Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2845

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
189729 - HA ZA 09-583
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling; grondslag betaling; wijziging hoedanigheid eisers tijdens geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 189729 / HA ZA 09-583

Vonnis van 28 juli 2010

in de zaak van

1. JAAP ANNE VAN DER MEER

2. PIETER RUDOLF DEKKER

3. GEURT TE BIESEBEEK

allen optredend in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van

EASY LIFE INVESTMENT B.V.

gevestigd te Helmond

eisers,

advocaat mr. S. Koerselman te Best,

tegen

1. [gedaagde sub 1]

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats]

gedaagden,

advocaat mr. S.M. van Elst te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de curatoren en [gedaagden] genoemd worden. Waar gedaagden afzonderlijk worden bedoeld zullen zij met hun eigen (achter-)naam worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 mei 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 8 december 2009

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Easy Life Investment BV (‘ELI’) is een vennootschap die zich bezig hield met het afkopen van levensverzekeringen en het doen van beleggingen. Zij is opgericht in november 2005 en in staat van faillissement verklaard op 14 oktober 2008. Tijdens haar bestaan heeft ELI in totaal een bedrag van meer dan EUR 41.000.000,- aangetrokken. In de periode van 6 maart 2007 tot 18 maart 2008 was [X] bestuurder van ELI. [X] is een neef van [gedaagde sub 1].

2.2. [gedaagden] heeft gekocht en bij akte van levering van 11 september 2007 de eigendom verworven van een horecagelegenheid (cafetaria) met magazijn, bovenwoning, ondergrond en erf, staande en gelegen te [adres]. De koopsom voor het registergoed en de van het gekochte deel uitmakende inventaris bedroeg met inbegrip van kosten EUR 411.027,25. [gedaagden] heeft ter zake de financiering van de aankoop een hypothecaire geldlening aangetrokken ad EUR 247.500,-. Voorts heeft ELI voorafgaand aan de levering een bedrag ad EUR 163.527,25 onder de notaris gestort, waarmee het restant van de door [gedaagden] verschuldigde koopsom c.a. is voldaan.

2.3. De curatoren hebben ter verzekering van hun verhaalsrechten jegens [gedaagden] conservatoir na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter beslag doen leggen op enige aan [gedaagden] in eigendom toebehorende onroerende goederen, waaronder de sub 2.2. bedoelde horecagelegenheid.

3. Het geschil

3.1. De curatoren vorderen samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van EUR 163.527,25, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de datum der dagvaarding alsmede de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen, dit alles bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad.

De curatoren leggen aan hun vordering ten grondslag – kort gezegd – dat de betaling van ELI ad EUR 163.527,25 zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd is geschied. Voor zover aan de betaling een rechtshandeling van ELI ten grondslag ligt roepen de curatoren de vernietiging daarvan in op voet van art. 42 Faillissementswet (Fw), als gevolg waarvan aan de betaling de rechtsgrond is komen te ontvallen en het door ELI betaalde bedrag als onverschuldigd dient te worden terugbetaald. Verder zijn [gedaagden] als gevolg van de betaling van ELI ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van ELI. Tenslotte hebben [gedaagden] onrechtmatig jegens ELI gehandeld door medewerking te verlenen aan het onttrekken van gelden aan ELI, welke gelden bestemd waren om te beleggen in levensverzekeringspolissen. De schade van (de gezamenlijke crediteuren van) ELI als gevolg hiervan beloopt EUR 163.527,25.

3.2. [gedaagden] voert verweer. Hij betwist dat er ooit een rechtsrelatie met ELI heeft bestaan. Er is slechts sprake van een rechtsverhouding tussen gedaagden en [X], op grond waarvan laatstgenoemde een bedrag van EUR 163.527,25 renteloos heeft geleend ten behoeve van de aankoop van het horecapand te Someren, welke geldlening vervolgens door [X] is kwijtgescholden, welke kwijtschelding door [gedaagden] is aanvaard. De omstandigheid dat het geld van de geldlening afkomstig is van een bankrekening van ELI doet geen directe rechtsverhouding tussen [gedaagden] en ELI ontstaan. Subsidiair – voor zover de rechtbank wel uitgaat van het bestaan van een directe rechtsverhouding tussen [gedaagden] en ELI - betwist [gedaagden] dat sprake is van onverschuldigde betaling respectievelijk ongerechtvaardigde verrijking. De rechtsgrond voor de betaling was immers gelegen in de tussen gedaagden en [X] gesloten overeenkomst van geldlening. Er is geen sprake van paulianeuze rechtshandelingen; zowel het aangaan van de geldlening als de kwijtschelding hebben meer dan een jaar voor het faillissement plaatsgevonden. [gedaagden] wist noch behoorde te weten dat genoemde rechtshandelingen tot benadeling van schuldeisers van ELI zouden leiden. Voor zover een beroep op artikel 42 Fw ten aanzien van de kwijtschelding zou slagen heeft dit niet tot gevolg dat ook de geldlening opeisbaar is; ook dan dient de vordering van de curatoren te worden afgewezen. [gedaagden] bestrijdt tenslotte eveneens dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door medewerking te verlenen aan het onttrekken van gelden aan ELI. Hij wist niet eens dat het geld afkomstig was van ELI; hij ging er van uit dat[X] afkomstig was.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De curatoren hebben primair aangevoerd dat – voor zover hen bekend - aan de verstrekking door ELI van het bedrag ad EUR 163.527,25 geen (schriftelijke) overeenkomst ten grondslag ligt, dat deze betaling (dus) onverschuldigd is gedaan en dat de curatoren dit bedrag uit dien hoofde terugvorderen.

