Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN3033

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
AWB 08-2739
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonsanctiezaak. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd op welke grond hij aanneemt dat de werknemer enkele weken na de ziekmelding weer benutbare mogelijkheden had en daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat van de werkgever re-integratie-inspanningen konden worden verlangd zoals door verweerder is aangegeven. Voor zover verweerder van mening is dat de bedrijfsarts ten onrechte gedurende lange tijd geen benutbare mogelijkheden heeft aangenomen, had dit moeten worden onderbouwd met in ieder geval een rapportage van een verzekeringsarts.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/2739

Uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juli 2010

inzake

[eiseres],

te [woonplaats],

eiseres,

[gemachtigde],

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

[gemachtigde], werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [de heer], te [woonplaats],

[gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2008 heeft verweerder de loondoorbetalingsverplichting van eiseres ten aanzien van de heer [de heer] (hierna: de werknemer) verlengd met

52 weken, tot 26 april 2009.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 30 juni 2008 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 15 september 2009, waar eiseres is vertegenwoordigd door [heer 1] en [heer 2], bijgestaan door [heer 3], kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Verder is verschenen de derde belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Op 2 oktober 2009 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:57 van de Awb besloten een tweede zitting achterwege te laten, nadat partijen daarvoor hun toestemming hebben gegeven. De rechtbank heeft op 12 juli 2010 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht en op goede gronden de loondoorbetalingsverplichting van eiseres ten aanzien van de werknemer heeft verlengd met 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. De werknemer is per 1 januari 2000 bij eiseres in dienst getreden. Sinds september 2004 heeft hij gewerkt als magazijnmedewerker/monteur werkplaats. Op 1 mei 2006 is de werknemer uitgevallen vanwege rugklachten.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de re-integratie-inspanningen van eiseres ter zake het zogeheten tweede spoortraject onvoldoende zijn geweest. Blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, gaat verweerder ervan uit dat er alleen in de eerste weken van de ziekteperiode sprake was van een situatie van “geen duurzaam benutbare mogelijkheden”. Na de eerste weken waren wel functionele mogelijkheden aanwijsbaar. Op basis daarvan had tijdens het eerste ziektejaar systematisch moeten worden onderzocht welke mogelijkheden tot werkhervatting er binnen het eigen bedrijf waren. In geval van niet-oplosbare knelpunten had vervolgens beredeneerd ingezet moeten worden op re-integratie in het tweede spoor. Een dergelijke koers is zelfs niet kenbaar overwogen bij gelegenheid van de eerstejaarsevaluatie, toen duidelijk was dat re-integratie in het eigen bedrijf niet meer mogelijk was, aldus verweerder.

5. Eiseres is – kort gezegd – van mening dat haar niet kan worden verweten dat het

re-integratietraject via het tweede spoor eerst begin maart 2008 is opgestart. Door de instabiele medische situatie van de werknemer werd re-integratie bemoeilijkt. De werknemer had tot januari 2008 geen benutbare mogelijkheden en er was tot dat moment sprake van ernstige pijnklachten. De mogelijkheden konden pas onderzocht worden na succesvolle pijnbestrijding. Ter ondersteuning van haar stellingen wijst eiseres onder meer op een e-mail bericht van de bedrijfsarts van 5 augustus 2008 en op het rapport van de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige van 5 maart 2008. Er is volgens eiseres regelmatig overleg gepleegd en op gezette tijden gerapporteerd. Voor eiseres was niet duidelijk en kon ook niet duidelijk zijn dat het opstarten van een re-integratie in het tweede spoor geïndiceerd was. Eiseres stelt voorts dat de arbeidsdeskundige ten onrechte heeft nagelaten aan te geven wanneer volgens hem met het onderzoek naar het tweede spoor had moeten worden gestart.

6. Het wettelijk kader luidt als volgt.

7. Ingevolge artikel 65 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) beoordeelt het Uwv bij de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet WIA of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

8. Artikel 25 van de Wet WIA luidt, voor zover van belang:

1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet houdt aantekening van het verloop van de ziekte en de re-integratie van de verzekerde.

2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.

3. Uiterlijk vijftien weken voor het verstrijken van de wachttijd stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde een re-integratieverslag op en verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.

(…)

5. Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of door een arbodienst.

(…)

9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

(…)

9. De rechtbank overweegt als volgt.

10. In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224, hierna: de beleidsregels) is bepaald dat het Uwv bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van de Wet WIA, het beoordelingskader hanteert, zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.

11. Volgens de beleidsregels wordt allereerst beoordeeld of een bevredigend resultaat is bereikt. Hiervan is onder meer sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) structurele werkhervatting die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden, of als de werknemer tegen het einde van de verplichte loondoorbetalingperiode is ingeschakeld in arbeid waarvan de loonwaarde tenminste 65% bedraagt van het loon dat hij verdiende voor het intreden van de ziekte. Als er volgens het Uwv geen bevredigend resultaat is bereikt, beoordeelt het Uwv de re-integratie-inspanningen.

