Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2990

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
AWB 09-4093 en 09-5194
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BR5195, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat derden in dit geval belanghebbende zijn bij besluit tot vaststelling van subsidie. Verweerder heeft het bezwaar van deze derden ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Uit de website van Stichting NOB blijkt dat zij niet alleen algemene informatie verstrekt, maar ook individuele adviezen geeft aan ouders over Nederlands onderwijs in het buitenland en daarbij ondersteuning en begeleiding biedt. Verweerder stelt dat Stichting NOB deze op de website vermelde activiteiten in 2007 niet heeft verricht, terwijl de derden deze stelling betwisten. De rechtbank geeft hier het voordeel van de twijfel aan bedoelde derden, omdat Stichting NOB verantwoordelijk is voor de ontstane verwarring en omdat het hier alleen gaat om de vraag of die derden belanghebbenden zijn en dus of zij toegang tot de bestuursrechter hebben. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat Stichting NOB deze activiteiten in 2007 heeft verricht en is, daarvan uitgaande, van oordeel dat Stichting NOB in zoverre in hetzelfde marktsegment werkzaam is als waarbinnen de derden werkzaam zijn.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het gaat om hetzelfde verzorgingsgebied en dat de door verweerder vastgestelde subsidie mede strekt tot ondersteuning van die activiteiten, zodat aannemelijk is dat deze ondersteuning Stichting NOB in staat kan stellen haar diensten goedkoper te leveren dan de derden en dus gevolgen kan hebben voor hun omzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/4093 en 09/5194

Uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2010

inzake

[eiseres 1],

te [woonplaats],

en

[eiseres 2],

te [woonplaats],

eiseressen,

[gemachtigde 1]

tegen

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

te Zoetermeer,

verweerder,

gemachtigden [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3].

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [Stichting], (hierna: Stichting) te Voorburg,

gemachtigden [gemachtigde 4], bestuurder / directeur van de Stichting en

[gemachtigde 5] werkzaam bij de Stichting.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2008 (hierna: vaststellingsbesluit) heeft verweerder de subsidie voor de Stichting over 2007 definitief vastgesteld op € 14.067.883,00.

Het hiertegen door [eiseres 1] (hierna: [eiseres 1]) en [eiseres 2] (hierna: Wereldschool) (hierna gezamenlijk ook wel: eiseressen) gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 1 september 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseressen hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep van [eiseres 1] is geregistreerd onder AWB 09/4093 en het beroep van de Wereldschool is geregistreerd onder

AWB 09/5194.

De zaak is behandeld op de zitting van 7 juni 2010, waar eiseressen zijn verschenen bij gemachtigde. Verweerder en de Stichting zijn eveneens verschenen bij gemachtigden. Van de zijde van [eiseres 1] is tevens verschenen [heer 1], directeur van [eiseres 1], en van de zijde van de Wereldschool is tevens verschenen [heer 2], directeur van de Wereldschool. van de zijde van verweerder is tevens verschenen [heer 3], werkzaam bij verweerder.

Overwegingen

1. Aan de orde is of verweerder het bezwaar van eiseressen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Feiten en omstandigheden

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiseressen voorzien in dienstverlening aan expatriate gezinnen op het terrein van onderwijskundige ondersteuning. De verschillende diensten omvatten onder andere het verzorgen van afstandonderwijs in de Nederlandse taal en cultuur. Daarnaast bieden zij consultancydiensten aan aan expatriate gezinnen gedurende het gehele traject van uitzending, waarbij ondersteuning en begeleiding wordt geleverd voor aanvang van vertrek bij het kiezen en organiseren van de opleiding in het buitenland en bij de terugkeer van de leerlingen naar Nederland.

4. De Stichting heeft tot taak om financiële ondersteuning te bieden aan voorzieningen voor Nederlands onderwijs in het buitenland door middel van doorbetaling van door de Nederlandse overheid beschikbaar te stellen subsidies.

5. In het Jaarverslag 2007 van de Stichting staat onder hoofdstuk 5. Dienstverlening aan aangesloten scholen en ouders het volgende vermeld.