4.1.1. [gedaagde sub 1] heeft ter comparitie onder meer het volgende verklaard:

“In de tijd dat ik mijn beroep als parketlegger moest staken vanwege gezondheidsklachten heb ik wel eens met hem ([X], rb) gesproken over plannen om een pand te kopen, opknappen en verkopen en dat ik dat graag samen zou willen doen met een vriend van mij, [gedaagde sub 3], die net zijn cafetaria verkocht had. X gaf toen aan dat hij me daar eventueel wel bij wilde helpen. Wij zijn toen op zoek gegaan naar en pand. Wij hebben zelf taxaties geregeld en het pand gevonden. Toen wij geld te kort kwamen hebben wij mijn neef [X] gebeld. Hij gaf aan dat hij ons wel een lening wilde geven. Wij hoefden daar geen rente voor te betalen en over terugbetaling of zekerheden werd niet gesproken. (…) Circa een maand na de aankoop, zijn wij met zijn allen uit eten geweest. [X] vertelde ons toen dat hij zijn geld niet terug hoefde te hebben omdat hij het ons zou schenken. Dat verbaasde ons wel, maar we wisten ook dat zijn zaken goed gingen.”

[gedaagde sub 3] heeft hierover ter comparitie verklaard:

“Er was sprake van een renteloze lening, dat was het enige wat duidelijk was. [X] wilde ons helpen voor de toekomst. Zodat wij onze toekomst veilig konden stellen. Er zaten verder voor ons geen voorwaarden aan vast. Het was ons eigen idee om het geld terug te betalen uit de overwaarde bij verkoop, maar wij hebben dat niet met [X] besproken; het maakte hem kennelijk niet uit wanneer hij het geld terug zou krijgen. Met hem hebben we dus niets over terugbetaling afgesproken. Eigenlijk was het te mooi om waar te zijn”.

Ter comparitie heeft mr Van der Meer onder meer verklaard:

“Zoals het staat in de lastgevingsovereenkomst op pagina 3 vierde bullit, zo is de verantwoording van de betaling ook aangetroffen in de boekhouding. De betaling is in rekeningcourant geboekt bij CNRE, die het op haar beurt in rekeningcourant heeft geboekt ten laste van [gedaagde sub 1] Beheer B.V.. Deze Beheer B.V. heeft het weer in een rekeningcourant geboekt ten laste van [X], alwaar het is gelabeld als ‘prive-investering’. Dat wisten wij al toen wij in deze zaak gingen procederen. (…). Ik heb [X] niet gesproken over deze kwestie, ook niet naar aanleiding van het verweer van gedaagden in deze zaak. Aan te nemen valt echter dat zijn lezing niet wezenlijk afwijkt van die welke gedaagden hier vandaag presenteren. En ik heb dan ook geen reden om te twijfelen aan het bestaan van de door hen gestelde overeenkomst van geldlening zoals zij die hier ter zitting hebben toegelicht.”

4.1.2. Op grond van de hiervoor kort aangehaalde ter comparitie afgelegde verklaringen alsmede de door mr. Van der Meer in zijn verklaring aangehaalde overeenkomst van lastgeving moet het er voor de verdere beoordeling voor worden gehouden dat de betaling door ELI op de derdenrekening van de notaris ten behoeve van het transpost van de horecagelegenheid haar grondslag vindt in de tussen gedaagden en [X] gesloten overeenkomst van geldlening, waarbij deze betaling bij ELI middellijk (via een tweetal eveneens gefailleerde en kennelijk tot de Easy Life groep behorende vennootschappen) in rekeningcourant is geboekt van de – inmiddels eveneens gefailleerde- [X].

De omstandigheid dat er tussen ELI en [gedaagden] geen rechtstreekse rechtsbetrekking bestaat of bestaan heeft die als grondslag kan dienen voor de betaling door ELI doet er niet aan af dat deze betaling haar rechtvaardiging vindt in de overeenkomst van geldlening tussen [[X]. Door de curatoren is niet gesteld dat zij, in hoedanigheid van [X], de overeenkomst van geldlening met [gedaagden] noch de kwijtschelding hebben vernietigd, zodat deze overeenkomst onverminderd als grondslag dient voor de door ELI verrichte betaling. Daarmee is deze betaling niet onverschuldigd gedaan zodat de vordering tot terugbetaling uit dien hoofde moet worden afgewezen.

