Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2999

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
Awb 09 / 317 en 09 / 1634
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BQ2631, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhavend optreden tegen gebruik perceel als motorcrossterrein.

Gelet op de uitspraak van de Afdeling LJN: BD8906 staat niet meer ter discussie dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik in omvang is toegenomen, zodat het niet onder het overgangsrecht valt. De motorclub betoogt dat aanspraak bestaat op overgangsrechtelijke bescherming voor het gebruik dat bestond op de peildatum. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de strekking van het overgangsrecht niet zover. Niet gebleken dat het gebruik is teruggebracht tot omvang ten tijde van peildatum.

Bouwmaterialenkeet en clubhuis zijn met bouwvergunning gebouwd, derhalve was verweerder niet bevoegd daartegen handhavend op te treden. Bouwvergunning impliceert vrijstelling voor het gebruik van het bouwwerk als resp. materialenkeer en clubhuis en niet tevens vrijstelling voor het gebruik van het perceel als motorcrossterrein.

Begunstigingstermijn.

In casu begunstigingstermijn van ruim drie jaar gesteld. Komt neer op gedoogbesluit. Begunstigingstermijn kan er niet toe dienen dat een overtreder in de gelegenheid wordt gesteld voor hem gunstige ontwikkelingen (een nieuw regionaal crossterrein) af te wachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 09/317 en AWB 09/1634

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2010

inzake

1. [eiser 1],

te [woonplaats] ,

eiser sub 1 (hierna: “de Inspecteur”),

[gemachtigden],

2. [eiser 2],

te [woonplaats],

eiseres sub 2 (hierna: “de motorclub”),

[gemachtigde],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boekel,

verweerder,

[gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2006, verzonden op 25 juli 2006, heeft verweerder het verzoek van de Inspecteur om handhavend op te treden ten aanzien van -voor zover in deze zaak van belang- het gebruik van het motorcrossterrein aan het [adres] en de aanwezige bebouwing en voorzieningen afgewezen.

Het hiertegen door de Inspecteur gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van

19 september 2006 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2007, verzonden 16 oktober 2007, heeft de rechtbank

’s-Hertogenbosch het door de Inspecteur ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 september 2006 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen (AWB 06/4431).

Tegen voormelde uitspraak heeft de motorclub hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) heeft op 30 juli 2008 (LJN: BD8906) de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Bij besluit van 24 november 2008, verzonden op 12 december 2008, heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen en het primaire besluit herroepen. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 24 november 2008, verzonden op 12 december 2008, de motorclub onder aanzegging van bestuursdwang gesommeerd er voor zorg te dragen dat met ingang van 1 januari 2012 respectievelijk het gebruik van het terrein ten behoeve van crossactiviteiten definitief is beëindigd en de aanwezige bouwwerken (materialenberging en unit/clubhuis) en voorziening (hekwerk) definitief zijn verwijderd.

De Inspecteur heeft tegen het laatstgenoemd besluit op 16 januari 2009 beroep ingesteld (AWB 09/317).

De motorclub heeft op 19 januari 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit op bezwaar van 24 november 2008. Verweerder heeft bij besluit van 24 maart 2009 het bezwaar van de motorclub ongegrond verklaard. De gemachtigde van de motorclub heeft vervolgens op 11 mei 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank (AWB 09/1634) en verzocht om een gevoegde behandeling met de zaak AWB 09/317.

De beide zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 22 april 2010, waarbij de Inspecteur zich heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigden. De motorclub is verschenen bij [heer 1], bijgestaan door diens gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

Bevoegdheid verweerder en ontvankelijkheid van het beroep.

1. Alvorens de rechtbank toe komt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verweerder bevoegd was om bij besluit op bezwaar van 24 maart 2009 te beslissen op het bezwaar van de motorclub tegen het besluit van 24 november 2008 (AWB 09/1634).

2. De motorclub stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte bij besluit op bezwaar heeft beslist op het bezwaar van de motorclub. De motorclub voert daartoe aan dat verweerder op grond van de uitspraak van de rechtbank van 11 oktober 2007 gehouden is een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tegen dit nieuwe besluit op bezwaar, dat verweerder op 24 november 2008 heeft genomen, staat beroep bij de rechtbank open. Nu het “bezwaar” van de motorclub tegen dit besluit tijdig is ingediend, had verweerder het bezwaarschrift als een beroepschrift moeten aanmerken en met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank moeten doorzenden.

3. Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat hij op juiste gronden het nieuwe besluit op bezwaar van 29 maart 2009 heeft kunnen nemen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) herroept, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

6. Vast staat dat het (eerdere) besluit op bezwaar van 19 september 2006 is vernietigd en verweerder is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De aanschrijving tot bestuursdwang maakt ingevolge het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb integraal deel uit van dit nieuwe besluit op bezwaar.

Volgens vaste jurisprudentie dient dit nieuwe besluit op bezwaar te worden aangemerkt als een besluit op bezwaar, waartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb beroep open staat bij de rechtbank. Verweerder had daarom het bezwaar van de motorclub moeten aanmerken als een beroepschrift en op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb zo spoedig mogelijk moeten doorzenden aan de rechtbank. Nu voorts vast staat dat het bezwaar van de motorclub binnen de lopende beroepstermijn door verweerder is ontvangen, zal de rechtbank het bezwaarschrift van de motorclub als een ontvankelijk beroepschrift aanmerken en als zodanig behandelen. Dit brengt met zich dat het beroep van de motorclub in zoverre gegrond is en dat het besluit van 24 maart 2009 dient te worden vernietigd.

7. Wettelijk/ planologisch kader

Het wettelijk/ planologisch kader, ten tijde hier van belang en voor zover relevant, luidt als volgt.

8. Op 1 juli 2009 is de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking is getreden. In artikel IV, eerste lid, van de overgangsbepalingen van de vierde tranche Awb is bepaald dat, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht van toepassing blijft zoals dat gold voor dat tijdstip.

9. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

10. Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met, bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

11. Ingevolge artikel 5:24, tweede lid, van de Awb vermeldt de beschikking welk voorschrift is of wordt overtreden.

Ingevolge artikel 5:24, vierde lid, van de Awb wordt in de beschikking een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen.

12. De gronden gelegen aan het [adres] te [woonplaats] hebben in het geldende bestemmingsplan “Recreatiegebied 1993” de bestemming “Bosgebied met recreatieve betekenis”. Dit bestemmingsplan heeft op 15 februari 1994 (hierna: “de peildatum”) formele rechtskracht verkregen.

13. Ingevolge de doeleindenomschrijving in paragraaf II, artikel 1, van de planvoorschriften is de tot “Bosgebied met recreatieve betekenis” bestemde grond aangewezen ten dienste van bosbouwkundige doeleinden en daarnaast de instandhouding en/of herstel van de daar voorkomende, dan wel daaraan eigen ecologische of landschappelijke waarden en het medegebruik voor relatief intensieve dagrecreatie.

14. Ingevolge paragraaf II, artikel 1, onder A, van de planvoorschriften mag de tot “Bosgebied met recreatieve betekenis” bestemde grond niet worden bebouwd anders dan overeenkomstig het goedgekeurde wijzigingsplan.

15. Ingevolge paragraaf II, artikel 1, onder B en onder I, van de planvoorschriften is het verboden de tot “Bosgebied met recreatieve betekenis” bestemde grond te gebruiken in strijd met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming.

16. Ingevolge paragraaf II, artikel 1, onder B, onder II, van de planvoorschriften, wordt

- voor zover hier van belang - onder strijdig gebruik tenminste verstaan:

6. het gebruik van de grond als terrein voor het beproeven van motorvoertuigen of modelvliegtuigen en als oefenterrein voor het racen en crossen met motorvoertuigen en bromfietsen;

7. het gebruik van de grond, het berijden met of het plaatsen of aanwezig hebben van alle soorten motorvoertuigen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

17. Ingevolge paragraaf IV, artikel 2, onder B/C, onder I, van de planvoorschriften mag het gebruik van de grond, anders dan voor bebouwing, en het gebruik van opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, worden gehandhaafd.

18. Ingevolge paragraaf IV, artikel 2, onder B/C, onder II, van de planvoorschriften is het verboden het met het plan strijdig gebruik van de grond en opstallen te wijzigen, indien hierdoor de afwijking van het plan wordt vergroot.

Feiten en omstandigheden

19. Aan de orde is de vraag of verweerder bij besluit op bezwaar van 24 november 2008 in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het aanzeggen van bestuursdwang aan de motorclub en, voorts, of verweerder daarbij in redelijkheid een begunstigingstermijn tot 1 januari 2012 heeft kunnen stellen.