“Informatie voor vertrekkende gezinnen

Onderzoek toont aan dat steeds meer Nederlandse gezinnen naar buitenland vertrekken. Een van onze doelen is deze gezinnen voldoende te informeren over het belang en de diverse mogelijkheden van Nederlands onderwijs wereldwijd.

Speciaal voor deze gezinnen is in 2007 het nieuwe magazine ‘met kinderen naar het buitenland’ ontwikkeld. (…)

Op de website staat ook veel informatie voor ouders en vinden zij links naar andere organisaties die handig zijn bij schoolkeuze of vertrek naar het buitenland. (…)

Ouders in het buitenland

In 2007 is voor de laatste keer het magazine BuitenBand in de huidige vorm verschenen. BuitenBand gaf ouders van leerlingen op aangesloten scholen algemene informatie over het vertrek naar en het verblijf in het buitenland en bij terugkeer naar Nederland, om hen daarbij te stimuleren de kinderen te ondersteunen bij de Nederlandse taal- en cultuurontwikkeling naast het Nederlandse onderwijs dat zij daar ter plekke krijgen. (…)”

6. Op de website van de Stichting stond ten tijde hier van belang het volgende vermeld.

“ Individueel onderzoek

Het is helaas tijdelijk niet meer mogelijk een afspraak te maken om uw kind te laten testen, in verband met onvoldoende beschikbare capaciteit, in de zomer van 2008. Wij verwijzen u naar andere (psychologische) onderzoeksbureaus. Ondermeer de volgende organisaties hebben ervaring met het testen van Nederlandse kinderen in het buitenland:

- (…)

- [eiseres 1] (…)

- De wereldschool (…)

Emotionele effecten bij vertrek

In sommige gevallen verloopt het proces van aanpassen en gewenning echter niet voorspoedig en kan een kind ongewenste overlevingsstrategieën ontwikkelen. De schoolprestaties kunnen verslechteren, het kind kan in zichzelf keren, boos en onhandelbaar worden of alles in het nieuwe land negatief beoordelen. Veel geduld en begrip zijn dan in ieder geval nodig en het is raadzaam om in zulke gevallen via de (Nederlandse) school of de [Stichting] advies in te winnen. (…)

Terugkeren naar Nederland

De doelstelling van alle bij de Stichting aangesloten scholen is het zoveel mogelijk bewerkstelligen van een goede aansluiting op het onderwijs in Nederland en het bevorderen van de schoolloopbaan van migrerende kinderen. Daartoe zet de [Stichting] zich in om de scholen en ouders van informatie te voorzien, te ondersteunen en te adviseren.

Individueel onderzoek en advies

Een belangrijke activiteit van de [Stichting] is het uitvoeren van individueel onderzoek van leerlingen in de leeftijd van 4 tot ongeveer 20 jaar en advisering aan ouders en/of scholen. (…) Op basis van onze ervaringen kunnen we ouders met vragen ook individueel advies geven, zonder dat een individueel onderzoek nodig is. (…)”

7. De Stichting ontvangt op basis van de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (hierna: Regeling) (Stcrt. 2007, 89) van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister) een subsidie voor het beheer van activiteiten en onderwijsvoorzieningen in het buitenland die geheel of gedeeltelijk door de overheid worden gesubsidieerd. De minister heeft de bevoegdheid tot het toekennen van deze subsidie aan onderwijsvoorzieningen met deze regeling gedelegeerd aan de Stichting.

8. Op grond van de artikelen 3 en 4 van de Regeling verleent de minister een subsidie ter ondersteuning van bij de Stichting aangesloten onderwijsvoorzieningen voor respectievelijk basisonderwijs en voor voortgezet onderwijs in het buitenland. Deze subsidie bestaat uit een bedrag per leerling.

9. Daarnaast verleent de minister op grond van artikel 5 van de Regeling jaarlijks aan de Stichting een subsidie ten behoeve van haar beheers- en bestuursactiviteiten een aanvullende subsidie, die bovendien strekt ter instandhouding van de Stichting. Hieronder wordt in ieder geval begrepen de bestrijding van de kosten van het verstrekken van informatie over het onderwijs aan naar het buitenland vertrekkende en naar Nederland terugkerende Nederlandse staatsburgers.