4.2. Nu vast is komen te staan dat de betaling door ELI haar rechtsgrond vindt in de overeenkomst van geldlening tussen gedaagden en [X] kan naar het oordeel van de rechtbank in deze geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagden] ten koste van ELI. Voor zover al sprake is van verrijking van [gedaagden] vindt deze verrijking immers haar rechtvaardiging in rechtshandelingen (de overeenkomst van geldlening en de daarop gevolgde kwijtschelding). Omstandigheden welke deze verrijking desondanks ongerechtvaardigd doen zijn zijn gesteld noch gebleken.

4.3. Ook het beroep op vernietiging ex artikel 42 Fw kan de curatoren niet baten. Voor zover hun beroep ziet op een tussen ELI en [gedaagden] verrichte rechtshandeling welke als grondslag heeft gediend voor de betaling is hiervoor reeds overwogen dat de betaling daarin haar rechtvaardiging niet vindt doch in de overeenkomst van geldlening tussen gedaagden en [X]. Voor zover curatoren evenwel met hun beroep op vernietiging het oog hebben op die overeenkomst van geldlening (of de kwijtschelding) komt die bevoegdheid niet aan hen maar aan de curatoren in het faillissement van[X] toe. Gelijk hiervoor reeds gememoreerd is gesteld noch gebleken dat de curatoren in dat faillissement een beroep hebben gedaan op vernietiging van rechtshandelingen welke aan de betaling aan [gedaagden] ten grondslag hebben gelegen.

4.4. De curatoren hebben tenslotte aangevoerd dat [gedaagden] onrechtmatig jegens ELI hebben gehandeld door medewerking te verlenen aan het onttrekken van gelden aan ELI welke bestemd waren om te beleggen in levensverzekeringspolissen en dat de gezamenlijke schuldeisers van ELI daardoor EUR 163.527,25 schade hebben geleden.

[gedaagden] hebben aangevoerd dat zij eerst kort nadat zij door de curatoren van ELI werden aangeschreven op de hoogte raakten van het feit dat het geld van de geldlening rechtstreeks afkomstig was van de bankrekening van ELI. Verder hebben [gedaagden], zo stellen zij, net als eenieder pas voor het eerst via berichten in de media vernomen over de kennelijke gang van zaken binnen de onderneming van ELI.

Mr. Van der Meer heeft ter comparitie aangevoerd dat de stelling van de curatoren dat [gedaagden] wisten dat zij meewerkten aan het onttrekken van gelden aan ELI is gestoeld ‘op de naaste familieband tussen enkele gedaagden en [X] alsmede op het feit dat het geld tegen uitzonderlijk gunstige condities werd verstrekt. Gedaagden hadden kunnen en moeten weten dat het geld voor de financiering van het cafetaria aan de vennootschap werd onttrokken. Zij konden weten dat de heer [gedaagde sub 1] het geld zelf niet had omdat zij ook zijn werkgeschiedenis kenden’.

De rechtbank is van oordeel dat - in het licht van het gemotiveerde verweer van [gedaagden] aangaande hetgeen hem ten tijde van de betaling op de derdenrekening van de notaris bekend was omtrent de herkomst van deze betaling - de stelling van de curatoren dat [gedaagden] wist dat hij meewerkte aan het onttrekken van gelden aan ELI zoals in de dagvaarding gesteld en ter comparitie uitgewerkt onvoldoende is onderbouwd. Het enkele feit dat enige gedaagden in een familiebetrekking staan tot de bestuurder van ELI brengt op zichzelf nog niet met zich dat die gedaagden daarmee ook op de hoogte moeten worden geacht van het wel en wee binnen die vennootschap. De omstandigheid dat zij tegen gunstige condities geld van deze bestuurder konden lenen en deze geldlening zelfs kort daarop werd kwijtgescholden maakt dat niet anders nu deze geldschieter naar de buitenwereld toe kennelijk het beeld van een man ‘in bonis’ creëerde, gelet op de door de curatoren in de dagvaarding beschreven, met ingelegde beleggingsgelden bekostigde, excessieve levensstijl. Aangezien de curatoren niets hebben aangevoerd met betrekking tot de ‘werkgeschiedenis van [X] valt zonder nadere toelichting evenmin te begrijpen waarom [gedaagden] uit die ‘werkgeschiedenis’ hadden moeten begrijpen dat de middelen voor de geldlening afkomstig waren van ELI en bestemd om te beleggen in levensverzekeringen. Uit de stellingen van de curatoren volgt eenvoudigweg niet dat en waarom [gedaagden] moesten weten en begrijpen dat de middelen voor de aan hen verstrekte geldlening afkomstig waren uit het vermogen van ELI en dat deze geldlening en de daaropvolgende kwijtschelding ten koste ging van de gezamenlijke schuldeisers van ELI.