20. De rechtbank neemt de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

21. Het motorcrossterrein aan het [adres] te [woonplaats] is sinds 1962 als zodanig in gebruik. Het terrein is eigendom van de gemeente Boekel en wordt sinds 1984 verhuurd aan de motorclub, die op het terrein diverse motorcrossactiviteiten organiseert.

22. Bij brief van 2 maart 2006 heeft de Inspecteur aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen enerzijds het gebuik van de gronden aan het [adres] als motorcrossterrein en de aanwezige bebouwing en voorzieningen en anderzijds wegens strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (Wmb). Het handhavingverzoek met betrekking tot de Wmb is in een aparte procedure behandeld, resulterend in de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2007 (LJN: BA3734).

23. In genoemde uitspraak van 30 juli 2008 heeft de Afdeling onder 2.1.3 overwogen dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik in omvang is toegenomen, hetgeen tot de conclusie heeft geleid dat het gebruik van het perceel niet valt binnen de reikwijdte van het overgangsrecht als vervat in paragraaf IV, artikel 2, onder B/C, sub I, van de planvoorschriften.

24. Verweerder heeft op 24 november 2008, verzonden 12 december 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen, inhoudende een aanzegging tot bestuursdwang jegens de motorclub. De in het besluit opgenomen begunstigingtermijn is gesteld op 1 januari 2012.

De standpunten van partijen

25. Verweerder stelt zich -kort gezegd- op het standpunt dat hij op goede gronden bestuursdwang aan de motorclub heeft kunnen aanzeggen om het gebruik van het terrein aan de [adres] als motorcrossterrein te beëindigen en de aanwezige bouwwerken (materiaalberging en unit/clubhuis) en voorziening (hekwerk) te verwijderen. Verweerder stelt dat de begunstigingstermijn tot stand is gekomen na een zorgvuldige afweging van de belangen van de motorclub, de belangen van omwonenden en het algemeen belang, waarbij mede rekening is gehouden met het feit dat het strijdige gebruik al 45 jaar bestaat. Nu de huurovereenkomst tussen verweerder en de motorclub bovendien alleen opzegbaar is met inachtneming van een termijn van één jaar en er nog geen alternatieve locatie voor de motorclub beschikbaar is, omdat de alternatieve locatie in Landerd nog planologisch moet worden voorbereid, is verweerder van mening dat ook om die reden de begunstigingstermijn redelijk is.

26. De Inspecteur stelt -zakelijk weergegeven- dat het gewraakte motorcrossterrein in een Ecologische Hoofdstructuur (EHS) ligt en dat het gebruik in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Recreatiegebied 1993”, zodat handhavend moet worden opgetreden. De door verweerder gestelde begunstigingstermijn is volgens de Inspecteur in feite een gedoogbeschikking, die bovendien niet passend is omdat er geen enkel uitzicht is op legalisatie. Voorts voert de Inspecteur aan dat het illegale gebruik per direct kan worden gestaakt en dat voor de andere, door verweerder genoemde, argumenten waarom een begunstigingstermijn tot 1 januari 2012 gerechtvaardigd is, geen grond bestaat. Tot slot stelt de Inspecteur dat de in het bestreden besluit opgenomen begunstigingstermijn is gebaseerd op een onjuiste belangenafweging. Volgens de Inspecteur gaat verweerder voorbij aan de belangen waartoe de bescherming van de EHS strekt en de overlast die omwonenden van het motorcrossterrein ondervinden.

27. De motorclub heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet bevoegd is handhavend op te treden jegens het gebruik van het terrein, de bouwwerken en de aangebrachte voorzieningen.

Ten aanzien van het gebruik van het terrein heeft de motorclub zich op het standpunt gesteld dat uit de Afdelingsuitspraak weliswaar volgt dat het bestaande gebruik niet valt binnen de reikwijdte van het overgangsrecht, maar dat dit onverlet laat dat er een aanspraak bestaat op overgangsrechtelijke bescherming voor het gebruik dat bestond op de peildatum. De motorclub heeft hiertoe gesteld dat onder het toenmalige “Uitbreidingsplan in hoofdzaak 1962” geen sprake was van strijdig gebruik, nu in dit bestemmingsplan geen gebruiksverbod was opgenomen. Voorts is de motorclub van mening dat uit de Afdelingsuitspraak volgt dat 1) slechts indien en voor zover het huidige gebruik afwijkt van het op de peildatum bestaande gebruik, geen aanspraak bestaat op overgangsrechtelijke bescherming; en 2) door verweerder niet aannemelijk is gemaakt dat het gebruik van het motorcrossterrein in die periode (lees: na de peildatum) naar aard en omvang niet is geïntensiveerd. De motorclub heeft hieraan de betekenis gehecht dat het gebruik zoals dat bestond op de peildatum is toegestaan en dat niet kan worden geconcludeerd dat het gebruik na de peildatum is geïntensiveerd, zodat geen bevoegdheid tot handhavend optreden bestaat. Bovendien is het gebruik volgens de motorclub de facto ook niet geïntensiveerd na de peildatum, nu het gebruik in 2006 (ten tijde van het primaire besluit) hetzelfde was als op het moment van de peildatum. Op de peildatum bestond het gebruik uit motorcrossen op woensdagen van 14.00 tot 19.00/20.00 uur en op zaterdagen van 14.00 tot 18.00 uur, met daarnaast drie wedstrijden per jaar gedurende een weekeinde. In de periode van 15 juli tot 30 augustus vonden er geen crossactiviteiten plaats.