10. De Stichting subsidieert op haar beurt onderwijsvoorzieningen door middel van een bedrag per leerling. Zij maakt daarbij onderscheid tussen onderwijsvoorzieningen die contactonderwijs bieden en onderwijsvoorzieningen die afstandsonderwijs bieden (waaronder eiseressen). Van het bedrag per leerling dat de Stichting van de minister ontvangt voor contractsonderwijs houdt de Stichting in 15% voor apparaatskosten en 20% voor goede raad en keert zij 65% uit aan de onderwijsvoorziening. Van het bedrag per leerling dat de Stichting van de minister ontvangt voor afstandsonderwijs houdt de Stichting in 15% voor apparaatskosten en keert zij 85% uit aan de onderwijsvoorziening.

11. Bij besluit van 5 september 2009 heeft verweerder de Stichting op grond van de Regeling over het jaar 2007 een subsidie verleend van € 14.148.665,00 (hierna: verleningsbesluit).

12. Bij brief van 17 oktober 2007 heeft [eiseres 1] verweerder – kort gezegd – meegedeeld dat de subsidieverlening op grond van de Regeling onrechtmatig is. In deze brief heeft [eiseres 1] uiteengezet zich te realiseren dat in deze fase het starten van een juridische procedure te voortvarend is en heeft zij voorgesteld om met verweerder en de Stichting tot een oplossing te komen. Tevens heeft zij verweerder meegedeeld dat, mocht een oplossing niet mogelijk zijn, zij haar rechten voorbehoudt stappen in rechte te ondernemen om de onrechtmatige verstrekking van staatssteun te doen stopzetten.

13. Bij brieven van 8 november 2007 en 7 april 2008 heeft verweerder gereageerd op de brief van [eiseres 1].

14. Bij brief van 14 april 2008 heeft [eiseres 1] gereageerd op de brief van verweerder van

7 april 2008 en heeft zij verweerder verzocht om toezending van de vaststellingsbeschikking van de subsidie aan de Stichting over het jaar 2007-2008, alsmede alle andere beschikkingen met betrekking tot de verstrekking van subsidie op grond van de Regeling reeds afgegeven en voor de toekomst teneinde via de bestuursrechtelijke weg verweerder in rechte te kunnen betrekken. Met betrekking tot de subsidiebeschikking over het jaar 2007-2008 heeft [eiseres 1] verweerder verzocht alvast een termijn te geven om bezwaar te maken, nu de termijnoverschrijding ten aanzien van die beschikking verschoonbaar is, aangezien [eiseres 1] als belanghebbende nimmer in kennis is gesteld van de afgifte van deze beschikking.

15. Bij brief van 23 april 2008 heeft verweerder gereageerd op de brief van [eiseres 1] en haar (onder meer) meegedeeld dat een vaststellingsbeschikking nog niet is genomen.

16. Op 29 oktober 2008 heeft verweerder het vaststellingsbesluit genomen. Bij brief van

6 november 2008 is dit besluit aan de gemachtigde van eiseressen toegezonden.

17. Bij brief van 28 november 2008 hebben eiseressen bezwaar gemaakt tegen het vaststellingsbesluit.

18. Bij besluit van 1 september 2009 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseressen, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 augustus 2009, niet-ontvankelijk verklaard.

19. In dit besluit heeft verweerder uiteengezet dat de systematiek van de artikelen 4:42 en 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 4:31 van die wet meebrengt dat aspecten van subsidieverlening die niet in rechte zijn aangevochten bij de vaststelling van de subsidie niet meer ter discussie kunnen staan. Volgens verweerder treft het argument van eiseressen, dat aan hen als derde belanghebbenden het verleningsbesluit niet is bekendgemaakt en om die reden aan hen niet kan worden tegengeworpen dat zij daartegen geen bezwaar hebben gemaakt, geen doel. Voorts heeft verweerder uiteengezet dat hij de brief van [eiseres 1] van 17 oktober 2007 niet heeft hoeven aanmerken als een bezwaarschrift tegen het verleningsbesluit. Ten slotte heeft verweerder gesteld dat eiseressen niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

De standpunten van partijen

20. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat het verleningsbesluit onaantastbaar is, dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, dat de brief van 17 oktober 2007 geen bezwaarschrift is en dat eiseressen geen belanghebbende zijn. Wat betreft het laatste punt heeft verweerder meer in het bijzonder het volgende aangevoerd.