12. De rechtbank stelt vast dat in het onderhavig geval geen bevredigend resultaat is bereikt als bedoeld in de beleidsregels. Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder op juiste gronden heeft geoordeeld dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

13. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 november 2009 (www.rehtspraak.nl, LJN: BK3717) blijkt dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Uit artikel 65 van de Wet WIA volgt dat het bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen gaat om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen. Verweerder dient zijn besluit in dit verband deugdelijk te motiveren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval onvoldoende sprake. Met name heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd op welke grond verweerder aanneemt dat de werknemer enkele weken na de ziekmelding weer benutbare mogelijkheden had. Daartoe wijst de rechtbank op het volgende.

14. In de Probleemanalyse WIA heeft de bedrijfsarts op 19 juni 2006 aangegeven dat er nu geen benutbare mogelijkheden zijn, maar in de toekomst wel. In de eerstkomende weken is geen reële inzetbaarheid te verwachten, maar de verwachting van de bedrijfsarts op langere termijn is dat de werknemer weer volledig inzetbaar zal zijn voor het werk. Of deze verwachting zich heeft verwezenlijkt, is op basis van de zich in het dossier bevindende stukken evenwel niet vast te stellen. In het plan van aanpak van 3 juli 2006 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat bij de neuroloog advies wordt ingewonnen ter zake het opstarten van therapie of training en dat pas daarna een gericht plan kan worden opgesteld. Uit de “Medische informatie WIA” maakt de rechtbank op dat de werknemer op 8 september 2006 nauwelijks kon lopen. Bij de datum 23 oktober 2006 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat de werknemer door de neuroloog is verwezen naar de orthopaed en dat een prognose nu niet is te geven. Bij de datum 8 januari 2007 is onder meer geschreven dat de neuroloog behandeling heeft verboden. Bij de datum 16 februari 2007 is aangegeven dat de werknemer maximaal 100 meter kan lopen en dat hij een proefbehandeling van zes weken heeft bij Winnock. In de eerstejaarsevaluatie van 12 maart 2007, die is opgesteld door eiseres en de werknemer gezamenlijk, is – zonder onderbouwing – gesteld dat de werknemer geen benutbare mogelijkheden heeft. In de “Medische informatie WIA” is bij de datum 19 maart 2007 genoteerd: “geen verbetering, verwezen naar revalidatie arts”. De werknemer is vervolgens kennelijk op 11 juli 2007 op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest. Blijkens de notities van de bedrijfsarts was de werknemer toen zes weken naar revalidatiecentrum Blixembosch geweest en was progressie zichtbaar, maar was zes weken te kort. De hoek in de rug was op dat moment minder dan in het verleden (nu ongeveer 10 graden dwangstand) maar de werknemer kon nog niet in een stoel zitten, nog niet autorijden en nog niet zo veel op het werk. Daarop volgt op 26 november 2007 de probleemanalyse van de bedrijfsarts, waarin deze heeft aangegeven dat er benutbare mogelijkheden zijn en de functionele beperkingen en mogelijkheden van de werknemer heeft beschreven. Vervolgens heeft de bedrijfsarts op 4 januari 2008 het actueel oordeel opgesteld, met daarin wederom de functionele beperkingen en mogelijkheden van de werknemer.

15. De rechtbank stelt vast dat pas in de probleemanalyse van de bedrijfsarts van 26 november 2007 onmiskenbaar is aangegeven dat de werknemer benutbare mogelijkheden heeft. De rechtbank leidt hieruit af dat de bedrijfsarts de werknemer tot eind 2007 of begin 2008 als volledig arbeidsongeschikt beschouwde. Dit standpunt blijkt ook uit het rapport van de door eiseres geraadpleegde arbeidsdeskundige van 5 maart 2008 en het overgelegde e-mailbericht van de bedrijfsarts van 5 augustus 2008. Voor zover verweerder van mening is dat de bedrijfsarts ten onrechte gedurende lange tijd geen benutbare mogelijkheden heeft aangenomen, had dit moeten worden onderbouwd met in ieder geval een rapportage van een verzekeringsarts.

16. Nu verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer enige weken na zijn ziekmelding weer over functionele mogelijkheden beschikte, is ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat van de werkgever re-integratie-inspanningen konden worden verlangd zoals door verweerder is aangegeven. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat aan het bestreden besluit, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, geen zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt en dat het, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, een deugdelijke motivering ontbeert. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat niet vaststaat welk besluit moet worden genomen. Verweerder zal daarom worden opdragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij dient verweerder onder meer aandacht te besteden aan de vraag of er aanleiding is de werknemer te laten onderzoeken door een verzekeringsarts.

17. Ter voorkoming van ongerechtvaardigde verwachtingen bij eiseres wijst de rechtbank erop dat het voor haar niet vaststaat dat de werknemer tot 26 november 2007 (of zelfs 1 januari 2008, zoals de bedrijfsarts in zijn e-mail van 5 augustus 2008 schrijft) geen benutbare mogelijkheden had. Ook die stelling acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. De bewijslast ligt echter thans bij verweerder. De mogelijkheid bestaat dat verweerder, na een nader onderzoek, de loonsanctie handhaaft.

18. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

19. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 288,00 dient te worden vergoed.

20. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van de werknemer.

21. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast verweerder aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 288,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00.

Aldus gedaan door mr. F.M. Tadic als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en mr. B.A.J. Zijlstra als leden in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Laro als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.

De voorzitter was buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.