Ten aanzien van de bouwwerken heeft de motorclub zich voor wat betreft het clubhuis op het standpunt gesteld dat het weliswaar pas na de voormelde peildatum is gerealiseerd, maar dat hiervoor op 16 september 1997 een bouwvergunning is verleend. Volgens de motorclub volgt uit deze bouwvergunning ook dat een (impliciete) vrijstelling is verleend van de gebruiksvoorschriften. Bovendien blijkt dat het college van burgemeester en wethouders wist waarvoor vergunning werd verleend omdat in de aanvraag staat opgenomen dat het bouwwerk na voltooiing de bestemming “clubhuis” heeft. Volgens de motorclub is daarom noch sprake van een illegaal bouwwerk, noch van een illegaal gebruik van dat bouwwerk, zodat geen bevoegdheid tot handhavend optreden bestaat.

Voor wat betreft de materialenberging is de motorclub van mening dat evenmin handhavend kan worden opgetreden, nu hiervoor op 29 januari 1980 een bouwvergunning is verleend. Ook dit bouwwerk is dus legaal opgericht en valt zowel wat betreft de bebouwing als wat betreft het (impliciete) gebruik onder het overgangsrecht van het vigerende bestemmingsplan.

Tot slot heeft de motorclub gesteld dat het besluit niet berust op een kenbare en draagkrachtige motivering, nu de aanschrijving bestuursdwang niet vermeldt welke wettelijke regels door de motorclub worden overtreden. Daarnaast is de motorclub van mening dat verweerder publiekrechtelijke en privaatrechtelijke aspecten heeft vermengd, nu verweerder de motorclub als huurder van het circuit [adres] heeft gesommeerd om per 1 januari 2012 het gebruik te beëindigen en de bouwwerken en voorzieningen te verwijderen. Volgens de motorclub is dit een privaatrechtelijke sommatie, die niet middels bestuursdwang kan worden afgedwongen.

Oordeel van de rechtbank

28. De rechtbank ziet zich, mede naar aanleiding van hetgeen door de motorclub is gesteld, allereerst voor de vraag gesteld of verweerder bevoegd is tot handhavend optreden jegens het gewraakte gebruik en de gewraakte bouwwerken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

29. Ten aanzien van het gewraakte gebruik overweegt de rechtbank - onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 23 is opgemerkt - dat thans niet meer ter discussie staat dat het gebruik van het perceel niet valt binnen de reikwijdte van het overgangsrecht als vervat in paragraaf IV, artikel 2, onder B/C, sub I, van de planvoorschriften. De beroepsgrond van de motorclub, inhoudende dat aanspraak bestaat op overgangsrechtelijke bescherming voor het gebruik dat bestond op de peildatum, behoeft reeds hierom geen verdere bespreking.

Los daarvan gaat de strekking van het overgangsrecht niet zo ver als de motorclub betoogt, te meer niet nu de Afdeling uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat het gebruik na de peildatum is geïntensiveerd en niet is teruggebracht naar het gebruik zoals dat plaatsvond op de peildatum. Voorts is niet gebleken dat ten tijde van het thans bestreden besluit op bezwaar van 24 november 2008 het gebruik van het perceel was teruggebracht tot het gebruik op de peildatum. De rechtbank verwijst hiervoor nog naar de uitspraak van de Afdeling van 12 april 1999, AB 1999, 440, waarin de Afdeling overweegt dat als het gewijzigde gebruik eenmaal is gerealiseerd, men niet op grond van het overgangsrecht weer kan terugvallen op het verlaten gebruik.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bevoegd was handhavend op te treden en dat deze beroepsgrond van de motorclub derhalve faalt.

