Eiser zal voorts op geen enkele wijze direct of indirect contact zoeken, opnemen of onderhouden met de slachtoffers of familie van slachtoffers van de door hem gepleegde delicten, en incidentele, toevallige contacten met deze personen zoveel mogelijk vermijden. Voorts zal eiser zich niet begeven of ophouden in, of in de directe nabijheid van scholen, speeltuinen, zwembaden, sportparken, kinderdagverblijven en andere locaties waar de aanwezigheid van grotere aantallen kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar redelijkerwijs te verwachten is. Eiser zegt toe zich te gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door de reclassering, welke aanwijzingen mede kunnen omvatten dat eiser zich zal onderwerpen aan een beperking van zijn bewegingsvrijheid of een toezicht door middel van GPS. Eiser zal zich melden bij de politie, indien, zodra en zo vaak als de politie dat noodzakelijk acht. Eiser heeft deze overeenkomst niet getekend.

7. In het bevel staat het volgende vermeld:

“(…)

Dat gelet op de instelling, de houding en het gedrag van [eiser] de gerechtvaardigde vrees bestaat dat [eiser] in zijn gedrag zal vervallen en strafbare feiten, waaronder soortgelijke zedendelicten, zal plegen;

Dat op basis van gesprekken tussen medewerkers van de reclassering en politie en de slachtoffers van [eiser] de ernstige vrees is ontstaan voor de veiligheid van [eiser];

Dat bij een ongecontroleerde terugkeer van [eiser] in Eindhoven grote maatschappelijke onrust zal ontstaan;

Dat er derhalve ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van oproerige beweging, ernstige geweldpleging en andere ernstige wanordelijkheden;

Dat er derhalve sprake is van dreigende overtreding van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde;

Dat het in verband met de ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde oproerige beweging en andere ernstige wanordelijkheden nodig is om maatregelen te treffen en voorschriften uit te vaardigen die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn;

Dat het (zonder concrete gedragssturende afspraken met [eiser] absoluut niet verantwoord is dat [eiser] zich vestigt in de gemeente Eindhoven en dat het [eiser] wordt verboden zich te bevinden dan wel zich te vestigen in de gemeente Eindhoven.

(…)

Gelet op artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet.

beveelt:

[Eiser] zich met ingang van zondag 20 september 2009 verwijderd te houden en te verwijderen van het grondgebied van de gemeente Eindhoven zolang met [eiser] onder justitiële titel geen concrete resocialisatie- of zorgafspraken gemaakt zijn.”

8. Op 20 september 2009 had eiser de hem opgelegde 27 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf (in voorlopige hechtenis) uitgezeten en is hij in vrijheid gesteld.

9. Eiser heeft op 21 september 2009 een overeenkomst gesloten met de reclassering, waarin onder meer is bepaald dat eiser zich niet zal begeven in de straat/buurt van de (veronderstelde) slachtoffers. Bij brief van 12 november 2009 heeft de reclassering de gemachtigde van eiser meegedeeld dat dit vrijwillige toezicht is beëindigd omdat voortzetting van het toezicht zoals op 21 september 2009 overeengekomen niet langer mogelijk is gebleken.

10. In de brief van het openbaar ministerie aan verweerder van 14 december 2009 staat vermeld dat voorafgaand aan de vrijlating van eiser de politie in opdracht van het openbaar ministerie een dreigingsinschatting heeft gemaakt over de terugkeer van eiser naar Eindhoven na diens detentie. Voor zover hier van belang luidt deze dreigingsinschatting als volgt.

“(…)

Conclusie

Volgens de beschikbare informatie wordt [eiser] naast zijn veroordeling meerdere malen in relatie gebracht met pedofilie. Zedenzaken waarbij jonge kinderen het slachtoffer zijn, hebben een grote maatschappelijke impact. Zijn provocerende houding en shockerende gedrag zal eventuele reacties alleen maar versterken. Het is opvallend dat hij een woning in Eindhoven zoekt en zodoende eventueel weer in zijn ‘oude’ woonomgeving terechtkomt. Uit informatie van het veiligheidshuis Eindhoven en Justitie blijkt dat hij veelal niet meewerkt.

Aanbevelingen

Het is met name van belang dat [eiser] zich niet in Eindhoven of de directe omgeving zal vestigen. (...)

Advies:

De ernst van de gebeurtenis wordt ingeschat als ernstig. De positie van kinderen in de (Turkse) gemeenschap is een heel beschermde. Daarbij neemt een zoon altijd nog een andere positie in als een dochter. Daar waar er sprake is van eerwraak zijn de gevolgen meestal vrij ernstig te noemen en dient er gevreesd te worden voor zware mishandeling of doodslag/moord.