4.5. Bij gelegenheid van de comparitie na antwoord hebben de curatoren in het geding gebracht een overeenkomst van lastgeving. Deze overeenkomst luidt, voor zoveel hier van belang, als volgt:

“• Dat curatoren in het faillissement van de heer [gedaagde sub 1] en/of CNRE en/of [gedaagde sub 1] Beheer (mrs Van der Meer, Dekker en Te Biesebeek, rb) als lastgever(s) de curatoren in het faillissement van ELI opdracht willen geven om als lasthebber de vordering van de heer [gedaagde sub 1] op [gedaagden] te incasseren, uitsluitend indien en voor zover de vordering van ELI op [gedaagden] op grond van onverschuldigde betaling in rechte niet zou komen vast te staan. (…)

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

Artikel 1: lastgeving

Indien en voor zover in bovengemelde procedure de vordering van ELI op [gedaagden] niet in rechte zou komen vast te staan, geeft c.q. geven lastgever(s) bij voorbaat door ondertekening van deze overeenkomst, opdracht aan lasthebber, die deze opdracht bij deze aanvaardt, om voor rekening van lastgever(s) in eigen naam de vordering van lastgever(s) op [gedaagden] in rechte te incasseren door de procedure op eigen naam te voeren c.q. voort te zetten, waarbij lasthebber tevens de bevoegdheid heeft om ten aanzien van die vordering schikkingen aan te gaan, hiervan betaling te ontvangen en daarvoor kwijting te verlenen danwel anderszins over deze vordering te beschikken en ter zake alles te doen wat lastgever, zelf tegenwoordig zijnde, zou kunnen, mogen of moeten doen, in de meest ruime zin.

(…)

Artikel 4: Bedoeling van partijen

Partijen wensen met deze overeenkomst vast te leggen dat, indien en voor zover in bovengemelde procedure de vordering van ELI op [gedaagden] niet in rechte zou komen vast te staan, lasthebbers de verplichting hebben om de vordering ten behoeve van lastgever(s) te incasseren, zoals omschreven in artikel 1’.

Met een beroep op deze overeenkomst stellen curatoren dat zij de vordering op [gedaagden] ook kunnen incasseren in het geval zou komen vast te staan dat de vordering op [gedaagden] niet in het vermogen valt van ELI, maar in het vermogen van een van de andere gefailleerde – kennelijk tot de Easy Life groep behorende – (rechts-)personen (CNRE BV, [gedaagde sub 1] Beheer BV of [X]). De curatoren beroepen zich daarbij onder meer op arresten en literatuur .

[gedaagden] verzet zich er tegen dat de curatoren via deze overeenkomst van lastgeving tevens vorderen uit hoofde van hetgeen de curatoren in de andere faillissementen mogelijk van hem te vorderen hebben. De curatoren kunnen aldus geen wijziging brengen in de hoedanigheid waarin zij procederen.

Met gedaagden is de rechtbank van oordeel dat de curatoren, blijkens de inleidende dagvaarding uitdrukkelijk en uitsluitend handelend in hun hoedanigheid van curatoren van Easy Life Investment BV, tijdens het geding geen wijziging kunnen aanbrengen in de hoedanigheid waarin zij procederen door hun vordering niet langer (alleen) te baseren op hetgeen zij als curatoren in het faillissement van ELI van [gedaagden] te vorderen hebben, maar de grondslag van hun vordering uit te breiden tot hetgeen zij als lasthebbers van de curatoren in de faillissementen van CNRE B.V., [gedaagde sub 1] Beheer B.V. en/of [X] van [gedaagden] kunnen vorderen . De door de curatoren aangehaalde rechtspraak ziet op situaties waarin tijdens de loop van het geding een vordering werd gecedeerd, al dan niet ter incasso, terwijl ook Vermeulen in het door de curatoren aangehaalde artikel het hiervoor omschreven – in constante rechtspraak neergelegde - uitgangspunt (geen wijziging van hoedanigheid tijdens de procedure) onderschrijft.

4.6. Het vorenstaande leidt er toe dat de vorderingen van de curatoren moeten worden afgewezen en de kosten van de procedure ten laste van hen dienen te worden gebracht. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden tot heden begroot op:

- vast recht EUR 1.185,-

- salaris advocaat (Tarief V, 2 pnt) EUR 2.842,-

EUR 4.027,-

5. De beslissing

De rechtbank

Wijst de vorderingen af

Veroordeelt de curatoren in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagden] tot heden begroot op EUR 4.027,-

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.