30. Ten aanzien van de gewraakt bouwwerken stelt de rechtbank op grond van de stukken vast dat zowel het clubhuis als de materialenberging reeds in 1997 respectievelijk in 1981 met een bouwvergunning zijn gerealiseerd, zodat geen sprake is van een overtreding in de zin van artikel 40, eerste lid van de Woningwet. Gelet hierop was verweerder niet bevoegd tot het aanzeggen van bestuursdwang voor wat betreft deze beide bouwwerken, zodat het beroep van de motorclub in zoverre reeds gegrond is.

Ten aanzien van het gebruik van de beide bouwwerken overweegt de rechtbank dat met de verleende bouwvergunningen, impliciet vrijstelling is verleend voor het gebruik van de beide bouwwerken als materialenberging en als clubhuis. Ook in zoverre slaagt de motorclub in zijn beroepsgrond. Deze impliciete vrijstelling van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, reikt echter naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver, dat daarmee impliciet vrijstelling is verleend voor het (strijdige) gebruik van het gehele motorcrossterrein, zodat de motorclub niet slaagt in deze grief.

31. Wat betreft de beroepsgrond van de motorclub, inhoudende dat verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten te vermelden en motiveren welke wettelijke regels door de motorclub worden overtreden, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de tekst van artikel 5:24, tweede lid, van de Awb wordt in het belang van de duidelijkheid voor de rechtzoekende uitdrukkelijk in het besluit vermeld welk voorschrift is of wordt overtreden. Uit het bestreden besluit blijkt niet op basis van welke planvoorschriften dan wel wettelijke bepalingen verweerder handhavend optreedt. Hoewel uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het partijen, en met name de motorclub, tot wie de aanzegging is gericht, volstrekt duidelijk is waar het om gaat, voldoet het bestreden besluit niet aan de vereisten van artikel 5:24, tweede lid, van de Awb. Het beroep van de motorclub is ook om deze reden gegrond.

32. Ten aanzien van de beroepsgrond van de motorclub, inhoudende dat verweerder ten onrechte een privaatrechtelijke sommatie heeft opgenomen in de aanschrijving bestuursdwang, overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge het wettelijke systeem is de aanschrijving bestuursdwang een publiekrechtelijk instrument ter handhaving van overtredingen die in het publiekrecht zijn geregeld, waarbij een eventuele privaatrechtelijke relatie tussen verweerder en overtreder geen rol speelt. Dit laat echter onverlet dat geen rechtsregel zich er tegen verzet dat een dergelijke sommatie (mede) is opgenomen in de aanschrijving bestuursdwang, zodat deze grond niet slaagt.

33. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden en die concrete situatie behoort te worden afgezien.

34. Tussen partijen staat niet ter discussie dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Ten aanzien van de vraagt of anderszins is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die verweerder in redelijkheid had dienen te nopen af te zien van handhaving, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder dient bij de belangenafweging in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit het algemeen belang en de belangen van de motorclub te betrekken. De Inspecteur heeft zowel in de gedingstukken als ter zitting (onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 5 maart 2008, LJN: BC5806) aangevoerd dat het terrein is gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: “EHS”), als bedoeld in de Nota Ruimte. Het (rijks)beleid voor de EHS is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. De bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader, te weten dat binnen de gebieden waar dit regime van kracht is, nieuwe plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van dit het gebied significant aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en sprake is van redenen van groot openbaar belang. Hoewel het onderhavige terrein ruim 45 jaar als motorcrossterrein is gebruikt, het onduidelijk is of de motorclub uitwijkmogelijkheden naar een ander terrein heeft en het waarschijnlijk is dat wildcrossen -door het huidige gebruik door de motorclub- wordt tegengegaan, is de rechtbank van oordeel dat deze belangen van de motorclub bij het blijven gebruiken van het terrein niet opwegen tegen het algemene belang dat met de handhaving van de op het terrein berustende bestemming en de EHS is gediend. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die er toe nopen dat verweerder in redelijkheid van de beginselplicht tot handhaven had moeten afzien.

35. Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen leidt tot de conclusie dat het beroep van de motorclub gegrond is, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank zal bepalen dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen.

36. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van de motorclub, nu sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van rechtsbijstand 2 punten toegekend ten bedrage van € 322,= derhalve in totaal € 644,=. Voorts zal de rechtbank bepalen dat het door de motorclub betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,= door verweerder dient te worden vergoed.