De waarschijnlijkheid dat het gebeurt is ingeschat als laag omdat er geen concrete bedreigingen zijn geuit en ook de naaste familieleden van de slachtoffers nooit eerder voor zware vergrijpen zijn veroordeeld. Afhankelijk van het gedrag van de veroordeelde en kijkend naar zijn gedrag in het verleden is de inschatting echter gemiddeld. [Eiser] vertoont geen meewerkend en zelfs provocerend gedrag. Gezien bovenstaande en de temperamentvolle inslag van de Turkse gemeenschap is het echter zeer voorstelbaar dat het wel tot een confrontatie komt.”

Standpunten van partijen

11. In het besluit van 13 april 2010, waarbij verweerder het bezwaar ongegrond heeft verklaard en het opgelegde gebiedsverbod voor de gehele gemeente Eindhoven heeft gehandhaafd totdat de veroordeling van eiser onherroepelijk is, staat onder meer het volgende vermeld.

“(…)

Ik heb daaraan onvermijdelijk de conclusie moeten verbinden dat uw cliënt alleen dan naar Eindhoven kan terugkeren, als zodanige maatregelen worden genomen dat de handhaving van de openbare orde, de maatschappelijke rust en de bescherming van de belangen van de slachtoffers van uw cliënt afdoende geborgd zijn.

(…)

Gelet op het voorgaande acht ik een bestuurlijke maatregel in de vorm van een gebiedsverbod voor heel Eindhoven nog steeds noodzakelijk. Daarbij heb ik tevens in aanmerking genomen het feit dat het onmogelijk is gebleken met uw cliënt afspraken te maken over een regelmatige en rustige terugkeer naar Eindhoven nu hij noodzakelijk en onvermijdbaar toezicht stelselmatig weigert terwijl de rechter die maatregel – die nu niet ten uitvoer kan worden gelegd – wel oplegt. Bovendien ben ik van mening dat uw cliënt nog steeds zodanig provocerend gedrag vertoont dat ik mij genoodzaakt zie deze bestuurlijke maatregel te nemen.

De commissie voor de bezwaarschriften geeft mij in het advies van 1 maart 2010 naar aanleiding van uw bezwaarschrift in overweging om de omvang van de gebiedsbeperking te beperken.

Naar aanleiding hiervan overweeg ik ten eerste dat uw cliënt zelf in de hand heeft dat hij zich in Eindhoven kan vestigen. Door actief in te gaan op het aanbod van Reclassering Nederland en de gemeente Eindhoven voor een arrangement bestaande uit behandeling, begeleiding en toezicht en in dat verband woonruimte kan hij zich in Eindhoven vestigen. Dan zal de gebiedsbeperking in Eindhoven voor hem zeer beperkt van omvang zijn.

Omdat die weg door toedoen van uw cliënt zelf geblokkeerd blijft overweeg ik verder als volgt. De dreiging voor de verstoring van de openbare orde, de maatschappelijke onrust en de noodzakelijk bescherming van de slachtoffers, gebaseerd op het door de rechtbank én het hof erkende recidiverisico, het provocerende gedrag van uw cliënt en zijn houding ten aanzien van pedoseksualiteit is in heel Eindhoven aan de orde indien en voor zover hij zich daar begeeft zonder enige vorm van toezicht. Hierbij overweeg ik dat de belangen van de slachtoffers en het belang van de openbare orde naar mijn stellige overtuiging zwaarder moeten wegen dan het belang van uw cliënt om zich zonder enige vorm van behandeling, begeleiding en toezicht in Eindhoven te vestigen. Daarbij heb ik meegewogen dat uw cliënt aan mij geen bijzonder belang duidelijk heeft kunnen maken, waaruit zou volgen dat hij zich redelijkerwijs niet elders dan in de gemeente Eindhoven zou kunnen vestigen.

Gelet hierop en op het feit dat de slachtoffers in Eindhoven wonen en zich door heel Eindhoven bewegen, handhaaf ik het gebiedsverbod voor de gehele gemeente Eindhoven.

De gebiedsontzegging duurt zolang de uitspraak in de strafzaak niet onherroepelijk is en er geen concrete resocialisatie-, toezicht- en/of zorgafspraken zijn gemaakt met uw cliënt. (…)”.

12. Eiser kan zich niet verenigen met dit besluit en heeft hiertegen – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

13. Het bestreden besluit maakt inbreuk op het grondwettelijk en Europeesrechtelijk vastgelegde recht van eiser om zich vrijelijk te bewegen. Het bestreden besluit is bovendien in strijd met artikel 172, derde lid van de Gemeentewet. Voorts is het onzorgvuldig tot stand gekomen, althans onvoldoende gemotiveerd, in strijd met een redelijke waardering en afweging van belangen, in strijd met het evenredigheidsbeginsel en in strijd met het verbod van détournement de pouvoir.

