Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN3012

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
Awb 10 / 1837 en 10 / 1838
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verlening van vrijstelling ten behoeve van verplaatsing van varkenshouderij naar LOG. Besluit is niet zorgvuldig voorbereid nu ten onrechte geen rekening is gehouden met de door verzoeker overgelegde ruimtelijke onderbouwing. Voorts heeft verweerder onvoldoende oog gehad voor de omstandigheid dat concrete besluitvorming inzake de door het gemeentebestuur gewenste projectmatige aanpak van het LOG Hulsel-Bladel nog altijd op zich laat wachten. Naarmate die besluitvorming langer uitblijft zal er eerder aanleiding bestaan om af te wijken van het uitgangspunt dat, vooruitlopend op de projectmatige aanpak, geen medewerking wordt verleend aan individuele initiatieven. Besluit wordt vernietigd. Er dient binnen zes weken een nieuw besluit te worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 10/1837 en AWB 10/1838

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2010

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

verzoeker,

[gemachtigde],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel,

verweerder,

[gemachtigden].

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek om medewerking te verlenen aan verplaatsing van de intensieve veehouderij van verzoeker naar een perceel, gelegen aan de [adres] te Netersel.

Het door verzoeker tegen dit besluit ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 27 mei 2010 ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft verzoeker beroep ingesteld.

Bij brief van 14 juni 2010 heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 15 juli 2010, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien de voorzieningenrechter in een dergelijk geval van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan worden gedaan in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak.

4. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het primaire besluit van 23 februari 2010, ter handhaving waarvan het bestreden besluit strekt, blijkens zijn bewoordingen de weigering behelst om ten behoeve van de door verzoeker gewenste bedrijfsverplaatsing een projectbesluit te nemen als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Ter zitting hebben beide partijen evenwel verklaard ermee in te stemmen dat, nu het daaraan ten grondslag liggende verzoek dateert van vóór de inwerkingtreding van de Wro en dientengevolge daarop de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van toepassing is gebleven, het primaire besluit wordt aangemerkt als een weigering om vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. In aanmerking genomen dat, naar door verweerder ter zitting is verklaard, een en ander inhoudelijk geen gevolgen heeft voor de aan de weigering ten grondslag gelegde motivering, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om partijen hierin te volgen. Daarbij is in aanmerking genomen dat een projectbesluit, voor zover dat betrekking heeft op het oprichten van een bouwwerk, op grond van artikel 46, zesde lid, van de Woningwet eerst vatbaar wordt voor bezwaar en beroep tegelijkertijd met de beslissing omtrent de bouwvergunning. Nu een beslissing omtrent een bouwaanvraag thans nog niet aan de orde, zou dit tot gevolg hebben dat geen inhoudelijk oordeel over de zaak kan worden gegeven.

5. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders, hetgeen in dit geval is gebeurd.

6. De voorzieningenrechter gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

7. Verzoeker exploiteerde tot 1 januari 2010 een intensieve varkenshouderij te Oostelbeers, gemeente Oirschot. Deze varkenshouderij was gelegen in een zogeheten extensiveringsgebied. Voor de door verzoeker – met het oog op het waarborgen van een gezonde bedrijfsvoering – gewenste uitbreiding op deze locatie was, gelet op de ligging en de daaruit voortvloeiende beperkingen, geen ruimte. Sedert 2005 is verzoekers streven er daarom op gericht zijn bedrijf te verplaatsen naar een voor intensieve veehouderij aangewezen landbouwontwikkelingsgebied (LOG). Ten einde dit te bewerkstelligen heeft verzoeker in 2006 met gebruikmaking van de provinciale regeling Verplaatsing Intensieve Veehouderijen (VIV) het onderhavige perceel verworven. Deze regeling strekt ertoe de verplaatsing van intensieve veehouderijen uit extensiveringsgebieden naar daarvoor geschikte locaties te faciliteren. Op grond van deze regeling was verzoeker verplicht de exploitatie van de varkenshouderij te Oostelbeers met ingang van 1 januari 2010 te staken. Vanwege het feit dat verplaatsing van het bedrijf feitelijk nog geen beslag heeft gekregen dient verzoeker inmiddels een deel van de bijdrage die hij op grond van de VIV heeft gekregen terug te betalen. Dit betreft een bedrag van ongeveer € 70.000. Ten behoeve van de uitoefening van een intensieve varkenshouderij op het onderhavige perceel is aan verzoeker op 1 september 2007 een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Indien de inrichting niet op korte termijn in werking wordt gebracht zal deze van rechtswege vervallen.

