Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN3024

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
AWB 09-1902
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing van b&w op (herhaald) verzoek om planologische medewerking voor oprichten van ruimte-voor-ruimtewoning kan niet worden aangemerkt als voor beroep vatbaar besluit. Verzoek noch beslissing bevat aanknopingspunt voor aard van verlangde planologische medewerking. Evenmin is sprake van een concreet bouwplan. Betoog dat beslissing kan worden aangemerkt als weigering tot het nemen van een projectbesluit kan niet leiden tot het daarmee beoogde effect. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Woningwet kan een dergelijke weigering niet los van de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning in rechte worden aangevochten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/1902

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2010

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

[gemachtigde],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk,

verweerder,

[gemachtigde].

Procesverloop

Bij brief van 13 november 2008 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van zijn beslissing om na heroverweging nog steeds geen medewerking te verlenen aan zijn verzoek om een ruimte-voor-ruimtewoning te realiseren aan de [adres] te Riethoven.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 21 april 2009 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 30 juni 2010, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve geplaatst voor de vraag of verweerders brief van 13 november 2008 dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de boordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Op 27 maart 2007 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om medewerking te verlenen aan de bouw van een woning op het onderhavige perceel. Bij brief van 13 april 2007 heeft verweerder eiser medegedeeld niet bereid te zijn medewerking te verlenen aan de bouw van een woning. Bij brief van 23 april 2008 heeft eiser opnieuw verzocht in principe medewerking te verlenen aan de realisatie van een woning op dit perceel. Bij brief van 25 juni 2008 is eiser medegedeeld dat besloten is het verzoek tot principemedewerking af te wijzen. Bij brief van 16 oktober 2008 met als onderwerp ‘nadere aanvulling verzoek woningbouw [adres], Riethoven’ heeft eiser zich wederom tot verweerder gewend en verzocht om heroverweging van verweerders eerdere afwijzende beslissing. Dit verzoek is op 16 oktober 2008 en 11 november 2008 behandeld in de vergadering van verweerder. Bij brief van 13 november 2008 is eiser medegedeeld dat na heroverweging besloten is nog steeds geen medewerking te verlenen aan zijn verzoek om een ruimte-voor-ruimtewoning te realiseren op het onderhavige perceel. Hiertegen heeft eiser bij brief van 24 december 2008 bezwaar gemaakt bij verweerder. Dit bezwaar is bij het thans bestreden besluit van 21 april 2009 ongegrond verklaard.

4. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit, waartegen bezwaar en beroep op grond van die wet openstaan, verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

5. Niet in geschil is dat het oprichten van een woning op het onderhavige perceel in strijd is met het geldende bestemmingsplan. De rechtbank stelt vast dat eiser met het oog op die strijdigheid verweerder (laatstelijk) bij brief van 16 oktober 2008 heeft verzocht medewerking te verlenen aan de bouw van een woning op het perceel. Uit dit verzoek – noch overigens uit de daaraan voorafgaande verzoeken van gelijke strekking – blijkt niet tot het nemen van welk planologisch besluit het verzoek strekt. Van een reeds geconcretiseerd bouwplan blijkt uit het verzoek evenmin. Onder deze omstandigheden kan verweerders brief van 13 november 2008 niet geacht worden te strekken tot weigering van het nemen van een op rechtsgevolg gericht besluit. Van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is derhalve geen sprake. De mededeling ter zitting van zowel eiser als verweerder dat met deze brief wel degelijk is beoogd een door de bestuursrechter te toetsen beslissing te nemen, kan daaraan niet afdoen. Het rechtskarakter van een door een bestuursorgaan verrichte handeling dient door de bestuursrechter ambtshalve en zelfstandig te worden beoordeeld.

6. Ter zitting is door partijen nog betoogd dat de brief van 13 november 2008 geacht kan worden een weigering van een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening te behelzen. Nog daargelaten dat, zoals gezegd, de brief, noch het daaraan ten grondslag liggende verzoek van 16 oktober 2008, enige concrete aanwijzing daarvoor biedt, kan dit betoog niet tot het door partijen gewenste effect leiden.

Immers, gelet op artikel 46, zesde lid, van de Woningwet kan de beslissing omtrent de aanvraag om een projectbesluit dat ziet op bouwvergunningplichtige activiteiten zoals hier aan de orde, niet afzonderlijk van de beslissing omtrent de bouwvergunning in rechte worden aangevochten. Gelet op de bewoordingen van dit artikellid geldt dit dus zowel bij een toewijzende als een afwijzende beslissing op een dergelijke aanvraag. Uit de wetsgeschiedenis komt voorts naar voren dat deze bepaling mede ziet op de situatie, dat de aanvraag om een projectbesluit separaat en voorafgaande aan de aanvraag om een bouwvergunning wordt ingediend (Tweede Kamer, 2007-2008, 31295, nr. 7, pp. 33 en 34).

Dit leidt tot de conclusie dat, ook indien partijen in hun gezamenlijke betoog zouden worden gevolgd, tegen de weigering van het projectbesluit geen rechtsmiddel kan worden aangewend.

7. Ten slotte vormt ook de door eiser aangevoerde omstandigheid dat aan het indienen van een aanvraag om bouwvergunning (aanzienlijke) kosten zijn verbonden, geen grond om ten aanzien van het rechtskarakter van de brief van 13 november 2008 anders te oordelen dan hiervoor weergegeven.

8. Nu verweerders brief van 13 november 2008 niet als besluit in de hier bedoelde zin kan worden aangemerkt, moet worden geconcludeerd dat verweerder bij het bestreden besluit in strijd met de artikelen 1:3 en 7:1 van de Awb heeft nagelaten eisers bezwaar reeds om die reden niet-ontvankelijk te verklaren. Het bestreden besluit dient derhalve onder gegrondverklaring van het hiertegen ingestelde beroep te worden vernietigd. Daar verweerder na de vernietiging van het bestreden besluit, gelet op het in deze uitspraak overwogene, eisers bezwaar slechts niet-ontvankelijk kan verklaren, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door eisers bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

9. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

10. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

11. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 150,00 dient te vergoeden.

12. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 21 april 2009;

- verklaart het bezwaar van eiser, gericht tegen de brief van verweerder van 13 november 2008 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 150,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als rechter in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2010.