14. Meer in het bijzonder heeft eiser het volgende aangevoerd.

15. Gezien de uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2009 dient verweerder te onderbouwen dat het eiser is die (de vrees voor) verstoring van de openbare orde veroorzaakt. Verweerder is hierin niet geslaagd, zodat verweerder ter zake geen bevoegdheid toekomt op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet.

Aan het door verweerder genoemde arrest van het gerechtshof van 22 juni 2009 komt in de beslissing op bezwaar geen meerwaarde toe, omdat dit arrest al bekend was ten tijde van bedoelde uitspraak van de voorzieningenrechter. Bovendien is dit arrest door verweerder op enkele punten onjuist weergegeven.

Het onverplichte karakter van het reclasseringstoezicht is geen grond voor toepassing van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, nu er geen vrees is voor de verstoring van de openbare orde. Eiser wijst er op dat het vaak voorkomt dat een veroordeelde na zijn gevangenisstraf in vrijheid zijn cassatieberoep afwacht. Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet regelt een lichte bevelsbevoegdheid voor acute situaties waarin ordeverstoringen voorkomen. Hiervan is geen sprake. Omdat verweerder zelfs bij een onherroepelijk reclasseringstoezicht nog zal bezien welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn, stelt hij zich boven de inschatting van de reclassering.

Dat het openbaar ministerie mondeling de noodzaak van toezicht zou hebben medegedeeld is niet bewezen en stemmingmakerij.

Ook de bij brief van 14 december 2010 aan verweerder medegedeelde dreigingsinschatting van het openbaar ministerie is onvoldoende voor de conclusie dat eiser een vrees voor verstoring van de openbare orde oplevert. Uit de brief blijkt dat verweerder het openbaar ministerie heeft verzocht munitie te verschaffen om het standpunt van verweerder te onderbouwen. Verweerder heeft de brief bovendien onjuist geïnterpreteerd, omdat deze geen advies van het openbaar ministerie bevat maar enkel een mening van een politieambtenaar inhoudende dat moet worden voorkomen dat eiser zich in Eindhoven vestigt. Verder blijkt uit de brief dat er geen enkele concrete dreiging is. Onbegrijpelijk is hoe in de brief eiser als onberekenbaar, provocerend en shockerend wordt gekwalificeerd. Mogelijk is dit gebaseerd op het boek van eiser uit 1981 over pedofilie, maar dat kan niet dienen als onderbouwing voor deze kwalificaties.

Eiser weigert geen vrijwillig toezicht. Hij is op 21 september 2009 vrijwillig een overeenkomst met de reclassering aangegaan. Zijn begeleiding is beëindigd vanwege het ontbreken van een vaste verblijfplaats. Dit zou geen vrees voor verstoring van de openbare orde kunnen opleveren, omdat eiser niet verplicht is zich onder toezicht te stellen. Het door verweerder gewenste elektronische toezicht is een punitieve, vrijheidsbenemende maatregel. Een dergelijke maatregel kan niet worden opgelegd aan iemand die zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten.

Het emailbericht van de reclassering van 16 oktober 2009, waarin de reclassering – kort gezegd – stelt dat uit de bij de reclassering bekende informatie over eiser blijkt dat sprake is van een recidiverisico, onderbouwt niet enig gevaar voor de openbare orde. Hetzelfde geldt voor de brief van de Minister van Justitie van 3 november 2009 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (5626900/09), waarin ter voorbereiding op een spoeddebat in de Tweede Kamer het feitenrelaas over de zaak van eiser, het beleid en de wetgeving wordt uiteengezet.

Ten slotte is het gebiedsverbod voor de hele gemeente Eindhoven zonder beperking in tijd in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals geïncorporeerd in de toepassing van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, dat is gericht op een concreet, zich plots voordoende situatie waarin een maatregel beperkt in tijd dient te worden getroffen.

16. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eiser primair

niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond moet worden verklaard. Hiertoe heeft verweerder – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Eiser is geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bovendien heeft eiser geen procesbelang, omdat hij heeft verklaard niet meer in Eindhoven te willen wonen.

Volgens verweerder is terecht gebruikt gemaakt van de bevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet en is het opgelegde gebiedsverbod niet in strijd met het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel.