8. Het perceel is gelegen binnen een gebied dat in het door provinciale staten van Noord-Brabant op grond van de Reconstructiewet concentratiegebieden vastgestelde Reconstructieplan Beerze-Reusel is aangewezen als LOG.

9. Het perceel heeft op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Gemeente Bladel 1998’ een agrarische bestemming. Vanwege, kort gezegd, het ontbreken van een agrarisch bouwblok verzet dit bestemmingsplan zich tegen de vestiging ter plaatse van een intensieve veehouderij. Het is met het oog hierop dat verzoeker heeft verzocht om verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan.

10. Aan het bestreden besluit heeft verweerder onder meer de overweging ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een ontvankelijke aanvraag. Ter toelichting op deze overweging heeft verweerder ter zitting verklaard, dat daarmee is bedoeld tot uitdrukking te brengen dat verzoeker zijn aanvraag niet heeft doen vergezellen van een ruimtelijke onderbouwing, zodat om die reden een goede beoordeling van de aanvraag niet mogelijk is. Verweerder stelt de door verzoeker in dit verband genoemde stukken niet te hebben ontvangen.

11. Verzoeker betwist dat geen ruimtelijke onderbouwing aan verweerder is overgelegd. Hij heeft in dit verband onder meer gewezen op een in zijn opdracht door [bedrijf] met het oog op de door hem gewenste bedrijfsverplaatsing opgesteld ontwerp voor een bestemmingsplan met daarbij behorende toelichting, gedateerd 3 april 2008. Dit ontwerp is reeds vóór het nemen van het primaire besluit aan verweerder toegezonden. Bovendien is het in het kader van de behandeling van het bezwaar (wederom) aan verweerder toegezonden.

12. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij het primaire besluit geen toepassing heeft gegeven aan de in artikel 4:5 van de Awb neergelegde mogelijkheid een aanvraag buiten behandeling te stellen wegens het ontbreken van de voor de beoordeling ervan relevante stukken. Dit brengt mee dat, indien de in de ogen van verweerder ontbrekende gegevens in de fase van bezwaar alsnog worden overgelegd, verweerder die bij zijn heroverweging van het primaire besluit dient te betrekken. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat het in opdracht van verzoeker als ruimtelijke onderbouwing opgestelde ontwerp voor een bestemmingsplan in elk geval ten tijde van de behandeling van het bezwaar in verweerders bezit was. Gelet hierop had het op de weg van verweerder gelegen dit ontwerp bij zijn besluitvorming te betrekken. Nu verweerder dit kennelijk heeft nagelaten is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, zodat het is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

13. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding in te gaan op de overige aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gronden. Deze komen er in wezen op neer dat verweerder het niet wenselijk acht om door middel van het verlenen van medewerking aan een individueel initiatief, vooruit te lopen op de door hem gewenste projectmatige aanpak van de realisering van het LOG Hulsel-Bladel.

14. Verzoeker heeft ter zake – zakelijk weergegeven – betoogd dat verweerder reeds geruime tijd draalt bij zijn besluitvorming omtrent die projectmatige aanpak. Verzoeker acht het onaanvaardbaar dat deze besluiteloosheid op hem wordt afgewenteld, met alle gevolgen van dien voor zijn bedrijfsvoering.

15. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij zijn besluitvorming inzake de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. Die besluitvorming kan door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. In zijn algemeenheid kan het uitgangspunt, dat niet wordt meegewerkt aan een individuele aanvraag om planologische medewerking, zolang de besluitvorming omtrent een meer projectmatige benadering nog niet is afgerond, niet onredelijk worden geacht. Dit neemt niet weg dat bij de beoordeling van een individuele aanvraag dient te worden bezien of er sprake is van bijzondere omstandigheden, die afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. Naarmate de besluitvorming omtrent de projectmatige aanpak uitblijft, zal er voorts eerder aanleiding dienen te zijn voor een dergelijke afwijking.