21. Volgens verweerder ontplooit de Stichting geen activiteiten waarmee zij in concurrentie treedt met eiseressen en hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat – mocht wel van enige concurrentie sprake zijn – zij daar daadwerkelijk nadeel van ondervinden. De taak van de Stichting om Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland te ondersteunen, omvat eerst en vooral ook de gratis eerstelijnsdienstverlening aan de Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland (contactonderwijs). Het in dit kader ingehouden bedrag op de subsidies (20% van het bedrag per leerling dat de Stichting van de Minister ontvangt voor het contactsonderwijs) wordt gebruikt ter advisering en ondersteuning van schoolbesturen, schoolleidingen en leerkrachten in het buitenland om het onderwijs kwalitatief op niveau te houden. Aangezien eiseressen zich niet richten op advisering en ondersteuning van leerkrachten, besturen en/of schoolmanagement, maar uitsluitend voorzien in individueel gerichte dienstverlening aan expatriate gezinnen (of hun werkgevers) op het terrein van onderwijskundige ondersteuning gedurende alle fasen van de uitzending, treden zij in zoverre niet in directe concurrentie met de Stichting.

Een concurrentieverhouding ontbreekt ook bij de door de Stichting verstrekte algemene informatie aan ouders. Het gaat om algemene informatie over onderwijs in het buitenland en over vertrek naar het buitenland, het verblijf daar en de terugkeer naar Nederland. De voorlichting kan bijvoorbeeld gaan over mogelijkheden voor Nederlands contact- of afstandsonderwijs in het buitenland. De kosten die met deze voorlichting gemoeid gaan worden gefinancierd uit de aanvullende financiering en uit een inhouding van 15% op het bedrag per leerling voor zowel contactonderwijs als afstandsonderwijs dat bestemd is voor apparaatskosten voor de Stichting. De Stichting doet niet meer dan het Nederlandse publiek in het algemeen en (potentiële) expatriate gezinnen in het bijzonder wijzen op de mogelijkheden om in het buitenland Nederlandstalig onderwijs te (blijven) volgen en hen daarover in algemene termen nader informeren. In feite gaat het om een informatievoorziening vergelijkbaar met die van Postbus 51. Deze informatieverstrekking is van een geheel andere aard en inhoud dan de gerichte informatie en dienstverlening die eiseressen (veelal) tegen vergoeding aan ouders verstrekken. De informatie die de Stichting verstrekt is algemeen van aard en wordt niet met een commercieel oogmerk verstrekt. De voorlichtingstaken die de Stichting zelf verricht vormen een onlosmakelijk onderdeel van de taak van de Stichting, namelijk het ondersteunen van Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland en van afstandsonderwijs. Daarmee geeft de Stichting invulling aan de sociale, culturele en opvoedkundige taak van de Nederlandse overheid, zodat niet van een economische activiteit kan worden gesproken.

22. Eiseressen kunnen zich niet met het besluit van 1 september 2009 verenigen en hebben hiertegen in beroep – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

23. In de eerste plaats hebben eiseressen aangevoerd dat zij op basis van de brief van

17 oktober 2007 door verweerder geïnformeerd hadden moeten worden over het verleningsbesluit. Omdat dit niet is gebeurd, kan hun niet worden tegengeworpen dat zij te laat waren met het indienen van een bezwaarschrift en is dus sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

24. In de tweede plaats hebben eiseressen aangevoerd dat, mocht de rechtbank hierover anders oordelen, de brief van 17 oktober 2007 moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het verleningsbesluit. Deze brief voldoet aan alle vereisten van artikel 6:5 van de Awb. Bovendien gaat het hier om de verwezenlijking van rechten op basis van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie)