Beroep van de Inspecteur.

37. Ten aanzien van de beroepsgronden van de Inspecteur overweegt de rechtbank als volgt.

38. De Inspecteur heeft aangevoerd dat de door verweerder gestelde begunstigingstermijn van ruim drie jaar dient te worden aangemerkt als een gedoogbeschikking, zodat niet kan worden gesproken van een redelijke begunstigingstermijn. Voorts is de Inspecteur van mening dat de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging van verweerder onjuist is, nu voorbij wordt gegaan aan de aanwezige EHS en de belangen van de omwonenden.

39. De rechtbank overweegt dat de door het bestuursorgaan te stellen begunstigingstermijn, als bedoeld in artikel 5:24, vierde lid, van de Awb volgens vaste jurisprudentie, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijk dient te zijn. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat bij de begunstigingstermijn als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De begunstigingstermijn dient er immers toe de overtreder in de gelegenheid te stellen maatregelen te treffen zonder dat bestuursdwang wordt toegepast. Weliswaar beschikt het bestuursorgaan over de (discretionaire) bevoegdheid om onder omstandigheden de begunstigingstermijn wat langer te laten zijn dan strikt nodig is, maar deze termijn mag niet zo lang zijn dat er in feite sprake is van een gedoogbesluit voor een bepaalde periode en niet meer van een redelijke termijn om de vereiste maatregelen zelf uit te voeren. In ieder geval dient de begunstigingstermijn steeds zo kort mogelijk te zijn. Tot slot kan een begunstigingstermijn er niet toe dienen dat een overtreder in de gelegenheid wordt gesteld om voor hem gunstige ontwikkelingen (in de vorm van een nieuw bestemmingsplan of in casu een nieuw regionaal crossterrein) af te wachten. De rechtbank ziet zich in haar oordeel mede gesteund door onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juni 2005, LJN: AT6950, 12 februari 2004, LJN: BI5945 en 6 april 2005, LJN: AT3242, alsmede de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 2 augustus 2007, LJN: BB1935.

40. Vast staat dat in het onderhavige geval sprake is van een begunstigingstermijn van ruim drie jaar. Voorts is ter zitting vastgesteld dat het crossen per direct kan worden gestaakt en het hekwerk c.q. de baanafzetting door de motorclub kan worden verwijderd binnen een termijn van ongeveer vier weken. Dat de huurovereenkomst met de motorclub een opzegtermijn van één jaar kent, doet daar niet aan af, nu partijen hiervoor (in civiel) een regeling kunnen treffen. Naar het oordeel van de rechtbank valt, gelet op het bovenstaande, niet in te zien hoe verweerder bij een dergelijke begunstigingstermijn rekening heeft gehouden met de belangen die de Inspecteur heeft aangevoerd. Het beroep van de Inspecteur is dan ook gegrond en het bestreden besluit van 24 november 2008 dient in zoverre te worden vernietigd.

41. De rechtbank zal bepalen dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen.

42. Voor een veroordeling in de proceskosten worden geen termen aanwezig geacht, nu geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Wel zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan de Inspecteur de door hem betaalde griffierechten ten bedrage van in totaal € 288,00 dient te vergoeden.

43. Ter informatie aan partijen merkt de rechtbank op dat zij in de overwegingen van deze uitspraak één of meer beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Als een van de partijen niet wil berusten in de verwerping van één of meer van de beroepsgronden, is het nodig dat hij tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep instelt. Als hij dit nalaat, bestaat namelijk de mogelijkheid dat de bestuursrechter in een eventueel vervolg van deze procedure zal uitgaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de hier verworpen beroepsgrond of -gronden.

44. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

ten aanzien van AWB 09/1634:

- verklaart het beroep van de motorclub gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 maart 2009;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 november 2008;

- gelast verweerder om binnen acht weken, na de dag van verzending van deze uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast verweerder aan de motorclub te vergoeden het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,=;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van de motorclub tot een bedrag van € 644,=;

ten aanzien van AWB 09/317:

- verklaart het beroep van de Inspecteur gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 november 2008;

- gelast verweerder om binnen acht weken, na de dag van verzending van deze uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast verweerder aan de Inspecteur te vergoeden de door hem betaalde griffierechten ten bedrag van € 288,=.

Aldus gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen als rechter in tegenwoordigheid van mr. G.J. Krens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2010.