Voor het onderhavige geval betekent dit dat, reeds omdat verweerder de in opdracht van verzoeker opgestelde ruimtelijke onderbouwing niet bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken, het bestreden besluit geen voldoende draagkrachtige motivering bevat voor verweerders standpunt dat moet worden vastgehouden aan een projectmatige aanpak. Voorts blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende dat verweerder zich bewust is van het tijdsverloop gedurende welk concrete besluitvorming omtrent de door hem voorgestane projectmatige aanpak is uitgebleven, een en ander in relatie tot de door verzoeker gestelde individuele omstandigheden. Dit klemt te meer nu het hier niet gaat om een beleidsterrein waarop het gemeentebestuur geheel en al vrij is zelf beleid te bepalen. Het gemeentebestuur zal zich immers hebben te richten naar de van provinciewege op grond van de Reconstructiewet concentratiegebieden vastgestelde kaders, op grond waarvan het onderhavige gebied als LOG is aangewezen. Mede gelet op de door verzoeker geschetste rol van de verantwoordelijke gedeputeerde bij de verwerving (in het kader van de VIV) van het onderhavige perceel mag voorts worden aangenomen dat de door verzoeker gewenste verplaatsing past binnen voormelde provinciale kaders. De in het bestreden besluit nog genoemde discussie die sinds kort ook op provinciaal niveau wordt gevoerd omtrent de wenselijkheid van (grootschalige) intensieve veehouderij, maakt dit niet wezenlijk anders. Door verzoeker is voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag moet worden beschouwd als een ‘lopende zaak’ waarop de recentelijk door provinciale staten afgekondigde beperkende maatregelen in beginsel niet van toepassing zijn.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet is voorzien van een deugdelijke motivering.

16. Het beroep is derhalve gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

17. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Gelet op het spoedeisend belang dat verzoeker heeft bij een dergelijk besluit ziet de voorzieningenrechter aanleiding daarvoor een termijn te stellen van zes weken na de verzending van deze uitspraak.

18. Ter voorlichting van partijen merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Mocht de hernieuwde heroverweging tot de slotsom leiden dat wel bereidheid bestaat om de gevraagde vrijstelling te verlenen, dan zal het gelet op de in artikel 19a van de WRO voorgeschreven procedure niet mogelijk zijn om binnen de bij deze uitspraak gestelde termijn over te gaan tot verlening van die vrijstelling. Alsdan kan binnen die termijn worden volstaan met een gegrondverklaring van het bezwaar en herroeping van het primaire besluit, gevolgd door het in gang zetten van de procedure, beschreven in artikel 19a van de WRO. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 december 2006, nr. 200601912/1, www.rechtspraak.nl, LJN: AZ3738.

19. Ter zitting is door verweerder nog verklaard dat de raad van de gemeente Bladel recentelijk – doch nadat het bestreden besluit was genomen – het delegatiebesluit krachtens welk verweerder bevoegd was besluiten omtrent het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO te nemen, heeft ingetrokken. Voor zover deze intrekking tevens tot gevolg heeft dat verweerder niet langer bevoegd is om hernieuwd op het bezwaar van verzoeker te beslissen, dient deze uitspraak aldus te worden verstaan dat niet verweerder maar de raad van de gemeente Bladel binnen de gestelde termijn een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

20. Het vorenstaande in aanmerking genomen bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

21. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1311,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00

• wegingsfactor 1.

22. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van in totaal € 300,00 (2 x € 150,00) dient te vergoeden.

23. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 27 mei 2010;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- stelt verweerder daarvoor een termijn van zes weken, te rekenen vanaf de datum van verzending van deze uitspraak;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van in totaal € 300,00;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1311,00.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2010.

De griffier is buiten staat de uitspraak

mede te ondertekenen.