(19 juni 1990, C-213/89, Factortame, 11 juli 1991, gevoegde zaken C-87/90, C-88/90 en C-89/90, Verholen e.a., 13 maart 2008, gevoegde zaken C-383/06 tot en met C-385/06, Vereniging Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening e.a., www.curia.europe.eu) stellen eiseressen dat niet kan worden staande gehouden dat de Awb gemeenschapsrechtconform wordt toegepast wanneer verweerder enerzijds het verleningsbesluit niet aan hen meedeelt en zij dus niet weten wanneer zij in bezwaar moeten komen. Dit terwijl anderzijds een brief, waarin bezwaren tegen dit besluit zijn opgenomen binnen de bij dit besluit behorende bezwaartermijn, is ingediend niet als bezwaarschrift wordt aangemerkt en eiseressen zelfs niet worden geïnformeerd over het feit dat het besluit reeds is genomen dan wel of [eiseres 1] deze brief mogelijk als bezwaarschrift had willen aanmerken.

25. In de derde plaats hebben eiseressen (ter zitting) aangevoerd dat verweerder en de Stichting zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat eiseressen geen concurrenten van de Stichting zouden zijn en daarom geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Wat betreft de 20% die de Stichting inhoudt voor het geven van goede raad en advies stellen eiseressen dat de Stichting hen rechtstreeks beconcurreert. Dit betreft niet het verstrekken van algemene informatie, maar gaat om consultancydiensten aan expatriate gezinnen vanaf de keuze voor en organisatie van de opleiding in het buitenland tot aan de terugkeer naar Nederland. Voor dezelfde consultancydiensten rekenen eiseressen een tarief van € 118 per uur, terwijl de Stichting hiervoor wordt gefinancierd uit de subsidie die verweerder verstrekt per leerling. Bovendien verleent de Stichting via de 20% inhouding diensten aan Intes B.V., waarvan de Stichting enig aandeelhouder is, die dezelfde onderzoeken verricht als eiseressen. Ook wat betreft de subsidie die de Stichting ontvangt op grond van artikel 5 van de Regeling is sprake van rechtstreekse concurrentie tussen de Stichting en eiseressen. Dit betekent dat de informatieverstrekking over onderwijs in het buitenland, de aard van deze activiteit, het doel waartoe de informatie strekt en het grote speelveld van klanten voor eiseressen en de Stichting gelijk is. Zij zijn dan ook in hetzelfde marktsegment werkzaam, waarbij naar het buitenland vertrekkende en naar Nederland terugkerende staatsburgers onderwijs genieten en daarover informatie verlangen. Eiseressen en de Stichting richten zich op dezelfde doelgroep in hetzelfde verzorgingsgebied, Nederland. Om die reden is sprake van een rechtstreeks concurrentiebelang. Dit concurrentiebelang wordt direct door de subsidieverlening aan de Stichting getroffen ten nadele van eiseressen.

26. De Stichting heeft – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

Eiseressen zijn geen belanghebbende bij het door verweerder genomen vaststellingsbesluit. Het vaststellingsbesluit is genomen in de relatie tussen verweerder en de Stichting en niet in de relatie tussen de Stichting en eiseressen. Voorts richten de bezwaren van eiseressen zich juist op de inhouding van 20% die alleen plaatsvindt in de subsidierelatie tussen de Stichting en onderwijsvoorzieningen die contactonderwijs aanbieden. Eiseressen bieden geen contactonderwijs aan maar afstandsonderwijs. Bovendien zijn eiseressen geen concurrenten van de Stichting, omdat eiseressen zich richten op ouders en leerlingen en de Stichting zich richt op docenten en scholen.

Het wettelijke kader

27. Het wettelijke kader luidt als volgt.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van deze wet, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en vervolgens beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 6:4, eerste lid, van de Awb geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb wordt het bezwaarschrift ondertekend en bevat het bezwaarschrift ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht.