Wettelijk kader

17. Het wettelijke kader luidt als volgt.

18. Ingevolge artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

19. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 172 van de Gemeentewet blijkt dat met de term handhaving wordt gedoeld op het feitelijk herstellen en bewaren van de openbare orde (Kamerstukken II, 1985/86, 19 403, nr. 3, p. 49). Voorts blijkt daaruit dat onder openbare orde moet worden verstaan de (zorg voor) naleving van regels, bij niet naleving waarvan de orde en rust in het openbare leven wordt verstoord (Kamerstukken II, 1985/86, 19 403, nr. 10, p. 88). Het begrip handhaving van de openbare orde bevat twee elementen: de daadwerkelijke voorkoming en beëindiging van zich concreet voordoende of dreigende verstoringen van de openbare orde enerzijds en de algemene, bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten anderzijds (Kamerstukken II, 1989/90, 19 403, nr. 16, p. 38).

20. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat deze bepaling het gevolg is van een amendement op het voorgestelde artikel 171, thans artikel 172 van de Gemeentewet (Kamerstukken II, 1990/91, 19 403, nr. 64).

In de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken het amendement als volgt toegelicht.

“(…)

De vraag naar de toegevoegde waarde van het thans in het derde lid bepaalde ten opzichte van het bepaalde in het tweede lid is op verschillende momenten tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer aan de orde geweest. Daarbij is duidelijk geworden dat het derde lid niet ziet op situaties van lokale noodtoestand. Het derde lid heeft betrekking op situaties waarin enerzijds niet zonder meer feitelijk geconstateerd kan worden dat overtreding van wettelijke openbare orde voorschriften plaatsvindt, terwijl anderzijds sprake is van een zodanige inbreuk op orde en rust dat niet meer van een aanvaardbaar niveau daarvan gesproken kan worden. Daartegen moet kunnen worden opgetreden. Het derde lid dient er toe de burgemeester ook in dergelijke gevallen bevoegd te verklaren tot handelen. De bevoegdheid van de burgemeester krachtens artikel 174, derde lid, (thans artikel 172, derde lid: rechtbank) is gericht op de voorkoming en bestrijding van allerlei ordeverstoringen op openbare plaatsen. Deze ordeverstoringen kunnen plaatsvinden door samenscholingen, oploopjes, acties, manifestaties e.d.

(…)

De bevelsbevoegdheid in artikel 174, derde lid, is vergeleken bij die in artikel 177, eerste lid, een «lichte» bevelsbevoegdheid. Afgezien van het feit dat het bij artikel 174, derde lid, gaat om beperkte verstoringen van de openbare orde, terwijl artikel 177 betrekking heeft op ernstiger situaties van lokale noodtoestand, geeft artikel 174, derde lid, niet de bevoegdheid om af te wijken van «andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften». Dit betekent dat de burgemeester bij de toepassing van de bevelsbevoegdheid krachtens artikel 174, derde lid, binnen het kader van de overigens geldende wetgeving zal moeten blijven. Hij mag met andere woorden

- evenmin als bij toepassing van de artikelen 177 en 178 - niet afwijken van de Grondwet (en met name niet van de artikelen 6, 7 en 9). (…)

Desgevraagd delen wij de leden van de fractie van de PvdA mee het bepaalde in het derde lid van artikel 174 niet een soort blanket-formulering met betrekking tot de handhaving van de openbare orde te achten. De burgemeester kan op basis van het derde lid niet naar willekeur openbare ordemaatregelen nemen. Er moet sprake zijn van:

- verstoring van de openbare orde of van ernstige vrees daarvoor;

- de bevelen moeten noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde;

- de bevelen mogen niet van wettelijke voorschriften afwijken en

- de bevelen moeten - krachtens algemene rechtsbeginselen – proportioneel en subsidiair zijn.

(…)”

(Kamerstukken I, 1990/91, 19 403, nr. 64, p. 16 en 17).

21. Ingevolge het ten tijde hier van belang geldende artikel 2.7.a.1, eerste lid, van de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente Eindhoven (hierna: APV) kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of zedelijkheid, aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende feiten verricht of zich gedraagt in strijd met artikel 2.7.1., artikel 2.7.2. of met artikel 3.2.6, nadat eerder het in het tweede lid van artikel 3.2.6 genoemde bevel tot onmiddellijke verwijdering is gegeven een verbod opleggen om zich gedurende 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de omgeving waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of ordeverstorende feiten verricht of dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemde tijdvak van ten hoogste vier weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de omgeving waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad.

22. Artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Everyone lawfully within the territory of a State shall, within that territory, have the right to liberty of movement and freedom to choose his residence. (…)

3. No restrictions shall be placed on the exercise of these rights other than such as are in accordance with law and are necessary in a democratic society in the interests of national security or public safety, for the maintenance of ordre public, for the prevention of crime, for the protection of health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others.

4. The rights set forth in paragraph 1 may also be subject, in particular areas, to restrictions imposed in accordance with the law and justified by the public interest in a democratic society.”