De beoordeling

28. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder bij besluit van 1 september 2009 heeft beslist op het bezwaarschrift van eiseressen van 28 november 2008. De rechtbank is van oordeel dat dit bezwaarschrift uitsluitend is gericht tegen het vaststellingsbesluit en dus niet, zoals eiseressen betogen, ook tegen het verleningsbesluit. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

29. Voorop moet worden gesteld dat blijkens de Afdelingen 4.2.3 en 4.2.5 van de Awb een onderscheid bestaat tussen de subsidieverlening en de subsidievaststelling en dat tegen een beschikking tot subsidieverlening en tegen een beschikking tot subsidievaststelling afzonderlijk bezwaar en beroep openstaat. In het door eiseressen ingediende bezwaarschrift staat vermeld dat zij bezwaar maken tegen het vaststellingsbesluit. Uit dit bezwaarschrift blijkt niet – ook niet gelezen in samenhang met de brief van [eiseres 1] van 17 oktober 2007 – dat het bezwaarschrift mede is gericht tegen het verleningsbesluit. Een omschrijving van het verleningsbesluit ontbreekt. Het Europees recht en meer in het bijzonder de door eiseressen vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie brengt niet mee dat het bezwaarschrift van 28 november 2008 geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het verleningsbesluit, aangezien hiertegen afzonderlijk bezwaar en beroep openstaat. Dat eiseressen aanvankelijk niet bekend zouden zijn met het verleningsbesluit, kan niet leiden tot een ander oordeel, omdat zij, eenmaal bekend met dit verleningsbesluit, niet door middel van een geschrift kenbaar hebben gemaakt dat het bezwaarschrift van 28 november 2008 mede hiertegen is gericht.

30. Voorts heeft verweerder de brief van 17 oktober 2007 van [eiseres 1], gezien de inhoud ervan, terecht niet aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het verleningsbesluit. Deze brief behelst niet meer dan de mededeling dat de subsidieverlening op grond van de Regeling in zijn algemeenheid onrechtmatig is. Uit de brief blijkt niet dat bezwaar wordt gemaakt tegen het concrete verleningsbesluit. Bovendien deelt [eiseres 1] verweerder hierin mee zich te realiseren dat het starten van een juridische procedure te voortvarend is en doet zij een voorstel aan verweerder om tot een oplossing te komen.

31. Aangezien geen bezwaarschrift tegen het verleningsbesluit voorligt, komt de rechtbank hier niet toe aan een beoordeling of sprake is van een verschoonbaar te laat ingediend bezwaarschrift tegen dat verleningsbesluit.

32. Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of eiseressen belanghebbende zijn bij het vaststellingsbesluit, waarbij verweerder de subsidie van de Stichting heeft vastgesteld.

33. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2008, www.rechtspraak.nl, LJN: BB8940) volgt dat een derde op grond van een concurrentiepositie als belanghebbende bij een besluit tot subsidieverlening kan worden aangemerkt, indien de subsidie strekt tot ondersteuning van bedrijfsactiviteiten, uit te voeren binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als waarbinnen de derde werkzaam is. Hoewel het hier, anders dan in deze rechtspraak, niet gaat om subsidieverlening, maar om subsidievaststelling, zal de rechtbank bij de beantwoording van bedoelde vraag aansluiting zoeken bij deze rechtspraak en onderzoeken of de door verweerder vastgestelde subsidie van de Stichting strekt tot ondersteuning van bedrijfsactiviteiten, uit te voeren binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als waarbinnen eiseressen werkzaam zijn. Anders dan de Stichting betoogt is dus niet van belang in welke relatie de subsidie is verstrekt, maar is bepalend waartoe de subsidie strekt.

34. Met betrekking tot het betoog van eiseressen dat – kort gezegd – de Stichting binnen hetzelfde marktsegment werkzaam is als eiseressen overweegt de rechtbank als volgt.

35. De rechtbank is van oordeel dat de Stichting niet in hetzelfde marktsegment werkzaam is als eiseressen voor zover de Stichting algemene informatie verstrekt dan wel informatie verstrekt aan leerkrachten, schoolbesturen en schoolmanagement.

36. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de hiervoor onder punt 5 weergegeven passages van het Jaarverslag 2007 van de Stichting onvoldoende blijkt dat de informatieverstrekking van de Stichting verder gaat dan het verstrekken van algemene informatie.

37. Daarentegen is de rechtbank met eiseressen van oordeel dat uit de hiervoor onder punt 6 weergegeven passages van de website van de Stichting, blijkt dat de Stichting niet alleen algemene informatie verstrekt, maar ook individuele adviezen geeft aan ouders over Nederlands onderwijs in het buitenland en daarbij ondersteuning en begeleiding biedt. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Stichting deze op de website vermelde individuele activiteiten in 2007 niet heeft verricht. Verweerder heeft (bij de bezwaarschriftencommissie en ter zitting) weliswaar gesteld dat de Stichting de op de website vermelde individuele activiteiten niet zelf heeft verricht en al vóór 2007 heeft ondergebracht bij Intes B.V, een afzonderlijke en op afstand van de Stichting geplaatste rechtspersoon. Maar eiseressen betwisten deze stelling en hebben er op gewezen dat bedoelde activiteiten nog in mei 2009 op de website van de Stichting stonden vermeld. De rechtbank realiseert zich dat het voor verweerder nagenoeg onmogelijk is te bewijzen dat de Stichting deze activiteiten in 2007 niet heeft verricht, terwijl de rechtbank aan de andere kant ook ziet dat het voor eiseressen een lastige opgave zal zijn te bewijzen dat de Stichting bedoelde activiteiten in 2007 wel heeft verricht. Aangezien de Stichting de gewraakte gegevens op haar website heeft gezet en dus verantwoordelijk is voor de ontstane verwarring, zal de rechtbank om die reden en om reden dat het hier alleen gaat om de vraag of eiseressen belanghebbenden zijn en dus of zij toegang tot de bestuursrechter hebben, eiseressen het voordeel van de twijfel geven.

38. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de Stichting de op haar website vermelde individuele activiteiten in 2007 heeft verricht. Hiervan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de Stichting in zoverre in hetzelfde marktsegment werkzaam is als waarbinnen eiseressen werkzaam zijn.

39. De rechtbank is voorts van oordeel dat de Stichting bedoelde individuele activiteiten in 2007 heeft verricht binnen hetzelfde verzorgingsgebied als waarbinnen eiseressen deze activiteiten in 2007 hebben verricht. Gelet op de in de Regeling neergelegde wijze van financiering van de Stichting, waaruit volgt dat alle activiteiten van de Stichting worden gesubsidieerd, is aannemelijk dat de door verweerder vastgestelde subsidie van de Stichting mede is aangewend voor ondersteuning van die individuele activiteiten van de Stichting. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat deze ondersteuning de Stichting in staat kan stellen haar diensten goedkoper te leveren dan eiseressen en dus gevolgen kan hebben voor de omzet van eiseressen.

40. Dat de Stichting de informatie niet met een commercieel oogmerk zou verstrekken, betekent niet dat evenbedoelde individuele activiteiten van de Stichting geen economische activiteiten zijn. Niet aannemelijk is geworden dat deze individuele activiteiten niet los kunnen worden gezien van de andere werkzaamheden van de Stichting. Voorts komt betekenis toe aan het feit dat eiseressen soortgelijke activiteiten als particuliere ondernemingen uitoefenen.

41. De conclusie is dat eiseressen belanghebbende zijn bij het vaststellingsbesluit, waarbij verweerder de subsidie van de Stichting over 2007 heeft vastgesteld.

42. Verweerder heeft het bezwaar van eiseressen dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De door eiseressen ingestelde beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 1:2, 7:1 en 8:1 van de Awb in onderling verband bezien. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

43. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift (samenhangende zaken);

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting (samenhangende zaken);

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseressen het door ieder van hen gestorte griffierecht ten bedrage van € 297,00 dient te vergoeden.

44. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de door eiseressen ingestelde beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan [eiseres 1] het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 297,00;

- bepaalt dat verweerder aan Wereldschool het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 297,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00.

Aldus gedaan door mr. D.J. Hutten als voorzitter en mr. R.J.A. Schaaf en mr. A. Venekamp als leden in tegenwoordigheid van M.L. van Veen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2010.