Beoordeling

Ontvankelijkheid

23. De rechtbank is van oordeel dat eiser, anders dan verweerder heeft betoogd, belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Aan eiser is bij het bevel een gebiedsverbod opgelegd voor de gemeente Eindhoven. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 13 april 2010 ongegrond verklaard. Aldus is het belang van eiser zowel bij het bevel als bij het besluit van 13 april 2010 rechtstreeks betrokken.

24. Voorts deelt de rechtbank niet het standpunt van verweerder dat eiser wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De enkele omstandigheid dat eiser volgens verweerder niet meer in Eindhoven zou willen wonen betekent, wat daar ook van zij, niet dat eiser geen belang heeft bij het ongedaan maken van het gebiedsverbod. Het verbod ziet immers ook op verblijf in en reizen door de gemeente Eindhoven en omvat dus meer dan het enkel wonen in de gemeente Eindhoven.

25. Aangezien van andere beletselen voor de ontvankelijkheid evenmin is gebleken, is eiser ontvankelijk in zijn beroep.

Feiten

26. In aanvulling op en mede ter verduidelijking van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

27. Verweerder heeft gesteld dat de dreigingsinschatting zoals vermeld in de brief van het openbaar ministerie en zoals hiervoor weergegeven een weergave is van de mondelinge mededeling van de politie in opdracht van het openbaar ministerie aan verweerder voorafgaand aan de vrijlating van eiser. Eiser heeft deze stelling niet, althans onvoldoende weersproken, terwijl de rechtbank geen aanleiding ziet aan deze stelling te twijfelen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat deze dreigingsinschatting voorafgaand aan de vrijlating van eiser aan verweerder is meegedeeld. Voor de stelling van eiser dat de dreigingsinschatting louter zou zijn gemaakt om munitie te verschaffen ter onderbouwing van het standpunt van verweerder bestaat geen grond.

28. De rechtbank begrijpt het bevel, gezien het besluit op bezwaar en de door verweerder ter zitting hieromtrent gegeven toelichting, aldus dat de gebiedsontzegging duurt zolang de uitspraak in de strafzaak niet onherroepelijk is en onder justitiële titel geen concrete resocialisatie-, toezicht en/of zorgafspraken zijn gemaakt met eiser.

29. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat tenuitvoerlegging van dwingend reclasseringstoezicht, zoals door het gerechtshof aan eiser bij de hiervoor vermelde arresten van 22 juni 2009 en 29 juni 2010 is opgelegd, pas mogelijk is nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.

Bevoegdheid van verweerder

30. Met betrekking tot de vraag of verweerder op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd was aan eiser een gebiedsverbod op te leggen, overweegt de rechtbank als volgt.

31. De rechtbank stelt voorop dat geen grond bestaat voor de conclusie dat de bevoegdheid van verweerder op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet een bevel te geven zich beperkt tot diegene die de openbare orde daadwerkelijk verstoort dan wel dreigt te verstoren. In de bepaling zelf noch in de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling valt een dergelijke beperkte uitleg te vinden. Bovendien strookt een dergelijke beperkte uitleg niet met het doel van de deze bepaling, namelijk het voorkomen van verstoring van de openbare orde en rust. Van belang is dus dat het bevel moet zijn gericht op en kunnen leiden tot de verwezenlijking van dit doel. Onder omstandigheden kan dit doel worden bereikt met een bevel aan een ander, bijvoorbeeld aan diegene die de aanleiding is van de (dreigende) verstoring van de openbare orde. In dat geval zal daar wel rekening mee moeten worden gehouden bij de afweging van het algemeen belang en het belang van degene aan wie het bevel wordt gegeven.

32. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet moet worden afgeleid dat verweerder beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen. Hij dient te beoordelen of verweerder op het moment dat hij het bevel gaf

– 17 september 2009 – in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. Bij deze toetsing dient te worden uitgegaan van de informatie die verweerder op dat moment ter beschikking stond.

33. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde blijkens het bevel heeft gebaseerd op drie gronden, te weten – kort gezegd – de grond dat vrees bestaat dat eiser opnieuw strafbare feiten zal plegen, dat ernstige vrees is ontstaan voor de veiligheid van eiser en dat bij een ongecontroleerde terugkeer van eiser in Eindhoven grote maatschappelijke onrust zal ontstaan.

34. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de eerste grond, dat vrees bestaat dat eiser opnieuw strafbare feiten zal plegen, niet ten grondslag kunnen leggen aan het bevel. Het op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet gegeven bevel moet strekken tot handhaving van de openbare orde. Bovendien betekent de enkele vrees dat iemand opnieuw strafbare feiten zal plegen niet zonder meer dat sprake is van een actueel en concreet gevaar voor verstoring van de openbare orde in de gemeente Eindhoven. Hoewel niet is uitgesloten dat recidivegevaar een actuele bedreiging van de openbare orde kan opleveren, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich hier ten tijde van het opleggen van het bevel een dergelijke situatie voordeed. De verwijzing van verweerder naar het arrest van het gerechtshof van 22 juni 2009, waarin het gerechtshof heeft overwogen er ernstig rekening mee te houden dat eiser wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, is hier ontoereikend. Hetzelfde geldt voor de omstandigheden dat eiser eerder ter zake van zedendelicten zou zijn veroordeeld en dat eiser er in het verleden blijk van zou hebben gegeven alle vormen van lichamelijke intimiteit met (jonge) kinderen acceptabel te vinden. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat ook uit de dreigingsinschatting niet eenduidig en concreet naar voren komt dat vanwege bedoelde vrees voor het plegen van nieuwe strafbare feiten de openbare orde in Eindhoven in het geding is.

35. Met betrekking tot de overige twee gronden, te weten dat ernstige vrees is ontstaan voor de veiligheid van eiser en dat bij een ongecontroleerde terugkeer van eiser in Eindhoven grote maatschappelijke onrust zal ontstaan, overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder zag zich geplaatst voor de situatie waarin eiser, na het uitzitten van een gevangenisstraf ter zake van – kort gezegd – ontuchtige handelingen met minderjarigen, te kennen heeft gegeven terug te willen keren naar Eindhoven, waar ook zijn slachtoffers wonen. Aannemelijk is dat eiser met naam en toenaam als pedoseksueel bekend is in Eindhoven, mede omdat voorafgaand aan zijn detentie in 2007 flyers met de tekst ‘actieve pedofiel in onze wijk’ en een foto van eiser werden verspreid in de Molenbuurt in Eindhoven. Voorts is aannemelijk dat eiser direct na zijn detentie zonder toezicht en dus ongecontroleerd zou (kunnen) terugkeren naar Eindhoven. Immers, het arrest van het gerechtshof van 22 juni 2009 was ten tijde van de vrijlating van eiser nog niet onherroepelijk, zodat de bij dit arrest opgelegde tenuitvoerlegging van dwingend reclasseringstoezicht niet mogelijk was. Verder bestond op het moment van het nemen van het bevel geen andere vorm van toezicht op eiser. Aan de omstandigheid dat eiser op

21 september 2009 met de reclassering een overeenkomst heeft gesloten over reclasseringstoezicht op eiser, komt hier geen betekenis toe, omdat deze overeenkomst dateert van na het bevel. Bovendien heeft verweerder in de gegeven omstandigheden vrijwillig reclasseringstoezicht niet voldoende kunnen achten.

Uit de voorafgaand aan eisers vrijlating gemaakte en aan verweerder meegedeelde dreigingsinschatting, zoals hiervoor weergegeven, komt naar voren dat de politie het zeer voorstelbaar acht dat het tot een confrontatie komt tussen enerzijds eiser en anderzijds de Turkse gemeenschap van Eindhoven. Weliswaar bestrijdt eiser dat hij onberekenbaar, provocerend en shockerend is, maar in deze bestrijding ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder op het moment van het nemen van het bevel niet van die dreigingsinschatting heeft mogen uitgaan. Overigens is de dreigingsinschatting ter zitting onderschreven door de door verweerder meegebrachte deskundigen.

36. Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden heeft verweerder kunnen afleiden dat bij een ongecontroleerde terugkeer van eiser in Eindhoven direct na diens detentie een ernstige vrees bestond voor diens veiligheid en dat in Eindhoven grote maatschappelijke onrust zou ontstaan. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. Het wegvallen van de grond dat vrees bestaat dat eiser opnieuw strafbare feiten zal plegen, maakt dit niet anders, omdat de resterende gronden voldoende gewicht in de schaal leggen voor verweerder om tot bedoeld oordeel te komen.

37. Dat, zoals eiser heeft aangevoerd, hij de afgelopen maanden geregeld in Eindhoven heeft verbleven en zelfs urenlang op klaarlichte dag op het Stadhuisplein en dat dit geen verstoring van de openbare orde heeft opgeleverd, doet aan het voorgaande niet af. Zoals hiervoor immers is overwogen is van belang of verweerder op het moment dat hij het bevel gaf in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde en moet bij deze toetsing worden uitgegaan van de informatie die verweerder op dat moment ter beschikking stond.

38. Verweerder was dus bevoegd een bevel te geven op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Vervolgens moet worden onderzocht of verweerder op grond van deze bepaling bevoegd was een gebiedsverbod op te leggen.

39. Naar het oordeel van de rechtbank vormt artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, mede gezien de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling, een voldoende wettelijke grondslag voor een beperking van het recht op bewegingsvrijheid ingevolge het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Vierde Protocol bij het EVRM. De vraag of deze wettelijke grondslag voldoende is voor een gebiedsverbod met een duur en omvang als hier aan de orde, zal de rechtbank betrekken bij haar beoordeling of het gebiedsverbod voldoet aan de eis van proportionaliteit.

40. Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevat blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling een lichte bevelsbevoegdheid op grond waarvan verweerder in urgente en onverwachte situaties snel moet kunnen handelen. De vraag of de aard van deze bevoegdheid zich verzet tegen het opleggen van een gebiedsverbod met een duur en omvang als hier aan de orde, zal de rechtbank eveneens betrekken bij haar toetsing aan de eis van proportionaliteit.

41. Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2008 (www. rechtspraak.nl, LJN: BB4096) volgt dat, indien in een gemeente een verordening geldt waarin is geregeld dat de burgemeester in het geval van overlast gevende verstoringen van de openbare orde aan de betrokkene een zogenoemde verblijfsontzegging kan opleggen, deze regeling dient te worden toegepast en artikel 172, derde lid, Gemeentewet dan niet (ook) een grondslag biedt voor het opleggen van een gebiedsontzegging ter zake van verstoringen van de openbare orde waarop de APV het oog heeft. De rechtbank is van oordeel dat de APV van Eindhoven niet het oog heeft op de hier door verweerder gestelde ernstige vrees voor het verstoren van de openbare orde. Artikel 2.7.a.1, eerste lid, van de APV bepaalt weliswaar dat verweerder – kort

gezegd – een gebiedsverbod van 24 uur kan opleggen, maar deze bepaling heeft alleen betrekking op situaties waarin – kort gezegd en voor zover hier van belang – strafbare feiten of openbare orde verstorende feiten worden verricht en dus niet op de situatie als hier aan de orde waarin alleen nog maar sprake is van een (door verweerder gestelde) vrees voor verstoring van de openbare orde. De APV staat hier dus niet in de weg aan het opleggen van een gebiedsverbod op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet.

42. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd was aan eiser een gebiedsverbod op te leggen.

Omvang en duur van het gebiedsverbod

43. Vervolgens moet worden beoordeeld of het door verweerder opgelegde gebiedsverbod voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals die uit zowel artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM als uit het nationale recht voortvloeien.

44. Ten aanzien van de eis van proportionaliteit overweegt de rechtbank als volgt.

45. De dreigende verstoring van de openbare orde kan een rechtvaardiging vormen voor de beperking van (grond)rechten (waaronder het recht op bewegingsvrijheid). Tussen het algemeen belang bij het tegengaan van een dreigende verstoring van de openbare orde als gevolg van een ongecontroleerde terugkeer en ongecontroleerd verblijf van eiser in Eindhoven voordat het verplichte reclasseringstoezicht in de proeftijd is aangevangen enerzijds en het belang van eiser bij het respecteren van zijn (grond)rechten (waaronder het recht op bewegingsvrijheid) anderzijds, moet een redelijke verhouding bestaan. Als algemeen uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat een gebiedsverbod niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk en dat het gebied waarop het verbod ziet zoveel als mogelijk moet worden beperkt. Omdat de dreigende verstoring van de openbare orde hier niet van eiser maar van derden uitgaat, dient zijn belang bij het respecteren van zijn rechten hier zwaarder te wegen dan in het geval die dreiging wel van hem zou zijn uitgegaan. Voorts moeten de onderscheiden belangen worden bezien bij het licht van de aan verweerder op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet toegekende bevoegdheid. Deze bevoegdheid behelst een lichte bevelsbevoegdheid om in urgente situaties snel te kunnen handelen en is niet in het leven geroepen om (grond)rechten vergaand te beperken. De democratische legitimatie daarvoor ontbreekt. Bovendien is een vergaande beperking van (grond)rechten op basis van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet kenbaar en voorzienbaar.

46. De rechtbank is van oordeel dat het opgelegde gebiedsverbod, afgemeten aan het hiervoor weergegeven toetsingskader, zowel wat duur als wat omvang betreft een zodanig vergaande inbreuk vormt op de bewegingsvrijheid van eiser dat niet wordt voldaan aan de eis van proportionaliteit. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.

47. De rechtbank is van oordeel dat een op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet opgelegd gebiedsverbod slechts van beperkte duur mag zijn. Verweerder heeft dit ter zitting onderschreven. Verweerder heeft de duur van het gebiedsverbod echter niet beperkt tot bijvoorbeeld een aantal dagen, maar heeft deze gekoppeld aan het onherroepelijk worden van de uitspraak in de strafzaak en het onder justitiële titel maken van concrete resocialisatie-, toezicht en/of zorgafspraken met eiser. Ten tijde van het geven van het bevel was voor verweerder niet voorzienbaar wanneer de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zou worden, waardoor het bevel in feite voor onbepaalde tijd is opgelegd.

48. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat niet kon worden volstaan met een gebiedsverbod van een beperkter omvang dan de gehele gemeente Eindhoven. Hoewel alleszins valt te begrijpen dat verweerder in het kader van de dreigende verstoring van de openbare orde wil voorkomen dat eiser direct na zijn vrijlating terugkeert naar dezelfde woonomgeving als zijn slachtoffers, ontslaat dit verweerder niet van de plicht – ook niet in het geval als hier aan de orde waarin binnen een zeer korte termijn een beslissing moest worden genomen – het gebied zorgvuldig vast te stellen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat verweerder vooral het gebied waarin de slachtoffers (van Turkse afkomst) wonen beschouwt als risicogebied. Uit de door verweerder voorgestelde overeenkomst (zoals hiervoor onder de rubriek feiten en omstandigheden weergegeven) blijkt ook dat verweerder in staat is binnen de gemeente Eindhoven een gebied aan te wijzen waarbinnen eiser in beginsel niet mag komen. Aan de omstandigheid dat in dat geval tevens elektronisch toezicht zou zijn opgelegd en handhaving van het gebiedsverbod eenvoudig was, komt geen beslissende betekenis toe. Verweerder heeft niet gesteld dat handhaving van een beperkter gebiedsverbod zonder elektronisch toezicht op eiser niet mogelijk is. Overigens valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, ook niet goed in te zien waarom handhaving van een gebiedsverbod zonder elektronisch toezicht voor de gehele gemeente Eindhoven wel en voor een beperkter gebied binnen die gemeente niet valt te handhaven. De omstandigheid dat, zoals verweerder in het besluit op bezwaar en ter zitting heeft benadrukt, de slachtoffers zich door geheel Eindhoven bewegen en voor hen de mogelijkheid bestaat eiser daar tegen te komen, vormt geen rechtvaardiging voor een gebiedsverbod voor de gehele gemeente Eindhoven. Immers, in de door verweerder voorgestelde overeenkomst zou deze mogelijkheid zich evenzeer kunnen voordoen. Dat eiser in dat geval onder elektronisch toezicht zou staan laat die mogelijkheid onverlet.

Ten slotte volgt de rechtbank verweerder niet in de stelling dat eiser de omvang van het gebiedsverbod in eigen hand zou hebben door in te stemmen met het door verweerder voorgestelde onvermijdbaar toezicht. Weliswaar zou in dat geval het gebiedsverbod voor eiser beperkter van omvang zijn en zou verweerder hem helpen passende woonruimte te vinden in Eindhoven. Maar aan de andere kant moet worden geoordeeld dat een dergelijke vorm van toezicht, dat, zoals door verweerder ter zitting is bevestigd, neerkomt op elektronisch toezicht voor een deel van het gebied, sterk vrijheidsbeperkend is en voor eiser dus zeer ingrijpend is. Daar komt bij dat elektronisch toezicht ook geen deel uitmaakt van de door de strafrechter – kort gezegd – opgelegde straf. In de gegeven omstandigheden

– waarbij van belang is dat de dreigende verstoring van de openbare orde niet van eiser maar van derden uitgaat – kon verweerder in redelijkheid niet van eiser verwachten dat hij zou instemmen met een dergelijke vorm van toezicht om aldus de omvang van het gebiedsverbod te beperken.

49. Aangezien uit het voorgaande volgt dat het bevel in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en reeds om die reden in rechte geen stand kan houden, behoeft niet meer te worden onderzocht of verweerder op het moment van het nemen van het bevel met een minder verstrekkende maatregel dan een gebiedsverbod kon volstaan (subsidiariteitsbeginsel).

Tot slot

50. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bevel in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Verweerder heeft het bevel bij het bestreden besluit dan ook ten onrechte niet herroepen. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met evenbedoeld beginsel. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bevel te herroepen. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

51. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1.518,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) bezwaarschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de bezwaarcommissie;

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• wegingsfactor 1.

De waarde van het punt indienen van een (aanvullend) bezwaarschrift en van het punt verschijnen ter zitting van de bezwaarcommissie is € 322,00, omdat het bezwaar is ingediend vóór het op 1 oktober 2009 inwerkinggetreden Besluit van 4 september 2009, houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de indexering van bedragen in die bijlage. De waarde per punt van de overige twee punten is

€ 437,00.

52. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 150,00 dient te vergoeden.

53. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het bevel van 17 september 2009;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten vastgesteld op

€ 1.518,00;

- gelast de gemeente Eindhoven aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 150,00.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzitter en mr. D.J. Hutten en

mr. A. Venekamp als leden in tegenwoordigheid van mr. H.J. van der Meiden als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2010.

?